Tekst van de beslissing
Hof van Cassatie van België
Arrest
Nr. F.08.0084.F
BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,
tegen
G.C., naamloze vennootschap,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 25 april 2008 gewezen door het
hof van beroep te Luik.
Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 81bis, §1, eerste en derde lid, 3°, 93quaterdecies, §§ 2 en 3, van de wet
van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde
waarde, en voor zoveel nodig, 53 van de wet van 15 maart 1999.
Aangevochten beslissing
Het arrest verklaart het hoofdberoep van de eiser slechts zeer ten dele gegrond en
veroordeelt hem om aan de verweerster het bedrag van 182.940 euro terug te betalen,
vermeerderd met de interest, berekend tegen de wettelijke rentevoet vanaf 14 januari
2005. Het beslist aldus om de volgende redenen:
"De memorie van toelichting bij (artikel 81bis, §1, derde lid, 3°, van het Wetboek van de
belasting over de toegevoegde waarde) (…) vermeldt het volgende: 'in navolging van de
rechtspraak over de inkomstenbelasting is de overgang naar de zevenjarige
verjaringstermijn bovendien mogelijk wanneer het misdrijf aan het licht is gekomen: (…)
door bewijskrachtige inlichtingen met een hogere waarde dan aanwijzingen, die onder
meer afkomstig zijn van een belastingadministratie van het koninkrijk'; (…) de
handleiding bij de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt onder punt 625/5 in
verband met die bepaling het volgende: als bewijskrachtige gegevens gelden onder meer
de resultaten van een controle, een onderzoek, een schatting, een minnelijke schikking,
etc., waarmee de betrokken belastingplichtige heeft ingestemd, alsook vaststellingen van
opsporingsdiensten die de bekentenis van de belastingplichtige dragen, resultaten van
onderzoekingen verricht door andere administraties en waarmee de belastingplichtige
heeft ingestemd, een tot op het ogenblik van de ontdekking onbekend gebleven
onderhandse akte of de resultaten van een controle in een land waarmee België geen
dubbelbelastingverdrag heeft afgesloten (…). Er wordt evenwel opgemerkt dat sinds de
oprichting van de administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit op 1 juli
1997, die de ambtenaren van de sector BTW van de administratie van de BTW, registratie
en domeinen, enerzijds, en de ambtenaren van de administratie der directe belastingen,
anderzijds hergroepeert, inlichtingen die worden uitgewisseld tussen beide groepen
ambtenaren niet langer beschouwd worden als afkomstig van een 'andere' fiscale
administratie'; (…) de woorden 'waarvan de administratie kennis heeft gekregen'
impliceren dus dat de bewijskrachtige gegevens waarop de administratie zich baseert om
de belasting over de toegevoegde waarde vast te stellen niet zijn ingezameld door de
administratie die de belasting heeft vastgesteld, maar volgen uit gegevens die haar door
een zusteradministratie of door een derde ter kennis gebracht zijn; (…) in deze zaak volgt
uit het proces-verbaal van 8 december 2004 (…), meer bepaald uit de passage dat 'de
(verweerster) die haar rekeningen per kalenderjaar afsluit en die bij de controle van de
cvba Entreprises Monjardin et Cie ondervraagd werd binnen de gewone
verjaringstermijn van drie jaar, op 29 januari 2003 een dossier heeft meegedeeld waaruit
blijkt dat zij onrechtmatige belastingaftrekken heeft verricht vanaf 1 april 1999', dat de
gegevens die de AOIF van luik I als bewijskrachtig heeft beschouwd om de litigieuze
aftrekken te verwerpen, door diezelfde administratie zijn ingezameld bij de behandeling
van het dossier van de medecontracterende vennootschap (Entreprises Monjardin) ; (…)
het betreft hier geen gegevens waarvan de administratie kennis heeft gekregen in de zin
van het bovenvermelde artikel 81bis, §1, derde lid, 3°, maar gegevens die deze
administratie zelf heeft ingezameld; (…) de in deze bepaling bedoelde zevenjarige termijn
kan daarom niet worden toegepast (…); de vordering tot voldoening van de belasting is
dus overeenkomstig artikel 81bis, §1, eerste lid, van het BTW-wetboek, verjaard na het
verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van
opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft
voorgedaan;
(…) Uit het onderzoek van de tabel in de berekeningsnota die als bijlage gevoegd is bij
het proces-verbaal dat aan het litigieuze dwangbevel ten grondslag ligt, volgt dat de
vordering tot voldoening van de belasting die van de litigieuze facturen is afgetrokken, op
1 januari 2003 verjaard was voor de facturen die in 1999 waren opgemaakt en op 1
januari 2004 voor de facturen die in 2000 waren opgemaakt, en dat alleen de vordering
tot voldoening van het bedrag van de belasting die was afgetrokken op de factuur van 30
november 2001 houdende de slotafrekening, namelijk 121.492 frank (3.011,71 euro) niet
verjaard was op 15 december 2004, dag waarop het dwangbevel werd uitgevaardigd".
Grieven
Het bij artikel 53 van de wet van 15 maart 1999 ingevoegde artikel 81bis van het BTW-
wetboek, §1, eerste lid, bepaalt dat "er verjaring is voor de vordering tot voldoening van
de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken
van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die
belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan".
Het derde lid, 3° voegt hieraan evenwel toe dat "in afwijking van het eerste en tweede lid,
de bedoelde verjaring er bovendien is na het verstrijken van het zevende kalenderjaar
volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan wanneer (…)
bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat
belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken
werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die
daarop van toepassing zijn".
Voor de toepassing van de in deze bepaling bedoelde zevenjarige verjaringstermijn is het
vereist maar voldoende dat uit "bewijskrachtige gegevens" blijkt dat belastbare
handelingen niet zijn aangegeven of dat tijdens die periode onrechtmatige aftrekken zijn
verricht. Artikel 81bis, §1, derde lid, 3°, legt geen enkele andere voorwaarde op en
vereist meer in het bijzonder niet dat de informatie die een juiste belastingheffing
mogelijk maakt, afkomstig is van een derde of van een andere belastingadministratie dan
die welke belast is met de vaststelling en de invordering van de belasting.
De tekst van artikel 81bis, §1, derde lid, 3°, is klaar en duidelijk op dat punt en het arrest
heeft zich daartegen niet kunnen beroepen op de parlementaire voorbereiding van de wet.
Artikel 93quaterdecies, §§ 2 en 3, van het BTW-wetboek bepaalt bovendien dat alle
inlichtingen, stukken, processen-verbaal of akten ontdekt of bekomen in het uitoefenen
van zijn functie, door een ambtenaar van een fiscaal rijksbestuur, hetzij rechtstreeks,
hetzij door tussenkomst van een der hierboven aangeduide diensten, door de Staat kunnen
ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten
verschuldigde som.
Wanneer een ambtenaar in de uitoefening van zijn functie op regelmatige wijze een
inlichting of een akte ontdekt, is de Staat aldus bevoegd zich hierop tegen gelijk wie te
beroepen, onder meer, voor de opsporing en de invordering van elke krachtens de wet
verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid wanneer zij is
ontdoken of onrechtmatig afgetrokken.
Het arrest onderwerpt de toepassing van artikel 81bis, §1, derde lid, 3°, aan een
voorwaarde die dit artikel niet bevat, namelijk dat de inlichtingen waaruit het bestaan
van niet aangegeven belastbare verrichtingen of van de onrechtmatige aftrek van de
belasting blijkt, afkomstig moeten zijn van derden of van een andere administratie dan de
BTW-administratie die de belasting vaststelt en invordert opdat die rechtsvordering nog
zou kunnen worden ingesteld binnen de termijn van zeven jaar die loopt vanaf de datum
waarop de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting zich voordoet.
Het weigert dus in strijd met de wet artikel 81bis, §1, derde lid, 3°, toe te passen op de
verjaring van de rechtsvordering en op het recht op invordering van de door de
verweerster aan de eiser verschuldigde belastingen; het schendt tevens artikel 81bis, §1,
eerste lid, door het in strijd met de wet van toepassing te verklaren. Ten slotte schendt het
ook nog artikel 93quaterdecies, §§ 2 en 3, daar het de eiser het recht ontzegt om voor de
invordering van de door de verweerster onrechtmatig afgetrokken belastingen, binnen de
termijn van artikel 81bis, §1, derde lid, 3°, rekening te houden met de inlichtingen die de
BTW-administratie op regelmatige wijze verkregen heeft.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Krachtens artikel 81bis, §1, derde lid, 3°, van het BTW-wetboek verjaart de
vordering tot voldoening van de belasting na het verstrijken van het zevende
kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft
voorgedaan, wanneer bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis
heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in
België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de
wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.
Uit die bepaling, meer bepaald uit de bewoordingen "waarvan de administratie
kennis gekregen heeft" kan niet worden afgeleid dat de bewijskrachtige gegevens
waarop de BTW-administratie zich kan beroepen om de belasting in te vorderen,
afkomstig moeten zijn van een andere administratie of van derden.
Het arrest dat er anders over beslist, schendt voormeld artikel 81bis, §1, derde lid,
3°.
Het middel is gegrond.