Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Betalingen in contanten · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 21 september 2022

Zoeken
Tekst in het Frans

Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Betalingen in contanten

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-betalingen-rechtbank-brussel-2022-09-21-a93e

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
21 september 2022

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

131 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 21.09.2022

WF 701-15-20/032680

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Facturen van onderaannemers – Betalingen in contanten – Wet tot voorkoming van het witwassen van geld … - Werkelijkheid van de diensten – Boeking van fictieve facturen - Bewijslast

Belasting over de toegevoegde waarde – Proportionele geldboeten van 200% - Opzet om belasting te ontduiken

Wettelijke bepalingen

Artikelen 45 §1, 59 § 1 en 70 § 1 WBTW

Artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

Samenvatting

Het geschil ontstond naar aanleiding van een btw-controle van talrijke facturen van onderaannemers, waarvan de betalingen contant gebeurden, in strijd met de wettelijke regels (Wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, zoals gewijzigd door de wet van 12 januari 2004, de wet van 18 januari 2010, de programmawet van 29 maart 2012 en de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld).

Er werden vragen om inlichtingen gestuurd naar de betrokken onderaannemers ingevolge een proces-verbaal opgesteld waarin de aftrek van de belastingen op de betwiste facturen werd verworpen. De btw-schuld van de eiser werd ingeschreven in het inningsregister en er werd een inningsbericht betekend.

De administratie betwist de wettigheid van de vorm van de betwiste facturen en was van mening dat deze facturen, die op naam van verschillende belastingplichtigen waren uitgeschreven, niet overeenkwamen met enige door deze belastingplichtigen verrichte dienst en niet in aftrek konden worden gebracht, tenzij de belastingplichtige het bestaan van de diensten kon aantonen, zoals artikel 45 WBTW vereist. Zij stelt dat deze facturen een vage en oncontroleerbare beschrijving van de handelingen bevatten, waardoor zij elke bewijskracht ontnemen ten aanzien van de werkelijkheid van de diensten die slecht waren omschreven. Zij benadrukt dat, aangezien bijna alle betalingen in contanten werden verricht (betalingen per bank werden niet verworpen), het onmogelijk was om deze betalingen te traceren, te meer daar de boekhouding van eiseres geen kasboek had; bovendien werden deze facturen niet gestaafd door enig contract, enige briefwisseling of enig ander document.

Gezien deze tekortkomingen stuurde de administratie een vraag om inlichtingen naar haar onderaannemers en constateerde talrijke tekortkomingen, waaronder:

- de betwiste factuur bevatte geen enkele vermelding inzake de aard van de dienst en de onderneming was inzake btw geschrapt omdat zij haar activiteiten had stopgezet op het moment dat de factuur werd uitgereikt ;

- de facturen in de boekhouding van eiseres bevatten fouten, onnauwkeurigheden of afwijkingen tussen het boek voor uitgaande facturen van de onderaannemer en de door eiseres opgestelde facturen (anderzijds werden bepaalde betalingen per overschrijving gedaan en deze waren in de boekhoudingen van beide partijen in overeenstemming, zodat de staat deze bedragen in mindering bracht op de uitgevoerde regularisatie);

- talrijke verschillen tussen de facturen van eiseres en de facturen van de onderaannemers inzake de vorm, de betrokken perioden en de bedragen, die vaak contant werden betaald (de regularisatie bleef beperkt tot de betalingen in contanten);

- gefactureerde bedragen die lager zijn dan de bedragen in de klantenlijst van de leverancier (ook hier was de regularisatie beperkt tot de betalingen met cash); na controle van de boekhouding van de leverancier gaf de administratie echter toe dat de leverancier ook andere betalingen van eiseres had ontvangen en de administratie geeft toe dat de echtheid van deze handelingen overeenstemt deze bedragen

Eiseres betwistte enkel de bewijskracht van de inlichtingen door derden.

De rechtbank erkende echter dat de administratie minutieus te werk was gegaan.

Zij merkte ook op dat eiseres geen rekening hield met zijn eigen tekortkomingen, zoals het overtreden van de wet:

- geen contract, briefwisseling of enig document waaruit de handelingen blijken;

- aanvaarding van inkomende facturen zonder voldoende vermeldingen ;

- illegale betalingen in contanten er zelfs geen kasboek was.

In die mate is de verwerping van de aftrek gerechtvaardigd en is het laatste middel dat door eiseres wordt ingeroepen (namelijk dat de administratie zich inzake Ven B niet op artikel 49 WIB92, maar op artikel 219 heeft gebaseerd) niet relevant: de onttrekking van bedragen het vermogen van de vennootschap zonder dat ze overeenstemmen met een werkelijke dienst, valt binnen de werkingssfeer van artikel 219 WIB92, zonder in tegenspraak te zijn met de btw-regularisatie.

Wat de administratieve geldboete betreft, wordt eiseres niet alleen de aftrek geweigerd wegens vormfouten in de facturen die recht op aftrek zouden moeten geven, maar ook voor het opnemen in een boekhoudsysteem zonder kasboek van valse facturen die de uitstroom van “contanten” dekken, wat op zich in strijd is met de wettelijke regels inzake de strijd tegen het witwassen van geld. In zoverre is de geldboete gerechtvaardigd en zou er geen reden zijn geweest om uitstel te overwegen indien deze maatregel had bestaan.

Het verzoek is ongegrond.

Opmerkingen

De tegenpartij heeft beroep aangetekend.

Krachtens artikel 45 WBTW en artikel 168 van de Europese richtlijn 2006/112 moet de belastingplichtige het bewijs leveren dat de diensten daadwerkelijk voor hem werden verricht door een andere belastingplichtige. Dit is een materiële voorwaarde voor het recht op aftrek, waarvan niet kan worden afgeweken op straffe van verval. Dit bewijs kan worden geleverd door elk ander document dat de juistheid van de vermeldingen op de factuur kan aantonen, zoals bestelbonnen, contracten, betalingsbewijzen, briefwisseling, enz.

De onmogelijkheid om betalingsbewijzen te verkrijgen voor betwiste aankoopfacturen, evenals het ontbreken van een kasboek waarin alle uitgevoerde contante transacties zijn opgenomen en het ontbreken van bewijs van de werkelijkheid van de diensten laten toe om te besluiten dat er een belangrijk fraudemechanisme werd ontwikkeld dat erin bestaat fictieve aankoopfacturen te boeken om zijn belastbaar inkomen te verlagen en een hoger bedrag aan btw in aftrek te brengen dan het werkelijke bedrag.

In onderhavig geval was het wel degelijk het gebrek aan bewijs door eiseres dat zij voldeed aan de wettelijke voorwaarden voor het verkrijgen van het recht op aftrek dat leidde tot de weigering van dit recht, en niet de documenten en verklaringen van de onderaannemers.

De vaste rechtspraak van het HvJEU leert dat de uitoefening van het recht op aftrek zich niet uitstrekt tot de belasting die uitsluitend is verschuldigd op grond van de vermelding ervan op de factuur (HvJEU, 13.12.1989, C-342/87, in de zaak G. H.; HvJEU, 27.06.2018, gevoegde zaken C-459/17 en C-460/17, in de zaak S. en V.). Het in artikel 45 WBTW vervatte potentiële recht op aftrek van belasting is geen recht dat ontstaat door het enkele bezit van een factuur, maar is afhankelijk van de realiteit van de onderliggende handeling. Het belastbare feit en, bijgevolg, de verschuldigdheid ervan, kunnen slechts voortvloeien uit een werkelijke handeling waardoor de btw op grond van de wet verschuldigd wordt. De essentiële voorwaarde voor het mogelijke bestaan van het recht op aftrek is het bestaan van het belastbare feit dat zich kennelijk heeft voorgedaan tussen de op de factuur vermelde partijen, waarbij de factuur het correlatieve instrument is dat noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht op aftrek (HvJ EU, 8.11.2001, C-338/98, Commissie C.E./NEDERLAND, nrs. 71-75). De factuur, als instrumentum, is alleen voldoende om het ontstaan van het recht op aftrek te bewijzen indien zij de controleerbare gegevens bevat (of het mogelijk maakt deze te identificeren) (HvJEU, 01.04.2004, zaak C-90/02, de B.).

Tekst van het vonnis

Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Tekst van de beslissing

Tribunal de première instante francophone de Bruxelles, Section Civile, 32ème chambre, Affaires civiles

Jugement du 21/09/2022

Rôle : 2021/1041/A

EN CAUSE DE :

La sprl. N. F., BCE 882...57, ...,

partie demanderesse, représentée par l'avocat L. D. T. L., ... …@... .be

CONTRE

L'ETAT BELGE, SPF Finances, Centre PME Bruxelles 1, dont les bureaux sont situés bld. du Jardin Botanique, 50 /3404 à 1000 Bruxelles, - adresse de correspondance : avenue Prince de Liège, 133 /806 à 5100 Jambes.

partie défenderesse, ayant comparu en personne, à l'intervention de Madame X, Attaché -… .pme@minfin.fed.be

Cause prise en délibéré le 15 septembre 2022,

Vu les pièces de la procédure, et notamment :

- la requête contradictoire, et annexes, déposées au greffe le 17 février 2021 ;

- l'ordonnance rendue sur pied de 1'article 747 ;

- les ultimes conclusions déposées les 29 avril 2022 (pour la partie

demanderesse) et 14 décembre 2021 (pour la partie défenderesse).

Entendu les parties comparaissant à 1'audience publique du 15 septembre 2022.

La Procédure.

Le litige fait suite à un contrôle Tva, pour la période allant du 1er janvier 2016 au 31 décembre 2017, au siège de la partie demanderesse qui se révèle être le bureau de son comptable, le gérant étant absent.

L'attention de l'administration se porta sur de nombreuses factures de sous-traitance, dont paiement opéré en cash, sans égard pour les règles légales cet égard1.

Des demandes de renseignements furent adressées aux sous-traitants censément concernés puis un pv de régularisation dressé le 24 octobre 2019, rejetant la déduction des taxes portées par les factures litigieuses.

1 Loi du 11 janvier 1993 relative á la prévention de 1'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme telle que modifiée par loi du 12 janvier 2004.

Art. 10ter. Le prix de la vente par un commérant d'un article dont la valeur totale atteint ou excède 15.000 euros ne peut être acquitté en espèces.

Loi du 18 janvier 2010 modifiant la loi du 11 janvier 1993 relative á la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux

Art. 24. L'article 10ter de la même loi, inséré par la loi du 12 janvier 2004, qui devient l'article 21, est remplacé par ce qui suit :

« Le prix de la vente par un commerçant d'un ou de plusieurs biens pour un montant de 15.000 euros ou plus, ne peut être acquitté en espèces, que la vente soit effectuée en une opération ou sous la forme d'opérations fi-actionnées qui apparaissent liées. »

Loi-Programme du 29 mars 2012

Art. 171. A l'article 21 de la même loi, modifié par la loi du 18 janvier 2010, les modifications

suivantes sont apportées :

1° les mots " ainsi que le prix d'une ou de plusieurs prestations de services fournies par un

prestataire de services "sont insérés entre les mots "par un commerçant d'un ou de plusieurs biens

" et les mots "pour un montant de ";

2° les mots " 15 000 euros "sont remplacés par les mots " 5 000 euros ";

Loi-Programme du 29 mars 2012

Art, 171 <...>

A partir du 1er janvier 2014, ce montant sera ramené à 3 000 euros. Le Roi peut accélérer l'entrée

en vigueur de cette disposition par arrêté délibéré en Conseil des ministres.

Loi du 18 septembre 2017 relative á la prévention du blanchiment de capitaux Art. 67. § 1 er. Pour l'application du présent article, on entend par :

<,.. >

§ 2. Indépendamment du montant total, un paiement ou un don ne peut être effectué ou reçu en espèces au-delà de 3 000 euros, ou leur équivalent dans une autre devise, dans le cadre d'une opération ou d'un ensemble d'opérations qui semblent liées.

Sur la base de ce PV la dette Tva de la partie demanderesse fut inscrite au registre de perception et un avis de perception adressé sous le numéro CTRI500...76, pour les montants suivants :

- taxe : 90.496, 50 €

- amende de 200 % (art. 70-§1 Ctva) 180.993,18 €

La partie demanderesse forma réclamation, qui fut rejetée par décision administrative du 23 novembre 2020.

La demande, telle que formulée en conclusions, tend á entendre :

« A titre principal :

Déclarer nul et de nul effet le procès-verbal de régularisation en matière de TVA adressé la concluante en date du 24 octobre 2019, ainsi que la dette TVA subséquente inscrite sous l'article n' 500,2196.56876 en principale, intérêts et amendes ;

A titre subsidiaire :

Mettre à néant ramende TVA et les intérêts portés à charge de la concluante, ou à tout

le moins la réduire ;

A titre très subsidiaire :

Accorder á la requérante une mesure de sursis du montant de l'amende assorti d'un délai

probatoire de 3 ans ;

Dans tous les cas :

Condamner la partie défenderesse aux dépens, liquidés à l'indemnité de procédure d'un

montant de de base de 9.100,00 € » - soit 9.800 € après indexation.

Un montant de 20-€ a été payé par la partie demanderesse au titre de la contribution visée á l'article 4, § 2, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne

L'État sollicite le débouté de la partie demanderesse.

Discussion.

1- L'administration conteste la régularité en la forme des factures litigieuses, et elle estime que ces factures, émises au nom de 6 assujettis, ne correspondent à aucune prestation assurée par ces assujettis et ne peuvent être déduites à défaut pour l'assujetti d'établir la réalité des prestations, comme le requiert l'article 45 CTva 2.

2 Art. 45 CTva - § 1er. Tout assujetti peut déduire de la taxe dont il est redevable, les taxes ayant grevé les biens et les services qui lui ont été fournis, les biens qu'il a importés et les acquisitions intracommunautaires de biens qu'il a effectuées, dans la mesure où il les utilise pour effectuer: 1° des opérations taxées; <...>

Elle expose tout d'abord que ces factures comportent un descriptif de prestations vague et invérifiable, ce qui les prive d'une quelconque valeur probante quant à la réalité de prestations mal déterminées.

Elle souligne que presque tous les paiements étant opérés en cash (les paiements effectués par banque n'ont pas été rejetés), aucune traçabilité de ces paiements n'est concevable, d'autant que la comptabilité de la partie demanderesse est dépourvue de livre de caisse ; par ailleurs ces facturations ne sont appuyées par aucun contrat, ni correspondance ou pièces quelconque.

Eu égard à ces carences, l'administration adressa demande de renseignements à ces sous-traitants et opéra les constatations suivantes :

- L'asbl E. (une facture de 47.063,74 tvac en 2016).

La facture litigieuse ne comporte aucun indication de la nature de la prestation ou des prestations censées opérées «pour le 1" trimestre 2016 ». Par ailleurs, un membre fondateur de cette asbl précisa qu'elle avait cessé toute activité et avait été radiée de la tva le 5 novembre 2015, alors que la facture litigieuse est daté du 31 mars 2016.

- la sprl B. (5 factures pour le total de 192.330,99 € tvac en 2016 et 4 factures pour 185.280,61 € tvac en 2017).

Cette société confirme avoir facturé á la partie demanderesse un montant de 36.988 € en 2016 (là ou le facturier d'entrée ne comporte aucune facture de ce montant et at le total comptabilisé est de 192.330 €).

Par ailleurs, les factures comptabilisées par la partie demanderesse comportent des erreurs, imprécisions ou discordance entre le facturier de sortie de la sprl N. et les factures produites par la partie demanderesse, tout ceci étant relevé par l'État en pages 5 et 6 de ses conclusions.

En revanche, certains paiements ont été opérés par banque et la comptabilité des deux parties est cohérente, de sorte que l'État a soustrait ces montants de la régularisation opérée.

- C. K. (4 factures pour le total de 65.207,34 € tvac en 2016)

Sur demande de renseignements, cette personne (qui fut gérante de la sprl B.) affirme avoir facturé un montant de 11.721,50 € htva que l'on retrouve dans son listing clients.

Ici aussi, la régularisation s' est limitée aux paiements effectués en cash.

- S. M. T. (3 factures en 2016 pour le montant de 57.216,64 € et 4 factures en 2017, pour le montant de 50.032,29 C).

L'intéressé a comptabilisé deux factures de sortie, son listing client portant sur 4.630,47 €, payés par banque (et non repris dans la régularisation).

L'administration admet cependant, sur vérification de la comptabilité de M., que celui-ci a en outre reçu 4 autres paiements de la partie demanderesse, et l'administration admet la réalité d'opérations pour le montant de 13.014,93 €

Les autres factures produites par la partie demanderesse, payées en cash, ont une autre présentation et des numéros séquentiels immédiatement voisins alors qu'elle sont censées porter sur des trimestres différents.

2- La partie demanderesse se borne á contester la valeur probante d'informations venant de tiers.

De fait, l'administration a pu constater que la réponse á la demande de renseignements du sieur M. n'était pas fiable ; dans le même temps, ceci révèle un travail minutieux de l'administration (tout comme sa reconnaissance d'opérations correspondant á des virements bancaires).

La partie demanderesse omet cependant de prendre en compte ses propres carences, voire violations de la loi :

- pas de contrat, correspondance ou pièce quelconque attestant des

opérations ;

- acceptation de factures d'entrée sans mentions suffisantes ;

- paiements en cash illégaux alors même qu'il n'existe pas de livres de

caisse.

Dans cette mesure, le rejet de déduction est justifié et 1'ultime moyen invoqué par la partie demanderesse (à savoir qu'en ce qui concerne l'ISoc, l'administration ne se fonde pas sur l'article 49 cir92, mais sur l'article 219) est sans pertinence : la distraction de montants sortis du patrimoine de la société sans correspondre á une opération réelle, relève de l'article 219 Cir92, sans être en contradiction avec la régularisation tva.

3- Quant à l'amende administrative.

La partie demanderesse ne se voit pas seulement refuser la déduction pour des insuffisances formelles dans les factures qui sont censées ouvrir le droit déduction, mais est convaincue d'avoir incorporé dans une comptabilité dépourvue de livre de caisse, des fausses factures couvrant des sorties `cash' contraires en soi aux règles légales relatives à la lutte contre le blanchiment.

Dans cette mesure, l'amende se justifie et il n'y aurait pas eu lieu d'envisager un sursis si cette mesure avait existé.

Beschikkend gedeelte

PAR CES MOTIFS,

LE TRIBUNAL,

Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire ;

Statuant contradictoirement et écartant toutes conclusions contraires,

Déclare la demande recevable, mais non fondée ;

En déboute la partie demanderesse, la condamne aux dépens, liquidés à « 0 » euro dans le chef de l'État, et lui délaisse la charge de la cotisation au « Fond de participation de l' aide juridique ».

Ainsi jugé et prononcé à 1'audience publique de la 32ème chambre du Tribunal de première instance Francophone de Bruxelles, le 21 septembre 2022 où étaient présents et siégeaient :

M. C. B., juge,

…

Aangehaalde teksten

8

Vergelijkbare beslissingen

8