Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent dd. 18.09.2013 (12/250/A)
Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – facturen – boetes - evenredigheidsprincipe
Samenvatting
Facturen die niet voldoen aan de formele vormvereisten geven geen recht op aftrek. Het evenredigheidsbeginsel werd daardoor niet geschonden.
De boete is op correcte wijze opgelegd, er werd rekening gehouden met het karakter van de begane overtreding, het bedrag van de belasting en de schaal van vermindering werd correct toegepast.
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent,
dd. 18.09.2013
12/250/A
In de zaak van:
NV. D., met zetel te … met ondernemingsnummer …
EISERES, hebbende als raad Mter J. S. en Mter S. L. beiden advocaat te …
tegen
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur der Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, Taxatie - dienst Geschillen, met kantoren te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 604
VERWEERDER, voor wie optreedt dhr A. R., e.a. inspecteurdiensthoofd bij een fiscaal bestuur
Vonnist de rechtbank als volgt:
I. DE RECHTSPLEGING.
De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 27 maart 2013 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen.
Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het verzoekschrift op tegenspraak van 29 december 2011, de conclusies en de stavingsstukken.
II. DE VORDERING.
De eiseres vraagt de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens:
- de verschuldigde bedragen aan btw, boetes en nalatigheidsinteresten zoals vermeld in het proces-verbaal van 21 maart 2011 als ongegrond en dus onverschuldigd te verklaren;
- de terugbetaling te bevelen van alle sommen die op grond van voornoemd proces-verbaal werden geïnd, verhoogd met de moratoire rente zoals voorzien in artikel 91, §3 en §4 van het WBTW;
- de verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 2.200,00 EUR.
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL.
1. De eiseres is sinds 1 december 2000 geregistreerd als BTW-belastingplichtige voor de activiteit van terbeschikkingstelling van installatie van muziek en dragers van muziek aan de horecasector en dansgelegenheden.
2. De eiseres beweert een beroep te doen op de eenmanszaak 'G. P. C.' van J-M. D.B. voor het aanbrengen van klanten. J-M. D. B. factureerde alsdan een commissie voor deze dienstverlening aan de eiseres.
Voor de periode 2008-2009 factureerde D.B. aldus voor zijn geleverde
dienstprestaties volgende bedragen (inclusief 21% btw):
- 31/12/2007 (docnr. 000434) : € 4.921,07
- 28/01/2008 (docnr. 000564): € 10.588,71
- 11/02/2008 (docnr. 000640): € 5.959,25
- 26/02/2008 (docnr. 000716): € 6.292,01
- 26/03/2008 (docnr. 000912): € 9.595,30
- 26/03/2008 (docnr. 000913): € 100,00
- 20/05/2008 (docnr. 001197): € 15.669,50
- 07/07/2008 (docnr. 001509): € 10.176,06
- 18/08/2008 (docnr. 001681): € 11.495,00
- 18/09/2008 (docnr. 001929): € 2.571,25
- 21/10/2008 (docnr. 000033): € 8.349,00
- 07/11/2008 (docnr. 000118): € 3.690,50
- 17/11/2008 (docnr. 000166): € 3.811,50
- 31/12/2008 (docnr. 000644): € 1.374,56
- 29/01/2009 (docnr. 000831): € 2.420,00
- 12/02/2009 (docnr. 000874): € 4.429,56
- 25/02/2009 (docnr. 001032): € 4.652,45
- 11/03/2009 (docnr. 001033): € 3.660,25
- 01/04/2009 (docnr. 001325): € 2.268,75
- 22/04/2009 (docnr. 001326): € 4.779,50
- 25/05/2009 (docnr. 001587): € 5.868,50
- 02/06/2009 (docnr. 001731): € 151,00
- 30/06/2009 (docnr. 001922): € 6.413,00
- 07/08/2009 (docnr. 002355): € 5.808,00
De totaal afgetrokken btw van bovenstaande facturen bedraagt € 23.437,56.
De uitgereikte facturen vermelden telkens "COMMISSIE" met in bijlage de concrete opsomming in detail van (1) de aangebrachte horecazaken en . dansgelegenheden alsmede (2) het aan de man gebrachte product.
3. Voorts factureerde ook de BVBA K. aan de eiseres, namelijk:
- factuur nr. 753, zonder datum van uitreiking, evenement Horecabeurs Maastricht, maatstaf van heffing: € 1.890,00, afgetrokken btw: € 397,32;
- factuur nr. 754, dd. 14/01/2008, evenement Horecabeurs Amsterdam,
maatstaf van heffing: € 1240,00, afgetrokken btw: € 260,40.
4. Bij een controle op 30 september 2010 inzake de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot de periode van 1 oktober 2007 tot 30 september 2009 werd vastgesteld dat de eiseres B1W in aftrek heeft gebracht zonder in het bezit te zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig artikel 53 § 2 en 53 acties, WB1W en die niet conform zijn aan de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, van het Koninklijk Besluit nr 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
Met betrekking tot bovenstaande facturen werd vastgesteld dat:
- het nummer waar ze worden ingeschreven in het boek van uitgaande facturen niet wordt vermeld;
- volgens de boekhouding van de belastingplichtige de facturen altijd contant werden betaald, meestal met cashgeld en soms via cheque;
- de facturen niet voor voldaan werden ondertekend.
Tevens zouden de B1W- identificatienummers 589.879.368 en 890.773.170 van
de respectievelijke tussenpersonen D. B. J-M. en de BVBA K. zoals vermeld op de kwestieuze facturen, niet (meer) actief zijn geweest op het ogenblik van facturatie.
De verschuldigde belasting werd bovendien noch door J–M. D. B. (G. P. C.), noch door de BVBA K. voldaan in een periodieke btw-aangifte.
5. Ingevolge het niet-akkoord werd op 21 maart 2011 ter zake een Proces-Verbaal opgemaakt en de verschuldigde sommen ingevorderd.
De verweerder weigerde het recht op aftrek van de btw met betrekking tot de kwestieuze facturen en stelde dat de eiseres het volgende verschuldigd is:
1) btw (€ 24.095,28);
2) fiscale geldboete, verminderd tot 10% (€ 2.400,00);
3) interesten (te berekenen krachtens art. 91, §1 btw-wetboek).
6. In de loop van de maand mei 2011 heeft de eiseres de verschuldigde sommen integraal betaald.
7. Tegen voormelde vordering heeft de eiseres op 29 december 2011 een verzoekschrift op tegenspraak ter griffie van deze rechtbank neergelegd.
IV. BESPREKING.
1. Nopens de ontvankelijkheid
De verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
2. Ten gronde
2.1. In hoofdorde : de schending van artikel 45 WBTW en artikel 5, § 1, van het Koninklijk Besluit nr 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
Het geschil heeft betrekking op facturen, waarop de eiseres al dan niet een recht op aftrek kan laten gelden.
Artikel45, §1, WBTW luidt als volgt:
"Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:
1° belaste handelingen; ... "
Opdat de belastingplichtige zijn recht op aftrek kan uitoefenen, moet hij in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 5 van het hierboven vermelde Koninklijk Besluit nr 1 van 29 december 1992.
Volgens artikel 5, §1 van dit K.B. moet de factuur (en het in artikel 2 bedoeld stuk) vermelden:
"1°de datum waarop ze respectievelijk worden uitgereikt of opgesteld en een opeenvolgend nummer, volgens één of meer reeksen, dat deze stukken op eenduidige wijze identificeert, waaronder ze worden ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen van de leverancier of de dienstverrichter;
2° de naam of de maatschappelijke benaming van de leverancier van de goederen of van de dienstverrichter, het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel en zijn in artikel 50 van het Wetboek bedoeld btw-identificatienummer. ..."
In navolging van het gewijzigde artikel 22 van de Zesde BTW-richtlijn moeten voor BTW-doeleinden volgende verplichte vermeldingen op de factuur voorkomen:
- datum van uitreiking,
- een opeenvolgend nummer, met één of meer reeksen, waardoor de factuur eenduidig wordt geïdentificeerd,
- het BTW-identificatienummer waaronder de belastingplichtige de goederen heeft geleverd of de diensten heeft verricht,
In concreto vermelden de facturen die uitgaan van "G. P. C." (handelsnaam van J-M. D. B.) geen factuurnummer, waardoor de factuur niet eenduidig kan geïdentificeerd worden en is het vermelde BTWidentificatienummer niet actief. Dit laatste is ook het geval voor de facturen van de BVBA K.
De kwestieuze facturen beantwoorden aldus niet aan de verplichte vermeldingen zodat deze niet in aanmerking kunnen komen voor een recht op aftrek.
In tegenstelling tot wat de eiseres voorhoudt, wijst er niets op dat de handeling blijkens de desbetreffende factuur heeft plaatsgevonden. Zelfs de beweerde betaling in contanten van de facturen is niet bewezen, gezien de facturen niet voor voldaan zijn afgetekend. Het gegeven dat een detail bij de facturen is gevoegd, is nog geen bewijs dat de beweerde handeling heeft plaatsgevonden.
De omschrijving op de factuur ("commissies zie bijlage") is overigens onduidelijk, gezien de bedragen in deze bijlage de beweerde commissies overstijgt en betrekking zou hebben op zeer uiteenlopende handelingen zoals bvb "van DJM naar VJM", "van E. naar D.", "500 euro borg", "aankoop pc", ''750 euro borg", enz... De eiseres geeft geen enkele plausibele verklaring waarom op een borg of een aankoop van een pc een commissie zou moeten betaald
worden.
In deze omstandigheden is de administratie niet in de mogelijkheid om de herkomst en de echtheid van de voorgelegde facturen te verifiëren.
Gezien de kwestieuze facturen niet voldoen aan de materiële en formele voorwaarden, ontstaat dan ook geen recht op aftrek voor deze facturen.
2.2. De beweerde schending van het evenredigheidsbeginsel.
De eiseres is van oordeel, zelfs indien de formele vormvereisten inzake de factuur niet zijn nageleefd, het ontzeggen van het recht op aftrek een schending van het evenredigheidsbeginsel zou uitmaken.
Het evenredigheidsbeginsel behoort inderdaad tot de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht.
De toetsing van een bepaling aan dit beginsel houdt in dat moet worden nagegaan of deze bepaling noodzakelijk of geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken, en of zij zo weinig mogelijk afbreuk doet aan de beginselen van de Zesde Richtlijn en/of dit doel beter op een andere manier kan gerealiseerd worden.
Het belang van het opleggen van bepaalde vermeldingen op de factuur is in hoofdzaak de administratie in de mogelijkheid te stellen om de herkomst en de echtheid van de voorgelegde facturen te kunnen verifiëren.
De rechtbank kan zich bij de stelling van de eiseres aansluiten wanneer een factuur deze vermeldingen bevat waardoor de herkomst en echtheid daadwerkelijk kan geverifieerd worden, niet kunnen verworpen worden.
Echter, is dit in voorliggende zaak niet het geval.
De factuur bevat in casu een onduidelijke omschrijving van de handelingen, geen identificatienummer, geen factuurnummer. Bovendien zijn de facturen, volgens . de bewering van de eiseres in contanten voldaan, terwijl deze niet voor voldaan werden afgetekend. Noch de identiteit van de uitschrijver van de factuur, noch de handeling zelf valt te controleren.
Gezien de afwezigheid van vermeldingen op de kwestieuze facturen tot gevolg heeft dat deze in de praktijk niet kunnen gecontroleerd worden, werd terecht het recht op aftrek ontzegd. Het evenredigheidsbeginsel werd aldus niet geschonden.
De grief is ongegrond.
2.3. In subsidiaire orde. Nopens de kwijtschelding van de boete.
De verweerder heeft in toepassing van artikel 70, § 1, W8TW, artikel 84, derde lid WBTW en artikel1 van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van de verminderde boeten inzake BTW, bijlage H, een geldboete opgelegd van 10% van de verschuldigde rechten, hetzij 2.409,53 EUR of afgerond naar ·2.400,00 EUR.
Artikel 70, § 1, WBTW bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbel van de . ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.
Artikel 70, § 1bis, WBTW bepaalt dat ieder die onrechtmatig aftrek van belasting heeft genoten, een geldboete verbeurt die gelijk is aan het dubbel van die belasting.
Het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde voorziet een schaal van vermindering van het wettelijk bedrag van de in artikel 70 WBTW voorziene wettelijke boete, die rekening houdt met het karakter van de begane onregelmatigheid, zoals onder meer die ten gevolge van de onwetendheid, de vergissing of de onzorgvuldigheid.
Overeenkomstig artikel 1 van dit KB zijn de in de tabellen A tot J van de bijlage bij dit besluit opgenomen schaal niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Aangezien de administratie bij vaststelling van de geldboete toepassing heeft gemaakt van tabel H, werd er impliciet van uitgegaan dat de eiseres geen oogmerk had belasting te ontduiken of deze ontduiking mogelijk te maken.
De administratie heeft aldus bij de appreciatie van de sanctionering van de overtreding rekening gehouden met de goede trouw van de eiseres.
De rechtbank is van oordeel dat administratie op afdoende wijze rekening gehouden heeft met het karakter van de begane onregelmatigheid, het bedrag van de belasting en de schaal van vermindering op een correcte wijze heeft toegepast.
De opgelegde sanctie werd aldus op correcte wijze opgelegd en komt de rechtbank passend voor.
De vordering is evenzo ongegrond.
3. De rechtsplegingsvergoeding.
De eiseres dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).
De kosten omvatten in de voorliggende zaak enkel de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).
Aangezien de verweerder geen beroep op een advocaat heeft gedaan, kan hem geen rechtsplegingsvergoeding worden toegekend. In deze omstandigheden moet deze dan ook niet begroot worden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak.
Met inachtneming van de artikelen 2, 34, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet ter zake dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.
Stelt vast dat geen kosten van het geding te begroten zijn.
Aldus gewezen en gevonnist in openbare terechtzitting zitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op woensdag achttien september tweeduizend en dertien, waar aanwezig waren:
de heer C.S., toegevoegd rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G. L., griffier.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.