Recht op aftrek, recht op aftrek van Btw · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 19 januari 2021

Zoeken

Recht op aftrek, recht op aftrek van Btw

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-boete-btw-fiscale-hof-van-beroep-antwerpen-2021-01-19-8d4d

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
19 januari 2021

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

89 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 19.01.2021

WF 707-15-17/001454

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Boete

Wettelijke bepalingen

Artikelen 45, §1 en 70, §1 WBTW

Art 3 en 7 - KB nr. 3 van 10 december januari 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.

Art 1, tweede lid - KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

Aangezien het onmogelijk was om bij de belastingplichtige een controle van de boekhouding uit te voeren werd er een correctieopgave opgesteld waarbij de in aftrek genomen btw voor de gecontroleerde periode werd verworpen. Tegen deze correctieopgave diende tegenpartij een bezwaar in. Er kon echter geen akkoord met de belastingplichtige worden afgesloten aangezien er voor een deel van de gecontroleerde periode geen stukken werden voorgelegd. Daarnaast werd vastgesteld dat er, voor het deel van de controleperiode waarvoor wel stukken werden voorgelegd, facturen met een privatief karakter in aftrek waren genomen. Bijgevolg werd er een proces-verbaal opgesteld. Op basis hiervan werd een dwangbevel uitgevaardigd, uitvoerbaar verklaard en betekend. Tegenpartij diende hiertegen een bezwaarschrift in. Dit bezwaarschrift werd vervolgens afgewezen door de administratie, waarna tegenpartij een fiscaal verzoekschrift neerlegde bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. De rechtbank was van oordeel dat de vordering van de tegenpartij ontvankelijk maar ongegrond was. Tegen dit vonnis ging de belastingplichtige vervolgens in hoger beroep.

2) Het arrest van het hof van beroep

* Recht op aftrek

Het recht op aftrek werd verworpen om twee redenen. Enerzijds omdat er voor een deel van de gecontroleerde periode nooit documenten werden voorgelegd. Anderzijds, omdat er voor het deel van de gecontroleerde periode waarvoor wel stukken werden voorgelegd, werd vastgesteld dat er facturen met een privatief karakter in aftrek werden genomen. Tegenpartij bracht in de loop van het geding verschillende kaften met facturen bij ten einde aan de formele voorwaarden voor het recht op aftrek te voldoen. Ondanks het bijbrengen van deze stukken is het hof van oordeel dat de belastingplichtige niet aantoont dat de goederen in kwestie werden gebruikt voor haar beroepsactiviteit. Het hof is dan ook van oordeel dat er niet aan de materiele voorwaarden van het recht op aftrek werd voldaan. Het recht op aftrek werd dan ook terecht verworpen.

* Boete

Op basis van artikel 1, tweede lid van KB nr. 41 werd de boete niet verminderd. Er werd bijgevolg een boete opgelegd die het dubbele van de verschuldigde btw bedroeg. Tegenpartij is van mening dat de motiveringsplicht aangaande de boete is geschonden. Daarnaast is zij ook van mening dat de boete onevenredig hoog is. De administratie legde de boete op aangezien ondanks herhaalde verzoeken de boekhouding niet kon worden gecontroleerd. Enkel voor een gedeelte van de gecontroleerde periode werden onvolledige mappen en stukken voorgelegd die niet overeenstemden met de journalen en ingediende btw-aangiftes. Daarnaast werden onregelmatige facturen en privékosten opgenomen in de boekhouding. Verder werd voor het grootste gedeelte van de gecontroleerde periode geen stukken voorgelegd. Tenslotte werden bij vorige controles systematische inbreuken op de aftrekregeling vastgesteld . Hierbij werd de belastingplichtige door de administratie gewaarschuwd dat indien er geen verbetering zou optreden er bedrieglijk opzet zou worden vermoed. Het hof is van oordeel dat hiermee de boete afdoende werd gemotiveerd en dat er in dit geval sprake is bedrieglijk opzet. Verder is het hof van oordeel dat de boete evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en feiten. Daarnaast maakt de boete geen buitensporige last uit of is deze disproportioneel in verhouding tot de resultaten van de belastingplichtige. Het hof stelt vast dat de verschuldigde btw alsook de bijhorende geldboete en nalatigheidsintresten louter te wijten zijn aan de handelingen van de belastingplichtige.

Het hof verklaart de volledige vordering van de belastingplichtige dan ook ontvankelijk maar ongegrond.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 19.01.2021

Rol: 2019/AR/124

Mr. T.H., advocaat, kantoorhoudende te ..., q.q. curator van het faillissement van A.B. BV, ON 087...650, met laatste maatschappelijke zetel te ... Eiseres in hoger beroep, tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 17 december 2018, gekend onder rolnummer 16/6724/A

tegen

BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN, ON 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL- DIRECTEUR VAN HET CENTRUM KMO ANTWERPEN, met diensten te 2930 BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 92, Verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ...

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van de bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 17 december 2018, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 22 januari 2019, waarbij hoger beroep wordt ingesteld.

1. Feitelijke en procedurele retroacta.

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op een dwangbevel, RCIV-nummer 500/1358/74037, uitgevaardigd op 23 december 2014 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 23 december 2014 waarbij een bedrag van 35.594,54 EUR als B.T.W. wordt nagevorderd, meer een geldboete van 69.802,80 EUR en intresten.

Op 23 juli 2013 werd een controle aangevat bij eiseres in hoger beroep over de periode van juli 2010 tot december 2013 waar bij herhaling werd getracht om de boekhouding te controleren, echter zonder resultaat, zoals blijkt uit het proces-verbaal van vaststelling d.d. 16 april 2014 (A.D. 2). Omdat geen controle van de boekhouding kon worden doorgevoerd werd op 25 maart 2014 een correctieopgave opgesteld waarbij de volledige aftrek werd verworpen van de B.T.W. die tijdens de gecontroleerde periode in de kwartaalaangiften in aftrek werd gebracht. Er werd bezwaar aangetekend tegen de correctieopgave bij brief van 7 april 2014 waarbij eiseres in hoger beroep zich beriep op overmacht (A.D. 23).

Omdat niet tot een akkoord kon worden gekomen, werd op 22 december 2014 een proces­ verbaal opgesteld (A.D. 3) waarin de administratie vaststelde dat eiseres in hoger beroep nooit de documenten als bedoeld in artikel 3, §1 K.B. nr. 3 heeft voorgelegd voor de bedragen waarvoor recht op aftrek werd gevraagd over de periode januari 2011 tot en met december 2013. Er werd gesteld dat eiseres in hoger beroep vanaf oktober 2005 systematisch inbreuken pleegde op de aftrekregeling, dat van juli 2010 tot december 2010 facturen werden opgenomen in de boekhouding die een privatief karakter hebben en dat voor de periode vanaf januari 2011 geen enkel stuk werd bezorgd. Het recht op aftrek werd dienvolgens verworpen voor een bedrag van 35.594,54 EUR en wegens oogmerk de belasting te ontduiken, werd een geldboete van 200% of 71.189,08 EUR opgelegd.

Het proces-verbaal werd als bijlage aan het bestreden dwangbevel d.d. 23 december 2014 gevoegd en aldus bij gerechtsdeurwaardersexploot aan verweerster in hoger beroep ter kennis gebracht.

Bij brief van 17 februari 2016 werd bezwaar aangetekend tegen het dwangbevel, bezwaar dat werd afgewezen bij beslissing van 29 april 2016.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 22 december 2016, vorderde eiseres in hoger beroep de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde te verklaren en eiseres in hoger beroep te ontslaan van de in het dwangbevel gevorderde sommen, ondergeschikt de geldboete te verminderen wegens haar onevenredig karakter en uitstel van tenuitvoerlegging van de geldboete te verlenen, verweerder in hoger beroep te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de geldboete vermeld in het dwangbevel waarvan de vernietiging dan wel vermindering wordt gevraagd, meer intresten in toepassing van artikel 91 W.B.T.W. en tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten, niet vereffend bij gebrek aan opgave en begroting ervan in conclusie.

De eerste rechter oordeelde dat, waar eiseres in hoger beroep stelt minstens voor 30.386,91 EUR recht op aftrek te hebben, het niet volstaat om pakken documenten neer te leggen zonder enige beredeneerde uitgewerkte en becijferde detailonderbouwing daarvan. Deze handelswijze vult de bewijslast van artikel 45 W.B.T.W. niet in.

Uit het geheel van de voorhanden zijnde gegevens blijkt, aldus de eerste rechter, dat eiseres in hoger beroep al jarenlang op systematische en volgehouden wijze en zonder het vereiste wettelijk bewijs tracht aftrek van voorbelasting te bekomen, wat na de waarschuwing voor vroegere jaren slechts kan beschouwd worden als kwaadwillig en opzettelijk. De ziekteattesten vormden ter zake geen redenen. Eiseres in hoger beroep dient in het kader van het jarenlange tijdsverloop de gepaste en nodige maatregelen te nemen om haar beheer en bestuur te waarborgen. De ernst van de inbreuk noopt tot gestrenge beoordeling. Eiseres in hoger beroep voert geen gepreciseerde en onderbouwde oorzaak of reden aan tot het verkrijgen van uitstel van tenuitvoerlegging van de geldboete. Uit het feitenrelaas blijkt dat zij hardnekkig en hardleers is.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 22 januari 2019, hoger beroep ingesteld.

2. De vorderingen in hoger beroep.

2.1. Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond te verklaren:

Wat betreft de hoofdsom,

- in hoofdorde het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde te verklaren en eiseres in hoger beroep te ontslaan van de in het dwangbevel gevorderde sommen,

- in ondergeschikte orde, het recht op aftrek minstens voor een bedrag van 30.386,91 EUR te aanvaarden, gelet op de voorhanden zijnde onderliggende stukken,

- in meer ondergeschikte orde, hert recht op aftrek minstens te aanvaarden voor een bedrag van 11.893,58 EUR conform de hoofdvordering van verweerder in hoger beroep gedurende de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg en conform de door verweerder in hoger beroep gemaakte berekeningen,

Wat betreft de B.T.W.-boete,

- de geldboete te vernietigen wegens gebrek aan motivering dan wel te verminderen wegens haar onevenredig karakter en/of uitstel van tenuitvoerlegging van de geldboete te verlenen,

- verweerder in hoger beroep te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de geldboete vermeld in het dwangbevel waarvan de vernietiging dan wel vermindering wordt gevraagd, meer intresten in toepassing van artikel 91 W.B.T.W.

Eiseres in hoger beroep vordert tenslotte verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 6.000 EUR.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en aldus,

Wat betreft de hoofdsom,

- in hoofdorde te bevestigen dat de uitgeoefende aftrek niet bewezen werd,

- in bijkomende orde, indien het hof van oordeel is dat het recht op aftrek bewezen werd, quad non, te zeggen voor recht dat er sprake is van misbruik van het recht op aftrek,

- in uiterst ondergeschikte orde, enkel voor zover het hof vindt dat het neutraliteitsbeginsel in casu vereist dat er recht op aftrek is én er geen sprake is van misbruik, die recht op aftrek te beperken tot 11.893,58 EUR,

Wat betreft de boete van 200%, geen kwijtschelding of vermindering toe te staan, noch in te gaan op het verzoek tot uitstel van de tenuitvoerlegging ervan.

Verweerder in hoger beroep vordert te zeggen voor recht dat alle betalingen, inhoudingen en/of toerekeningen ter inlossing van de schuld rechtmatig hebben plaatsgevonden en dat er geen terugbetaling dient bevolen te worden en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot alle kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, bepaald op 6.000 EUR.

3. Bespreking.

3.1. Ten gronde: wat betreft de aftrek van B.T.W.

In toepassing van artikel 45, §1 W.B.T.W. mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen, geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen, handelingen vrijgesteld van belasting krachtens de artikelen 39 tot 42 W.B.T.W., handelingen in het buitenland waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden, handelingen bedoeld in artikel 44, §3, 4° tot 10° W.B.T.W. of diensten als makelaar bij voorgaande handelingen.

Eiseres in hoger beroep die het recht op aftrek inroept, dient het bewijs te leveren dat zij zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen.

Opdat een belastingplichtige de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten mag aftrekken in zijn B.T.W.-aangifte moet het recht op aftrek van de belasting ontstaan zijn (artikel 2 K.B. nr. 3) en moeten de voorwaarden om dat recht uit te oefenen nagekomen zijn (artikel 3 K.B. nr. 3 en artikel 7 K.B. nr. 3). Op grond van artikel 3, §1, 1° K.B. nr. 3 moet de belastingplichtige in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, §2 en 53octies W.B.T.W. waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, §1 van het K.B. nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de B.T.W"

Het Hof van Justitie heeft in haar arrest van 15 september 2016 inzake Barlis 06 (H.v.J. 15 september 2016, C-516/14 inzake Barlis 06, bevestigd dat het recht op aftrek niet zomaar kan worden geweigerd op basis van een onvolledige factuur. Het basisbeginsel van neutraliteit van de B.T.W. verlangt dat aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden. Wanneer de belastingdienst over de nodige gegevens beschikt om vast te stellen dat is voldaan aan de materiële voorwaarden, mag zij bijgevolg voor het recht van de belastingplichtige op aftrek van die belasting geen nadere voorwaarden stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd. Het Hof van Justitie bepaalde aldus dat de belastingdienst zich er niet toe mag beperken de factuur zelf te onderzoeken, doch rekening dient te houden met aanvullende informatie die de belastingplichtige verstrekt.

Het recht op aftrek van de belastingplichtige moet derhalve niet enkel beoordeeld worden aan de hand van het vervuld zijn van formaliteiten, maar op basis van de materiële voorwaarden.

In casu verwerpt de administratie de volledige aftrek van de B.T.W. die tijdens de gecontroleerde periode in de kwartaalaangiften in aftrek werd gebracht voor een bedrag van 35.594,54 EUR. De aftrek wordt verworpen, zoals blijkt uit het proces-verbaal d.d. 22 december 2014 omdat eiseres in hoger beroep enerzijds nooit de documenten voorlegde als bedoeld in artikel 3, §1 K.B. nr. 3 en anderzijds voor dezelfde goederen en diensten niet aantoonde dat de goederen en diensten werden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Voor de periode van juli 2010 tot en met december 2010 blijken immers facturen met een privatief karakter te zijn opgenomen in de boekhouding en vanaf januari 2011 werden geen stukken bezorgd. In casu wordt de aftrek derhalve verworpen omdat noch is voldaan aan de formele voorwaarden, noch aan de materiële voorwaarden.

Eiseres in hoger beroep stelt dat de boekhoudkundige stukken wel degelijk voorhanden zijn en dat er wel degelijk sprake was van het verstrekken van diensten waardoor zij recht kan doen gelden op aftrek van B.T.W" Eiseres in hoger beroep verwijst daarvoor naar de kaften met de inkomende facturen over de gecontroleerde periode die zij bijbrengt onder stukken 3 tot 5. De integrale verwerping van de aftrek zonder rekening te houden met de voorliggende stukken zou derhalve willekeurig zijn en in strijd zijn met het neutraliteitsbeginsel inzake B.T.W" Minstens zou het recht op aftrek voor een bedrag van 30.386,91 EUR aanvaard moeten worden en uiterst ondergeschikt voor een forfaitair bedrag van 11.893,58 EUR.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep inmiddels onder de stukken 3 tot 5 de inkomende facturen bijbrengt waarin de B.T.W. is aangerekend die zij in aftrek wenst te brengen waardoor aan de formele vereisten voor het recht op aftrek lijkt te zijn voldaan. Niettemin is het hof van oordeel dat het recht op aftrek eiseres in hoger beroep terecht wordt geweigerd omdat niet is aangetoond dat aan de materiële voorwaarden ter zake is voldaan. Eiseres in hoger beroep blijft immers tot op heden in gebreke aan te tonen dat de kwestieuze goederen en diensten bestemd waren voor de uitoefening van haar beroepsactiviteit. Zulks kan enkel aan de hand van de voorgelegde inkomende facturen niet worden vastgesteld. Ook het dagboek uitgaande facturen levert ter zake geen bewijs. Eiseres in hoger beroep verstrekt ter zake geen aanvullende informatie. Het werkdocument, bijgebracht als stuk 16, dat een overzicht zou inhouden van de aftrekbaarheid van de B.T.W. in de inkomende facturen houdt evenmin enig bewijs in dat de gefactureerde goederen en diensten werden aangewend voor het verrichten van belastbare handelingen. Achterliggende stukken worden niet voorgelegd. Eiseres in hoger beroep beperkt zich ter zake tot loutere beweringen.

Van enige schending van het neutraliteitsbeginsel door de integrale verwerping van het recht op aftrek is dan ook geen sprake, nu niet bewezen is dat aan de materiële voorwaarden ter zake is voldaan.

Evenmin is er sprake van willekeur bij de integrale verwerping van het recht op aftrek, gelet op het totale gebrek aan bewijs dat in casu aan de voorwaarden voor het recht op aftrek is voldaan, bewijslast die rust op eiseres in hoger beroep. De administratie was dan ook gerechtigd om de aftrek integraal te verwerpen.

Gelet op ieder gebrek aan bewijs dient de aftrek ook niet te worden toegestaan voor een bedrag van 30.386,91 EUR. Geenszins toont eiseres in hoger beroep immers aan dat 'onbetwistbaar vaststaat' dat de aankoopfacturen waarin een totaalbedrag van 30.386,91 EUR B.T.W. werd aangerekend op enigerlei wijze in verband staan met de economische activiteiten van eiseres in hoger beroep in de sector van aannemingen en renovaties. Overeenkomsten met klanten en/of offertes worden niet voorgelegd evenmin als de uitgaande facturen, zodat de werkelijkheid van door eiseres in hoger beroep verrichte diensten nergens uit blijkt.

In die context kan het recht op aftrek ook niet worden toegestaan voor een bedrag van 11.893,58 EUR, berekend met inachtneming van een gemiddelde winstmarge berekend aan de hand van de winstmarges van tien belastingplichtigen uit dezelfde regio als eiseres in hoger beroep met dezelfde activiteitscode voor hun hoofdactiviteit. Dat de administratie dit in ondergeschikte orde vordert, 'voor zover het hof oordeelt dat het neutraliteitsbeginsel (zulks) vereist', houdt op zich geen erkenning in van enig bestaan van een werkelijke economische activiteit tijdens de gecontroleerde periode die de toekenning van het recht op aftrek op forfaitaire wijze berekend, zou rechtvaardigen. Zulks geldt in het bijzonder nu de administratie in hoofdorde de integrale verwerping van het recht op aftrek vordert, zowel bij gebrek aan formeel als aan materieel bewijs, waardoor het neutraliteitsbeginsel niet speelt. Enig verband tussen de goederen en diensten waarvoor recht op aftrek wordt gevraagd en de voorgehouden economische activiteit ontbreekt immers.

Het recht op aftrek werd dan ook terecht integraal verworpen. Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ongegrond.

3.2. Wat betreft de boete van 200%.

Eiseres in hoger beroep betwist de opgelegde boete van 200% wegens schending van de motiveringsplicht. Het bedrieglijk opzet zou niet zijn bewezen. Minstens is de boete onevenredig hoog en dient ze te worden verminderd tot een evenredig bedrag, dan wel met uitstel te worden opgelegd.

Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt in toepassing van artikel 70, §1 W.B.T.W. een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete komt niet in aanmerking voor vermindering wanneer blijkt dat ze werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken (artikel 1, tweede lid K.B. nr. 41).

In casu werd de boete in het proces-verbaal d.d. 22 december 2014 gemotiveerd door te verwijzen naar het verloop van de controle waarbij in weerwil van de herhaalde verzoeken daartoe de boekhouding niet kon worden gecontroleerd. Onvolledige mappen en stukken werden voorgelegd voor een zeer beperkte periode van juli 2010 tot december 2010 die niet aansloten met het journaal en de B.T.W.-aangiften. Onregelmatige facturen werden voorgelegd en privékosten werden opgenomen in de boekhouding. Voor de periode van januari 2011 tot december 2013 werden geen stukken voorgelegd. Tevens werd verwezen naar eerdere controles waarbij systematisch inbreuken op de aftrekregeling werden vastgesteld en waarbij werd aangekondigd dat indien geen verbetering zou optreden bedrieglijk opzet zou worden vermoed. Uit het proces-verbaal van vaststelling d.d. 16 april 2014 blijkt dat eiseres in hoger beroep keer op keer de afspraken tot voorlegging van de boekhouding niet nakwam zonder voorafgaandelijk te verwittigen waardoor iedere controle werd bemoeilijkt en de administratie aan het lijntje werd gehouden.

Het hof is van oordeel dat aldus op afdoende gemotiveerd werd dat in hoofde van eiseres in hoger beroep sprake is van bedrieglijk opzet. Enige goede trouw in hoofde van eiseres in hoger beroep kan niet worden vastgesteld.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.B.T.W. te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

Eiseres in hoger beroep stelt dat de boete disproportioneel is omdat deze voor haar een buitensporige last zou uitmaken. Het opleggen van een dergelijke boete zou een wanverhouding doen ontstaan tussen het algemeen belang en haar individueel belang.

Het hof is van oordeel dat de opgelegde geldboete van 200 % of 71.189,08 EUR in casu evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering is van de door eiseres in hoger beroep gepleegde feiten waarbij zij geheel in gebreke blijft enig objectief bewijs te leveren dat voldaan is aan de voorwaarden voor het recht op aftrek. Eiseres in hoger beroep legde ter zake tijdens de controle niet de vereiste stukken voor, waardoor iedere controle onmogelijk werd gemaakt en blijft ter zake ook voor het hof in gebreke. De medische en psychologische problemen van de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep en van diens partner doen geen afbreuk aan de ernst van de vastgestelde inbreuken en kunnen deze niet rechtvaardigen.

Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat de geldboete ten bedrage van 71.189,08 EUR een buitensporige last zou uitmaken. De geldboete werd proportioneel berekend met inachtneming van de ontdoken B.T.W. voor een bedrag van 35.594,54 EUR. De omvang van de geldboete is dan ook recht evenredig met de ten onrechte in aftrek gebrachte B.T.W" Enkel de omvang maakt deze dan ook niet buitensporig.

Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat de boete disproportioneel is in verhouding met de resultaten van de vennootschap. Dat eiseres in hoger beroep slechts een beperkte winst of een verlies realiseerde tijdens de vorige boekjaren, kan op zich niet tot gevolg hebben dat de opgelegde boete overdreven zou zijn of onredelijk met inachtneming van de aard van de inbreuken. Dat de financiële situatie van eiseres in hoger beroep en de winstvooruitzichten niet toereikend zouden zijn om de oplopende nalatigheidsintresten te voldoen, wordt niet toegelicht. Eiseres in hoger beroep verwijst tevens naar aanslagen in de vennootschapsbelasting, zonder hiervan echter stukken bij te brengen, zodat ook hieruit niet kan worden afgeleid dat de nagevorderde boete disproportioneel zou zijn met de ernst van de inbreuken.

Tenslotte stelt eiseres in hoger beroep dat er een wanverhouding zou ontstaan tussen het algemeen belang en haar individueel belang door de navordering van de geldboete van 200%. Het hof herneemt dat de nagevorderde belastingen, boetes en intresten voortvloeien uit de verwerping van het recht op aftrek omdat over de volledige gecontroleerde periode van 3 jaar niet de vereiste stukken werden voorgelegd ten bewijze van het recht op aftrek en dit in weerwil van herhaalde verzoeken daartoe. Dat aldus B.T.W. verschuldigd was, vermeerderd met geldboeten en nalatigheidsintresten, is dan ook slechts te wijten aan eiseres in hoger beroep die handelde met opzet de belasting te ontduiken. In welke mate het individueel belang van eiseres in hoger beroep hierdoor zou zijn geschaad en waaruit de wanverhouding met het algemeen belang zou moeten blijken, wordt door eiseres in hoger beroep niet toegelicht.

Eiseres in hoger beroep stelt ondergeschikt in aanmerking te komen voor uitstel van de boete. Zij motiveert echter niet welke specifieke omstandigheden in casu een uitstel zouden rechtvaardigen. Noch de resultaten van de vennootschap of aanslagen in de vennootschapsbelasting kunnen in casu rechtvaardigen dat de boete met uitstel wordt opgelegd, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien.

Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten en de concrete gegevens van de zaak is er in casu dan ook geen enkele reden om de geldboete van 200% kwijt te schelden dan wel te verminderen, evenmin om deze met uitstel op te leggen. Het vonnis van de eerste rechter wordt bevestigd.

Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ongegrond en het vonnis van de eerste rechter dient te worden bevestigd.

Partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding op 6.000 EUR in hoger beroep. De rechtsplegingsvergoeding wordt ten laste gelegd van eiseres in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij.

Beschikkend gedeelte

4. Beslissing.

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op en door het hof vereffend op 6.000 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 19 januari 2021 door ...

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

8
KB nr. 3 art. 34 voorkomens
KB nr. 41 art. 12 voorkomens
WBTW art. 452 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens
KB nr. 1 art. 51 voorkomen
KB nr. 3 art. 21 voorkomen
KB nr. 3 art. 71 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8