Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 18.04.2007
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE KAMER OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 APRIL 2007
Algemene rol nummer 02/505/A
In de zaak van :
NV D. E. B., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Dendermonde onder het nummer … en met BTW-nummer …,
eiseres,
hebbende als raadsman Mtr. F. V., advocaat te …, …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL. Wetstraat 12, Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Dendermonde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9200 Dendermonde, St. Rochusstraat 63 en de administratie van de invordering in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor van Sint-Niklaas, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2.
verweerder,
hebbende als raadsman Mtr. E. V. A., advocaat te …, …,
vonnist de rechtbank als volgt :
1. RECHTSPLEGING
1.1. Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 21 maart 2007 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
1.2. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de gedinginleidende dagvaarding d.d. 4 februari 2002, de onderscheiden conclusies van de partijen evenals hun respectieve stukkenbundels.
2. DE VORDERING
De vordering va11 eiseres strekt er toe :
- de dagvaarding ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- dienvolgens de terugbetaling aan eiseres te bevelen van de in uitvoering van het betalingsbericht d.d. 3 december 2001 met refertenummer … ten onrechte betaalde rechten, boeten en intresten, in totaal € 5.127,63 verhoogd met de gerechtelijke rente;
- de Belgische Staat te veroordelen tot de gedingkosten.
3. FEITEN EN GESCHIL
Op 8 en 9 oktober 2001 heeft de administratie een controle verricht bij eiseres betreffende de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake BTW over de periode 1997 tot en met 30 juli 2000.
Naar aanleiding van deze controle weigert de administratie de aftrek van de voorbelasting met betrekking tot de hierna volgende twee facturen :
- Factuur nr. … d.d. 10 november 1998 (betreffende "aanleg gazon + beplantingswerken + grondwerken") voor een bedrag van 700.000 BEF waarover 147.000 BEF BTW werd afgetrokken,
- Factuur nr. … d.d. 10 augustus 1999 (betreffende "plant en snoeiwerken") voor een bedrag van 100.000 BEF waarover 21.000 BEF BTW werd afgetrokken.
De BTW waarvan de aftrek wordt betwist bedraagt derhalve 168.000 BEF (4.164,61 €).
Voor het verwerpen van de aftrek steunt de administratie zich op twee argumenten. Vooreerst wordt de aftrek geweigerd van de voorbelasting met betrekking tot voormelde facturen om reden dat de facturen niet zouden voldoen aan de vormvoorwaarden beschreven in artikel 5 van het KB nr. 1. Meerbepaald wegens het ontbreken op de facturen van de gegevens vermeld in artikel 5.5 a) en artikel 5, 6°.
Tevens wordt de aftrek geweigerd om reden dat er "bekende en vaststaande feiten zijn waaruit met een graad van waarschijnlijkheid die aan zekerheid grenst" kan worden afgeleid dat de handelingen opgesomd in genoemde ontvangen facturen in hoofde van eiseres niet volledig aan eiseres werden geleverd en dus niet door eiseres werden gebruikt voor het verrichten van handelingen bedoeld in artikel 45, § 1 van het BTW-wetboek.
Het verwerpen van de aftrek van de voormelde facturen is het voorwerp van een op 22 november 2001 opgesteld proces-verbaal (stuk 3 - verweerder).
Op 6 december 2001 werd door de administratie een dwangbevel uitgevaardigd dat door de daartoe gemachtigde ambtenaar op 7 december 2001 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard (stuk 4 - verweerder).
Op 12 december 2001 werd het dwangbevel aan eiseres betekend (stuk 5 - verweerder).
Op 13 december 2001 laat de raadsman van eiseres weten dat de betwiste vordering zal betaald worden onder voorbehoud van alle rechten zonder nadelige erkentenis (stuk 6 - verweerder).
Op 14 december 2001 betaalt eiseres 5.127,63 € en op 28 januari 2002 worden de kosten betaald ten bedrage van 119,96 €.
Op 4 februari 2002 gaat eiseres over tot dagvaarding ten einde terugbetaling te bekomen van de ingevolge het betalingsbericht van 3 december 2001 betaalde rechten, boeten en intresten (stuk 8 - verweerder).
Eiseres laat gelden dat de betwiste facturen wel degelijk voldoen aan alle vormvoorwaarden als bedoeld in artikel 3, § 1, 1° van het KB nr. 3 en artikel 5 van het KB nr. 1 en dat alle in de facturen opgenomen handelingen wel degelijk aan haar werden geleverd en door haar werden gebruikt voor het stellen van handelingen als bepaald in artikel 45, § 1 BTW-wetboek.
4. BESPREKING
4.1. Krachtens artikel 45, § 1 BTW-wetboek mag de belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwerving van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
Daartoe dienen de voorwaarden gesteld in de artikelen 1 tot 4 van het KB nr. 3, d.d. 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, te worden voldaan.
Om in casu haar recht op aftrek te kunnen uitoefenen dient eiseres derhalve :
1. het bewijs te leveren dat de goederen en diensten worden bestemd voor in artikel 45, § 1, 1° tot 5° van het BTWwetboek bedoelde handelingen (artikel 1, KB nr. 3);
2. het bewijs te leveren dat het recht op aftrek is ontstaan (artikel 2, KB nr. 3);
3. in het bezit te zijn van een conforme factuur (artikel 3, KB nr. 3).
4.2. Vooreerst dient nagegaan of eiseres in het bezit is van een "conforme'' factuur.
Artikel 3, § 1, KB nr. 3 bepaalt immers :
"Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige :
1° ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig artikel 5, § 1, van het KB nr. 1 van 29 december 1992
2° (…)”
Volgens verweerder kan eiseres haar recht op aftrek niet uitoefenen omdat de facturen niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 5, § 1, 5°, a) en 6° van het KB nr. 1.
Artikel 5, § 1 van het KB nr. 1 zoals van toepassing op het ogenblik van de kwestieuze facturatie (de jaren 1998 en 1999) bepaalt dat op een factuur moet vermeld worden :
''(...)
5°, a) de datum van de levering van het goed of van de voltooiing van de dienst en, in de in artikel 1, § 1, 2°, bedoelde gevallen de datum waarop de belasting opeisbaar wordt of, wanneer de datum niet met zekerheid kan worden bepaald, het tijdvak waarin de handeling heeft plaatsgevonden"
(...)
6° de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten
(...)"
4.3. Eiseres verwijst met betrekking tot de vormvoorwaarden van de facturen naar het arrest Jeunehomme van het Hof van Justitie d.d. 14 juli 1988 (Jur. H.v.J., 1988, 4541) waarbij werd geoordeeld dat de lidstaten de uitoefening van het recht op aftrek afhankelijk kunnen stellen van het bezit van een factuur met een verplicht aantal vermeldingen in de mate dat deze nodig zijn om de inning van de BTW en de controle daarvan door de belastingadministratie te verzekeren. Die vermeldingen mogen echter niet zo talrijk of technisch zijn dat zij de uitoefening van het recht op aftrek nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk maken.
Eiseres laat gelden dat de afzonderlijke vermelding van de datum van de voltooiing van de dienst niet noodzakelijk is wanneer de uitreiking van de factuur en de voltooiing van de dienst samenvallen.
Verder voert eiseres aan dat de datum waarop de belasting opeisbaar wordt wel degelijk met zekerheid kan worden bepaald nu de belasting eveneens opeisbaar wordt op datum van het uitreiken van de factuur die in casu samenviel met de datum van voltooiing van de dienst. Daardoor zou ook de vermelding van het tijdvak waarin de handelingen hebben plaatsgevonden geenszins vereist zijn.
Wat betreft de vermelding van de plaats van de dienstverrichting meent eiseres dat de administratie een voorwaarde toevoegt aan artikel 5 KB nr. 1. Enkel de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en op het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen moeten expliciet op de factuur voorkomen. Volgens eiseres zijn de facturen op dat vlak voldoende gedetailleerd.
4.4. Verweerder daarentegen werpt op dat de voorgelegde facturen geen melding maken van zowel de datum van voltooiing van de dienst als van het voorwerp van de handeling. Uit de omschrijving die voorkomt op de facturen kan volgens verweerder niet worden opgemaakt welke diensten werden uitgevoerd, welke materialen werden gebruikt om die diensten uit te voeren welke de plaats was waar deze diensten werden uitgevoerd en zeker niet het tijdstip waarop deze diensten werden voltooid. Door het ontbreken van deze verplichte vermeldingen en door het feit dat door eiseres geen enkel document werd voorgelegd, waaruit met zekerheid de echtheid van voornoemde elementen kan worden bepaald. moet volgens verweerder de aftrek van de belasting worden verworpen.
4.5. Betreffende factuur nr. … d.d. 10 november 1998 ("aanleg gazon + beplantingswerken + grondwerken") voor een bedrag van 700.000 BEF stelt de rechtbank inderdaad vast dat hierop geen datum van voltooiing van de dienst voorkomt. noch de vermelding van het tijdvak waarin de dienst werd verricht en evenmin de plaats alwaar de dienst werd uitgevoerd.
De rechtbank stelt ook vast dat ook het voorwerp van de prestaties bijzonder algemeen is omschreven en nauwelijks enige controle toelaat.
Hetzelfde geldt wat betreft de factuur nr. … d.d. 10 augustus 1999 ("plant en snoeiwerken") voor een bedrag van 100.000 BEF.
4.6. De vermelding op de factuur van de datum van voltooiing van de dienst is nochtans nodig voor de inning en controle van de BTW. De datum van voltooiing van de dienst bepaalt immers het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt en is eveneens bepalend voor de verplichtingen inzake de aangifte van de verschuldigde BTW, de doorstorting ervan aan de schatkist, de aftrek in hoofde van de afnemer. De datum is bovendien essentieel voor het bepalen van het toe te passen tarief ingeval van wijziging ervan.
Dit geldt in casu des te meer aangezien de werken die voorwerp zijn van factuur nr. … d.d. 10 november 1998 blijkbaar in verschillende fasen zijn gebeurd (zie het antwoord op de vraag om inlichtingen - stuk 14 van verweerder - betreffende de litigieuze facturen waarin wordt gesteld dat eerst taxus werd geplant en, nadat het blad ervan geel werd, er vervolgens ceders zijn geplant) en er ook geen offertes zijn opgemaakt. Bovendien zouden de werken een langere periode (200 werkuren) in beslag hebben genomen
Eiseres houdt weliswaar voor dat de voltooiing van de diensten plaatsvond op de datum van de facturen, zijnde respectievelijk 10 november 1998 en 10 augustus 1999, doch terzake bestaat niet de minste zekerheid dat deze factuurdata effectief overeenstemmen met de data van voltooiing van de diensten.
Eiseres kan dan ook niet worden bijgetreden, wanneer zij stelt dat de administratie met zekerheid de datum van opeisbaarheid van de belasting kon bepalen.
De litigieuze facturen voldoen niet aan de voorschriften van artikel 5, § 1, 5°, a) KB nr. 1.
4.7. Artikel 5, § 1, 6° van het KB nr. 1 schrijft de vermelding voor van de gegevens van de handeling, nodig om de handeling te kunnen determineren.
Met reden stelt verweerder dat dit niet alleen inhoudt dat de factuurgegevens moeten toelaten de handeling zelf te determineren (levering of dienst), maar ook de plaats te determineren (zie artikelen 15 en 21 BTW-wetboek), en het tijdstip van het belastbare feit vast te stellen.
Deze gegevens zijn inderdaad nodig om na te gaan of de belasting verschuldigd is en, in voorkomend geval, na te gaan in welke aangifte deze handelingen dienen te worden opgenomen en op welk tijdstip de verschuldigde belasting moet worden voldaan.
Deze gegevens zijn dus essentieel om de toepassing van de BTWwetgeving te garanderen.
De litigieuze facturen maken geen melding van de geleverde planten, noch van de aard of omvang van de uitgevoerde grondwerken, noch van de aard of omvang van de plant- en snoeiwerken, noch van de plaats of tijdstip van de uitgevoerde werken.
Mede gelet op het ontbreken van enige onderliggende stukken (offertes), volstaan de vermeldingen op de betwiste facturen niet om de handelingen te determineren in de zin van artikel 5, § 1, 6° van het KB nr. 1.
4.8. De voorwaarden van artikel 5, § 1, 5°, a) en 6 van het KB nr. 1 zijn niet onredelijk of overdreven moeilijk. Het komt de rechtbank voor dat deze voorwaarden objectief noodzakelijk zijn en evenredig zijn met het nagestreefde doel namelijk de controle en de inning van de BTW.
4.9. Het bewijs van de waarheidsgetrouwheid van de facturen en van de eventuele bestemming van de goederen/diensten voor de in artikel 45, § 1, 1° tot 5° van het BTW-wetboek handelingen dient niet onderzocht.
De litigieuze facturen voldoen immers niet aan de voorschriften van artikel 5, § 1, 5°, a) en 6° van het KB nr. 1 en om die reden alleen al kan de aftrek niet worden toegestaan (in dezelfde zin zie : Cass. 7 juni 1996, F.J.F. nr. 96/188)
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op TEGENSPRAAK,
Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding.
Begroot de kosten als volgt :
aan de zijde van eiseres :
rechtsplegingsvergoeding : 364,40 EUR
dagvaarding : 159,27 EUR
aan de zijde van verweerder :
rechtsplegingsvergoeding : 364,40 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken door de zesde (fiscale) kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de openbare terechtzitting van woensdag 18 april 2007, alwaar aanwezig waren :
Alleen zetelend rechter, J. V. d. F.
Griffier, M. V.
M. V. J. V. d. F.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.