Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 17.04.2000
Feitelijk vermoeden - Bewijskracht boekhouding - Boete - Vermindering
De B.T.W.-aangifte van een B.T.W.-belastingplichtige restaurantuitbater toont aan dat goederen aan de voorraad werden onttrokken voor eigen gebruik. Deze onttrekkingen werden echter niet opgenomen in de boekhouding, want betekent dat deze niet overeenstemt met de werkelijkheid en derhalve ook niet bewijskrachtig is. De verschuldigdheid van B.T.W. of van een geldboete kan door de B.T.W.-administratie worden aangetoond via het bewijs door feitelijke vermoedens. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Hiervoor dient beroep te worden gedaan op een reeks van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens. Die kunnen samen het bewijs vormen van zwarte leveringen. Overeenkomstig de rechtspraak van het Arbitragehof kan de rechter de door de B.T.W.-administratie opgelegde boete verminderen, wat in deze zaak ook gebeurd.
Vierde kamer
Alleenrechtsprekend rechter: Dhr. N. Haemers
gedelegeerd adjunct-griffier: Mevr. N. Lhoëst
Partij: V••••• A•• t. De Belgische Staat
Rolnr.: 97/463/A
I
RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 7 februari 1997.
Gelet op het tussenvonnis de dato 22 december 1997 van de vijfde kamer van deze rechtbank.
Gelet op de verwijzing van deze zaak de dato 22 november 1999, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.
De Rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 27 maart 2000.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II
BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1.
Eiseres is sedert 1 juni 1989 gekend en ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer 766.064.923, ingevolge de door haar aangevatte activiteit van uitbating van een hotel-restaurant.
Overeenkomstig een proces-verbaal van 5 april 1996 blijkt dat eiseres bij de N.V. Alrob, in de periode van 1 januari 1992 tot 31 december 1992 goederen heeft verkregen waarvan de uitgereikte facturen niet op haar naam, maar onder de noemer "PARTICULIER" opgesteld werden.
Op 2 augustus 1996 werd door de heer Robert Gerets , eerstaanwezend verificateur bij de administratie van de BTW., Registratie en Domeinen, verbonden aan het tweede controlekantoor van de BTW. te Oostende, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde.
Bij gebrek aan een akkoordverklaring werd door de heer Gerets voornoemd, op 15 oktober 1996 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 15 oktober 1996 werd op basis van dit proces-verbaal door de ontvanger van de BTW. te Oostende, overeenkomstig artikel 85, § 1 WBTW., een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 17 oktober 1996 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer Jozef Pattyn , inspecteur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW., Registratie en Domeinen te Brugge en op 17 oktober 1996 door de heer ontvanger bij aangetekende brief aan eiseres opgestuurd.
Op 19 december 1996 werd voormeld dwangbevel bij deurwaardersexploot betekend aan eiseres.
Op 20 januari 1997 werd bij deurwaardersexploot van de heer Alex Wynen uitvoerend beslag gelegd op de roerende goederen van eiseres.
2.2.
Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het dwangbevel, uitgevaardigd op 15 oktober 1996 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17 oktober 1996, nietig is en dat zij bijgevolg geen BTW., noch boetes verschuldigd is. In ondergeschikte orde vraagt eiseres dat de Rechtbank de boete die betrekking heeft op het dwangbevel, kwijtscheldt.
Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
2.3.
Verweerder vraagt dat het verzet ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 12.400,- Bf. rechtsplegingsvergoeding.
III
BEOORDELING
1
nopens de bewijskracht van de boekhouding
3.1.1.
De BTW-aangifte toont aan dat eiseres goederen heeft onttrokken aan de voorraad voor eigen gebruik. Het niet inboeken in de boekhouding betekent dat zij niet overeenstemt met de werkelijkheid en bijgevolg ook niet bewijskrachtig is.
3.1.2.
Eiseres heeft, niettegenstaande zij geopteerd heeft om belast te worden volgens de normale BTW-regeling met bijhouding van een dagontvangstenboek, de dagontvangsten van de contante verkopen globaal, en niet gedetailleerd per btw.-tarief, in het dagontvangstenboek ingeschreven.
Wanneer een belastingplichtige handelingen verricht die aan verschillende tarieven onderworpen zijn, is zij overeenkomstig artikel 14 van het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW verplicht om per tarief afzonderlijk de ontvangsten in te schrijven in het dagboek. Pas dan is een juiste heffing van de BTW. mogelijk.
De boekhouding van eiseres is dan ook integraal te verwerpen, nu zij niet als een coherent geheel waaruit de betrouwbaarheid en bewijskracht volgt, kan beschouwd worden.
2
nopens het bewijs ten gronde
3.2.1.
Volgens eiseres maakt verweerder geen correcte toepassing van het bewijs door vermoedens doordat ze zich op geen enkel bekend feit steunt.
De verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete kan door verweerder aangetoond worden via het bewijs door feitelijke vermoedens (art. 59 WBTW.).
Overeenkomstig art. 1349 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.
Het is de rechter die soeverein oordeelt of het feit waarop hij zich steunt, al dan niet bekend is en hij kan een feitelijk vermoeden afleiden uit een geheel van gegevens, ook al geven die gegevens, elk afzonderlijk genomen, geen voldoende zekerheid.
In de rechtspraak wordt algemeen aanvaard dat gegevens uit geschriften en verklaringen uitgaande van derden een geheel van vermoedens kunnen vormen die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmen en bijgevolg voldoen aan de bewijsvoering door feitelijke vermoedens zoals bepaald in art. 1353 B.W..
Door verweerder wordt in casu beroep gedaan op een reeks van feitelijke gegevens die een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens moeten vormen ten bewijze van de zwarte leveringen.
Bij de beoordeling van deze feitelijke gegevens dient gesteld dat deze samen in overweging moeten genomen worden teneinde te kunnen oordelen of er al dan niet sprake is van een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens.
3.2.2.
Uit de thans in de debatten gebrachte lijst LINK blijkt dat de volgorde van de nummers van de officiële facturen per dag overeenstemming vertoont met de volgorde van de nummers van de facturen particulier en zelfs met de volgorde van de klantennummers waaronder het klantennummer van eiseres.
Niet alleen de opeenvolging van de nummers van de officiële facturen en de facturen particulier doch ook de volgorde van de leveringen aan de verschillende klanten, ingevolge vaste klantenrondes, zijn een belangrijke aanwijzing die toelaten een factuur particulier aan een welbepaalde klant toe te schrijven.
3.2.3.
Verder tonen de voorliggende facturen op naam van eiseres en de onmiddellijk erop volgende facturen gericht aan eiseres onder de benaming "particulier" over het jaar 1991 en 1992 een duidelijke overeenstemming aan qua aankoopdata, aard van aangekochte goederen, hoeveelheid van aangekochte goederen, volgorde van vermelding van de goederen op de factuur en handelskorting.
3.2.4.
In het proces-verbaal de dato 5 april 1996 (stuk 13 verweerder) hebben de bestuurder en de voormalig afgevaardigde beheerder van de N.V. Alrob verklaard dat niet alle leveringen aan belastingplichtigen effectief "op naam van deze afnemers" werden gefactureerd.
In voormeld proces-verbaal heeft de voormalig afgevaardigde beheerder tevens verklaard dat de facturatie gebeurde aan de hand van een bestelbon, opgesteld door de reiziger, die van de klant verneemt wat en hoeveel er mag worden gefactureerd "op naam". Het restant van de levering wordt gefactureerd als verkoop "particulieren" en wordt contant ontvangen. Hij verklaarde eveneens dat voormelde bestelbons niet worden bewaard.
3.2.5.
Van de 273 gecontroleerde afnemers van de N.V. Alrob die bij de fraude betrokken zijn werden er door 256 minnelijke overeenkomsten gesloten. Volgens verweerder zijn er slechts 17, waaronder eiseres, die de link tussen de officiële facturen en de facturen "particulier" betwisten. Bovendien heeft één van de afnemers niet alleen een minnelijke schikking ondertekend, maar tevens in een schriftelijke verklaring bevestigd dat de goederen van de N.V. Alrob, vermeld op de facturen particulier effectief aan hem werden geleverd (stuk 14 van verweerder).
Het feit dat een groot aantal afnemers van de N.V. Alrob wel akkoord ging met de vordering van verweerder en dat één afnemer de effectieve leveringen heeft erkend, impliceert op zich uiteraard niet dat eiseres ook deel had in het zwarte aankoopsysteem, maar vormt wel een belangrijk vermoeden dat samen met de andere feitelijke gegevens dient in overweging te worden genomen.
3.2.6.
Op 24 februari 1993 werd, n.a.v. een levering door de N.V. Alrob aan een tearoom te Koksijde, door de opsporing- en documentatiedienst te Gistel, het reeds eerder geciteerde fraudemechanisme in de praktijk vastgesteld (stuk 16 van verweerder).
Deze vaststelling toont aan dat het fraudesysteem zoals het aanvankelijk op papier werd vastgesteld effectief ten aanzien van de afnemers-belastingplichtigen werd gehanteerd.
3.2.7.
Voormelde opgesomde feiten vormen een geheel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens die toelaten te besluiten dat eiseres zwarte aankopen heeft gedaan aan de N.V. Alrob.
3
nopens de verhoging van de boete naar aanleiding van het dwangbevel
3.3.1.
In het opgestelde proces-verbaal de dato 15 oktober 1996 werd een boete opgelegd van 151.000,- Bf. Naar aanleiding van de betekening van het dwangbevel werd de boete verhoogd met 50%. Zij bedroeg derhalve 226.500,- Bf.
Volgens eiseres kan het verhogen van de boete met 50% naar aanleiding van het betekenen van het dwangbevel niet worden aanvaard. Dit is strijdig met artikel 6 van het E.V.R.M.
3.3.2.
De normale verschuldigde boete volgens het artikel 70 § 1, eerste lid WBTW. is vastgesteld op het dubbel van de ontdoken rechten.
Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting op de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 70 WBTW., bepaalt de schaal voor de vermindering van die proportionele fiscale geldboeten. In casu werd de verminderde boete vastgesteld volgens tabel A van het K.B. nr. 41 op 20% van de verschuldigde rechten, zijnde 151.000,- Bf..
Volgens artikel 2 van voormeld koninklijk besluit wordt in geval van kennisgeving of betekening van het dwangbevel overeenkomstig artikel 85 WBTW. , de in de tabellen opgenomen geldboeten verhoogd met 50%. In casu werd aldus de boete bepaald op 226.500,- Bf.
3.3.3.
Eenieder heeft het recht een betwisting, zoals bepaald bij artikel 6 E.V.R.M., te laten beoordelen door de Rechtbank, zodat eender welke wederrechtelijke aantasting van dat recht strijdig is met deze verdragsbepaling.
Er kan ten deze dus niet worden aanvaard dat de boete met 50% wordt verhoogd, bij het uitvaardigen van een dwangbevel. Het is immers duidelijk dat onderhavige vordering een vordering als bedoeld bij voorzegd artikel 6 uitmaakt, terwijl een verhoging van de boete met 50% beoogt de belastingplichtige te doen afzien van een procedure voor de Rechtbank. Een belastingplichtige kan niet worden gesanctioneerd omdat hij niet instemt met het standpunt van de fiscus. Eenieder heeft immers het recht zich tot de Rechtbank te wenden zonder enige dwang of dreiging met een sanctie. Een verhoging tot 50% van de boete, bij het uitvaardigen van een dwangbevel, is dan ook strijdig met artikel 6 E.V.R.M..
3.3.4.
De boete wordt dan ook herleidt tot 151.000,- Bf.
4
nopens de verdere vermindering of de kwijtschelding van de boete
3.4.1.
Eiseres vraagt verder dat de Rechtbank de boete zou kwijtschelden, minstens herleiden. Zij steunt zich hiertoe op het arrest van het Arbitragehof van 24 februari 1999.
Het Arbitragehof onderstreept dat de fiscale administratieve boete vooral een repressief karakter heeft. Het is een afschrikkingsmiddel. Bijgevolg zijn het E.V.R.M. en het B.U.P.O-verdrag van toepassing op deze administratieve sanctie.
Volgens het Arbitragehof moet de belastingplichtige derhalve de mogelijkheid hebben door een rechter te laten beoordelen of een administratieve sanctie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, zijn geëerbiedigd. Onder deze beginselen valt ook het evenredigheidsbeginsel.
De rechter moet derhalve een controle met volle rechtsmacht kunnen uitoefenen.
3.4.2.
De Rechtbank stelt vast dat eiseres geen enkel argument naar voor brengt die als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.
De Rechtbank is van oordeel dat de boete van 151.000,- Bf. gerechtvaardigd is en in ieder geval beantwoordt aan het evenredigheidsbeginsel.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart het verzet ontvankelijk.
Verklaart het gegrond in de mate zoals hierna bepaald.
Zegt voor recht dat het in datum van 19 december 1996 door gerechtsdeurwaarder Alex Wynen betekend dwangbevel de dato 15 oktober 1996, hetwelk op 17 oktober 1996 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, behoudens voor wat betreft de gevorderde boete, volkomen rechtsgeldig is en bevestigt het in die mate.
Herleidt de boete tot 151.000,- Bf.
Wijst het meer of anders gevorderde af als ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 12.600,- Bf., uit hoofde van de rechtplegingsvergoeding en 2100,- Bf, uit hoofde van aanvullende rechtsplegingsvergoeding (tussenvonnis overlegging van stukken).
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.
De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.