Dwangbevel, delegatie, Proces-verbaal, Motivatie, bewijs, Boetes · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 13/2799/A 19 maart 2015

Zoeken

Dwangbevel, delegatie, Proces-verbaal, Motivatie, bewijs, Boetes

https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-delegatie-proces-verbaal-motivatie-rechtbank-hasselt-2015-03-19-d54e

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Rolnummer
13/2799/A
Datum
19 maart 2015

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gemengd

Tekst

85 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg Limburg - Afdeling Hasselt dd. 19.03.2015 (13/2799/A)

Belasting over de toegevoegde waarde – dwangbevel – delegatie – Proces-verbaal – Motivatie – bewijs – Boetes - Evenredigheid

Wetgeving

Art. 53 WBTW

Art 85 WBTW

Art. 70 WBTW

Samenvatting

Een dwangbevel dat geviseerd en uitvoerbaar is verklaard door de dd. e.a. inspecteur, die via delegatie bevoegd was om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren, is niet nietig.

De bijlagen bij het proces-verbaal werden niet betekend samen met het dwangbevel.

De rechtbank is van oordeel dat het dwangbevel, dat verwijst naar het proces-verbaal, voldoende gemotiveerd is. In het proces-verbaal wordt zeer duidelijk aangegeven wat de grondslag van de belasting is, wat de feiten zijn en welke juridische gevolgen de administratie daar aan koppelt. Bovendien wordt de inhoud van de bijlagen in het proces-verbaal zelf weergegeven. Verder betreffen de bijlagen stukken die door de gevolmachtigde van eiseres waren overgemaakt aan de administratie, zodat eiseres geacht mag worden deze stukken te kennen.

Het dwangbevel is niet nietig. Of de administratie haar vordering bewijst, behoort tot de grond van de zaak.

Belastingplichtige levert geen afdoende bewijs m.b.t. de al dan niet rechtmatig in de aangifte opgenomen herziening van de aftrek, derhalve werd het bedrag opgenomen in rooster 62 terecht verworpen door de administratie.

M.b.t. de opgelegde boete is de rechter van oordeel dat de boete onevenredig is met de aard en de ernst van de inbreuk. In casu is er geen bewijs dat het gaat om een ingewikkelde fraudeconstructie of een opzettelijke overtreding van de BTW-wetgeving. De boete wordt derhalve herleidt tot 50% van de ontdoken belasting.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Limburg – afdeling Hasselt

dd. 19.03.2015

(13/2799/A)

IN ZAKE:

H. BVBA, met zetel te … en met ondernemingsnummer … .

- eiseres -

Ter zitting vertegenwoordigd door mr. S.C., advocaat te …,

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12. ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE FISCALITEIT - BTW, in de persoon van de adviseur - gewestelijke directeur van de BTW-Directie te Hasselt, met burelen gevestigd 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.

- verweerder-

Ter zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde mevrouw M.M., adviseur-directeur a.i. bij de gewestelijke directie van de BTW te Hasselt.

VOLGT HET VONNIS :

I. PROCEDURE

De zaak werd ingeleid via een verzoekschrift op tegenspraak in fiscale zaken neergelegd op 27 november 2013, met daarbij een afschrift van het dwangbevel van 19 oktober 2012.

Met toepassing van art. 747 Gerechtelijk Wetboek werden conclusietermijnen bepaald en een pleitdatum vastgelegd.

Beide partijen hebben conclusies neergelegd op de griffie, waaronder elk een syntheseconclusie.

Verweerder heeft een bundel met overtuiggingsstukken neergelegd.

De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 19 februari 2015 waarop de advocaat van eiseres en de gevolmachtigde van verweerder hebben gepleit.

II. SAMENVATTING VAN DE FEITEN

Eiseres is BTW-belastingplichtige. Op 31 oktober 2011 vertoonde de rekening-courant van eiseres een tegoed van 14.863,07 euro. Eiseres vroeg om de teruggave van dit tegoed. Er volgde een teruggavecontrole. De gevolmachtigde boekhouder van eiseres werd gevraagd om verantwoording te geven voor het bedrag dat was opgenomen in rooster 62 van de BTW-aangifte van de maand augustus 2011. In dit rooster worden de BTW-regularisaties in het voordeel van de aangever opgenomen.

Ondanks telefonische aanmaningen werd er niet geantwoord. De administratie vroeg eiseres om verantwoording. Er kwam geen antwoord. Op 9 januari 2012 verstuurde de administratie een correctieopgave waarin werd aangegeven dat er geen verantwoording was voor het bedrag van 14.340,00 euro, dat dit bedrag ten onrechte werd opgenomen in rooster 62 en dat het terugbetaald moest worden aan de Belgische Staat.

Op 13 januari 2012 liet de gevolmachtigde van eiseres weten niet akkoord te gaan met de correctieopgave. Op 17 januari 2012 meldde de gevolmachtigde dat het zou gaan om 18.105,82 euro aan te veel aangegeven verschuldigde BTW en dit met betrekking tot het jaar 2008. De administratie antwoordde dat het betrokken bedrag niet overeenkwam met het bedrag in rooster 62, dat er voor het jaar 2008 een controle was geweest, dat er een correctieopgave was ondertekend en dat het betrokken bedrag daar niet in was opgenomen.

De gevolmachtigde van eisers antwoordde dat de rechtszetting zou zijn gebeurd op verzoek van de ambtenaar die de controle voor het jaar 2008 had uitgevoerd. Dit werd door de betrokken ambtenaar echter ontkend.

Op 14 september 2012 stelde de BTW-administratie een proces-verbaal op dat aan eiseres werd overgemaakt. Daar werd een overzicht gegeven van de feiten en werd aangegeven dat er voor 14.340,00 euro aan BTW verschuldigd was, vermeerderd met intrest en een boete van 200% wegens een overtreding begaan met het opzet om de belasting te ontduiken.

Op 19 oktober 2012 werd een dwangbevel uitgevaardigd, dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24 oktober 2012, verzonden op 26 oktober 2012 en betekend op 10 oktober 2013.

III. DE VORDERINGEN

Eiseres vraagt om het dwangbevel inzake BTW met referte 412/0914/19952, uitgevaardigd te Hasselt op 19 oktober 2012 door de ontvanger en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijk directeur van de BTW te Hasselt of zijn gedelegeerd ambtenaar, nietig en zonder gevolg te verklaren en dienvolgens ontheffing te bevelen van de gevestigde belastingschuld.

Verweerder vraagt om de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, eiseres in haar eisen af te wijzen en haar te veroordelen tot de betaling van de door de administratie gevorderde bedragen. Verweerder vraagt om nog geen uitspraak te doen over de rechtsplegingsvergoeding in afwachting van het antwoord van het Grondwettelijk Hof op prejudiciële vragen die in andere zaken zijn gesteld.

IV. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK

A. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist. De rechtbank bemerkt geen gronden van onontvankelijkheid die zij zelf moet opwerpen. De vordering is ontvankelijk.

B. Grond van de zaak

1. Het bewijs van delegatie

Artikel 85 §1 van het Wetboek van de BTW (W.BTW) bepaalt dat bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel wordt uitgevaardigd. Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar.

Het betrokken dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de dd. e.a. inspecteur mevrouw Veerle CUSTERS. Uit de door verweerder voorgelegde stukken (meer bepaald stukken 8 en 9) blijkt dat mevrouw CUSTERS via delegatie bevoegd was om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

2. De volledigheid van proces-verbaal van 14 september 2012 Het proces-verbaal werd op 14 september 2012 aan eiseres verzonden. De bijlagen bij het proces verbaal werden niet mee betekend samen met het dwangbevel.

De rechtbank is echter van oordeel dat het dwangbevel, dat verwijst naar het proces-verbaal, voldoende gemotiveerd is. In het proces-verbaal wordt zeer duidelijk aangegeven wat de grondslag van de belasting is, wat de feiten zijn en welke juridische gevolgen de administratie daar aan koppelt. Bovendien wordt de inhoud van de bijlagen in het proces-verbaal zelf weergegeven. Verder betreffen de bijlagen stukken die door de gevolmachtigde van eiseres waren overgemaakt aan de administratie, zodat eiseres geacht mag worden deze stukken te kennen.

Het dwangbevel is niet nietig. Of de administratie haar vordering bewijst, behoort tot de grond van de zaak.

3. De gegrondheid van de vordering van de administratie.

Zoals bepaald in bijlage Il bij het KB nummer 1 van 29 november 1992 worden in rooster 62 van de periodieke BTW-aangifte diverse BTW-herzieningen in het voordeel van de aangever opgenomen (belasting waarvan de aangever teruggave kan verkrijgen, herzieningen van de aftrek, regularisaties ingevolge administratieve beslissingen).

Eiseres heeft in het betrokken rooster 62 een bedrag van 14.340,00 euro opgenomen. Het is aan eiseres om dit bedrag te verantwoorden. Eiseres geeft echter geen enkele degelijke verantwoording.

De door de gevolmachtigde van eiseres opgegeven zeer beknopte verantwoording heeft betrekking op een bedrag van 18.105,82 euro, niet op 14.340,00 euro, wat de verantwoording meteen al ongeloofwaardig maakt.

Eiseres stelt dat dit bedrag als rechtzetting voor de aangegeven omzet voor het jaar 2008 in het rooster zou zijn opgenomen en dit op verzoek van de heer MOOREN, die de BTWcontrole voor 2008 uitvoerde. Eiseres toont deze bewering echter niet aan. Bovendien wordt dit tegengesproken door het feit dat hiervan geen enkele melding gemaakt in de door de gevolmachtigde van eiseres ondertekende correctieopgave voor het jaar 2008 (stuk 7 van verweerder).

Bij gebrek aan enige afdoende verantwoording werd het bedrag opgenomen in rooster 62 terecht verworpen.

4. De geldboete

Eiseres betwist dat er sprake is van het oogmerk om de belasting te ontduiken, meent dat er ten onrechte een boete van 200% werd opgelegd en stelt dat de boete hoogstens 1.430,00 euro kon bedragen met toepassing van het KB nummer 41 van 30 januari 1987.

Artikel 1 laatste lid van het KB nummer 41 bepaalt dat bedragen van de in de bijlage opgenomen administratieve boetes niet van toepassing zijn in geval van overtredingen begaan met het oogmerk om de belasting te ontduiken of om de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Eiseres heeft in het rooster 62 een bedrag opgenomen zonder enige degelijke verantwoording te kunnen geven. De door eiseres gegeven beknopte verantwoording is zoals hoger aangegeven op niets gestoeld. Niets wijst er op dat het gaat om een nalatigheid of foute inschatting. De rechtbank kan hieruit enkel afleiden dat het bedrag in de BTW-aangifte werd opgenomen om te trachten de BTW te ontduiken. Verweerder stelt terecht dat er sprake is van het oogmerk om de belasting te ontduiken. Verweerder heeft dus terecht toepassing gemaakt van artikel 70 W.BTW.

De in artikel 70 WBTW, bedoelde fiscale geldboeten hebben tot doel de inbreuken begaan door alle belastingplichtigen te voorkomen en te bestraffen, zonder enig onderscheid. Zij hebben dus een repressief karakter en zijn strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (vergelijk GwH 15 mei 2008, 79/2008 en GwH 21 februari 2013, 13/2013). Dit geldt in het geval van eiseres des te meer gelet op de hoogte van het bedrag van de boete, zijnde 28.680,00 euro.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin "van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, Dit toetsingsrecht moet in bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf. niet onevenredig is met de inbreuk. Hij mag dus onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een sanctie met de betrokken omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder rekening houden met de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vergelijk Cass 13 februari 2009, F.06.0109.N.; Cass.15 oktober 2010, F.09.0081.N; Cass.12 november 2010, F.09.0146.N; Cass. 8 april 2011, F.10.0033.N; Cass. 15 maart 2012, F.11.0012.N en Cass.17 mei 2013, F.11.0155.N).

De administratie heeft bij het opleggen van de boete een correcte toepassing gemaakt van artikel 70 W.BTW. De rechtbank is echter van oordeel dat de boete in dit concrete geval onevenredig is met de aard en ernst van de inbreuk. Het gaat weliswaar om handelingen die werden gesteld met het opzet om belasting te ontduiken. De boete van 200% leidt echter tot een zeer groot bedrag, dat een buitensporig grote last vormt voor eiseres. Bovendien blijkt niet dat eiseres eerder reeds opzettelijk de BTW-wetgeving zou hebben overtreden. Verder ging het niet om een ingewikkelde fraudeconstructie. De rechtbank is van oordeel dat een geldboete van 200% in die omstandigheden onevenredig is met de begane inbreuk.

De rechtbank is van oordeel dat in die omstandigheden de boete kan worden beperkt tot 50% van de ontdoken belasting, zijnde 7.170,00 euro.

De rechtbank verklaart het dwangbevel ongegrond en buiten toepassing in zoverre het in een administratieve boete voorziet die hoger is dan het bedrag van 7.170,00 euro.

V. KOSTEN VAN DE PROCEDURE

Eiseres werd voor het overgrote deel in het ongelijk gesteld en dient de kosten van het geding te betalen.

De rechtbank is niet verplicht om te wachten op antwoorden van het Grondwettelijk Hof op prejudiciële vragen gesteld in andere zaken. Verweerder heeft bovendien zelf geen beroep gedaan op een advocaat, zodat hij hoe dan ook geen recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding.

De rechtbank acht het daarom niet nodig om de uitspraak over de rechtsplegingsvergoeding

aan te houden.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik

in gerechtszaken werden nageleefd.


Beschikkend gedeelte

UITSPRAAK:

De rechtbank beslist in eerste aanleg en op tegenspraak.

De rechtbank verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar slechts beperkt gegrond.

De rechtbank verklaart het dwangbevel ongegrond en buiten toepassing in zoverre het in een administratieve boete voorziet die hoger is dan het bedrag van 7.170,00 euro.

De rechtbank wijst de vordering van eiseres voor het overige af als ongegrond.

De rechtbank veroordeelt eiseres tot betaling van kosten van het geding, door de rechtbank

voor verweerder berekend op nul euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de llA kamer, op het gerechtshof te Hasselt op 19.03.201S, alwaar zetelden:

De heer R. M., rechter, enige rechter, en

De heer L. P., griffier.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 852 voorkomens
WBTW art. 531 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8