Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 07.04.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER D, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
Inzake AR nr. 02/475/A
B. BVBA, HR Hasselt nr. …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. S. B., advocaat te …, ….
tegen :
ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS- EN INKOMENSFISCALITEIT, in de persoon van de gewestelijk directeur van het Controlecentrum Hasselt-Beringen, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. D. D. loco mr. R. F., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het exploot van gerechtsdeurwaarder D. D. te Ukkel van 18.02.2002 waarbij eiseres verzet heeft aangetekend tegen het dwangbevel uitgevaardigd door F. H., e.a. inspecteur a.i. van het eerste ontvangkantoor van de BTW te Hasselt op 14.12.2001, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. C., gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 17.12.2001;
- de conclusies, aanvullende conclusies, aanvullende conclusies en syntheseconclusies en stukken van verweerder;
- de besluiten, synthesebesluiten en stukken van eiseres.
I. FEITEN EN VOORGAANDE
Eiseres is ingevolge de door haar uitgeoefende beroepsactiviteit van groothandel in vlees en vleeswaren, exclusief vlees van gevogelte en wild geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.
Op 30.01.2001 en 16.02.2001 hebben de heren J. D., e.a. verificateur en M. B., verificateur ter beschikking gesteld bij de Administratie van der Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, bij eiseres een BTW-controle doorgevoerd over de periode van 01.01.1998 tot 31.12.1999.
Bij nazicht van de voorgelegde stukken (aan- en verkoopjournalen, inkomende en uitgaande facturen, de financiële journalen, het diversen journaal, de grootboekrekeningen, de klanten- en leveranciersrekeningen, kasboek en betalingsstukken) stelden de controleambtenaren onder meer vast dat er facturen waren opgesteld die niet voldeden aan alle voorwaarden bepaald in art. 5, § 1 van het KB nr. 1 van 29.12.1992 en dat er op de facturen vermeldingen waren aangebracht die niet met de werkelijkheid overeenstemden.
De controleambtenaren stelden dat zij de controleperiode uitgebreid hebben tot het boekjaar 1997 gezien de anomalieën die zij hadden vastgesteld op de facturen met betrekking tot de periode van januari 1998 tot en met 31 december 1999.
De controleverrichtingen en hun resultaten werden opgenomen in een proces-verbaal van 07.12.2001 waarbij werd vastgesteld dat eiseres de hiernavolgende boete verschuldigd is ingevolge het niet uitreiken van een reglementaire factuur voor alle geleverde goederen en dit in tegenstelling met de bepalingen van art. 5, § 1 van het KB nr. 1 van 29.12.1992 : een geldboete op grond van art. 70, § 2 van het BTW-Wetboek t.b.v. 5.577.630 BEF (138.265,84 euro) (zie stuk 1, bundel verweerder).
Op 14.12.2001 werd er tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 07.12.2001. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur op 17.12.2001 (zie stuk 2, bundel verweerder).
In dit dwangbevel werd de hoger vermelde geldboete gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW, alsook de vervolgingskosten.
Bij exploot van gerechtsdeurwaarder D. V. te … van 27.12.2001 werd het dwangbevel aan eiseres betekend (zie stuk 3, bundel verweerder).
Het voormelde exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dit dwangbevel maakte de huidige vordering aanhangig.
II. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
2.1. Facturatieverplichting ?
Niettegenstaande eiseres facturen heeft opgesteld, betwist zij thans haar facturatieplicht.
Verweerder houdt voor dat eiseres een inbreuk beging op de verplichting, als BTW-plichtige, een regelmatige factuur uit te reiken bij iedere levering van goederen of diensten (art. 53, lid 1, 2°, art. 530ctes en art. 54 W.BTW en art. 1, § 1, 1 van het KB nr. 1 van 29.12.1992).
Krachtens artikel 1, § 2, lid 1 van het KB nr. 1 is eiseres van de facturatieplicht ontheven indien goederen geleverd worden aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik.
Art. 1, § 2 van het KB nr. 1 sluit die ontheffing uit voor :
- leveringen die betrekking hebben op de goederen, die gelet op de aard ervan, de wijze waarop zij worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen, kennelijk bestemd zijn voor economisch gebruik (art. 1, § 2, tweede lid, 6° van het KB nr. 1);
- de leveringen verricht door voortbrengers of grossiersbedrijven (art. 1, § 2, tweede lid, 8° van het KB nr. 1).
Eiseres is van oordeel dat deze uitzonderingen opgenomen in art. 1, § 2, tweede lid, 6° en 8° van het KB nr. 1 :
- in strijd zijn met de bepalingen van de zesde EG-richtlijn;
- niet op haar van toepassing zijn aangezien zij zich situeren in de sfeer van de groothandel en eiseres ook dient beschouwd als "kleinhandel die verkoopt aan particulieren die de betreffende goederen bestemmen voor privé-verbruik".
- Wat betreft de beweerde schending van de Europese wetgeving :
Art. 22.3 van de Zesde Richtlijn voorziet slechts in de plicht tot het opstellen en uitreiken van een factuur ten aanzien van BTW-plichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen. Omgekeerd heeft dat tot gevolg dat aan particulieren geen factuur moet worden uitgereikt.
In art. 1, § 2, 1° lid van het KB nr. 1 van 29.12.1992 heeft de Belgische wetgever dat principe overgenomen door een ontheffing van facturatieplicht jegens particulieren (natuurlijke personen die de leveringen of diensten bestemmen voor hun privé-gebruik) in te voeren. Evenwel werden in artikel 1, § 2, 2° lid van voornoemd KB enkele uitzonderingen voorzien o.m. voor leveringen verricht door voortbrengers- of grossiersbedrijven.
Deze wetsbepalingen houden een uitbreiding van de facturatieverplichting zoals expliciet door de Zesde Richtlijn is voorzien.
Eiseres is van oordeel dat dit een schending van de Europese wetgeving inhoudt.
De rechtbank is van oordeel dat het uitbreiden van de facturatieplicht geen schending inhoudt van art. 22.3 van de Zesde Richtlijn.
Overeenkomstig art. 22.8 van de Zesde Richtlijn kunnen lidstaten, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtige verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de lidstaten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborg van de juiste heffing van de belastingen en ter voorkoming van fraude mits deze verplichting in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geeft tot formaliteiten in verband met het overschrijden van een grens.
Het uitbreiden van de facturatieverplichting dient beschouwd te worden als het opleggen van "andere verplichtingen" zoals voorzien in art. 22.8 van de Zesde Richtlijn. Het is slechts de uitbreiding van een groep afnemers aan wie moet gefactureerd worden die een "andere verplichting" is dan in de Zesde Richtlijn uitdrukkelijk voorgeschreven.
Er kan dan ook geen schending van art. 22.3 van de Zesde Richtlijn worden aangenomen.
- Facturatieverplichting aan particulieren :
De rechtbank is van oordeel dat rekening houdend met de materiële vaststellingen, eiseres wel degelijk een grossierbedrijf uitbaatte in de periode waarop de BTW-controle betrekking had.
Enkel de situatie waarbij de kleinhandel en groothandel afzonderlijk worden uitgebaat zou hierbij een rol kunnen spelen, doch er wordt niet betwist dat er geen afzonderlijke uitbating van de groot- en kleinhandel is en beide activiteiten in feite één geheel vormen.
De door de administratie toegelaten afwijking op de facturatieplicht kan dan ook geen toepassing vinden.
2.2. De concrete bewijslevering van de beweerdelijk door eiseres begane inbreuken
In casu handelt het geschil tussen partijen over het al dan niet verschuldigd zijn van een geldboete met een omvang van 138.265,84 euro (voorheen 5.577.630 BEF).
Het gaat om een administratieve sanctie.
Een administratieve sanctie is strafrechtelijk van aard indien zij zonder onderscheid elke belastingplichtige treft, een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt, niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, stoelt op een norm met algemeen karakter waarvan het oogmerk tegelijk preventief en repressief is en zeer zwaar is gelet op onder meer de omvang ervan (vgl. Cass., 25 mei 1999, F.J.F., nr. 99/126).
Gelet op onder meer het zeer zware karakter van de door verweerder opgelegde geldboete en rekening houdend met het voorgaande, moet de door verweerder in het bestreden dwangbevel opgelegde geldboete als een straf sanctie worden beschouwd.
Gelet op die vaststelling en op het voorschrift van art. 6, 2 E.V.R.M. rust de bewijslast van het bestaan van de door eiseres begane inbreuk op de facturatieplicht op verweerder.
In deze bewijsvoering is het gebruik van weerlegbare wettelijke vermoedens niet per sé uitgesloten (zie Hof Mensenrechten, Salabiaku/Frankrijk, 07.10.1988, Publ. Eur. Court. E.H., Serie A, nr. 141-A, ov. 26 e.v.), doch principieel moet worden aangenomen, in tegenstelling tot hetgeen verweerder voorhoudt, dat op verweerder de bewijslast rust van het bestaan alsook van de omvang van de door eiseres beweerdelijk begane inbreuken.
De materiële vaststellingen die zijn geschied door de heren J. D., e.a. verificateur en M. B., verificateur ter beschikking gesteld bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, hebben door hun opname ervan in het proces-verbaal van 07.12.2001 de in artikel 59, § 1 in fine van het BTW-Wetboek bepaalde bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel (Cass., 13.06.1978, Arr. Cass., 1978, I, 1204; Cass., 07.06.1983, R.W., 1983-84, 1342; Cass., 14.12.1988, Pas., 1989, I, 419).
Die bewijskracht strekt zich niet uit tot de gevolgtrekkingen die door de ambtenaar worden gemaakt. In de mate dat dergelijke gevolgtrekkingen tot bewijs worden aangewend, moeten zij berusten op vaststaande gegevens, controleerbaar door de rechtbank.
In casu moet bij lezing van het proces-verbaal van 07.12.2001 worden vastgesteld dat de verbaliserende ambtenaren stellen :
"(...) Voor hogervermelde omzetfractie werden wel facturen opgemaakt; deze zijn echter vaak niet in overeenstemming met de wettelijke en administratieve bepalingen terzake.
De vastgestelde gebreken betreffen onvolledige adressen en globale facturen waarop verscheidende verkopen aan diverse afnemers worden gegroepeerd; Het betreft hier honderden facturen tijdens de periode 1997-1999.
Opvallend hierbij is, enerzijds het hoge aantal van deze facturen, en anderzijds, het steeds weer opduiken van dezelfde straatnaam ("Steenweg") voor diverse gemeenten op een groot aantal van deze facturen evenals het feit dat de totale afname op jaarbasis voor particulieren in bepaalde gevallen wel bijzonder hoog is (voorbeeld : SWERTS R. : 300.450 fr.).
Toen wij de heer B. hierop attent maakten en bovendien stelden, dat het, in een aantal gevallen, kennelijk om beroepsgebruik moest gaan, gezien de grootte van de afname, en het bijgevolg moeilijk om particuliere afnemers kon gaan, en wij, vervolgens opmerkten, dat de kwestieuze leveringen mogelijk eerder aan andere belastingplichtige afnemers waren gedaan, antwoordde de heer B. : "als ik het zo niet doe, gaan die mannen op een ander". Toen wij aansluitend hierop vroegen ons de namen op te geven van de kwestieuze personen antwoordde de heer B. vervolgens : "dat kan ik niet doen want dan ben ik ze kwijt".
Bij wijze van proef werd door ons een vijftigtal willekeurige afnemers (opgenomen als particulieren in de boekhouding van belastingplichtige) aangetekend aangeschreven op basis van de adressen en namen zoals deze op de facturen vermeld worden (zie overzicht opgenomen in bijlage 4).
In de meeste gevallen kon de postbode, ondanks het feit dat soms uitsluitend een huisnummer ontbrak, de brief niet bestellen en werd ons de brief niet teruggestuurd met de vermelding "onvolledig adres"; in andere gevallen luidde de reden van niet-bestelling dan weer "onbekend" of zelfs "straft onbekend".
In 10 gevallen konden de brieven wel besteld en werden de erin gestelde vragen dan ook beantwoord. De antwoorden waren in 6 gevallen een bevestiging van de levering door belastingplichtige; men stelde daarbij in 5 gevallen dat de geleverde goederen uitsluitend voor eigen gebruik bestemd waren; de zesde aangeschrevene betrof een N.-winkel die de levering voor beroepsdoeleinden had ontvangen.
In 3 andere gevallen stelde men echter, helemaal geen goederen afgenomen te hebben bij B., of zelfs de leverancier B. niet te kennen.
In 1 geval tenslotte werd de brief ons niet teruggestuurd, noch werd enig antwoord ontvangen van de geadresseerde (U.).
Gelet op de omstandigheden zoals hierboven vermeld, waarbij, gezien het wel zeer hoge aantal onregelmatige facturen, niet uit te sluiten valt dat deze doelbewust door belastingplichtige werden gecreëerd, wordt het de administratie zo goed als onmogelijk gemaakt, verder inlichtingen in te winnen bij de afnemers, inzake de waarachtigheid van de leveringen, al dan niet bij hen gedaan door de BVBA B."
(zie stuk 1, bundel verweerder).
De rechtbank stelt vast dat de bewijswaarde van dit proces-verbaal erg beperkt is, nu zij enkel en alleen geldt voor de daadwerkelijk verrichte vaststellingen en niet voor de gevolgtrekkingen gemaakt door de ambtenaren.
Bovendien laat geen enkel element de rechtbank toe om de conclusies van de verbaliserende ambtenaren te controleren. Noch de facturen zelf of kopies ervan worden overlegd aan de rechtbank. Nergens wordt vermeld welke gegevens precies ontbreken op de facturen opdat zij onregelmatig zouden zijn. Een door de ambtenaren georganiseerde “steekproef”, zonder enige verduidelijking over de wijze van organisatie, kan bezwaarlijk als een vaststelling in de zin van art. 59, § 1 in fine van het BTW-Wetboek beschouwd worden. Op geen enkele wijze wordt de omvang van de geldboete verantwoord.
De rechtbank is van oordeel dat de gegevens opgenomen in het proces-verbaal van 07.12.2001 onvoldoende zijn om de opgelegde geldboete te schragen.
Het bij aanvullende besluiten overlegde proces-verbaal van 08.02.2000 kan de in het proces-verbaal van 07.12.2001 geldboete niet verantwoorden.
Tot dit oordeel wordt besloten gelet op het zwaarwichtig en in omvang ernstig en hoog karakter van de door verweerder opgelegde administratieve geldboete met strafrechtelijk karakter, die noopt tot gestrengheid bij de beoordeling van de aan verweerder opgedragen bewijslast.
Om deze redenen kan de vordering van eiseres worden ingewilligd en moet worden besloten tot de vernietiging van het bestreden dwangbevel.
Wat betreft de kosten dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 (BS 31.05.2007) betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14 van deze wet).
Ter zitting van deze rechtbank heeft de rechtbank derhalve de partijen verzocht hun standpunt kenbaar te maken i.v.m. de rechtsplegingsvergoeding gezien de inwerkingtreding op 01.01.2008 van de wet van 21.04.2007.
Eiseres verzocht bij monde van haar raadsman om de toekenning van de maximale rechtsplegingsvergoeding gezien de gedane inspanningen.
Verweerder verzocht bij monde van zijn raadsman om de toekenning van het basisbedrag zoals voorzien in het KB van 26.10.2007 (BS 09.11.2007).
De rechtbank is van oordeel dat de complexiteit van de zaak niet van dien aard is dat er dient te worden afgeweken van de toekenning van het basisbedrag voor niet in geld waardeerbare vorderingen.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond,
Vernietigt het dwangbevel uitgevaardigd door F. H., e.a. inspecteur a.i. van het eerste ontvangkantoor van de BTW te Hasselt op 14.12.2001, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. C., gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 17.12.2001;
Veroordeelt verweerder tot de kosten, begroot in hoofde van eiseres op :
- 116,07 euro dagvaardingskosten;
- 1.200,00 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de elfde kamer D, op het gerechtshof te Hasselt op 07.04.2008, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., rechter, waarnemend voorzitter,
De Heer F. B., gerechtelijk stagiair, zetelend als vervangend rechter (art. 259octies, § 6 in fine van het Ger. W.), De heer A. B., advocaat, overeenkomstig art. 322, 1ste lid van het Ger. W., geroepen om te zetelen,
De Heer L. P., e.a. adjunct-griffier.
L. P. A. B. F. B. M. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.