Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Leuven 18 februari 2022

Zoeken

Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening

https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-willekeur-motivering-omzetberekening-rechtbank-leuven-2022-02-18-6859

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Leuven
Datum
18 februari 2022

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

196 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven d.d. 18.02.2022

WF 712-15-20/027298

[Ongunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Proces-verbaal – Willekeur – Motivering - Omzetberekening

Wettelijke bepalingen

Art. 59 en 64 WBTW

art. 8.1., 9° en 8.29 BW

Art. 109 van de wet van 4 augustus 1986

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

Tijdens een controle bij een drankenhandel werden verschillende inbreuken op de btw-wetgeving vastgesteld. Zo werd er onder meer vastgesteld dat de omzet opgenomen onder de rekeningen ‘afhaal’ en ‘ronde’ onvoldoende was gedetailleerd. Daarnaast werd eveneens vastgesteld dat er geen dagontvangstenboek werd bijgehouden tijdens de gecontroleerde periode door de belastingplichtige.

Naar aanleiding van deze vaststellingen werd de aangegeven omzet vergeleken met alle facturen die aan belastingplichtige werden uitgereikt door diens leveranciers. Hierbij werd er ook rekening gehouden met de begin- en eindvoorraad. Op basis van deze vergelijking bleek dat er te weinig omzet werd aangegeven door de belastingplichtige. Er kon hierover echter geen akkoord met de belastingplichtige worden bereikt.

Bijgevolg werden er dan ook twee processen-verbaal opgesteld door de administratie. In een eerste proces-verbaal werd op basis van artikel 1, 1e lid, 6° van K.B. nr. 1 een forfaitaire boete opgelegd. Uit de tegenberekening bleek namelijk dat de belastingplichtige tijdens de controleerde periode 802 vaten bier had verkocht waarvoor geen factuur werd uitgereikt.

Daarnaast werd een tweede proces-verbaal opgesteld waarin de omzetverhoging werd opgenomen op basis van de eerder vermelde omzetvergelijking.

Tegen beide processen-verbaal werd er een verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

2) Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

In het vonnis vernietigt de rechter beide processen-verbaal. Volgens de rechtbank zijn de twee processen-verbaal behept met fouten.

Zo voldoet het eerste proces-verbaal niet aan de motivatieverplichting. Uit het proces-verbaal kan niet worden afgeleid op welke periode het betrekking heeft. Verder is het ook onduidelijk hoe de administratie tot het aantal van 802 vaten komt.

Het tweede proces-verbaal met de omzetverhoging is volgens de rechtbank willekeurig. Zo werden de tarieven van 6% en 21% over de maatstaf van heffing ten onrechte toegepast op basis van een verhoudingsgetal. In dit geval had per product moeten worden bepaald welke btw-tarief van toepassing is, aangezien dit mogelijk was. Verder werden er ook verkeerde verkoopprijzen gehanteerd bij de berekening van de omzetverhoging. Tenslotte ontbrak ook nog de eerste pagina van de omzetberekening in dit proces-verbaal.

De Administratie berust in het vonnis.

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven, Kamer B5

Vonnis van vrijdag 18 februari 2022

Rol: 20/720/A

Op tegenspraak

In de zaak van:

BBL.bv, (KBO: 0810.403.029), met maatschappelijke zetel te …, eisende partij, vertegenwoordigd door…, advocaat te …

tegen

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, (KBO: 0308.357.159) algemene administratie van de fiscaliteit en directe belastingen, in de persoon van de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur­ generaal van KMO Centrum Leuven - Controle 11, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32 verwerende partij,

II. PROCEDURE

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

De rechtbank nam onder meer kennis van:

- het verzoekschrift op tegenspraak, ter griffie neergelegd op 29 april 2020;

- de laatste1 conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken;

- de overige stukken van.het rechtsplegingsdossier.

De zaak werd op de openbare terechtzitting van 21 januari 2022 behandeld en daarna in beraad genomen.

ll. DE FEITEN

Eiseres is als btw-belastingplichtige geregistreerd onder het btw-nummer 0810.403.029 voor de activiteit van groot- en detailhandel in dranken in gespecialiseerde winkels.

Er werd bij eiseres een controle uitgevoerd met betrekking tot de btw en directe belastingen voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017.

In het kader van deze controle werd op 28 maart 2019 een vraag om inlichtingen verstuurd aan eiseres.

Hierop werd geantwoord door de raadsman van eiseres bij schrijven van 17 april 2019. Verweerder verstuurde een antwoord op dit schrijven bij brief van 7 mei 2019.

Hierop volgde een antwoord van de raadsman van eiseres bij schrijven van.16 mei 2019.

Bij schrijven van 13 juni 2019 kondigde verweerder een controle ter plaatse aan bij eiseres. Overeenkomstig artikel 61 § 1 van het btw-wetboek werd eiseres verzocht de boeken en stukken, die gehouden dienen te worden door eiseres voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017, ter beschikking te houden op 22 augustus 2019.

Op 22 augustus 2019 vond een controle bij eiseres plaats.

Op grond van de voorgelegde stukken en van de door de administratie verkregen informatie werden er door verweerder een aantal overtredingen met betrekking tot de btw­ reglementering in hoofde van eiseres vastgesteld.

Aangezien er geen akkoord met eiseres kon worden bereikt, werden de vastgestelde overtredingen opgenomen in een correctieopgave d.d. 14 november 2019 en een proces­ verbaal d.d. 14 november 2019 met betrekking tot een forfaitaire boete. Aangezien hier geen reactie op kwam, werd op 9 december 2019 een proces-verbaal tot regularisatie verzonden aan eiseres.

In het proces-verbaal d.d. 14 november 2019 werd een boete opgelegd van 10.000,00 euro. Er werd op gewezen dat eiseres 802 vaten niet zou gefactureerd hebben.

In het proces-verbaal tot regularisatie d.d. 9 december 2019 werd opgenomen dat eiseres het volgende verschuldigd is:

Btw: 7.725,03 euro

wettelijke boete op grond van art. 70 § 1 intrest op grond van art. 91 btw-wetboek: 1.540,00 euro p.m.

Verweerder vaardigde volgende innings- en invorderingsberichten uit:

d.d. 14 november 2019 met nummer 500/221370342

d.d. 10 december 2019 met nummer 500/222031659

Tegen deze berichten legde eiseres op 29 april 2020 een fiscaal verzoekschrift neer

III. VORDERINGEN

1 Eiseres verzoekt:

"De vordering(en) van eiser ontvankelijk, toelaatbaar, en zoals hiernavolgend verduidelijkt, te honoreren en gegrond te verklaren:

Vooreerst hierbij vast te stellen en voor recht te zeggen dat:

■ De door verweerder respectievelijk opgestelde en gehanteerde ''berekeningsnota/tabel" op onderliggende feitelijke gegevens/"bewijzen" steunt die verweerder naliet op enig ogenblik voorafgaand aan de opmaak van respectievelijk het BTW Boete-en BTW Omzet-bericht aan eiser mede te delen en/of over te maken;

■ De door verweerder gehanteerde "regularisatieopgave dd. 14/11/2019" (cfr. stukken 48-66 verweerder) geenszins ondertekend is;

■ De bedrijfsactiviteiten van eiser de terbeschikkingstelling en/of verhuring van tapinstallaties omvat;

■ De door verweerder in haar ''berekeningsnota/tabel" opgenomen info onjuist, foutief, minstens niet correct is, in bijzonder wat betreft het product "Chimay Dorée 1*20 L" waarbij verweerder erkent "dat voor het kalenderjaar 2017 het aantal "verkochte aankopen" m.b.t. voormeld product 2 bedraagt";

■ Bij de berekening van de omzet inzake "vaten" -zoals verduidelijkt onder randnr. 73.

e.v. -verweerder in 1 op de 3 gevallen eenheidsprijzen hanteert inclusief BTW;

■ Bij de berekening van de "gecorrigeerde berekende omzet afkomstig uit 'afhaal en ronde"' -zoals verduidelijkt onder randnr. 96. e.v. -verweerder haar berekening aanvangt met een bedrag van 5.682,33 EUR;

■ De door verweerder in haar ''berekeningsnota/tabel" opgenomen info onjuist, foutief, minstens niet correct is, in bijzonder wat betreft de producten ''Vlaamse Leeuw 111 24*33cl", "Janimal 3,3% 24 x 33cl", "Cote d'Or-chocoladerepen", "Gordon Xmass 24*33cl" en "Carlsberg 0.0 % 24 *25 CL", zoals verduidelijkt onder respectievelijke randnrs. 107. e.v., 117. e.v.,119., 120. e.v. en 122. e.v.;

■ Verweerder bij de bepaling van de verschuldigde BTW inzake "afhaal en ronde" -en m.b.t. het toepasselijke BTW-tarief van 6 en/of 21 %- de verschuldigde BTW begroot overeenkomstig een "prorata" -zoals verduidelijkt onder rand nr. 134. e.v. -ondanks haar kennis van welke specifieke producten het voorwerp ervan uitmaken;

Hierbij vervolgens voor recht het volgende te zeggen en te verklaren

Inzake het innings-en Invorderingsbericht BTW dd. 23/01/2020 met kenmerk/artikelnr. 500221370342, zijnde het BTW Boete-bericht:

■ Dat het innings-en Invorderingsbericht BTW dd. 23/01/2020 met kenmerk/artikelnr. 500221370342 en volgende specificatie "Uw dossier: 0810403029 -Artikelnummer 500221370342 -Proces-verbaal betekend op 14/11/2019", dat een uittreksel uit het innings-en invorderingsregister weergeeft waaruit blijkt dat voormeld register 202001NL016 opgemaakt werd dd. 20/01/2020 en uitvoerbaar verklaard dd. 23/01/2020, dat steunt op het proces-verbaal dd. 14/11/2019 opgemaakt te Halle op 14/11/2019 door mevr. Hilde De Dobbeleer, nietig is i.g.v. schending van de rechten van verdediging, miskenning van de door FOD Financiën na te leven motiveringsplichten/of aanwendig van een willekeurig opgestelde "tabel inzake niet­ gefactureerde "vaten"";

■ Dat FOD Financiën art. 1, 6° BTW-KB nr. 1 miskent en schendt en hierbij, zonder enig geleverd bewijs hiertoe, er onrechtmatig vanuit gaat dat terzake sprake zou zijn van "goederen die, gelet op de aard ervan, de wijze waarop zij worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen, kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik", en hierbij vervolgens op onrechtmatige wijze besluit dat alsdan een boete overeenkomstig en op grond van art. 70 § 2 WBTW zou kunnen en mogen opgelegd worden;

■ Dat de door FOD Financiën toegepaste proportionele geldboeten een strafmaatregel vormt waarvoor en waardoor de belastingplichtige in aanmerking komt om ingevolge een gemotiveerde evenredigheidstoetsing te genieten van een mildering/vrijstelling van desbetreffende BTW-boete, minstens in aanmerking komt voor "uitstel", en waarbij dit door de belastingplichtige verzochte "uitstel" de belastingplichtige moet worden toegekend.

■ Dat de door de belastingplichtige reeds aan FOD Financiën betaalde sommen - gevormd door gemeende BTW-bedragen, BTW-boetes en/of interesten -zoals opgenomen in voormelde innings-en invorderingsberichten onverschuldigd zijn, en als gevolg ervan de terugbetaling te horen bevelen van al deze sommen, vermeerderd met de moratoriuminteresten zoals voorzien in artikel 91 WBTW en/of de artikelen 1375 en 1153 B.W.;

Inzake het innings-en Invorderingsbericht BTW dd. 30/01/2020 met kenmerk/artikelnr. 500222031659, zijnde het BTW Omzet-bericht:

■ Dat het innings-en Invorderingsbericht BTW dd. 30/01/2020 met kenmerk/artikelnr. 500222031659 en volgende specificatie "Uw dossier: 0810403029 -Artikelnummer 500222031659 -Proces-verbaal betekend op 10/12/2019", dat een uittreksel uit het innings-en invorderingsregister weergeeft waaruit blijkt dat voormeld register 202001NL022 opgemaakt werd dd. 27/01/2020 en uitvoerbaar verklaard dd. 30/01/2020, en in bijzonder (ii) het proces-verbaal dd. 6/12/2019 opgemaakt te Halle door mevr. Hilde De Dobbeleer waarop voormeld innings-en invorderingsbericht BTW steunt en waarnaar het uitdrukkelijk verwijst, nietig is i.g.v. schending van de rechten van verdediging, miskenning van de door FOD Financiën na te leven motiveringsplicht, onrechtmatige aanwendig van een willekeurig opgestelde "berekeningsnota/tabel";

■ Dat FOD Financiën art. 59 WBTW miskent en schendt en hierbij feitelijke vermoedens ter bepaling van de gemeende BTW-schuld op onjuiste en onrechtmatige wijze toepast, waarbij het uitgangspunt van FOD Financiën ter bepaling van de(her)berekende omzet willekeurig is en geenszins enig vaststaand, onbetwistbaar

feit vormt, en de door FOD Financiën toegepaste redenering/werkwijze willekeurig is, in bijzonder wat het toepasselijke BTW-tarief betreft, waarbij op ongeldige wijze vermoedens gehanteerd worden;

■ Dat de door FOD Financiën toegepaste proportionele geldboeten een strafmaatregel vormt waarvoor en waardoor de belastingplichtige in aanmerking komt om ingevolge een gemotiveerde evenredigheidstoetsing te genieten van een mildering/vrijstelling van desbetreffende BTW-boete, minstens in aanmerking komt voor "uitstel", en waarbij dit door de belastingplichtige verzochte "uitstel" de belastingplichtige moet worden toegekend;

■ Dat de door de belastingplichtige reeds aan FOD Financiën betaalde sommen - gevormd door gemeende BTW-bedragen, BTW-boetes en/of interesten -zoals opgenomen in voormelde innings-en invorderingsberichten onverschuldigd zijn, en als gevolg ervan de terugbetaling te horen bevelen van al deze sommen, vermeerderd met de moratoriuminteresten zoals voorzien in artikel 91 WBTW en/of de artikelen 1376 en 1153 B.W.;

IN HOOFDORDE:

De bestreden en hiernavermelde Innings-en invorderingsberichten BTW, evenals de processen-verbaal waarop deze Innings-en invorderingsberichten BTW respectievelijk steunen, bijgevolg nietig te verklaren,

■ Het innings-en Invorderingsbericht BTW dd. 23/01/2020 - i.e. het eerder omschreven BTW Boete-Bericht -met kenmerk/artikelnr. 500221370342 en volgende specificatie "Uw dossier: 0810403029 - Artikelnummer 500221370342 - Proces-verbaal betekend op 14/11/2019", dat een uittreksel uit het innings-en invorderingsregister weergeeft waaruit blijkt dat voormeld register 202001NL016 opgemaakt werd dd. 20/01/2020 en uitvoerbaar verklaard dd. 23/01/2020, dat steunt op het proces-verbaal dd. 14/11/2019 opgemaakt te Halle op 14/11/2019 door mevr. Hilde De Dobbeleer;

■ Het innings-en Invorderingsbericht BTW dd. 30/01/2020 - i.e. het eerder omschreven BTW Omzet-Bericht -met kenmerk/artikelnr. 500222031659 en volgende specificatie "Uw dossier: 0810403029 - Artikelnummer 500222031659 - Proces-verbaal betekend op 10/12/2019", dat een uittreksel uit het innings-en invorderingsregister weergeeft waaruit blijkt dat voormeld register 202001NL022 opgemaakt werd dd. 27/01/2020 en uitvoerbaar verklaard dd. 30/01/2020, dat steunt op het proces-verbaal dd. 6/12/2019 opgemaakt te Halle door mevr. Hilde De Dobbeleer;

IN SUBSIDIAIRE ORDE:

Met betrekking tot de bestreden en hiervoor vermelde Innings-en invorderingsberichten BTW, evenals de processen-verbaal waarop deze Innings-en invorderingsberichten BTW respectievelijk steunen,

Voor recht te zeggen:

■ Dat de door FOD Financiën toegepaste proportionele geldboeten een strafmaatregel vormt waarvoor en waardoor de belastingplichtige in aanmerking komt om ingevolge een gemotiveerde evenredigheidstoetsing te genieten van een mildering/vrijstelling van desbetreffende BTW-boete, minstens in aanmerking komt voor "uitstel", en waarbij dit door de belastingplichtige verzochte "uitstel" de belastingplichtige moet worden toegekend;

ZOWEL IN HOOFD-ALS IN SUBSIDIAIRE ORDE:

De kosten ten Jaste te horen leggen van de Belgische Staat, FOD Financiën inclusief het basisbedrag van de geïndexeerde rechtsp/egingsvergoeding t.b.v. 2.400 EUR en de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand t.b.v. 20 EUR."

2 Verweerder verzoekt het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

Hij verzoekt de innings- en invorderingsberichten BTW, evenals de processen-verbaal waarop deze innings- en invorderingsberichten BTW respectievelijk steunen, gegrond en uitvoerbaar te verklaren:

Het innings- en invorderingsbericht BTW dd. 23/01/2020 met kenmerk/artikelnr. 500221370342 uitvoerbaar verklaard dd. 23/01/2020, steunende op het proces­ verbaal dd. 14/11/2019 opgemaakt te Halle op 14/11/2019, voor een verschuldigd bedrag van 10.000,00 euro;

Het innings- invorderingsbericht BTW dd. 30/01/2020 uitvoerbaar verklaard dd. 30/01/2020, steunende op het proces-verbaal dd. 06/12/2019 opgemaakt te Halle voor een verschuldigd bedrag aan BTW van 7.725,03 euro voor de periode van 1/1/2017 tot 31/12/2017, te vermeerderen met een verminderde boete die conform artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de btw en overeenkomstig tabel G, eerste afdeling, rubriek V van de bijlage bij dat koninklijk besluit bepaald op 1.540,00 EUR,

Te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsintresten overeenkomstig artikel 91 § 1 btw­ wetboek.

Hij verzoekt eiseres te veroordelen tot alle kosten van het geding.

IV. BEOORDELING

1 Het verzoekschrift werd tijdig neergelegd en de vordering is ontvankelijk. De rechtbank ziet geen ambtshalve aan te voeren redenen om de vordering niet ontvankelijk te verklaren.

2 Eiseres haalt diverse middelen aan om de innings- en invorderingsberichten btw te betwisten.

Ze stelt vooreerst in het algemeen dat er sprake is van een miskenning van de beginselen van behoorlijk bestuur door verweerder. Ze stelt "bedreigd" te zijn geweest door de fiscus waarbij de fiscus eiseres een btw-boete in het vooruitzicht stelde indien geen akkoord met betrekking tot kalenderjaar 2017 zou worden afgesloten. Ze stelt dat door de fiscus steeds zou geweigerd zijn om haar berekeningsnota/tabel aan eiseres over te maken waardoor het eiseres onmogelijk gemaakt werd om passend en met betrekking tot alle aspecten in de administratieve fase te (kunnen) reageren.

3 Verweerder betwist dit en stelt dat eiseres doelbewust de "relevante feiten en voorafgaanden" miskent. Verweerder wijst erop dat er nooit sprake was van enige bedreiging.

4 De rechtbank is van oordeel dat door eiseres niet wordt aangetoond dat in casu de beginselen van behoorlijk bestuur door verweerder zouden geschonden zijn. Er ligt geen bewijs van voor dat eiseres op één of andere manier door verweerder zou bedreigd zijn. Evenmin blijk dat het eiseres door verweerder onmogelijk zou gemaakt zijn om passend te reageren tijdens de administratieve fase. Er werd een vraag om inlichtingen aan eiseres gestuurd. Vervolgens vonden er een aantal besprekingèn bij eiseres plaats. Vervolgens werd op 14 november 2019 een correctie-opgave aan eiseres verzonden waarbij haar de mogelijkheid werd toegekend om hierop te reageren.

5 Als tweede middel haalt eiseres aan dat er sprake is van een significante schending van haar rechten van verdediging. Ze verwijst terzake naar het Glencore-arrest. Ze verwijt verweerder tijdens de administratieve fase_te hebben nagelaten om ook maar enig bewijs met betrekking tot haar berekeningsnota/tabel voor te leggen en dit alvorens zij enig besluit lastens eiseres nam.

Ze stelt dat de door de fiscus gehanteerde gegevens dan ook buiten toepassing moeten gelaten worden zodat het btw-boete- en het btw-omzetbericht moeten worden nietig verklaard.

6 Verweerder betwist het standpunt van eiseres. Hij stelt dat hij bij de verzending van de correctie-opgave d.d. 14 november 2019 aan eiseres de mogelijkheid heeft gelaten om de berekeningsnota te analyseren en bijkomende inlichtingen op te vragen indien er onduidelijkheden waren.

7 De rechtbank is van oordeel op basis van de voorliggende gegevens dat door eiseres niet wordt aangetoond dat haar rechten van verdediging zouden geschonden zijn.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de besprekingen die er bij eiseres plaatsvonden, de aan eiseres op 14 november 2019 verstuurde correctie-opgave en het op 9 december 2019 aan eiseres verstuurde proces-verbaal, er dient aangenomen te worden dat de rechten van verdediging van eiseres werden gerespecteerd.

Uit de voorliggende stukken blijkt dat er op 7 november 2019 een bespreking plaatsvond bij eiseres waarbij er reeds een berekeningstabel aan eiseres werd voorgelegd. Door eiseres werd hier immers een foto van genomen. Vervolgens werd aan eiseres op 14 november 2019 een correctieopgave overgemaakt waarop aan eiseres de mogelijkheid werd geboden hierop te reageren. Vervolgens werd op 9 december 2019 een proces-verbaal overgemaakt aan eiseres waarbij haar opnieuw de tijd werd gegeven om te reageren. Van deze mogelijkheden maakte eiseres geen gebruik.

8 Vervolgens haalt eiseres een aantal grieven aan met betrekking tot het btw-boete- bericht d.d. 23 januari 2020. (art. 500221370342).

Eiseres stelt vooreerst dat er sprake is van een miskenning van de motiveringsplicht inzake bestuurshandelingen.

9 Verweerder stelt dat aangezien de uitgevoerde controle in zijn geheel dient aanschouwd te worden, alle beslissingen zijn gebaseerd op dezelfde documenten en resulteren uit dezelfde verworven inlichtingen. Verweerder stelt dat het proces-verbaal d.d. 14 november 2019 duidelijk verwijst naar artikel 1, 6° van het kqninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Wat de feitelijke motivatie betreft stelt verweerder dat de tabel heel duidelijk is: er zijn het aantal verkochte aankopen die worden vergeleken met het aantal eenheden verkocht op factuur.

10 Het proces-verbaal d.d. 14 november 2019 (stukken 67-68 van bundel verweerder) waarop het btw-boetebericht d.d. 23 januari 2020 werd gebaseerd, handelt over de overtreding van eiseres van artikel 1, 6° van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

Dit proces-verbaal is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd.

Dit proces-verbaal bevat geen jaartal waarop het betrekking heeft. Evenmin wordt enige verduidelijking verstrekt waarom de administratie meent zich op artikel 1, 6° van het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 te kunnen beroepe,n. Er wordt enkel op gewezen dat de administratie zou vastgesteld hebben dat eiseres 802 vaten gefactureerd heeft. Enige verdere verduidelijking wordt niet verstrekt. Hoe de fiscus dit berekend heeft, wordt in dit proces-verbaal niet toegelicht.

Dergelijke manier van motiveren van een administratieve geldboete, d.i. een haast onbestaande motivering in het proces-verbaal, beantwoordt niet aan de motiveringsvereisten voorzien in artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen, naar luid waarvan telkens wanneer de administratie aan een belastingplichtige een bericht zendt waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, dit bericht de feiten vermeldt die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wets- of verordeningsteksten, en de motivering opgeeft die gediend heeft om het bedrag van de boete vast te stellen. Een post factum motivering, vele jaren later, kan niet aanvaard worden. Evenmin kan de administratie gevolgd worden waar deze stelt dat de motivering kon afgeleid worden uit de regularisatieopgave.

Het gebrek aan motivering van deze betwiste administratieve boete verantwoordt op zich de algehele vernietiging ervan.

De rechtbank gaat rekening houdende hiermee dan ook niet in op de overige door eiseres aangehaalde argumenten om het btw-boetebericht d.d. 23 januari 2020 te betwisten.

11 Vervolgens haalt eiseres diverse grieven aan om het btw-omzetbericht d.d. 30 januari 2020 te betwisten (art.nr. 500222031659)

12 Eiseres haalt diverse argumenten aan om de geldigheid van dit omzetbericht en de volgens verweerder verschuldigde btw te betwisten.

Eiseres haalt vooreerst aan dat er sprake is van een miskenning van de bewijsplicht. Ze verwijt de fiscus niet het noodzakelijke bewijs van de aankopen van eiseres te leveren.

13 Verweerder licht toe dat de taxatie-berekening is gebeurd op basis van de door de leveranciers aangereikte facturen en niet op basis van de in de boekhouding te vinden facturen.

14 De rechtbank is van oordeel dat door eiseres in casu niet wordt aangetoond dat er sprake is van een miskenning van de bewijsplicht doordat de fiscus uitgaat van de door de leveranciers uitgereikte facturen.

Verweerder levert het bewijs van de geleverde aankopen, gelet op het feit dat de boekhouding van eiseres niet·bewijskrachtig is, door de bij de leveranciers opgevraagde facturen. Door eiseres werd overigens op geen enkel moment betwist dat deze zouden overeenkomen met de werkelijkheid.

15 Vervolgens haalt eiseres aan dat er sprake is van een schending van de motiveringsplicht in hoofde van verweerder.

16 Verweerder betwist dit.

17 De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van regularisatie werd opgenomen dat er naar aanleiding van de bij eiseres uitgevoerde controle fouten, onregelmatigheden en overtredingen op de btw-wetgeving werden vastgesteld.

In het proces-verbaal van regularisatie werd vervolgens verwezen naar de artikelen 53, 59 en 64 van het btw-wetboek. Er werd onder meer vermeld:

"Op grond van artikel 59, § 1, van het Btw-Wetboek, kunnen overtredingen of misbruiken van de bepalingen van dat Btw-Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de btw of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen. die aan te tonen, door de administratie bewezen worden volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de door de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën opgestelde processen-verbaal, die bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen.

Op grond van de wettelijke vermoedens opgenomen in het artikel 64, § 1 (goederen) en in het artikel 64, § 2 (diensten) van het Btw-Wetboek, wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt en wordt hij die diensten verricht, behoudens tegenbewijs, geacht dat te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt."

Onder de hoofding "vaststellingen" werd vermeld:

"De omzet resulterende uit 'afhaal' en 'ronde' is niet gedetailleerd dwz:

1} Het dagontvangstenboek wordt niet bijgehouden conform KB1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

2} De inschrijvingen moeten zijn gesteund op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naargelang het geval, een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard. Dit is nooit voorgelegd."

Vervolgens werd de berekening van de verschuldigde btw als volgt toegelicht:

"Op grond van voormeld artikel 59 § 1 en 64, §§ 1 en 2 van het Btw-Wetboek, heeft de administratie, voor het hierna vermelde jaar, de belastbare output (omzet}, exclusief btw, berekend op basis van de input, rekening houdend met de brutowinst en/of rendementsnormen en/of de eigen productieve prestaties, exclusief btw.

Hieronder volgen de desbetreffende berekeningen, samen met de verantwoording van de factoren. De aldus berekende omzet (exclusief btw) wordt vervolgens vergeleken met de omzet aangegeven in de ingediende btw-aangiften.

Het onderzoek heeft zich voornamelijk toegespitst op de tegenberekening van de omzet mbt de 'afhaal en ronde

Hieronder volgt de werkwijze:

1} Een overzicht van alle aangekochte producten wordt opgevraagd bij alle leveranciers van handelsgoederen

2} Belastingplichtige bezorgt ons de beginvoorraad en eindvoorraad 2017

3} Met deze gegevens kunnen we de verkochte aankopen berekenen nl.

Aankopen bij leveranciers + beginvoorraad - eindvoorraad

= op de berekeningsnota de kolom met benaming (1) verkochte aankopen

4) Van dit resultaat worden de verkochte hoeveelheden afgetrokken die gefactureerd geweest zijn

= op de berekeningsnota de kolom met benaming {2} verkochte eenheden op verkoopfacturen

5) Het resultaat zijn de hoeveelheden die verkocht geweest zijn via 'afhaal en ronde'

= op de berekeningsnota de kolom met benaming {3} verschil= {1} - {2}

6} Op dit resultaat worden de verkoopprijzen toegepast, op basis van de prijslijst afhaal 2017, die belastingplichtige ons overhandigd heeft. Hiervan nemen we de kolom 'prijs', als zijnde verkoopprijs inclusief BTW, zoals .belastingplichtige via PV van 7/11/2019 verklaard heeft. Voor de berekening vormen we de verkoopprijs inclusief BTW om tot verkoopprijzen exclusief BTW.

7} Vervolgens krijgen we een omzet 'afhaal en ronde' per product, zijnde de vermenigvuldiging van de kolom {3} verschil met de prijs excl. BTW

= op de berekeningsnota de kolom met benaming (4) herberekende omzet afkomstig uit 'afhaal en ronde'

8} We stellen hierbij een aantal anomalieën vast, die we bezwaarlijk 'akefietjes' kunnen noemen:

a. Er zijn 25 producten waarbij de aankopen + beginvoorraad - eindvoorraad resulteren in een negatief bedrag;

b. Er zijn 88 produkten waarvan er meer verkocht zijn op verkoopfacturen

dan er verkochte aankopen zijn;

c. Er zijn 802 vaten bier die niet op verkoopfactuur verkocht zijn;

9} De negatieve cijfers uit kolom (4) herberekende omzet, brengen we op 0, aangezien deze eenheden effectief op factuur verkocht werden.

Her resultaat hiervan is kolom (5) gecorrigeerde herberekende omzet afkomstig uit 'afhaal en ronde';

10} Het resultaat van de tegenberekening is een omzet uit 'afhaal en ronde' van 332.763,83 EUR.

11) Aangegeven omzet uit 'afhaal en ronde': 286.932, 70 EUR

11} Aangegeven omzet uit 'afhaal en ronde': 286.932,70 EUR

12) Verschil: 45.831,13 EUR

13} Hierop wordt een prorata toegepast van de BTW - % volgens de prorata die uit de BTW-aangiftes blijkt voor het jaar 2017.

14} Resultaat verschuldigde BTW: 7.725,03 EUR"

Hierna volgde de berekeningsnota.

De rechtbank is van oordeel dat in casu, rekening houdende met het hogergemelde, aan de motiveringsverplichting werd voldaan door verweerder. Uit het feit dat eiseres niet akkoord gaat met de vaststellingen en gevolgtrekkingen van verweerder kan niet afgeleid worden dat verweerder tekort gekomen zou zijn aan zijn motiveringsverplichting.

Er is dan ook geen schending van de motiveringsplicht.

De argumenten van eiseres betreffende de berekening van de hoegrootheid ·van de omzet betreffen de grond van de zaak doch maken geen motiveringsgebrek uit.

In tegenstelling tot hetgeen eiseres voorhoudt is de door de fiscus gehanteerde "aanvangswaarde" nul. Terzake kan verwezen worden naar de correctieopgave inzake btw d.d. 14 november 2019, meer bepaald stuk 56 van het bundel van verweerder. Dit stuk werd per materiële.vergissing niet toegevoegd aan het proces-verbaal van regularisatie d.d. 6 december 2019.

18 Vervolgens stelt eiseres dat er sprake is van een schending van artikel 59 btw­ wetboek door verweerder. Ze stelt dat het uitgangspunt van de fiscus met betrekking tot de gecorrigeerde herberekende omzet 'afhaal en ronde' willekeurig is.

Ze stelt dat de door de fiscus gehanteerde beweringen geenszins enig rechtsgeldig bewijs vormen waarop de fiscus zich kan/mag steunen.·

Eiseres stelt dat steekproefsgewijs dient vastgesteld te worden dat de bewering van verweerder dat bij alle leveranciers van handelsgoederen van de belastingplichtige alle aangekochte producten zouden opgevraagd zijn, geenszins juist is. Ze wijst erop dat minstens één leverancier, namelijk De Brouwerij van Vlaanderen - Axio nv niet zou bevraagd zijn. Verder stelt ze dat onbetwistbaar vaststaat dat verweerder het uitgangspunt om de bewijstechniek inzake feitelijke vermoedens toe te passen, manifest en doelbewust, en dit zonder enige aanwijsbare reden(en), negeert en/of miskent. Ze verwijst terzake naar voorbeelden met betrekking tot de producten Janimal, Gordon Xmas, Cote d'Or chocoladerepen en Carlsberg, Chimay Dorée en Leffe Blond.

19 De fiscus dient de gerealiseerde omzet te bewijzen. Dit mag de belastingadministratie doen door alle middelen van recht, met inbegrip van vermoedens (art. 59 § 1 W.B.T.W.).

Overeenkomstig het toepasselijk artikel 59, § 1, eerste lid, btw-wetboek kan iedere overtreding van de bepalingen van dat wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het ministerie van financiën.

Krachtens artikel 64, § 1, van hetzelfde wetboek, wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Dit wettelijk vermoeden heeft voor gevolg dat wanneer de administratie bewijst dat goederen die door hun aard bestemd zijn om verkocht te worden, door de belastingplichtige worden aangekocht, hij geacht wordt die goederen te hebben geleverd onder voorwaarden die maken dat btw verschuldigd is. De belastingplichtige kan dit vermoeden weerleggen door op grond van bewijskrachtige stukken aan te tonen dat die goederen nog in het bezit zijn of dat ze een bestemming hebben gekregen die geen btw opeisbaar maakt.

Ofschoon de administratie in beginsel alle gemeenrechtelijke bewijsmiddelen kan gebruiken, is zij voor het bewijzen van de niet-aangegeven inkomsten doorgaans op feitelijke vermoedens aangewezen. De administratie is immers zelf niet bij de belastbare feiten betrokken.

Artikel 1349 B.W. bepaalt dat vermoedens gevolgtrekkingen zijn die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Krachtens artikel 1353 Burgerlijk Wetboek worden vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld, overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter.

De rechter stelt op onaantastbare wijze het bestaan vast van de feiten waarop hij steunt. De feiten die hij als uitgangspunt neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn. Geen enkele wetsbepaling belet evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens.

Er is sprake van een willekeurige navordering indien de administratie een rechtsdwaling heeft begaan of zich op onjuiste feiten heeft gebaseerd, of omdat zij uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid. Daarbij moet rekening gehouden worden met de gegevens die de administratie kende of kon kennen op het moment van de uitvaardiging van het bestreden dwangbevel.

20 De rechtbank is in casu van oordeel dat gelet op de door eiseres geformuleerde opmerkingen zoals aangehaald in haar besluiten, dient besloten te worden dat de door verweerder opgestelde afrekening willekeurig is.

Op basis van de voorliggende gegevens blijkt dat er door eiseres in 2017 12 x Janimal {24 x 33cl) werd aangekocht en geenszins 58 zoals verweerder onterecht voorhoudt. Hierop wordt door verweerder in besluiten ·niet ingegaan. Hij stelt enkel dat het opmerkelijk is dat eiseres bij de toezending van de regularisatieopgave hierover niets heeft vermeld hoewel zij op dat ogenblik over dezelfde informatie beschikte als bij de opstelling van het proces-verbaal van regularisatie.

Verder haalt eiseres aan dat blijkt dat verweerder eenzelfde product meerdere malen in rekening brengt, namelijk chocoladerepen. Eiseres stelt tevens dat verweerder onterecht het product "Gordon Xmass 24 * 33cl" meerdere malen in haar berekeningstabel opnam. Hierop wordt door verweerder niet ingegaan.

Vervolgens stelt eiseres dat in tegenstelling tot hetgeen verweerder voorhoudt er voor 2017 slechts sprake kan zijn van 5 verkochte eenheden "Carlsberg 0.0 % 24 * 25 CL". Ze verwijst terzake naar de verkoopfacturen 1369, 1377, 1410 en 1518. Hieruit blijkt inderdaad dat eiseres slechts 5 eenheden verkocht heeft en geenszins 11. Verweerder stelt dat er wel degelijk 11 eenheden verkocht werden verwijzende naar de verkoopfacturen 1, 18, 315, 145, 203, 1369, 1377, 1410 en 1518. Dit wordt door verweerder op basis van de voorliggende gegevens evenwel niet bewezen. Eiseres legt deze facturen voor. Hierop komt geenszins 11 maal "Carlsberg 0.0% 24 * 25 CL" voor.

Verder formuleert eiseres opmerkingen met betrekking tot de producten "Chimay Dorée 1*20L" en "Leffe Blond Vat 1 *20 L" waaruit zou blijken dat de berekeningstabel een willekeurig samengesteld document is. Eiseres haalt vooreerst aan dat het aantal "verkochte aankopen" met betrekking tot het product "Chimay Dorée" niet klopt. Dit wordt door verweerder erkend. Met ·betrekking tot het product "Leffe Blond Vat 1 *20 L" stelt eiseres aangaande de volgens verweerder niet-gefactureerde eenheden dat deze voorwerp waren van promo-acties van Ab lnbev. Ze verwijst terzake naar diverse door AB lnbev opgestelde creditnota's. Verweerder beweert hieromtrent in besluiten dat met deze creditnota's zou rekening gehouden zijn. Hij geeft in besluiten hiertoe enkele tabellen weer hierbij verwijzende naar de stukken van verweerder genummerd van 313-402. Het is de rechtbank evenwel op basis van deze stukken geenszins duidelijk hoe verweerder op basis van de stukken 313-402 tot deze aantallen vaten komt.

Rekening houdende met hogergemelde diverse terechte opmerkingen vanwege eiseres die niet weerlegd worden door verweerder is de rechtbank van oordeel dat dient besloten te worden tot de vernietiging van het btw-omzetbericht en het onderliggende proces-verbaal wegens willekeur. De rechtbank volgt het standpunt van eiseres dat gelet op de anomalieën vastgesteld in de berekening van de fiscus bij steekproef de berekeningstabel van de fiscus niet als waarachtig kan aanvaard worden. Het bewijs van de fiscus faalt dan ook.

Ook het btw-omzetbericht dient dan ook vernietigd te worden.

21 Eiseres wordt in het gelijk gesteld. Verweerder dient dan ook te worden veroordeeld tot de kosten van het geding in hoofde van eiseres.

Beschikkend gedeelte

V. DE RECHTBANK beslist het volgende

De rechtbank doet uitspraak na tegenspraak en in eerste aanleg.

De vordering van BBL.bv is ontvankelijk en als volgt gegrond.

De rechtbank vernietigt het innings-en invorderingsbericht BTW dd. 23/01/2020 met kenmerk/artikelnr. 500221370342 en volgende specificatie "Uw dossier: 0810403029 - Artikelnummer 500221370342 - Proces-verbaal betekend op 14/11/2019" en het proces­ verbaal dd. 14/11/2019 waarop het gesteund is, opgemaakt te Halle op 14/11/2019 door Hilde De Dobbeleer, wegens miskenning van de door FOD Financiën na te leven motiveringsplicht.

De rechtbank vernietigt het innings-en invorderingsbericht BTW dd. 30/01/2020 met kenmerk/artikelnr. 500222031659 en volgende specificatie "Uw dossier: 0810403029 - Artikelnummer 500222031659 - Proces-verbaal betekend op 10/12/2019", en het proces­ verbaal dd. 6/12/2019 waarop het gesteund is, opgemaakt te Halle door Hilde De Dobbeleer wegens willekeur.

De rechtbank beveelt de terugbetaling van de door BBL. nv ten onrechte gedane betalingen, vermeerderd met de moratoriuminteresten zoals voorzien in artikel 91 WBTW.

De Belgische Staat wordt veroordeeld tot de kosten van het geding. Deze dienen in hoofde van de Belgische Staat niet vastgesteld te worden aangezien ze te zijnen laste blijven. In hoofde van BBL. worden deze vastgesteld op 20,00 euro (bijdrage Fonds Tweedelijnsbijstand) en 2.400,00 euro (rechtsplegingsvergoeding).

Dit vonnis werd uitgesproken in de openbare zitting van kamer BS van de rechtbank van eerste aanleg Leuven op vrijdag 18 februari 2022.

Waar zitting namen:

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

8
WBTW art. 598 voorkomens
WBTW art. 645 voorkomens
WBTW art. 915 voorkomens
KB nr. 1 art. 13 voorkomens
KB nr. 41 art. 11 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen
WBTW art. 611 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8