Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 19.06.2007
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, Recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :
Zitting van : 19/6/2007
EINDARREST
In zake : 2007/AR/904
De heer Th. L., vereffenaar van de PVBA S., te …, … (vereffenaar);
appellant,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 30 november 1995;
Her inschrijving op de algemene rol bij verzoekschrift, neergelegd op 23 maart 2007;
Vertegenwoordigd door Meester G. S. loco Meester F. V., advocaat te …, …;
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, met zetel te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24, bus 35;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester I. V., loco Meester M. V. H., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 30 november 1995 door de Derde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen; betekend op 2 juli 1996 bij exploot van gerechtsdeurwaarder J. T., met standplaats te Mechelen, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 2 augustus 1996;
Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;
1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep
1. De BVBA S. was uit hoofde van haar activiteit als uitbaatster van een café-restaurant onderworpen aan de bepalingen van het BTW-Wetboek en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten en was in deze hoedanigheid geregistreerd onder het BTW-nummer ….
Naar aanleiding van een controle inzake de toepassing van de BTW bij de NV M., die als BTW-belastingplichtige geregistreerd is onder het nummer … voor de activiteit van groot- en kleinhandel in koffie en aanverwante producten, werden aanwijzingen gevonden dat de NV M. in de periode van 1 januari 1984 tot 31 december 1986 aan verschillende belastingplichtigen koffie had geleverd zonder hiervoor verkoopfacturen uit te schrijven.
Blijkens een proces-verbaal opgemaakt te Antwerpen op 16 januari 1989 door de heer F. G., controleur, mevrouw H. D. L., verificateur en de heer M. T., adjunct-verificateur, allen verbonden aan het controlekantoor van de Opsporings- en documentatiediensten van de BTW te Antwerpen, zou aan de BVBA S. in de voormelde periode goederen zijn geleverd, waarvoor geen factuur met in rekening gebrachte BTW werd uitgereikt, voor een totaal bedrag van … EUR (… BEF) exclusief BTW.
1.2. Bij gebrek aan minnelijke regeling, werd op 18 april 1989 ter vrijwaring van de rechten van de Schatkist een proces-verbaal opgesteld door de heer M. B., hoofdcontroleur van de eerste controle BTW te Mechelen.
Op dezelfde datum werd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Mechelen een dwangbevel uitgevaardigd, krachtens hetwelk volgende bedragen door de BVBA S. verschuldigd zou zijn :
- als BTW : … EUR (… BEF)
- als geldboete ingevolge artikel 70, § 1, BTW-Wetboek :) … EUR (… BEF)
- als geldboete ingevolge artikel 61, § 4, BTW-Wetboek : … EUR (… BEF)
krachtens artikel 91, § 1, BTW-Wetboek te vetmeerderen met de interest aan 0,80 % per maand vanaf 21 januari 1987.
Dit dwangbevel werd op 18 april 1989 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer M. B., hoofdcontroleur te Mechelen en op 19 april 1989 aan de PVBA S. bij toepassing van artikel 85, § 1, BTW-Wetboek bij aangetekende brief ter kennis gebracht.
Het dwangbevel werd vervolgens samen met afschrift van de processen-verbaal van 16 januari 1989 en18 april 1989 aan de PVBA S. op 19 februari 1990 betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder J. T., met standplaats te Mechelen. Er werd hierbij tevens aan de PVBA S. bevel gegeven om voormelde bedragen te betalen.
1.3. Tegen dit dwangbevel tekende de PVBA S. verzet aan bij dagvaardingsexploot betekend op 21 maart 1990 en strekkende tot het horen zeggen voor recht dat de PVBA S. op grond van de voormelde processen-verbaal, dwangbevel en betekening-bevel geen enkel bedrag meer verschuldigd is aan de BELGISCHE STAAT, administratie van de BTW, registratie en domeinen, geïntimeerde.
1.4. Bij tussenvonnis uitgesproken door de Tweede Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen op 4 juni 1992 werd de PVBA S. gemachtigd om een aantal feiten door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, te bewijzen en werd de her J. B. als deskundige aangesteld met als opdracht "ondermeer bij de klanten van eiseres na te gaan hoeveel koppen koffie eiseres serveert uit één kilogram koffie",
In zijn op 6 december·1993 ter griffie van de Rechtbank van·Eerste Aanleg te Mechelen neergelegd verslag besluit de heer J. B. dat 135 tassen per kg koffie als een normaal gemiddelde kunnen aangezien worden.
1.5. Het bestreden vonnis uitgesproken door de Derde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen op 30 november 1995 oordeelt dat uit de onder ede afgelegde verklaringen van de heer L. V., boekhouder, blijkt dat de BVBA S. niet geweigerd heeft haar boekhouding voor te brengen en dat de BTW-administratie dan ook ten onrechte tot een ambtshalve taxatie is overgegaan. De vordering van de BTW-administratie voor de jaren 1985-1986 dient dan ook bij gebrek aan stukken te worden verworpen. Gezien een rendement van 135 koppen koffie per kilogram mag worden aangenomen, dient een herberekening voor het jaar 1984 te gebeuren. Door het bestreden vonnis wordt derhalve gezegd dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde terug te brengen is tot … EUR (… BEF), te verhogen met de boete en de interesten aan 0,8 % per maand op … EUR (… BEF) vanaf 21 januari 1987.
1.6. Tegen dit vonnis heeft de BVBA S. hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 2 augustus 1996.
1.7. De ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Mechelen heeft bij aangetekende brief van 1 oktober 1996 overeenkomstig artikel 92, tweede lid, van het BTW-Wetboek aan de BVBA S. een consignatieverzoek ter kennis gebracht, waarbij de BVBA S. verzocht werd de gevorderde bedragen van … EUR (… BEF) binnen de 60 dagen in consignatie te geven bij de Deposito- en Consignatiekas.
De ontvanger wees hierbij op een ernstig negatief eigen kapitaal, een actieve tegenwaarde van 20 % van de schuldmassa, en het gebrek aan onmiddellijke dekking van het aandeel in de schuldmassa van de bevoorrechte schuldeisers; wiens schuldvordering bovendien niet in haar geheel is opgenomen in de balans.
1.8. De zaak werd ter terechtzitting van 5 december 2006 ambtshalve weggelaten van de algemene rol overeenkomstig artikel 730, § 2, a), tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Op verzoek van geïntimeerde werd de zaak op 23 maart 2007 opnieuw op de algemene rol ingeschreven.
1.9. In besluiten neergelegd op 15 september 2003 voert de BVBA S. in vereffening, vertegenwoordigd door de heer T. L. in zijn hoedanigheid van vereffenaar, appellant q.q., aan dat het consignatieverzoek onontvankelijk minstens ongegrond is gezien de voorwaarden van artikel 92 (oud) BTW-Wetboek niet vervuld zijn. Het verzet werd immers grotendeels gegrond verklaard en werd dus niet afgewezen. Een uitzondering op de algemene regel dat tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg hoger beroep kan worden ingesteld dient restrictief te worden geïnterpreteerd. Appellant q.q. merkt verder op dat interesten over een periode van meer dan 272 maanden worden aangerekend, terwijl de interesten aan 0,8 % per maand vanaf 21 januari 1987 tot het verzoek tot consignatie op 20 december 1996 dienen te worden gerekend, hetzij 119 maanden. Het verzoek tot consignatie is tevens onredelijk en niet gedragen door de gegevens van de zaak, gezien het hoger beroep onontvankelijk zou zijn louter omwille van het feit dat de BVBA S. niet over de financiële middelen beschikte om aan de consignatie te voldoen. Appellant q.q. vraagt ten gronde de bevestiging van het bestreden vonnis wat betreft de vernietiging van de ambtshalve aanslag voor de jaren 1985-1986.Met betrekking tot het jaar 1984 werpt appellant q.q. op dat het proces-verbaal van 16 januari 1989 geen bekende feiten, doch slechts veronderstellingen bevat, en dat op deze veronderstellingen het wettelijk vermoeden uit artikel 64 BTW-Wetboek werd toegepast, zodat er sprake is van opeenstapeling van vermoedens.
Dit is des temeer het geval nu voor de vaststelling van de meeromzet werd voortgegaan op de verklaringen van derden om het gemiddelde aantal koppen koffie per kg te berekenen. Tenslotte, is de toegepaste boete omwille de betekening van het dwangbevel onwettelijk.
Appellant q.q. besluit derhalve tot de gegrondheid van het hoger beroep resp. de ongegrondheid van het incidenteel beroep, en dienvolgens de vernietiging van het bestreden vonnis, het van nul en generlei waarde verklaren van het dwangbevel en de veroordeling van geïntimeerde om alle bedragen terug te betalen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel.
1.10. In besluiten neergelegd op 13 februari 2001 stelt de BELGISCHE STAAT dat de met de invordering gelaste ambtenaar een discretionaire bevoegdheid heeft om de consignatie te vragen. Uit de aangetekende zending van 1 oktober 1996 blijkt dat de consignatie noodzakelijk is om de rechten van de Schatkist te vrijwaren en een dilatoir beroep tegen te gaan. Het middel getrokken uit de niet-ontvankelijkheid van het beroep betreft de openbare orde en dient bijgevolg van ambtswege te worden opgeworpen. Het verzoekschrift in hoger beroep dient dan ook als niet-ontvankelijk te worden afgewezen gelet op het feit dat het rechtsmiddel tegen de rechterlijke beslissing waarbij het verzet tegen het dwangbevel grotendeels werd afgewezen niet op geldige wijze werd aangewend. Deze niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep kan niet worden gedekt door een latere consignatie. In ondergeschikte orde, voert, geïntimeerde aan dat hij ten bewijze van zijn vordering een beroep doet op de toepassing van de artikelen 59, § 1, en 64, §§ 1 en 2, van het BTW-Wetboek. De in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen moeten door de rechters als waarachtig worden beschouwd. Loutere beweringen van het tegendeel leveren niet het tegenbewijs van wat in het proces-verbaal werd opgenomen. Op grond van artikel 59, § 1, van het BTW-Wetboek mag de administratie het bewijs van overtreding aantonen o.m. door vermoedens. Geïntimeerde wijst er op dat de BVBA S. als uitbater van een drankgelegenheid haar ontvangsten in een dagontvangstenboek diende in te schrijven, doch dat zij geen kasboek, of enig ander boekhoudkundig stuk, heeft voorgelegd, zodat de administratie tot een forfaitaire omzetberekening dient over te gaan om een controle op de ontvangsten uit te voeren. Als basis voor deze forfaitaire werkwijze dienen steeds de aankopen van de verwerkte en geserveerde producten genomen worden.
Dit houdt in dat de BVBA S. er alle belang bij had producten aan te kopen zonder factuur. Uit de verklaringen van de bestuurders van de NV M. blijkt dat enkel ten aanzien van de leveringen van goederen vermeld op het bovenste deel van de leveringsbonnen, zijnde het deel waarop de identiteit van de afnemer voorkomt, facturen met in rekening gebrachte BTW werden opgemaakt. Met betrekking tot de leveringen van goederen vermeld op het onderste deel van de leveringsbonnen werden geen facturen werden opgemaakt. De kwestieuze leveringsbonnen werden bij het proces-verbaal van 16 januari 1989 gevoegd om er één geheel mee te vormen. Ingeval van voorlegging van de boekhouding van de BVBA S. zou kunnen worden vastgesteld dat het bovenste deel van de leveringsbonnen hierin niet werden opgenomen. Voor de periode van 1 januari 1984 tot 31 december 1986 konden 49 leveringsbons opnieuw worden samengesteld. Aan de BVBA S. werden voor een bedrag van … BEF en … BEF goederen geleverd, waarvoor geen factuur werd uitgereikt. Aan de waarachtigheid van de bij de NV M. vastgestelde feiten kan niet meer getwijfeld worden. Uit deze gegevens kunnen op basis van artikel 59, § 1, van het BTW-Wetboek de feitelijke vermoedens voorzien door artikel 1349 van het Burgerlijk wetboek toegepast en afgeleid worden. Uit de bij de controle van 1986 voorgelegde boekhouding en uit de listing-leveranciers blijkt dat de BVBA S. een regelmatige afnemer was van de NV M., zodat er geen enkele aanleiding bestaat om maar enigszins te twijfelen dat de stukken uit de boekhouding van de NV M. niet de werkelijkheid zouden weergeven. Anderzijds, is het door artikel 64, § 1, BTW-Wetboek ingestelde vermoeden ondermeer van toepassing wanneer de controleambtenaren een vergelijking maken tussen het bedrag der aankopen die de belastingplichtige heeft verricht tijdens de gecontroleerde periode, verhoogd met een vermoede winst, en het bedrag der belaste aankopen. Om te ontsnappen aan de vordering van de belasting over het verschil tussen die twee bedragen, zal de belastingplichtige niet kunnen volstaan met de bewering dat de goederen niet werden verkocht of dat de verkopen niet belastbaar waren. Hij zal aan de hand van het inventarisboek of met behulp van andere bewijskrachtige stukken moeten aantonen dat de goederen nog in zijn bezit zijn op het tijdstip van de controle, of dat ze een bestemming hebben gekregen die de belasting niet opeisbaar heeft gemaakt. Op 26 februari 1986 werd de boekhouding van de BVBA S. betreffende het jaar 1984 gecontroleerd. Voor het jaar 1984 werd nog 15 kg koffie wel gefactureerd doch niet ingeschreven in de boekhouding.
Op grond van artikel 64, § 1, en artikel 56, § 1, BTW-Wetboek, is de BTW verschuldigd op de leveringen zonder factuur, en voor 1984, supplementair op 15 kg koffie op factuur. Over de herziene meeromzet wordt de belasting van 17 % gevorderd, overeenkomstig de voorschriften van het Koninklijk Besluit nr. 20. De argumenten geformuleerd in het verzet leveren geen afdoend bewijs waardoor de vaststellingen opgenomen in de rechtsgeldige processen-verbaal weerlegd worden. Het aldus geleverde bewijs kan niet ontwricht worden door gezegden, beweringen of veronderstellingen. De door de administratie ingestelde vordering is dan ook volledig gegrond. De vordering dient wel gelet op de vaststellingen in het deskundigenverslag teruggebracht te worden tot volgende bedragen :
- voor het jaar 1984 : … BEF + … BEF
- voor het jaar 1985 : … BEF
- voor het jaar 1986 : … BEF
- hetzij in totaal : … BEF
te vermeerderen met de proportionele boete op grond van artikel 70, § 1, van het BTW-Wetboek, bij toepassing van artikel 1 van het Koninklijk Besluit inzake BTW nr. 41 van 30 januari 1987 verminderd tot … BEF, alsook een boete van … BEF op grond van artikel 61, § 4, van het BTW-Wetboek wegens de niet voorlegging van de boeken en documenten, en de interesten op grond van artikel 91, § 1, van het BTW-Wetboek aan 0,8 % per maand te berekenen over … EUR (… BEF) vanaf 21 januari 1987. Geïntimeerde besluit derhalve tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en in ondergeschikte orde de ongegrondheid ervan.
2. Beoordeling
2.1. Wat betreft het hoger beroep
2.1. Artikel 92, tweede lid, van het BTW-Wetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep, bepaalde het volgende :
"Wanneer het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, kan tegen de rechterlijke beslissing niet op geldige wijze enig rechtsmiddel worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen twee maanden na het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief tot de belastingschuldige richt.”
2.2. De wetgever stelt met artikel 92, tweede lid, W.BTW de toegang tot de rechter in hoger beroep afhankelijk van de consignatie van de sommen die krachtens het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg verschuldigd zijn.
Een dergelijke inperking van het recht om hoger beroep in te stellen kan niet als kennelijk onevenredig ten aanzien van het nagestreefde doel worden aangezien, in zoverre artikel 92, tweede lid, W.BTW aldus wordt geïnterpreteerd dat het aan de bevoegde administratie de zorg laat rekening te houden met de concrete gegevens van elke zaak, met inbegrip van de financiële toestand van de belastingplichtige, om na te gaan of de consignatie al dan niet aangewezen is om de wettelijke doelstelling te verwezenlijken (zie o.a. Arbitragehof nr. 75/95, 9 november 1995 (prejudiciële vraag), A.A. 1995, 1073, BS 1 december 1995, 32.699, Rec. gén. enr. not. 1996, 70; Arbitragehof nr. 44/95, 6 juni 1995 (prejudiciële vraag), A.A. 1995, 681, A.J.T. 1994-95, 592, noot L. VANDENBERGHE, “De consignatieverplichting in BTW-geschillen”, (A.J.T. 1994-95, 597-600), Act. dr. 1996, 443, noot N. PIROTTE, 'Consignation TVA et égalité devant l'impôt', (Act. dr. 1996, 450-460), BS 26 augustus 1995, 24.534, BTW-Revue 1995, 835, F.J.F. 1995, 271, Fisc. Koer. 1995, 495, Limb. Rechtsl. 1997, 14, R.W. 1995-96 (verkort), 336, noot, T.B.P. 1995, 741).
Uit de parlementaire voorbereiding van de wet blijkt dat die tekst de bepalingen van artikel 202-2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 maart 1927 houdende het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen letterlijk heeft overgenomen. Het verslag aan de Koning dat aan dat besluit voorafgaat geeft aan in welke gevallen het aanbeveling verdient het verrichten van een provisionele storting of het verlenen van een borgtocht te bevelen. De consignatiemaatregel kan aldus worden bevolen zelfs als de belastingschuldige geen vertragingsmanoeuvres aanwendt, mits de rechten van de Schatkist in gevaar zijn of kunnen zijn (vgl. Cass., AR C.03.0158.F, 20 januari 2005, F.J.F. 2005, afl. 6, 629). De ernst van de aangevoerde bewijsvoering is bijgevolg niet doorslaggevend.
Het BTW-Ontvangkantoor te Mechelen heeft bij aangetekend schrijven van 1 oktober 1996 aan de BVBA S. een verzoek tot consignatie gericht. Hierbij werden concrete gegevens eigen aan de zaak aangehaald om dit verzoek te verantwoorden, en in het bijzonder de wankele financiële toestand van de BVBA S.. De ontvanger wees hierbij op het ernstig negatief eigen kapitaal, een actieve tegenwaarde van 20 % van de schuldmassa, overeenstemmende met de schulden tegenover de leveranciers van goederen en diensten, en het gebrek aan onmiddellijke dekking van het aandeel in de schuldmassa van de bevoorrechte schuldeisers.
Deze financiële gegevens worden door appellant q.q. niet tegengesproken noch weerlegd.
In zoverre en in de mate dat het dwangbevel werd afgewezen heeft de belastingadministratie dan ook wetconform een verzoek tot consignatie aan de BVBA S. gericht, die geen enkel gevolg heeft verleend aan dat verzoek, hoewel voldoende is aangetoond dat de rechten van de Schatkist in gevaar zijn of kunnen zijn.
Het verzoek tot consignatie was in de gegeven concrete situatie niet kennelijk onredelijk en stond ook niet buiten verhouding met het nagestreefde doel.
Gezien de BVBA S. het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie heeft gegeven binnen twee maanden na het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief van 1 oktober 1996 tot haar heeft gericht, dient het hoger beroep onontvankelijk te worden verklaard;
2.2. Over het incidenteel beroep
Door het Hof dient te worden vastgesteld dat geïntimeerde in haar besluiten in hoger beroep voor het jaar 1984 dezelfde vordering stelt als deze, die door het bestreden vonnis voor dat jaar werd toegewezen, zodat dient te worden aangenomen dat het incidenteel beroep beperkt is tot de toewijzing van het verzet tegen het dwangbevel in zoverre het op de jaren 1985 en 1986 betrekking heeft.
Met betrekking tot de jaren 1985 en 1986 beweert geïntimeerde dat de BVBA S. geen kasboek of enig ander boekhoudkundig stuk heeft voorgelegd en dat de administratie dan ook verplicht is geweest om over te gaan tot een forfaitaire omzetberekening met als basis de aankopen van de verwerkte en gereserveerde producten.
De boekhouder van de BVBA S., m.n. de heer L. V.; heeft evenwel, blijkens het proces-verbaal van verhoor van 5 november 1992, alsdan onder ede verklaard en bevestigd dat hij op 20 februari 1989 en op 29 maart 1989 telefonische gesprekken heeft gevoerd met de BTW-controle Mechelen 1, meer speciaal met de Hoofdcontroleur de heer B., teneinde een afspraak te beleggen voor een controle, dat de heer B. hem gevraagd heeft zich op 14 april 1989 te 11 uur aan te bieden met de boekhouding van de BVBA S.; en dat hij zich op 14 april 1989 met de nodige stukken heeft aangeboden bij de heer B., doch dat deze laatste het alsdan niet meer nodig heeft geacht de boekhouding na te zien daar hij stelde dat er ambtshalve zou worden belast op basis van bij derden gevonden gegevens.
Een verklaring onder ede is geen loutere bewering of veronderstelling. De verklaring van de heer L. V. levert bijgevolg het tegenbewijs van de in het proces-verbaal van 18 april 1989 ten laste van de BVBA S. beweerdelijk met betrekking tot de jaren 1985 en 1986 vastgestelde overtreding op de bepalingen van artikel 61 van het BTW-Wetboek.
De BTW-vordering met betrekking tot de jaren 1985 en 1986 werd dan ook terecht afgewezen.
Het incidenteel beroep is derhalve eveneens ongegrond.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Recht doende op tegenspraak;
Verklaart het hoger beroep onontvankelijk;
Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond;
Bevestigt derhalve het bestreden vonnis;
Slaat de kosten in hoger beroep tussen partijen om.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van NEGENTIEN JUNI TWEEDUIZENDENZEVEN,
waar aanwezig waren :
R. T., Voorzitter;
D. W. en S. B., Raadsheren;
A. V. L., Griffier.
A. V. L. S. B. D. W. R. T.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.