Organisatie van diverse voorstellingen (01.08.2022) · Btw-commentaar

Naar de tekst
Juriel

9 september 2022

Zoeken

Organisatie van diverse voorstellingen (01.08.2022)

https://juriel.be/nl/btw-commentaar/vrijstellingen-beoogd-artikel-44-wetboek-8a73

Datum
9 september 2022

Over het document

Verzameling
Btw-commentaar
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

81 paragrafen

Btw-Commentaar. Vrijstellingen beoogd door artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek - Organisatie van diverse voorstellingen (01.08.2022)

BOEKWERK II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief

Hoofdstuk 9. Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek

Afdeling 16 - Organisatie van diverse voorstellingen (artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek)

Bijwerking 01.08.2022 - Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020] [15.06.2021]

Inhoud: · 8 onderdelen

1. Toepassingsgebied

A. Lopende erkenningsprocedure

B. Verstrekken van programma’s

C. Reizende evenementen

2. Uitbating van een drank- of eetgelegenheid

3. Instelling zonder winstoogmerk

A. Algemene principes

B. Autonome gemeente- en provinciebedrijven

1. Toepassingsgebied

Artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek stelt vrij ‘de organisatie van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, van tentoonstellingen, concerten of conferenties alsook de leveringen van goederen die nauw samenhangen met deze diensten door instellingen die erkend zijn door de bevoegde overheid, mits de inkomsten die zij verkrijgen uit hun werkzaamheid uitsluitend gebruikt worden tot dekking van de kosten ervan.’

De organisatie van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, en van tentoonstellingen, concerten en conferenties, is van de belasting vrijgesteld op voorwaarde:

• dat de organisatie uitgaat van instellingen erkend door de bevoegde overheid. Als bevoegde overheid worden onder meer beschouwd de publieke instellingen die (regionaal) bevoegd zijn voor de cultuur. Enkel voor deze vrijstelling wordt aangenomen dat een instelling die gesubsidieerd is door de bevoegde overheid, door laatstgenoemde als erkend wordt beschouwd (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.314 van de heer Volksvertegenwoordiger François Dufour van 09.04.1998, schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.093 van de heer Volksvertegenwoordiger Yves Leterme van 26.08.2002 en schriftelijke parlementaire vraag nr. 3-1.249 van mevrouw de Senator Clotilde Nyssens van 28.07.2004).

Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt of het al dan niet gaat om werkingstoelagen dan wel om prijssubsidies.

• dat de ontvangsten van de werkzaamheid uitsluitend dienen om de kosten van de organisatie te dekken, hetgeen inhoudt dat er sprake is van een instelling zonder winstoogmerk.

Het begrip ‘organisatie’ in de zin van artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek, verwijst zowel naar de organisator van de bedoelde culturele diensten (inzonderheid de organisator die recht op toegang verleent en die de inkomgelden int) als naar de instelling die de uitvoering verzekert van bedoelde diensten.

Op grond van artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek zijn bijgevolg vrijgesteld de daarin bedoelde culturele diensten (de organisatie stricto sensu, evenals het uitvoeren van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, van tentoonstellingen, concerten en conferenties) die worden verricht door instellingen die worden erkend door de bevoegde overheid en die de inkomsten die zij verkrijgen uit deze werkzaamheid uitsluitend gebruiken tot dekking van hun kosten, ongeacht de plaats waar de productie wordt vertoond (eigen zaal van de instelling of elders) en ongeacht of de instelling tegenover het publiek optreedt als organisator dan wel diensten verricht voor een organisator.

A. Lopende erkenningsprocedure

Als de vereniging of de organisatie nog niet erkend is door de bevoegde overheid, wordt aangenomen dat, gelet op de duur van de erkenningsprocedure, de verenigingen of organisaties die de voorwaarden om te worden erkend vervullen, zich voorlopig op de vrijstelling van de btw mogen beroepen vanaf de indiening van hun aanvraag tot erkenning. De vrijstelling van de btw wordt definitief wanneer de erkenning wordt toegestaan.

Wanneer de erkenning daarentegen wordt geweigerd, vervalt de vrijstelling op de datum waarop de beslissing tot weigering aan de betrokkenen werd betekend. Hetzelfde geldt in geval van intrekking van een oorspronkelijk toegestane erkenning (beslissing nr. E.T. 19.398 van 29.11.1974).

B. Verstrekken van programma’s

Het verstrekken van programma's betreffende een vrijgestelde voorstelling is eveneens van btw vrijgesteld als nauw samenhangende handeling met de vrijgestelde dienst (beslissing nr. T. 2026 van 28.04.1971).

C. Reizende evenementen

Het feit dat het zou gaan om reizende evenementen belet de toepassing van de vrijstelling niet ten aanzien van de instelling (beslissing E.T. 104.825 van 09.04.2003).

2. Uitbating van een drank- of eetgelegenheid

Het verschaffen van spijzen en dranken voor het verbruik ter plaatse is een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van het Btw-Wetboek, die aan de belasting is onderworpen in hoofde van diegene die deze geregeld en zelfstandig, onder bezwarende titel in België verricht. Het is hierbij van geen belang of de exploitant van die drank- of eetgelegenheid handelt met of zonder winstoogmerk.

Een dergelijke exploitatie is in beginsel intrinsiek vreemd aan de doelstellingen beoogd door de bepalingen van artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek.

Niettemin wordt middels beslissing nr. E.T. 130.298 van 12.09.2016 aanvaard dat de uitbating van een drank- of eetgelegenheid tevens van de btw kan zijn vrijgesteld mits deze uitbating bijkomstig is bij de door organisatoren van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, tentoonstellingen, concerten of conferenties verrichte vrijgestelde handelingen en navolgende voorwaarden cumulatief zijn voldaan:

• de uitbating van de drank- of eetgelegenheid gebeurt door een belastingplichtige wiens handelingen van de btw vrijgesteld zijn door artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek, met name organisatoren van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, tentoonstellingen, concerten of conferenties waarvan de activiteiten krachtens die bepaling zijn vrijgesteld

• de exploitatie van de drank- of eetgelegenheid geschiedt op de site van de inrichting waar de vrijgestelde handelingen als bedoeld in het eerste opsommingsteken hiervoor worden verricht (hierna aangeduid als de betrokken inrichting)

• de in het eerste opsommingsteken beoogde vrijgestelde handelingen vormen een overwegend deel van de door de betrokken inrichting verrichte handelingen. Dit impliceert dat het totaalbedrag, per kalenderjaar, van de in dat eerste opsommingsteken beoogde vrijgestelde handelingen groter is dan het totaalbedrag van de overige door die betrokken inrichting verrichte handelingen, zijnde zowel de belaste als overige vrijgestelde handelingen (met inbegrip van de drank- of eetgelegenheid)

• de drank- of eetgelegenheid is in principe slechts toegankelijk voor personen die eveneens afnemer zijn van de in het eerste opsommingsteken bedoelde vrijgestelde diensten (bijvoorbeeld toeschouwers …), alsook voor het personeel dat werkzaam is in de betrokken inrichting. Deze voorwaarde is in elk geval voldaan wanneer de drank- of eetgelegenheid niet toegankelijk is buiten de openingsuren van de inrichting én niet rechtstreeks toegankelijk is van buitenaf (men moet met andere woorden eerst de hiervoor bedoelde inrichting betreden, alvorens men toegang heeft tot de drank- of eetgelegenheid). Het voldoen van deze voorwaarde kan evenwel ook worden aangetoond aan de hand van andere feitelijke elementen

• de ontvangsten uit de uitbating van de drank- of eetgelegenheid bedragen niet meer dan 10% van de omzet van de in het eerste opsommingsteken beoogde vrijgestelde handelingen van de betrokken inrichting.

Een éénmalige overschrijding van deze drempel met 10% - tot aldus maximaal 11% - van de omzet van de in het eerste opsommingsteken beoogde vrijgestelde handelingen van de betrokken inrichting per periode van vijf opeenvolgende kalenderjaren wordt voor de toepassing van deze voorwaarde buiten beschouwing gelaten.

Noch de aard van de verstrekte maaltijden, noch het feit dat de betrokken inrichting ook belaste werkzaamheden verricht zijn voortaan van belang.

Hetgeen voorafgaat doet echter niets af aan de bepalingen van artikel 44, § 2, 12°, van het Btw-Wetboek op grond waarvan van de btw zijn vrijgesteld de leveringen van goederen en de diensten, verricht in samenhang met werkzaamheden die ter verkrijging van financiële steun met betrekking tot de in artikel 44, § 2, 1°, a), 2° tot 4°, a), 6°, 7°, 9° en 11° van het Btw-Wetboek genoemde handelingen zijn georganiseerd door en uitsluitend ten bate van diegenen die deze handelingen verrichten of ten bate van een goed doel. Niettemin wordt opgemerkt dat de bepalingen van artikel 44, § 2, 12°, van het Btw-Wetboek slechts uitzonderlijke opbrengsten beogen uit activiteiten die geen commerciële werkzaamheid mogen vormen die tot concurrentie kan leiden. Hierbij worden onder meer de organisatie van een jaarlijks eetfestijn, een jaarlijkse taartenverkoop … beoogd.

Deze beslissing is in werking getreden op 01.01.2017. Ze vervangt de toegeving opgenomen in het antwoord van de toenmalige heer minister van Financiën op de schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.094 van de heer Volksvertegenwoordiger Yves Leterme van 26.08.2002.

Wanneer aan één van voornoemde voorwaarden niet langer is voldaan, vervalt de tolerantie vanaf het volgende kalenderjaar.

Indien de exploitatie van de cafetaria aan een derde in concessie wordt gegeven, moet deze derde zijn handelingen volgens de normale regels aan de btw onderwerpen.

3. Instelling zonder winstoogmerk

A. Algemene principes

Zoals aangegeven in titel 1, van deze afdeling, zijn de handelingen beoogd in artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek enkel van de belasting vrijgesteld wanneer ze worden verricht door instellingen die geen winstoogmerk nastreven.

Het begrip ‘instelling zonder winstoogmerk’ werd verduidelijkt door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn Arrest Kennemer Golf & Country Club, zaak C-174/00, van 21.03.2002.

Om te beoordelen of een instelling kwalificeert als een instelling zonder winstoogmerk dienen alle activiteiten van die instelling in aanmerking te worden genomen. Het volstaat niet dat de handelingen die in aanmerking komen voor de btw-vrijstelling, zonder winstoogmerk worden verricht, terwijl andere handelingen met een commercieel doel worden gesteld.

De instelling in haar geheel beschouwd, heeft geen winstoogmerk indien zij niet tot doel heeft winst te maken met het oog op de verdeling onder haar leden. Het bestaan van een dergelijk doel, moet worden bepaald aan de hand van het statutaire doel van de instelling en de concrete feitelijke omstandigheden van de zaak.

Het Hof heeft daarenboven bepaald dat ‘aan de aanvankelijke kwalificatie van de instelling niet af doet dat zij vervolgens overschotten heeft, ook indien zij deze systematisch nastreeft of realiseert, mits deze overschotten niet als winst onder de leden worden verdeeld’.

De voorwaarde dat de betreffende instellingen de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend mogen gebruiken tot dekking van de kosten ervan, houdt in dat zij wel degelijk overschotten mogen realiseren of zelfs nastreven, mits deze overschotten niet als winst onder de leden worden verdeeld en mits de instellingen deze overschotten aanwenden ten behoeve van hun vrijgestelde handelingen. Een andersluidende interpretatie zou erop neerkomen instellingen te verbieden hun boekjaar met een batig saldo af te sluiten en hen te verhinderen reserves te creëren die zij kunnen aanwenden voor de instandhouding of de verbetering van de door hen verleende vrijgestelde handelingen (beslissing nr. E.T. 129.288 van 19.01.2016 en beslissing nr. E.T. 104.780 van 27.11.2003).

Verder verduidelijkt het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn Arrest Golfclub Schloss Igling eV, zaak C-488/18, van 10.12.2020 dat het begrip „instelling zonder winstoogmerk” in de zin van artikel 132, lid 1, onder m), van richtlijn 2006/112/EG aldus moet worden uitgelegd dat die bepaling een autonoom begrip van het Unierecht is dat vereist dat een dergelijke instelling, bij ontbinding ervan, de door haar behaalde winst die groter is dan het door haar leden gestorte aandelenkapitaal en de marktwaarde van hun inbreng in natura, niet aan die leden mag uitkeren.

Rekening houdend met hetgeen voorafgaat en vermits de desbetreffende wettelijke bepalingen uitsluiten dat ze een stoffelijk voordeel aan hun leden of oprichters kunnen verschaffen, kunnen de instellingen onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, een internationale vereniging zonder winstoogmerk, een stichting van openbaar nut en een private stichting a priori de vrijstelling genieten beoogd in artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek. Het is vanzelfsprekend dat deze vrijstelling niet kan worden toegepast indien zou blijken dat ondanks alles een stoffelijk voordeel wordt toegekend aan de leden of oprichters.

Daarentegen kan een als sociale onderneming erkende coöperatieve vennootschap in principe niet worden beschouwd als een instelling zonder winstoogmerk omdat ze overeenkomstig artikel 8:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen aan haar aandeelhouders een beperkt vermogensvoordeel mag uitkeren, zelfs indien dit toegekende voordeel niet hoger mag zijn dan de rentevoet vastgesteld door de Koning ter uitvoering van de wet van 20.07.1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie, het Sociaal Ondernemerschap en de Landbouwonderneming, toegepast op het werkelijk gestorte bedrag van de aandelen.

Een dergelijke vennootschap bevindt zich evenwel in het toepassingsgebied van de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek indien al de overige voorwaarden voldaan zijn en de aandeelhouders, overeenkomstig de statuten, afstand doen van elk vermogensvoordeel en dus van elke verdeling van winst in hun voordeel en dit ook blijkt uit de feiten.

Het feit dat een instelling trouwens werkingssubsidies ontvangt heeft op zich geen invloed op de toepassing van voornoemde vrijstelling.

Het toekennen van werkingssubsidies kan het bewijs vormen dat de instelling of inrichting zelf niet genoeg middelen heeft om haar uitgaven te dekken, met andere woorden dat haar ontvangsten zelf niet voldoende zijn om haar exploitatiekosten te dekken. Hieruit volgt dat het toekennen van werkingssubsidies er op kan wijzen dat winstoogmerk ontbreekt (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.320 van de heer Volksvertegenwoordiger Stef Goris van 12.06.2006).

Wanneer een instelling zonder winstoogmerk, waarvan de inkomsten uitsluitend dienen om de exploitatiekosten te dekken, toetreedt tot een btw-eenheid, dienen de voorwaarden van het ontbreken van winstoogmerk te zijn voldaan in hoofde van elk van de leden van de btw-eenheid aangezien deze voor de toepassing van de btw slechts één belastingplichtige vormt (zie circulaire AOIF nr. 42/2007 (nr. E.T. 111.702) van 09.11.2007 en ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 5: De btw-eenheid’).

B. Autonome gemeente- en provinciebedrijven

Wat meer bepaald de autonome gemeentebedrijven betreft, kan worden opgemerkt dat volgens de toenmalige minister bevoegd voor de Modernisering van Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude toegevoegd aan de minister van Financiën, de belastingplicht met recht op aftrek van voorbelasting volgens de normale regels niet kan worden betwist voor autonome gemeentebedrijven die niet de vorm van een nv of een bvba hebben aangenomen en die een inrichting beoogd door artikel 44, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek (mutatis mutandis ook van toepassing op artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek) uitbaten, waarvan uit de statuten blijkt dat zij een winstoogmerk hebben en dat zij zich tot doel stellen winst uit te keren (mondelinge parlementaire vraag nr. 519 van de heer Volksvertegenwoordiger Jan Peeters van 11.12.2007).

De toenmalige minister van Financiën heeft nog verduidelijkt dat Autonome Gemeentebedrijven die niet de vorm van een nv of een bvba hebben aangenomen en die activiteiten ontwikkelen waarvan de vrijstelling afhankelijk is van het gebrek aan winstoogmerk, buiten het toepassingsgebied van de betreffende vrijstelling vallen wanneer hun statuten voorzien dat de eventuele winsten zullen worden uitgekeerd aan de leden en dit ook daadwerkelijk gebeurt (schriftelijke parlementaire vraag nr. 842 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Valérie Warzée-Caverenne van 02.04.2014).

De kwalificatie van een Autonoom Gemeentebedrijf als belastingplichtige met recht op aftrek in de zin van artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek belet niet dat de administratie later kan onderzoeken of de statutaire bepalingen niet louter theoretisch zijn en desgevallend kan besluiten dat voornoemde vrijstelling alsnog van toepassing is.

Dit zal het geval zijn wanneer systematisch tekorten voorkomen in hoofde van het autonoom gemeentebedrijf omdat de aan de bezoekers van de inrichting aangerekende prijzen niet volstaan tot dekking van de exploitatiekosten van het autonoom gemeentebedrijf en het bijgevolg onmogelijk is om winsten uit te keren. Hiervoor dient het operationeel resultaat van de globale activiteit van het autonoom gemeentebedrijf in aanmerking te worden genomen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 481 van de heer Volksvertegenwoordiger Benoît Dispa van 16.07.2015).

In dat verband kunnen de werkingssubsidies die door de gemeente aan het Autonoom Gemeentebedrijf ter beschikking worden gesteld, gelet op de nauwe band tussen het Autonoom Gemeentebedrijf en de gemeente, niet worden aangemerkt als ontvangsten uit een bepaalde activiteit. De werkingssubsidies mogen bijgevolg niet als bijkomende ontvangsten worden aangemerkt en mogen evenmin in mindering worden gebracht van de gedane kosten voor het bepalen van het boekhoudkundig resultaat.

De door de gemeente aan het Autonoom Gemeentebedrijf toegekende subsidies die rechtstreeks verband houden met de prijs behoren tot de maatstaf van heffing van de btw en worden dan ook gevoegd bij de ontvangsten van het autonoom gemeentebedrijf om te bepalen of de statutaire bepalingen inzake winstoogmerk en het doel winsten uit te keren al dan niet theoretisch zijn.

Van een rechtstreeks verband met de prijs is slechts sprake indien de subsidie specifiek aan het gesubsidieerde orgaan wordt betaald om een welbepaald goed te leveren of een welbepaalde dienst te verrichten. Dit verband tussen de subsidie en de prijs moet duidelijk blijken uit een onderzoek van de concrete omstandigheden die aan de basis van de betaling van de tegenprestatie liggen. Daarentegen is het niet nodig dat de prijs van het goed of de dienst, of een deel ervan, bepaald zou zijn. Het volstaat dat hij bepaalbaar is (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Office des produits wallons, zaak C-184/00, van 22.11.2001, punten 11-13).

Tot slot wordt de aandacht erop gevestigd dat prijssubsidies enkel voor de toekomst kunnen worden vastgesteld of aangepast en niet voor het verleden. Zo is het mogelijk om in de loop van het boekjaar het bedrag van de prijssubsidies aan te passen, maar dan enkel voor de toekomst en niet voor het verleden.

Om uit te maken of een Autonoom Gemeentebedrijf al dan niet moet aangemerkt worden als een instelling zonder winstoogmerk moet ook rekening gehouden worden met volgende elementen:

• Voor het bepalen van de winst moet rekening gehouden worden met het boekhoudkundig resultaat (met inbegrip van afschrijvingen, aanleggen van provisies …) en mag men niet louter vergelijken tussen het boek voor inkomende facturen enerzijds en het boek voor uitgaande facturen/dagboek voor ontvangsten anderzijds.

Er wordt opgemerkt dat indien bijvoorbeeld personeelsleden gratis door een gemeente ter beschikking van een autonoom gemeentebedrijf worden gesteld of indien een gemeente gratis handelingen verricht voor een autonoom gemeentebedrijf, respectievelijk de waarde van deze terbeschikkingstelling (potentiële personeelskost) dan wel de waarde van die gratis verrichte handelingen niet in aanmerking dient te worden genomen om voornoemd boekhoudkundig resultaat te bepalen. In casu zou het bepalen van een dergelijke fictieve kost aanleiding geven tot aanzienlijke bijkomende administratieve lasten in hoofde van het autonoom gemeentebedrijf en in hoofde van de administratie tevens praktische moeilijkheden inzake controleerbaarheid met zich kunnen meebrengen.

De administratie zal in de regel noch deze kosteloze terbeschikkingstelling van personeel noch het verrichten van dergelijke gratis handelingen door een gemeente voor een autonoom gemeentebedrijf aanmerken als misbruik in de zin van artikel 1, § 10, van het Btw-Wetboek.

• Het globale resultaat van de activiteit (dus niet activiteit per activiteit) van de instelling dient in aanmerking te worden genomen. Er wordt evenwel geen rekening gehouden met uitzonderlijke opbrengsten (bijvoorbeeld de inkomsten uit onroerende en financiële transacties). De winst/verlies-positie moet structureel zijn en onafhankelijk van toevallige gebeurtenissen langs inkomsten- of uitgavenzijde.

De uitzonderlijke economische omstandigheden ingevolge de maatregelen die zijn genomen ter bestrijding van COVID-19 (Coronavirus) dienen te worden aangemerkt als een dergelijke toevallige gebeurtenis (zie circulaire 2021/C/57 van 11.06.2021 betreffende de beoordeling van de al dan niet aanwezigheid van een winstoogmerk in hoofde van een autonoom gemeentebedrijf).

Dientengevolge heeft de minister beslist dat door de administratie, bij haar onderzoek of betreffende statutaire bepalingen niet louter theoretisch zijn in de zin van hetgeen voorafgaat, geen rekening zal worden gehouden met het operationeel resultaat met betrekking tot het boekjaar dat de periode 01.03.2020 tot en met 31.12.2020 omvat. Het voorgaande geldt mutatis mutandis wanneer betreffende periode van 01.03.2020 tot en met 31.12.2020 betrekking heeft op twee verschillende boekjaren. Bijgevolg zal de administratie, wanneer een boekjaar deze periode geheel of gedeeltelijk omvat, geen rekening houden met het gehele boekjaar.

Voor wat het kalenderjaar 2021 betreft, heeft de minister overigens beslist dat met de handelingen verricht tot en met 30.09.2021 evenmin rekening zal worden gehouden door de administratie. Met de handelingen verricht vanaf 01.10.2021 zal daarentegen door de administratie wel rekening worden gehouden. Bijgevolg, en in de mate dat een boekjaar betrekking heeft op een periode die doorloopt na 30.09.2021, zal door de administratie geen rekening worden gehouden met het operationeel resultaat met betrekking tot de periode tot en met 30.09.2021.

Zodoende zal, wanneer het boekjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december, bij de beoordeling van het al dan niet aanwezig zijn van een winstoogmerk in hoofde van het betrokken autonoom gemeentebedrijf, geen rekening worden gehouden met het boekjaar 2020 (01.01.2020 – 31.12.2020) en met de periode die loopt tot en met 30.09.2021 (01.01.2021-30.09.2021).

Wanneer het boekjaar, bijvoorbeeld, loopt van 1 juni tot en met 31 mei, zal er, evenzo, geen rekening worden gehouden met de boekjaren 2019-2020 (01.06.2019 – 31.05.2020), 2020-2021 (01.06.2020 – 31.05.2021) evenals met de periode die loopt tot en met 30.09.2021 (01.06.2021-30.09.2021).

Hetgeen voorafgaat geldt mutatis mutandis voor autonome provinciebedrijven.

Deze problematiek wordt uitvoerig besproken in ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 6, titel 3’ en in beslissing nr. E.T. 129.288 van 19.01.2016, die bijkomend wordt toegelicht door de heer Minister in zijn antwoord op mondelinge parlementaire vraag nr. 1.955 van de heer Volksvertegenwoordiger Luk Van Biesen van 06.12.2017.

[Top]

Aangehaalde teksten

8