Beslissing Btw nr. E.T.104.780 dd. 27.11.2003
Afwezigheid van winstoogmerk - begrippen
De handelingen beoogd in artikel 44, § 2, 3°, 6°, 7° en 11°, van het BTW-Wetboek kunnen enkel van de belasting worden vrijgesteld wanneer ze worden verricht door instellingen die geen winstoogmerk nastreven.
In dit verband heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 21 maart 2002, in de zaak C-174/00, Kennemer Golf & Country Club t. Staatssecretaris van Financiën gesteld dat " bij de kwalificatie van een instelling als 'instelling zonder winstoogmerk', het door de instelling nagestreefde doel in aanmerking moet worden genomen in dier voege dat zij, in tegenstelling tot een commerciële onderneming, niet tot doel mag hebben winst te maken ter verdeling van de leden".
Het Hof heeft daarenboven bepaald dat "aan de aanvankelijke kwalificatie van de instelling niet af doet dat zij vervolgens overschotten heeft, ook indien zij deze systematisch nastreeft of realiseert, mits deze overschotten niet als winst onder de leden worden verdeeld".
Rekening houdend met hetgeen voorafgaat en vermits de desbetreffende wettelijke bepalingen uitsluiten dat ze een stoffelijk voordeel aan hun leden of oprichters kunnen verschaffen, kunnen de instellingen onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, een internationale vereniging zonder winstoogmerk, een stichting van openbaar nut en een private stichting a priori de vrijstellingen genieten beoogd in artikel 44, § 2, 3°, 6°, 7° en 11°, van het BTW-Wetboek. Het is vanzelfsprekend dat de vrijstelling niet kan worden toegepast indien zou blijken dat ondanks alles een stoffelijk voordeel wordt toegekend aan de leden of oprichters.
Daarentegen kan een vennootschap met een sociaal oogmerk in principe niet worden beschouwd als een instelling zonder winstoogmerk omdat ze overeenkomstig artikel 661 van het Wetboek van Vennootschappen aan haar vennoten een beperkt rechtstreeks vermogensvoordeel mag uitkeren, zelfs indien dit toegekende voordeel niet hoger mag zijn dan de rentevoet vastgesteld door de Koning ter uitvoering van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie, toegepast op het werkelijk gestorte bedrag van de aandelen.
Een dergelijke vennootschap bevindt zich evenwel in het toepassingsgebied van bovengenoemde vrijstellingen bedoeld in artikel 44, § 2, 3°, 6°, 7° en 11°, indien al de overige voorwaarden voldaan zijn en de vennoten, overeenkomstig de statuten, afstand doen van elk rechtstreeks vermogensvoordeel en dus van elke verdeling van winst in hun voordeel en dit ook blijkt uit de feiten.