Werkingssfeer, levering van goederen, invoer, intracommunautaire verwerving van goederen · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 18 maart 2013

Zoeken

Werkingssfeer, levering van goederen, invoer, intracommunautaire verwerving van goederen

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-invoer-intracommunautaire-rechtbank-gent-2013-03-18-e48c

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
18 maart 2013

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

130 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 18.03.2013

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent - Zesde fiscale Kamer

Rolnummer 11/3516/A

In de zaak van :

BVBA H., met maatschappelijke zetel te …, … en met ondernemingsnummer …,

EISERES, voor wie optreedt mr. F. M., advocaat te …, …,

Tegen :

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Sint-Niklaas, met kantoren te Sint­Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2,

VERWEERDER, voor wie optreedt mevr. J. V. B. en mevr. K. V., beiden inspecteur bij een fiscaal bestuur,

Vonnist de rechtbank als volgt :

1. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden op de terechtzitting van 18 februari 2013 gehoord in hun middelen en conclusies, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.

Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift van 26 september 2011, de conclusies van partijen en hun stukkenbundels.

2. DE VORDERING

De vordering van eiseres strekt er achtereenvolgens toe :

- De beoordelingen van de Directie en Ontvanger BTW te herzien en de gehele kwijtschelding te bevelen van boete en interesten, zoals ingehouden en vereffend, ingevolge het proces-verbaal van 4 maart 2010;

- Verweerder te veroordelen tot het terugbetalen van alle ten onrechte geïnde bedragen, te verhogen met de moratoriuminteresten

- Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding aan het basisbedrag van … EUR.

3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL

Eiseres licht toe dat zij als BTW-plichtige op 31 maart 2008 een vaartuig had aangekocht bij de Nederlandse rederij F., met vermelding dat het schip moest worden geleverd in …. Het vaartuig was volgens eiseres bestemd voor de demonstratie van de door haar verkochte Boatsonic-toestellen, waarmee men de romp van vaartuigen algenvrij kan houden.

Deze "intra-communautaire verwerving" werd door eiseres aangegeven in vak 55 van haar BTW-aangifte in België, en tegelijk opnieuw in aftrek genomen in vak 59 van diezelfde aangifte.

Op 7 september 2009 werd door de fiscale administratie inzage genomen van de boekhouding van eiseres voor de periode van 1 januari 2006 tot 30 juni 2009.

Naar aanleiding van deze controle werd op 17 september 2009 een correctieopgave betreffende een deel van de vastgestelde inbreuken voor akkoord ondertekend.

Op 8 januari 2010 werd aan eiseres tevens een correctieopgave verzonden nopens de discussie over de aankoop van het jacht.

Eiseres verklaarde zich bij monde van haar raadsman bij brief van 19 februari 2010 akkoord met de vaststellingen uit deze laatste opgave, doch drong anderzijds aan op de kwijtschelding van de boete nu alles op een vergissing zou berusten. Voorts werd om de schorsing van de procedure gevraagd teneinde haar de kans te bieden alles recht te zetten.

Nu een akkoord niet mogelijk bleek, ging de administratie op 4 maart 2010 over tot de redactie van een proces-verbaal.

Op 31 maart 2010 diende eiseres de inventaris en aangifte van de intra­ communautaire transactie in bij de Spaanse administratie.

In een brief van 27 januari 2011 liet de administratie weten geen grond te zien tot kwijtschelding of vermindering van de boete.

De schuld, inclusief interesten, werd door eiseres voldaan op 14 april 2011.

Op 26 september 2011 diende eiseres vervolgens een tegensprekelijk verzoekschrift in ter griffie, waardoor het geschil aan de beoordeling van deze rechtbank werd voorgelegd.

4. BEOORDELING.

4.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid - toelaatbaarheid

4.1.1. Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vorderingen kunnen leiden.

De rechtbank is er evenwel toe gehouden de vordering ter zake ook ambtshalve te onderzoeken.

Nopens de interesten argumenteert eiseres dat verweerder "uiteraard" geen interesten kan vorderen, nu deze steeds bedoeld zijn ter compensatie van een derving van gelden, wat zich in dit geval evenwel niet zou hebben voorgedaan. Zelfs indien aan de voorwaarden voor het vorderen van interesten voldaan is, wijst eiseres er ondergeschikt op dat de administratie in bijzondere omstandigheden beschikt over de mogelijkheid om deze interesten kwijt te schelden.

De interesten zijn volgens verweerder daarentegen bedoeld om de schatkist schadeloos te stellen voor het nadeel dat werd berokkend door de laattijdige inning van de verschuldigde bijdragen, zoals hier het geval is. Nog volgens verweerder moet deze fiscale interest goed onderscheiden worden van de burgerlijke interest. Deze interest zou in geen geval het karakter hebben van een sanctie.

De bevoegde gewestelijke directeur zou weliswaar gemachtigd zijn om in bijzondere gevallen vrijstelling te verlenen voor de interesten of een deel ervan, doch eiseres zou daartoe nooit een met reden omkleed verzoek hebben ingediend.

4.1.2. Artikel 91, §1 W. BTW luidt als volgt :

"§ 1 Een interest van 0,8 pct. per maand is van rechtswege verschuldigd wanneer de belasting niet voldaan is;

1° binnen de termijn die ter uitvoering van de artikelen 52, 7 [53, § 1, eerste lid, 3°]7, 53ter, 2° en 53octies is gesteld;

2° binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 53nonies is gesteld;

3° binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 54 is gesteld, voor de belastingplichtigen bedoeld in artikel 8.

De interest wordt om de maand berekend over het totaal van de verschuldigde belasting, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van … euro. leder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend.

De interest van een maand wordt slechts gevorderd indien hij … EUR bereikt".

In bijzondere gevallen mag de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlener voor alle in artikel 91, §§ 1 en 2, bedoelde interesten of voor een deel ervan (artikel 84bis W.BTW).

Uit dit artikel 84bis WBTW volgt dat belastingplichtigen met andere woorden geen 'subjectief recht' hebben om een vrijstelling van nalatigheidsinteresten te bekomen. De mogelijkheid om een dergelijke vrijstelling te bekomen is een gunstmaatregel die behoort tot de exclusieve beoordelingsmacht van de gewestelijke directeur, zonder dat de rechtbank zich deze bevoegdheid kan toeëigenen.

De belastingplichtige mag de betwisting enkel voorleggen aan de gewone rechter om de directionele beslissing op dit punt te doen vernietigen indien hij oordeelt dat ze om juridisch onjuiste motieven werd getroffen of om redenen die wettelijk niet mochten in beschouwing genomen worden of nog met machtsoverschrijding. In dit geval blijkt echter niet dat dergelijke beslissing ooit is tussengekomen, nu eiseres niet betwist geen verzoek tot kwijtschelding aan de administratie te hebben voorgelegd (Antwerpen (6e k.) nr. 2004/AR/548, 29 november 2005 FJF 2006, afl. 7, 650 en http://www.monkey.be (1 september 2008).

Bovendien is het aanrekenen van nalatigheidsinteresten volgens de rechtbank een loutere regeling van 'schadeloosstelling', hetzij de vergoeding van de schade ontstaan door de laattijdige betaling van de aan de schatkist verschuldigde bijdragen. De nalatigheidsinteresten die inzake BTW worden aangerekend, hebben in die zin geen strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6.1 van het EVRM, waardoor zij buiten de volle rechtsmacht van de rechtbanken vallen (cf. Rb. Antwerpen 27 januari 2006 Fisc.Koer. 2006 (weergave), afl. 4, 417 en http://www.monkey.be (1 september 2008).

Voor zover de vordering strekt tot de kwijtschelding of vermindering van nalatigheidsinteresten dient deze dus om de bovenstaande redenen niet­ toelaatbaar te worden verklaard.

4.2. Met betrekking tot de grond van de zaak

4.2.1. Eiseres benadrukt dat de partijen het er inmiddels over eens zijn dat het BTW-bedrag dat oorspronkelijk ten onrechte, als gevolg van een oprechte vergissing van eiseres zelf, werd opgenomen in rooster 55 van de Belgische BTW-aangifte, niet langer verschuldigd is, gezien de regularisatie in ….

Bij wijze van "praktische" oplossing werd de vordering van de administratie, waarbij het recht op aftrek ten bedrage van … EUR werd verworpen, aangepast door het terug te geven bedrag over de intra-communautaire verwerving, eveneens … EUR, hierop toe te rekenen en dit met datum van 31 maart 2010.

Eiseres benadrukt dat zij ervan overtuigd was heffingsbevoegd te zijn in België. terwijl in deze de plaats van levering determinerend is. Indien het vaartuig met andere woorden voor België bestemd was geweest, dan zou de aangifte wat eiseres betreft volledig correct zijn geweest. In dat geval zou het recht op aftrek met andere woorden wél voorhanden zijn geweest, nu alle voorwaarden daartoe vervuld waren.

De administratie zou evenwel in de fout gaan met haar stelling dat de inmiddels totaal zinloos geworden aftrek van diezelfde … EUR in vak 59, ten onrechte was gebeurd en om die reden de boete, meer de interesten, behouden dient te blijven.

De administratie zou daarmee immers voorbijgaan aan het feit dat deze aftrek een onmiddellijk en logisch gevolg was van de spontane aangifte in België. Eiseres zou de gehele intra-communautaire verwerving immers hebben gedeclareerd op grond van artikel 25, ter, §1, 1°e lid W.BTW, daarmee de bepalingen van artikel 25quinquies W.BTW over het hoofd ziende. Indien de initiële vergissing niet had plaatsgevonden, dan was er wat eiseres betreft evident ook nooit een aftrek geweest.

Het blijven aanrekenen van een boete en interesten wordt in de geschetste omstandigheden door eiseres ervaren als onbillijk, ongewettigd en disproportioneel.

Er was wat eiseres betreft helemaal geen reden om beroep te doen op de vangnetbepaling van artikel 25quinquies, §3, 1 e lid W. BTW omdat de belastingplichtige zelf in zijn aangifte de verwerving in eerste instantie (ten onrechte zo bleek achteraf) in België had gesitueerd.

Het arrest van het Hof van Justitie, waar verweerder zijn standpunt op baseert, betreft volgens eiseres een andere feitelijke context. In dit geval deed de belastingplichtige immers zelf spontaan aangifte en is het steeds duidelijk geweest waar de goederen waren terecht gekomen.

Volledigheidshalve signaleert eiseres dat door de administratie nooit betwisting werd gevoerd over de bestemming van het goed en de doelstelling ervan binnen de BTW-activiteit van eiseres.

Wat eiseres betreft, moet de BTW voor de belastingplichtige een neutrale operatie zijn. De administratie zelf zou op geen enkel ogenblik enig verlies hebben geleden. Eiseres zelf zou daarbij ten allen tijde te goeder trouw hebben gehandeld.

Deze rechtbank zou over de volle rechtsmacht beschikken om de opgelegde boete te beoordelen, zowel naar opportuniteit als naar billijkheid. Een kennelijk onredelijk beleidsoordeel is in de visie van eiseres een illegaliteit, die door deze rechtbank gesanctioneerd kan worden. Niets zou aldus beletten bij het appreciëren van de boete zogenaamde verzachtende omstandigheden in overweging te nemen.

4.2.2. Verweerder stelt hier tegenover dat overeenkomstig artikel 25quinquies, § 3, eerste lid en § 5 W.BTW de aankoop van het jacht door eiseres als een intra­communautaire verwerving in België werd beschouwd. Door de opgave van haar Belgisch BTW-nummer in het BTW-identificatierooster bij de Nederlandse leverancier, diende zij deze BTW op te nemen in rooster 55 van haar BTW­ aangifte, aldus verweerder.

Eiseres zou door deze handelwijze met andere woorden zelf toepassing hebben gemaakt van het wettelijk vermoeden.

Uit artikel 45, § 1 W.BTW volgt volgens verweerder dat de BTW, die opeisbaar wordt op grond van artikel 25quinquies, § 3, eerste lid en § 5 W.BTW niet aftrekbaar is. De heffing van deze BTW vloeit immers niet voort uit een werkelijke intra-communautaire verwerving maar uit de toepassing van een wettelijk vermoeden, waartegen enkel het tegenbewijs het mogelijk maakt om de maatstaf van heffing te verminderen op grond van artikel 25quinquies, § 3, tweede lid W.BTW. Indien eiseres slaagt in het bewijs dat de BTW geheven is in de lidstaat van aankomst (…), dan laat, aldus verweerder, artikel 25quinquies, § 3, tweede lid W.BTW en artikel 77, § 1, 1° W.BTW wel toe de in België betaalde BTW terug te vorderen. Daarbij zou men geenszins en op geen enkel moment aanspraak kunnen maken op de aftrek van het recht van voorbelasting.

In deze omstandigheden is het wat verweerder betreft ook irrelevant om na te gaan of het vaartuig geheel of gedeeltelijk dienstig was voor de BTW-activiteit van eiseres.

De opname in post 55 was met andere woorden wél correct, doch niet de opname van het recht op aftrek in post 59. Het betrof met andere woorden geenszins een nuloperatie, zo stelt verweerder.

De toetsingsbevoegdheid van de opgelegde boete is wat verweerder betreft niet onbeperkt. Met de goede trouw van eiseres zou reeds afdoende rekening zijn gehouden door de omvang van de boete te bepalen op 10 %.

4.2.3. Aan de belasting zijn onderworpen, wanneer ze in België plaatsvinden, de intracommunautaire verwervingen van goederen onder bezwarende titel door een belastingplichtige die als zodanig optreedt, of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon, wanneer de verkoper een belastingplichtige is die als zodanig optreedt, op wie de vrijstelling van de belasting ten aanzien van de door hem verrichte leveringen van goederen niet toepasselijk is en die niet onder het bepaalde van de artikelen 14, § 3, 14bis en 15, § 1, valt (artikel 25ter, § 1, eerste lid W. BTW - eigen markering van de rechtbank).

De relevante bepalingen van het artikel 25quinquies W.BTW luiden als volgt :

"§ 1 Een intracommunautaire verwerving van goederen vindt in België plaats als de overeenkomstig de §§ 2 tot 4 aangemerkte plaats zich in België bevindt.

§ 2 Als plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen wordt aangemerkt de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer.

§ 3 Onverminderd het bepaalde in § 2 wordt de plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen als bedoeld in artikel 25ter, § 1, evenwel geacht zich te bevinden op het grondgebied van de Lid-Staat die het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht, voor zover de afnemer niet aantoont dat de belasting op deze verwerving is geheven overeenkomstig § 2.

Indien echter op de verwerving op grond van § 2 belasting wordt geheven in de Lid-Staat van aankomst van de verzending of van het vervoer van de goederen, nadat de belasting erop is geheven op grond van het eerste lid, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd in de Lid-Staat die het BTW­identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht.

(...)".

Eiseres stelt in essentie dat ze zich vergist heeft door de intra-communautaire verwerving in België te voorzien.

In het hele relaas van eiseres wordt evenwel ten onrechte voorbijgegaan aan de duidelijke bepalingen van de wet zelf, die in artikel 25quinquies, § 3, eerste lid W.BTW voorzien dat, zodra de koper een BTW-nummer opgeeft van een andere lidstaat, de plaats van intra-communautaire verwerving geacht wordt zich te bevinden op het grondgebied van deze staat.

Eiseres ontkent niet dat zij de intra-communautaire verwerving in vak 55 van haar aangifte heeft opgenomen en haar eigen Belgisch BTW-nummer had opgegeven aan de Nederlandse leverancier. Deze omstandigheden volstaan ruimschoots opdat de zogenaamde vangnetbepaling ten volle uitwerking verkrijgt.

Indien achteraf blijkt dat de goederen toch in een andere lidstaat terecht zijn gekomen, wat hier manifest het geval was, dan biedt enkel artikel 25quinquies, § 3, tweede lid W.BTW soelaas. Zodra de afnemer bewijst dat de goederen in deze andere lidstaat zijn toegekomen en dat de verwerving ervan de BTW­heffing heeft ondergaan (quod in casu), dan moet deze lidstaat de teruggaaf ervan toestaan of aan de BTW-heffing verzaken.

Het onvermijdelijke gevolg is in dat geval dat deze BTW niet zomaar aftrekbaar is, gelet op het gegeven dat het gaat om een "vangnetbepaling" (d. Antwerpen 10 mei 2011 TFR 2011 (samenvatting), afl. 408, 789 en http://tfrnet.larcier.be (4 november 2011); S. VASTMANS, Belasting over de toegevoegde waarde, in Tiberghien. Handboek fiscaal recht, blz. 1268, nr. 5443).

De belastingplichtige kan de werking van deze bepalingen niet omzeilen of buiten spel zetten door de bewering van men geen toepassing van deze vangnetbepaling beoogde, omdat men oprecht meende dat de verwerving in België te situeren was. De werking van deze vangnetbepaling hangt niet af van de subjectieve intenties van de belastingplichtige. Zodra de bij wet bepaalde voorwaarden verenigd zijn, krijgt deze bepaling ten volle uitwerking, ongeacht wat de belastingplichtige nu al dan niet voor ogen had. Er anders over oordelen zou deze bepaling uithollen tot een lege doos, hetgeen ten allen prijze vermeden moet worden nu zij precies tot doel heeft te voorkomen dat de intra­communautaire verwerving niet wordt aangegeven in het land van aankomst van de goederen.

In die zin heeft de administratie het bij het rechte eind waar zij stelt dat de BTW, die opeisbaar wordt op grond van artikel 25quinquies, § 3, eerste lid en § 5 W.BTW op geen enkel ogenblik aftrekbaar is geweest, zodat de opgave in vak 55 gezien de automatische werking van de vangnetbepaling wél correct was, doch niet de overeenstemmende aftrek in vak 59 van de aangifte.

Rest aldus nog de vraag of de opgelegde boete in deze omstandigheden gehandhaafd moet blijven.

4.2.4. De artikelen 70, § 1 en § 1 bis W.BTW luiden als volgt :

"§1

Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Die geldboete is verschuldigd individueel door ieder die krachtens de artikelen 51 §§ 1, 2 en 4, 51bis, 52, 53, 53ter, 53nonies, 54, 55 en 58 of krachtens de ter uitvoering ervan genomen besluiten, gehouden is tot voldoening van de belasting.

§ 1bis

leder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, verbeurt een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van § 1, eerste lid'”.

Artikel 84, derde lid W.BTW voorziet dat het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald worden volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt een schaal van vermindering, die rekening houdt met het karakter van de begane onregelmatigheid, zoals onder meer die ten gevolge van de onwetendheid, de vergissing of de onzorgvuldigheid.

De tabellen tot vermindering van deze boeten vastgelegd bij KB nr. 41 in uitvoering van artikel 84 W.BTW, zijn uitsluitend van toepassing wanneer de inbreuk niet begaan werd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Bij toepassing van artikel 1 van het KB nr. 41 werd de boete verschuldigd in toepassing van artikel 70, § 1bis in dit concrete geval reeds verminderd tot 10 % van de nog verschuldigde belasting.

4.2.5. Teneinde na te gaan of de opgelegde boete in wezen een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en 14 BUPO-verdrag, dient toepassing te worden gemaakt van de criteria, aangereikt door de rechtspraak van het Hof van Cassatie (cf. Cass. (2e k.) AR. P.99.0517.N, 25 mei 1999 (Laroy), Arr. Cass. 1999, 719).

Bijgevolg dient de rechtbank te onderzoeken of de boete :

1. zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft;

2. een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt;

3. niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen;

4. stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tezelfdertijd preventief en repressief is.

5. zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan.

Indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, moet de administratieve sanctie inzake belasting bijgevolg als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen worden beschouwd.

Na afweging van al deze elementen komt de rechtbank tot het besluit dat de administratieve sanctie van … EUR in dit geval inderdaad strafrechtelijk van aard is. Deze boete is tegelijk gericht op het bestraffen van eiseres voor de gepleegde inbreuk en het ertoe aanzetten van eiseres om in de toekomst een correcte aangifte in te dienen. Bovendien is het bedrag van de boete ook vanuit pecuniair oogpunt als een zwaarwichtige sanctie te beschouwen.

Deze administratieve boete kan worden aangevochten bij een rechter die oordeelt met volle rechtsmacht. De rechter aan wie een administratieve sanctie met strafkarakter wordt voorgelegd, moet zich immers buigen over de vraag of deze boete in rechte en in feite verantwoord is en of zij strookt met alle relevante wettelijke bepalingen en algemene beginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Toetsing van dit laatste aspect vereist een onderzoek van de vraag of de straf zich evenwichtig verhoudt tot de inbreuk en of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een boete van dergelijke omvang. Deze evenredigheidstoets vereist van de rechtbank een onderzoek naar alle concrete omstandigheden van de zaak.

De rechter mag hierbij acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Ook de mate waarin het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, maakt deel uit van de beoordeling. Niets van wat onder de beoordeling van de fiscale administratie valt, mag bijgevolg aan de controle van de rechtbank ontsnappen (Grondwettelijk Hof 24 februari 1999, 8.5. 30 april 1999; Cass. 24 januari 2002, F.J.F. nr. 2003/30).

Het behoort onder meer tot de bevoegdheid van de fiscale administratie om boeten kwijt te schelden of te verminderen (art. 9 Organiek besluit 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, Bull. Off. Nr. XXVI). Deze bevoegdheid is ook na de hervorming van de fiscale procedure in 1999 geheel intact gebleven.

In dit verband heeft het Grondwettelijk Hof terecht geoordeeld dat de rechter ook een toezicht met volle rechtsmacht kan uitoefenen op de beslissing van de minister van Financiën of diens gedelegeerde tot weigering van de kwijtschelding of vermindering van de ten aanzien van de belastingschuldige uitgesproken geldboete (Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, nr. 2008/79).

De rechtbank meent dat er in dit geval objectieve omstandigheden zijn die een verdere vermindering van de boete verantwoorden. De begane overtreding staat weliswaar ten genoege van recht vast, doch anderzijds blijkt dat eiseres ten volle haar medewerking heeft verleend en tot regularisatie is overgegaan zodra de implicaties van de werking van de vangnetbepaling uit artikel 25quinquies, §3 W.BTW haar werden toegelicht. Aan de zijde van verweerder wordt ten andere terecht niet betwist dat de BTW in … integraal werd voldaan en de Belgische schatkist door de inbreuk geen daadwerkelijke schade werd toegebracht. De administratie heeft er zelf mee ingestemd de voor teruggave vatbare BTW toe te rekenen op het overeenstemmende bedrag van de verworpen aftrek.

De opgelegde boete is in de geschetste omstandigheden kennelijk onevenredig met de inbreuk, die moet worden omschreven als de eenmalige en toevallige misstap van een belastingplichtige die steeds te goeder trouw heeft gehandeld en nooit de intentie heeft gekoesterd om aan de BTW-heffing te ontkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank volstaat het bij huidig vonnis herleide bedrag van … EUR ruimschoots om de beoogde bestraffing en het bijbehorend ontradend effect te bewerkstelligen.

- Voor wat de kosten betreft.

4.2.6. Wanneer de partijen wederzijds lastens elkaar in het ongelijk werden gesteld kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

De vordering is in dit geval in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de betwiste boete en de interesten, in de schijf van 40.000,01 tot 60.000,00 EUR. Het toepasselijke basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt bijgevolg … EUR (geïndexeerd).

Verweerder kan geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding, nu hij in persoon is verschenen, bij monde van de eigen administratie.

Rekening houdend met de mate waarin de vordering van eiseres werd ingewilligd, wordt de haar verschuldigde rechtsplegingsvergoeding herleid tot het toepasselijke minimumbedrag van … EUR.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiseres ontoelaatbaar in de mate dat zij strekt tot de kwijtschelding van interesten.

Verklaart de vordering voor het overige toelaatbaar, ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Beveelt dienvolgens de herleiding van de aan eiseres opgelegde boete, zoals bepaald bij proces-verbaal van 4 maart 2010, tot de som van … EUR.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt :

- aan de zijde van eiseres: de herleide rechtsplegingsvergoeding : … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op achttien maart tweeduizend en dertien, waar aanwezig waren :

- mevrouw A. D. C., rechter, voorzitter van deze kamer,

- mevrouw G. L., griffier.

G. L. A. D. C.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 41 art. 11 voorkomen
WBTW art. 84bis1 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8