Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 07.01.2020
[ Gunstig arrest ]
BTW – Oprichting gebouw – Gedeeltelijk voor economische activiteit – BTW-medecontractant
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 07.01.2020
2014/AF/139
X., ON …, RRN …, wonende te …,
appellant,
vertegenwoordigd door Mr. Z.G., advocaat te …,
tegen
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit en Algemene administratie van de inning en invordering, in de persoon van de minister van Financier), wiens kantoren zijn gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van de BTW te Halle, met kantoren te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr. H.J., advocaat te …,
Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit.
Gelet op de processtukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 3 januari 2014, waarvan geen betekeningsakte voorligt, en waartegen hoger beroep werd aangetekend door appellant bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 28 mei 2014.
Gezien
— de besluiten van appellant neergelegd ter griffie op 16 februari 2015 en van geïntimeerde
neergelegd ter griffie op 20 oktober 2014 en 7 oktober 2015;
— de stukken van appellant neergelegd ter griffie op 12 november 2019 en deze van
geïntimeerde neergelegd ter griffie op 2 september 2019.
Procedure
Appellant is sinds 1 mei 1995 als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE •••• ••• ••• met als activiteit het goederenvervoer over de weg.
Bij fiscaal verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 13 juni 2012 tekende appellant verzet aan tegen het dwangbevel inzake BTW, uitgevaardigd door de Inspecteur Fisc. Bestuur L.R. te Halle op 25 april 2012, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door Mevr. D.D., eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur te Halle op 26 april 2012, aan appellant bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend op 8 mei 2012 met in bijlage een proces-verbaal inzake BTW lastens appellant opgesteld op 12 augustus 2009, waarin de volgende bedragen gevorderd worden van appellant :
— € 5.580,00 aan proportionele geldboeten krachtens artikel 70 § 1-3, § 5 en artikel 71 WBTW;
— intresten krachtens artikel 91 § 1 WBTW ten bedrage van, na eerdere betalingen,
aanwendingen en toerekeningen van tot dan € 5.274,48, € 10.089,52 nog te betalen,
hetzij van in totaal nog € 15.669,52 en
— betekeningskosten voor € 12,38 en € 165,71.
Hij vorderde daarin zijn verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren, te zeggen voor recht dat de Belgische Staat geen boetes en nalatigheidsintresten kon opleggen en dat geen BTW verschuldigd was, een lastens appellant opgesteld proces-verbaal inzake BTW van 12 augustus 2009 nietig en zonder uitwerking te verklaren en bijgevolg ook het hoger vernoemde dwangbevel inzake BTW, de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan appellant van alle geinde BTW, de nalatigheidsintresten en de boetes die erop betrekking hebben. Hij vorderde tevens de kwijtschelding van de hem opgelegde boetes en nalatigheidsintresten. Hij vorderde de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
Het bestreden vonnis verklaarde de vordering van appellant ontvankelijk doch ongegrond. Appellant werd veroordeeld tot de kosten van het geding.
Het hoger beroep is gericht tegen dit vonnis.
Feiten en voorgaanden
Appellant is actief als BTW-plichtige in het goederenvervoer over de weg. Hij liet in de loop van 2006 een nieuw onroerend goed bouwen waarvan een deel, meer bepaald 25 %, bestemd was voor zijn beroepsactiviteit.
Ter gelegenheid van de bouw van dat onroerend goed ontving appellant een aantal facturen volgens het BTW-stelsel van de "BTW-medecontractant" (artikel 20 K.B. BTW nr. 1), in hoofdzaak afkomstig van de W.V., als BTW-plichtige gekend onder BTW-nr BE ... Tegelijk ontving hij ook facturen van verschillende dienstverstrekkers met toepassing van de Belgische BTW.
Op 27 mei 2009 voerde de BTW-administratie een BTW-controle uit bij de boekhouder van appellant, over de BTW-activiteiten van appellant voor de jaren 2006 en 2007.
Het proces-verbaal inzake BTW van 12 augustus 2009 meent dat door appellant de verschuldigde BTW op de aan hem door de bewuste medecontractanten uitgereikte facturen (voor handelingen verricht omschreven in artikel 20 § 2 van KB BTW nr. 1 van 29 december 1992, zijnde zogenaamde handelingen voor werk in onroerend staat en daarmee gelijkgestelde handelingen, waarbij de BTW voldaan zou moeten worden door, in casu, appellant), had moeten opnemen in vak 56 van de BTW-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de BTW verschuldigd is geworden. Volgens dat proces-verbaal kon het krachtens artikel 3, § 1 en 3 K.B. BTW nr. 3 van 10 december 1969 bedoelde recht op aftrek (cfr. art. 45 WBTW) en de daarop betrekking hebbende som aan BTW, indien hij met betrekking tot die in artikel 20 § 2 K.B. BTW nr. 1 bedoelde handelingen in het bezit is van een regelmatige factuur en hij de BTW verschuldigd terzake van die handelingen heeft voldaan op de manier bedoeld in artikel 30 § 4 KB BTW, worden gecompenseerd met verschuldigde BTW.
Voor een reeks handelingen betreffende die werken in onroerende staat waarin aan appellant gefactureerd werd overeenkomstig het voornoemde systeem waarin de BTW verschuldigd is door de "medecontractant", werd blijkbaar door appellant de verschuldigde BTW niet (tijdig) opgenomen in dat vak 56 van de BTW-aangifte, terwijl het bewuste bedrag wel werd opgenomen in vak 59 van die aangifte als "aftrekbaar", of werd de BTW noch betaald, noch afgetrokken.
Aldus houdt het bewuste proces-verbaal vol dat de we! in aftrek gebrachte BTW bedoeld in vak 59 van die aangifte aan de Belgische Staat moet worden terug gestort, terwijl de niet in vak 56 opgenomen en niet betaald BTW aan de Belgische Staat moet worden betaald, waarbij het proces-verbaal dus wel de compensatie toestaat voor zover de bewuste BTW aftrekbaar is, zodat in die mate, de bewuste BTW niet betaald hoeft te worden.
Het gaat in concreto om de BTW over 11 facturen aan appellant gericht tussen 19 april 2006 en 6 december 2006, opgenomen in het proces-verbaal. Het proces-verbaal vermeldt dat het gaat om bedragen die uiteindelijk wel zijn opgenomen door appellant in de BTW-aangifte, maar dan voor die ingediend voor het tweede kwartaal van 2009, op 18 juli 2009 (en dus laattijdig).
Het proces-verbaal meent aldus dat intresten verschuldigd zijn over de niet oorspronkelijk in het juiste aangiftetijdvak als verschuldigd aangegeven BTW en dat de boete verschuldigd is zoals ook opgenomen in het dwangbevel, zijnde deze bepaald overeenkomstig artikel 70, § ibis van het WBTW, verminderd overeenkomstig tabel G van het KB BTW nr 41 van 30 januari 1987 tot € 11.160,00.
Op 30 september 2009 deed appellant een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde boete en gevorderde nalatigheidsintresten bij de gewestelijk directeur van de BTW te Mechelen. Deze besliste daarover bij beslissing van 28 maart 2012. Een vermindering van de opgelegde geldboete tot € 5.580,00, onder de opschortende voorwaarde als vermeld in de beslissing, werd toegestaan. Hierna werd het bestreden dwangbevel uitgevaardigd, met het verzet van appellant tot gevolg.
Het bestreden vonnis beoordeelde de opgelegde BTW-geldboete als proportioneel met de begane inbreuk en wees de vorderingen van appellant of als ongegrond.
Het hoger beroep is gericht tegen dit vonnis.
In rechte
Standpunt van partijen
Standpunt van appellant
In hoger beroep vordert appellant dat zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard. Hij herneemt zijn vordering zoals gesteld in eerste aanleg. Hij vordert dat de Belgische Staat zou worden veroordeeld tot de kosten van het geding van beide aanleggen.
Hij vordert daartoe de volgende middelen aan :
— een onregelmatige bevoegdheidsdelegatie aan de ambtenaar die het dwangbevel viseerde en uitvoerde (hetgeen het hof begrijpt als het uitvoerbaar verklaren van het dwangbevel);
— de Belgische Staat heeft niet het recht over de oorspronkelijk niet als verschuldigd aangegeven BTW nalatigheidsintresten en boetes te berekenen, aangezien er wegens de compensatie die in het proces-verbaal wordt toegestaan, geen BTW verschuldigd was;
— de overtreding van het beginsel van de fiscale neutraliteit waardoor de ondernemer volledig ontlast wordt van zowel verschuldigde als betaalde BTW; aldus verzet dat beginsel er zich tegen dat een sanctie wordt opgelegd door het weigeren van de aftrek bij een te late betaling van BTW en laat het een betaling van vertragingsrente toe op voorwaarde van deze sanctie in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel;
— het opleggen van een boete en betaling van rente schendt dat beginsel van de fiscale neutraliteit van het BTW-stelsel;
— in ondergeschikte orde verzoekt appellant wegens het strafrechtelijk karakter van de opgelegde geldboeten om vermindering ervan; vermits door de compensatie met aftrekbare BTW, geen BTW uiteindelijk door appellant verschuldigd bleek, is het opleggen van een BTW-boete onterecht gebeurd; dat geldt ook voor de nalatigheidsintresten.
Standpunt van de Belgische Staat
De Belgische Staat vordert het hoger beroep ontvankelijk te verklaren doch ongegrond en het bestreden vonnis te bevestigen. Hij vordert appellant te veroordelen tot de kosten van het geding in hoger beroep.
Hij voert daartoe de volgende middelen aan :
— de delegatie tot het uitvaardigen, viseren en uitvoerbaar verklaren van dwangbevelen zoals het hier bedoelde, wordt bewezen door voorlegging van de machtiging van 3 april 2009 opgemaakt door de Heer G. M., gewestelijk directeur a.i. van de Gewestelijke Directie der BTW te Mechelen tot aanwijzing van de ambtenaren belast met het viseren en het uitvoerbaar verklaren van dwangbevelen, meer bepaald als stuk 10 van de Belgische Staat;
— daaruit blijkt dat de eerstaanwezend inspecteurs verbonden aan de diensten die ressorteren onder de Gewestelijke Directie van de BTW te Mechelen, zoals Mevr. Dekens, die het dwangbevel viseerde en uitvoerbaar verklaarde, op grond van die machtiging daartoe bevoegd was;
— hoewel de verlegging van de heffing van BTW door de dienstverrichters aan appellant terecht werd toegepast, is bewezen dat appellant zelf naliet de verschuldigde BTW te voldoen door een correcte (en tijdige) opname ervan in het vak 56 van de telkens bedoelde periodieke BTW-aangifte (art. 20 KB BTW nr. 1);
— appellant diende immers ook de maatstaf van heffing in de aangifte op te nemen;
— op het moment van de al genoemde BTW-controle was dat geenszins door hem gedaan en pas daarna, te weten op 18 juli 2009, in de BTW-aangifte voor het tweede kwartaal van 2009, nam hij de verschuldigde BTW op die facturen "medecontractant" op;
— de inbreuk is derhalve bewezen en de opgelegde BTW-boete werd, zoals blijkt uit de feiten, al in zeer belangrijke mate verminderd;
— de geldboete is dus regelmatig opgelegd;
— de nalatigheidsintresten over de oorspronkelijk verschuldigde maar niet aangegeven BTW zijn krachtens de wet verschuldigd (art. 91 § 1 WBTW, te weten aan een rentevoet van 0,8 % per maand vertraging in de respectieve uit te voeren betaling); de intrest maakt een vergoeding uit voor de laattijdige aangifte van een in beginsel onafgedane schuld; een verzoekschrift aan de terzake bevoegde gewestelijke directeur der BTW te Mechelen (cfr. artikel 84bis WBTW) om deze intresten te verminderen, werd door deze op grond van zijn discretionaire bevoegdheid geweigerd.
Beoordeling
De bevoegdheidsdelegatie voor het dwangbevel
De Belgische Staat bewijst de bevoegdheidsdelegatie voor het viseren en uitvoerbaar verklaren van het hoger bedoelde dwangbevel door zijn stuk 10, zijnde de aanwijzing van de ambtenaren belast met het viseren en uitvoerbaar verklaren van dwangbevelen van 3 april 2009, gegeven op 3 april 2009 door de Heer G.M., gewestelijk directeur ad interim van de Gewestelijke Directie BTW te Mechelen, waaruit blijkt dat Mevrouw Dina Dekkers, eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, behoort tot de groep van ambtenaren aan wie de delegatie wordt gegeven.
Er bestaat dus geen aanleiding om bij beweerd gebrek aan dergelijke delegatie, het bestreden dwangbevel nietig te verklaren.
De verschuldigdheid van intresten op de oorspronkelijk niet als verschuldigd aangegeven BTW
Appellant voert aan dat hij wegens de compensatie tussen de aftrekbare BTW en de verschuldigde BTW in de kwestieuze BTW-aangiftes, geviseerd in het proces-verbaal inzake BTW van 12 augustus 2009, geen intresten op de oorspronkelijke niet aangegeven verschuldigde BTW (na ontvangst door hem van de hoger bedoelde facturen in het hoger beschreven systeem "BTW-medecontractant"), deels geen BTW verschuldigd was en dus daarom geen intresten zoals bedoeld in het dwangbevel op de oorspronkelijk niet aangegeven verschuldigde BTW verschuldigd zou zijn.
‘t Hof kan appellant daarin niet volgen. De bedoelde compensatie, aanvaard door de Belgische Staat, doet, uiteindelijk, de hoofdschuld teniet gaan, doch appellant verliest uit het oog dat hij in de daaraan voorafgaande periode, tot aan zijn aangifte op 18 juli 2009, de verschuldigde BTW op deze facturen niet aan gaf. Zijn aangifte, uiteindelijk, kan ook niet "spontaan" genoemd worden, vermits zij volgde op de hoger bedoelde controle inzake BTW.
In de periode daarvoor, is appellant blijven beschikken over de sommen vertegenwoordigd door die oorspronkelijk niet aangegeven en toch verschuldigde BTW, terwijl hij ook "beschikte" over de sommen vertegenwoordigd door de door hem wel aangegeven aftrekbare BTW, en dus vergoed kan zijn geweest middels eventuele intresten hem daarop in voorkomend geval betaald of verschuldigd.
Dat de BTW-administratie thans door toepassing van artikel 91 § 1 WBTW middels de wettelijk verschuldigde intresten, vergoed wil worden voor het feit dat tot aan zijn aangifte van de verschuldigde BTW op de oorspronkelijk aldus niet aangegeven facturen, is derhalve wettelijk, en betekent geenszins dat een "dubbele" vergoeding hem onterecht zou toekomen. Dat de compensatie thans en in het proces-verbaal tussen oorspronkelijk verschuldigde sommen en aftrekbare sommen aan BTW door de BTW-administratie nog aanvaard wordt, betekent immers geenszins dat kan worden besloten dat appellant niet door afwezigheid van die aangifte van verschuldigde BTW op de facturen "BTW-medecontractant", niet wederrechtelijk over de sommen aan verschuldigde BTW, tot de aangifte ervan door hemzelf op 18 juli 2009 heeft beschikt.
De intrestvergoeding krachtens artikel 91 § 1 WBTW wordt dus niet wederrechtelijk gevorderd en is regelmatig.
Het beginsel van de fiscale neutraliteit
Appellant meent dat het dwangbevel en de gevorderde intresten en boeten het zogenaamde "beginsel van de fiscale neutraliteit" als gewaarborgd in het WBTW schenden doordat de gevorderde intresten en boeten de volstrekt neutrale fiscale behandeling van zijn economische activiteit zou verhinderen. Hij meent dat het evenredigheidsbeginsel geschonden is (cfr. EMS Bulgaria Transport EHJ 12 juli 2012, zaak C-284/11). De aangehaalde rechtspraak heeft betrekking op een weigering van het recht op aftrek van voorbelasting als sanctie, wat in dit geval niet is gebeurd. Een recht op aftrek van BTW-voorbelasting is aan appellant in het geheel niet geweigerd.
Doordat • de Belgische Staat de rente vordert over de oorspronkelijk door appellant niet aangegeven, en door de Belgische Staat gevorderde BTW, wordt het door appellant ingeroepen evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de fiscale neutraliteit niet geschonden.
Appellant kreeg door zijn wijze van aangeven, waarbij hij de aangifte van verschuldigde BTW eerst achterwege liet, de beschikking over gelden en sommen bestaande in de aangegeven aftrekbare BTW en over de gelden bestaande in de BTW verschuldigd voor aan hem gerichte facturen in het BTW-systeem "BTW medecontractant". Dat nu nadien rente over die laatste sommen is gevorderd, is niet onevenredig met het nagestreefde doel, te weten de Belgische Staat en schatkist tijdig te doen beschikken over al beschikbare belastingen om staatsuitgaven te doen, terwijl appellant wel al die tijd beschikte over de sommen bestaande uit de in aftrek gebrachte BTW.
Het betalen van rente over oorspronkelijk niet betaalde doch verschuldigde BTW is bovendien geen strafrechtelijke sanctie, maar houdt een vergoeding in voor de vertraging in het voldoen van BTW. Tegen de wettelijke regels die deze verschuldigdheid van intresten regelen in, kan het hof van betaling van die rente ook geen "vrijstelling" geven. Bovendien werd een verzoek gedaan aan de Gewestelijke Directeur van de BTW te Mechelen om kwijtschelding te krijgen van deze intresten (artikel 84bis WBTW) blijkbaar al afgewezen. De vordering tot betaling van intresten blijkt ook na nazicht ervan door het hof, na nazicht van de berekening ervan per kwartaal en van alle voorgelegde stukken en gegevens, niet onwettig of onevenredig.
De omvang van de opgelegde BTW-boete
Appellant voert aan dat in het thans voorliggende geval ten onrechte geldboeten werden opgelegd aan 10 % van de verschuldigde B.T.W. en verzoekt om kwijtschelding van deze boeten.
Er kan met voile rechtsmacht geoordeeld worden over de proportionaliteit van de opgelegde administratieve boete, zonder dat om redenen van louter billijkheid, overgegaan zou kunnen worden tot het kwijtschelden ervan.
De eigenlijke materiele overtreding begaan door appellant terzake van het gegeven dat oorspronkelijk geen aangifte werd gedaan van verschuldigdheid van het geheel der B.T.W. op de facturen "medecontractant", staat echter vast.
Zo heeft de verplichting tot aangifte van de B.T.W. op facturen van een medecontractant, zelfs bij het bestaan van een recht op aftrek voor een omvangrijk bedrag aan B.T.W. erop aangerekend, niet alleen de invordering van verschuldigde B.T.W., in voorkomend geval, tot doel, doch ook de noodzaak van vrijwaring van controleerbaarheid van gedane aangiften door bekendmaking aan de administratie van dergelijke verrichtingen.
In die omstandigheden, en gelet op de aard en de ernst der feiten als weergegeven in het proces-verbaal van 12 augustus 2009 en gelet op de noodzaak tot oplegging van een geldboete in evenredigheid met de door appellant begane overtreding, komt een administratieve boete berekend, in beginsel, aan 10 % van het uiteindelijk verschuldigd bedrag aan B.T.W., voor als aangepast aan de ernst van de inbreuken en aan de omstandigheden waarin zij door appellant zijn gepleegd. Het gaat bovendien al om een geldboete verminderd overeenkomstig het voorschrift van tabel G van het KB BTW nr. 41 van 30 januari 1987.
Er is dus geen noodzaak om over te gaan tot een verdere vermindering van deze opgelegde geldboete. Dat uiteindelijk de aftrekbare BTW de verschuldigde BTW overtrof, is geen reden om deze nog verder te verminderen, temeer daar appellant pas tot de aangifte van de verschuldigde BTW overging na een BTW-controle.
Het bestreden vonnis kan dus worden bevestigd.
Aangaande de kosten van het geding
Gezien het voorgaande moet appellant veroordeeld worden tot de kosten van het geding in hoger beroep, begroot op een geïndexeerd rechtsplegingsvergoeding van € 1.320,00 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep, terwijl de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg wordt bepaald op € 0,00 aangezien geïntimeerde werd verdedigd door een van zijn ambtenaren.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond,
Bevestigt het bestreden vonnis, behoudens de wijziging dat de kosten van het geding in eerste aanleg aan de zijde van de Belgische Staat bepaald worden op € 0,00 gezien hij verdedigd werd door een van zijn ambtenaren,
Veroordeelt appellant tot de kosten van het geding in hoger beroep, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van € 1.320,00.
Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 7 JANUARI 2020
waar aanwezig waren :
C. V., raadsheer
J. V., griffier
De gegevens van een partij die de FOD Financiën leesbaar liet (ondernemingsnummer) zijn hier door punten vervangen. De tekst is nergens anders gewijzigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.