Werkingssfeer, invoer, voldoening van de belasting, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 29 maart 2002

Zoeken

Werkingssfeer, invoer, voldoening van de belasting, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-invoer-voldoening-belasting-vervolging-rechtbank-brussel-2002-03-29-a0b5

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
29 maart 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

103 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 29.03.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL

AR 98/610/A

VERZET TEGEN DWANGBEVEL

EINDVONNIS OP TEGENSPRAAK

de NV I. F. A. (I.F.A.), met maatschappelijke zetel te …, …;

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. I. P. loco mrs. J. D. en E. G., advocaten te …, …;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, met kabinet te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51;

verweerder,

vertegenwoordigd door V. L. loco mr. A. D., advocaat te …, …;


In deze zaak in beraad genomen op 14 maart 2002 spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

Gelet op de door de wet vereiste procedurestukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder :

- de gedinginleidende dagvaarding, betekend op 22 december 1997 door mr. D. M., gerechtsdeurwaarder met standplaats te Vilvoorde,

- de conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie op 28 augustus 1998,

- de aanvullende conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie op 6 december 1999,

- de tweede aanvullende conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie op 19 april 2001,

- de syntheseconclusie van eiseres, neergelegd ter griffie op 14 november 2001,

- de besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 29 mei 1998,

- de eerste aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 11 oktober 1999,

- de tweede aanvullende conclusie van verweerder, neergelegd ter griffie op 7 september 2000,

- de synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 19 oktober 2001,

Gehoord de advocaten ter zitting van 4 januari 2002 en van 14 maart 2002 in hun pleidooien;

Gezien de neergelegde dossierstukken;

1. De procedure

Inzake werd een verzet tegen een dwangbevel aangetekend door oe NV l.F.A. I. F. A. tegen de Belgische Staat - Administratie van de BTW. Het verzet strekt ertoe de voornoemde vordering krachtens het dwangbevel te doen opheffen, minstens te schorsen. Tevens vordert men de veroordeling om binnen de 24 uren na de uitspraak van het te wijzen vonnis vrijwillig opheffing te verlenen, en bij gebreke hieraan, voor recht te stellen dat het vonnis als opheffing zal gelden. Tenslotte vordert men de veroordeling van de Belgische Staat tot het betalen aan aanlegster van een som van 150.000 BEF (€ 3.718,40) als schadevergoeding en dit wegens tergend en roekeloos geding.

2. De feiten

[...] liet verschillende onderdelen voor landbouwwerktuigen vanuit Canada invoeren via internationaal luchtvervoer hetwelk diende te passeren via het douanekantoor Zaventem D. Aanlegger stelt dat het een vervoer betrof van één plaats in de Gemeenschap naar een andere plaats van niet communautaire goederen.

Volgens aanlegger houdt de regeling van extern communautair douanevervoer in dat het vervoer van goederen onder douane van de ene plaats naar de andere plaats van de E.G. geschiedt onder geleide van één enkel douanedocument, het T1 document.

Volgens aanlegger wordt het T1 document afgegeven door middel van een aangifte in het kantoor van vertrek, in casu Zaventem. Dit kantoor bepaalt dan de termijn waarbinnen de goederen met het document aan het kantoor van bestemming dienen te worden gebracht, in casu luik. De regeling zou dan eindigen wanneer de goederen met het toebehorende document bij de douane worden aangebracht op het kantoor van bestemming. Dit kantoor dient dan één exemplaar van het document terug te zenden naar het kantoor van vertrekt. Wanneer dit document aankomt op het kantoor van vertrek zou het T1 document gezuiverd zijn.

Aanlegger stelt dat hij optrad als aangever inzake communautaire douane vervoer, en dit te … - …. Volgens aanlegger berustte de verantwoordelijkheid voor de zuivering volledig bij de bestemmeling en diende die er voor te zorgen dat het T1 document aangebracht werd op het kantoor van bestemming, namelijk Luik.

Aanlegger stelt voorts dat hij de nodige documenten tijdig opstelde en dit teneinde er de nodige aftekeningen en verklaringen op te doen aanbrengen in het kantoor van bestemming te Luik.

[...] blijkt zich niet van deze taak gekweten te hebben, met als resultaat dat de administratie van douane en accijnzen aanlegster in haar hoedanigheid van wettelijke borg heeft aangesproken tot betaling van de achterstallige BTW evenals tot de gevorderde boeten en interesten. Dit gebeurde via het dwangbevel.

Verweerder voor wat hem betreft stelt dat de invordering van de invoerrechten en andere belastingen wegens de niet-zuivering van T-documenten geregeld is in art. 36 van de E.E.G. verordening nr. 2726/90 van de Raad van 17 september 1990 en plaatsvindt volgens de nationale bepaling.

Bij niet-aanzuivering van de doorvoerdocumenten vindt art. 257 par. 1 van de algemene wet inzake douane en accijnzen toepassing. De ontvanger van de administratie van douane en accijnzen te … heeft aanlegster in kennis gesteld van de niet­aanzuivering van de T-documenten.

Verweerder argumenteert voorts dat de vaststellingen door de administratie der douane en accijnzen geacteerd werd in een proces-verbaal van 22 maart 1993, per aangetekend schrijven verzonden op 23 maart 1993 naar aanlegster.

Verweerder stelt voorts dat ingevolge de niet-zuivering van de documenten T1 de Belgische BTW bij invoer verschuldigd is en dit overeenkomstig de artikelen 3 (oud), 24 (oud) en 51 (oud) van het W.BTW, alsmede op grond van art. 12 van het KB nr. 7 van 27 december 1977.

De vordering inzake BTW werd uiteindelijk vastgelegd in een proces-verbaal opgesteld op 20 november 1997 door A. V., adjunct-controleur verbonden aan het controlekantoor te …. Het is dan precies op grond van dat proces-verbaal dat op 27 november 1997 een dwangbevel uitgevaardigd werd op 9 december 1997, hetwelk dan conform art. 85 par. 1 W.BTW aan aanlegster werd betekend.

Uit dat dwangbevel resulteert dan dat aanlegster aan de Belgische Staat verschuldigd is wat volgt :

BEF€
BTW1.026.11425.436,70
Boete153.0003.792,77
Interestenp.m.p.m.
Moratoire interestenp.m.p.m.

Aanlegster is een andere mening toegedaan. Op 22 december 1997 tekent zij verzet aan tegen het dwangbevel en dagvaardt zij de Belgische Staat voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. Vermits elkeen bij zijn standpunt blijft, dient de procedure verder gezet te worden.

3. In rechte

In rechte dient deze zaak als volgt benaderd te worden·:

a) Aanlegster stelt dat de vordering verjaard is. Zij verwijst daarvoor naar art. 81 BTW en naar art. 85 par. 2 BTW. Zij argumenteert dat de vordering volgend uit het betreffende dwangbevel reeds meer dan twee jaar verjaard is.

De rechtbank deelt deze mening niet. Volgens haar werd de verjaringstermijn van respectieve vorderingen van de BTW op een geldige manier gestuit. Immers op 8 januari 1993 richtte een brief naar de Ontvanger der Douane en Accijnzen te Zaventem, waaruit onder meer resulteert wat volgt :

"... Ondergetekende, … gaat de verbintenis aan de definitieve aangifte gestaafd met alle vereiste bescheiden in te ruilen, ter aanzuivering van hogervermelde T-documenten. Ik verklaar hierbij ook dat alle goederen door mijzelf of door mijn werknemers werden afgehaald op de luchthaven (BRUCARGO). Ik ben dan ook verantwoordelijk voor de betaling van de rechten, BTW en alle boetes die voortkomen uit het niet aanbieden van de T­documenten bij de douane van het kantoor van bestemming ...".

Volgens de rechtbank dient deze brief wel degelijk, en dit conform art. 2248 B.W ., beschouwd te worden als een schulderkenning.

Conclusie : de vordering is niet verjaard.

b) Kan inzake toepassing gemaakt worden van artikel 2037 B.W. ?

Dit artikel luidt als volgt :

"De borg is ontslagen wanneer hij door toedoen van de schuldeiser niet meer in de rechten, hypotheken en voorrechten van de schuldeiser kan treden".

De rechtbank meent dat de analyse van aanlegster terzake onjuist is. Er mag niet uit het oog verloren worden dat de … expliciet verklaarde dat hij alle goederen zelf of door zijn werknemers heeft opgehaald op de luchthaven en zich verantwoordelijk stelde voor de betalingen (rechten, BTW + boetes) tengevolge van het niet aanbieden van de T-documenten bij de douane van het kantoor van bestemming.

Uit de T1-documenten - ondertekend door een werknemer van aanlegster - resulteert dat de betreffende goederen vanuit Zaventem bij middel van een vrachtwagen met nummerplaat … de grens zouden overschrijden naar Luxemburg. De rechtbank meent dan ook dat op basis van het hoger vermelde de administratie geen fout treft, en dat art. 2037 B.W. op haar niet kan gerepercuteerd worden !

c) Na een grondige analyse van het dossier meent de rechtbank dat verweerder terecht toepassing maakt van de artikelen 3 (oud), 24 par. 1 en par. 2 (oud) en 51 (oud) van het W.BTW, en van het KB nr. 7 van 27 december 1977, art. 8 en art. 12.

Deze luiden als volgt :

Artikel 3. De invoer van goederen, door wie ook, is eveneens aan de belasting onderworpen.

Artikel 24 (gewijzigd bij de artikelen 13 van de wet van 27 december 1977, 1 van de wet van 4 juli 1986, 113 van de wet van 22 december 1989 en 56 van de wet van 28 juli 1992). § 1. Bij invoer vindt het belastbaar feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van het binnenkomen van het goed op het grondgebied zoals bepaald bij artikel 23.

§ 2. Indien de goederen overeenkomstig het bepaalde in artikel 40, § 1, 1° van het Wetboek, onder een regeling inzake doorvoer of entrepot worden geplaatst, vindt het belastbaar feit eerst plaats en wordt de belasting eerst verschuldigd op het tijdstip waarop de goederen op regelmatige wijze aan die regeling worden onttrokken en ten verbruik worden aangegeven. Hetzelfde geldt wanneer de goederen bij de invoer overeenkomstig de douanewetgeving bij de douane worden aangebracht en eventueel in tijdelijke opslag worden geplaatst.

Artikel 51 (gewijzigd bij artikel 116 van de wet van 22 december 1989). § 1. Ten aanzien van de belasting verschuldigd ter zake van invoer, stelt de Koning de voorwaarden waaronder de goederen op het grondgebied van het Rijk mogen worden gebracht en schrijft Hij onder meer de verplichting voor ze op de door Hem te bepalen wijze aan te geven.

De Koning wijst aan op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan, en wie voor deze voldoening aansprakelijk is; Hij bepaalt het tijdstip waarop de belasting moet worden voldaan en de formaliteiten die daarbij moeten worden nagekomen.

§ 2. Er is overtreding van de verplichting de belasting te voldoen wanneer de goederen op het grondgebied van het Rijk worden gebracht zonder dat ze zijn aangegeven of, meer algemeen, zonder dat de ter uitvoering van § 1, eerste lid, gegeven regelen zijn nageleefd.

Bij invoer of poging tot invoer zonder aangifte kunnen de goederen en de ervoor gebezigde vervoermiddelen, in de gevallen en overeenkomstig de regelen inzake invoerrecht, in beslag genomen worden en, voor zover zij niet voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 9 en 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, verbeurdverklaard en vervolgens verkocht of teruggegeven worden, ook al zijn die goederen wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen; de genoemde regelen vinden eveneens toepassing voor de schadeloosstelling van de persoon wiens goederen onrechtmatig in beslag zijn genomen. De inbeslagneming, de verbeurdverklaring, de verkoop of de teruggaaf worden verricht door of op verzoek van de Administratie der douane en accijnzen of de Administratie van de BTW, registratie en domeinen.

§ 3. Wanneer de regelmatig op het grondgebied van het Rijk gebrachte goederen onder douanetoezicht zijn en niemand de aangifteformulieren komt voleindigen, kan de Administratie der douane en accijnzen over die goederen beschikken overeenkomstig de regelen inzake invoerrecht, ook al zijn de goederen wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen.

§ 4. Wanneer de levering door de persoon op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting regelmatig is voldaan en, eventueel, de daaropvolgende leveringen gepaard gaan met de verzending van het goed van het buitenland naar een plaats in België, dan worden die leveringen in afwijking van artikel 16 geacht hier te lande te zijn verricht.

§ 5. Ten aanzien van goederen die in entrepot zijn opgeslagen of die zijn ingevoerd onder een regeling van tijdelijke vrijstelling van de belasting, geeft de Koning de regelen voor de heffing van de belasting die opeisbaar wordt door het niet naleven van de voorwaarden gesteld voor de verkrijging van de vrijstelling, en wijst Hij die personen aan die tot de betaling van die belasting zijn gehouden.

Koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1997 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.

(Uitvoering van de artikelen 3, 23, 24, 34, 40, 50, 51 en 52 van het Wetboek).

Artikel 8 (gewijzigd bij artikel 6 van het Koninklijk Besluit van 29 juni 1984). De geadresseerde, de aangever en dienst lastgever, zijn hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting.

De aangever en dienst lastgever zijn ontheven van die verplichting wanneer de belasting moet worden voldaan op de wijze aangeduid in de artikelen 6, § 3, en 7, in hoofde van een andere persoon die als geadresseerde optreedt.

Artikel 12. De invoer van goederen die worden geplaatst onder een douaneregeling inzake doorvoer, entrepot of tijdelijke opslag, is geheel van de belasting vrijgesteld onder de inzake douane gestelde voorwaarden, ook al gaat het om goederen die wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen zijn.

d) Is aanlegster hoofdelijk gehouden ?

De rechtbank meent hierop affirmatief te moeten antwoorden, De ganse argumentatie terzake ontwikkeld door aanlegster weerstaat niet aan art. 8 van het KB nr. 7 van 27 december 1977, hetwelk expliciet de hoofdelijkheid jegens de aangever weerhoudt.

e) Met betrekking tot de door aanlegster geformuleerde prejudiciële aanvragen :

De rechtbank meent dat er geen aanleiding is om over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen als zijnde ongegrond.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in·gerechtszaken, zoals gewijzigd,

Rechtsprekend na tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig,

Verklaart het verzet van aanlegster ontvankelijk doch ongegrond,

Wijst haar er dan ook van af en veroordeelt haar tot de integraliteit van de kosten. Deze worden begroot in hoofde van verweerder op € 327,22 (RPV) en in hoofde van aanlegger op € 408,48 (€ 81,26 dagvaarding + € 327,22 RPV),

Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en met uitsluiting van borgstelling en kantonnement,

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 24ste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, op 29 maart 2002, waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer J.G. P., 1 alleen zetelend rechter,

mevrouw T. C., afgevaardigd adjunct-griffier;

(…nietige lijnen en … nietige woorden)

T. C. J. G. P.

Aangehaalde teksten

8
WBTW art. 402 voorkomens
WBTW art. 231 voorkomen
WBTW art. 241 voorkomen
WBTW art. 31 voorkomen
WBTW art. 341 voorkomen
WBTW art. 501 voorkomen
WBTW art. 511 voorkomen
WBTW art. 521 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8