Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 18.01.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer
AR 97/12652/A
Verzet tegen dwangbevel-BTW
Communautair douanevervoer
Eindvonnis in eerste aanleg en op tegenspraak
Inzake van :
De NV M. G. L., voorheen NV M. C. I., met maatschappelijke zetel te …, … en ingeschreven in het HR te Brussel onder het nummer …,
eiseres,
vertegenwoordigd door Mr. A. V. R. loco Mrs. R. & L W., G., D. P., advocaten met kantoor te …, ….
tegen :
De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit met kantoor te 1300 Vilvoorde, Financiecentrum, Groenstraat 51,
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. M V. A., advocaat met kantoor te …, ….
In deze zaak, in beraad genomen op 21 december 2000, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :
- Het Verzet tegen dwangbevel dat op 6 november 1997 op verzoek van eiseres aan verweerder werd betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder J.-P. d. M..
- de Conclusie, de Tweede (synthese) conclusie en de Derde (synthese) conclusie van eiseres die werden neergelegd ter griffie van deze rechtbank op respectievelijk 11 februari 2000, 12 mei 2000 en 28 juli 2000.
- de Besluiten, de Aanvullende besluiten, de Synthesebesluiten en de Aanvullende synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op respectievelijk 6 mei 1998, 17 maart 2000., 20 juni 2000 en 12 september 2000.
Gehoord de raadslieden van partijen op de openbare zitting van 21 december 2000, datum waarop twee bundels met stavingsstukken werden neergelegd en de zaak in beraad werd genomen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
1. Feiten
Bij de Verordening (EEG) nr. … van de Raad van 17 september 1990 (die geldt vanaf 1 januari 1993), betreffende communautair douanevervoer werd een regeling voor extern communautair douanevervoer ingesteld die in bepaalde situaties van toepassing is op het vervoer van goederen die niet van communautaire oorsprong zijn, in het bijzonder om die goederen van een plaats in het douanegebied van de gemeenschap (het douanekantoor van vertrek) naar een andere plaats in het douanegebied van de gemeenschap (het douanekantoor van bestemming) onder geleide van een communautair douanedocument, het zogenaamde T1document, te brengen.
Het T1-document wordt geldig gemaakt door het douanekantoor van vertrek en vermeldt welk het douanekantoor van bestemming is.
Het T1-document bestaat uit vier exemplaren :
- een exemplaar voor het land van verzending;
- een exemplaar voor het kantoor van bestemming;
- een terugzendingsexemplaar;
- een exemplaar voor de statistiek voor het land van bestemming.
Het exemplaar voor het land van verzending blijft op het douanekantoor van vertrek. De drie overige exemplaren vergezellen het transport van de goederen. Het terugzendingsexemplaar wordt door het douanekantoor van bestemming behoorlijk afgetekend teruggezonden naar het douanekantoor van vertrek. Hieruit moet blijken dat de goederen ter bestemming zijn aangekomen. Bij ontvangst van het behoorlijk afgetekend terugzendingsexemplaar wordt het T1-document als aangezuiverd beschouwd door de douane van het kantoor van vertrek.
De NV M. G. L. werd als belastingplichtige geregistreerd onder nummer BE … voor de activiteit van goederenvervoer en heeft in de loop van het jaar 1993 21 T1-documemen geldig gemaakt op het douanekantoor Zaventem voor het vervoer van goederen, afkomstig uit de Verenigde Staten van Amerika, vanuit België naar Polen.
Als aangever inzake communautair douanevervoer fungeerde telkens aanlegster, de NV M. G. L. te Brucargo-Zaventem. Als kantoor van bestemming werden de Duitse douanekantoren Neubrandenburg en Keulen aangeduid.
Ingevolge artikel 11 van Verordening (EEG) nr. … van de Raad van 17 september 1990 is de aangever verplicht de goederen binnen de voorgeschreven termijn bij het kantoor van bestemming aan te brengen onder voorlegging van de T1-documenten.
In onderhavige zaak werden de T1-documenten volgens de Administratie evenwel niet aangezuiverd door de aanbieding van de goederen op het kantoor van bestemming binnen de gestelde termijn.
Blijkens mededelingen van de Duitse douane te Neubrandenburg en Keulen zouden noch de goederen, noch de documenten aangeboden zijn geworden op het kantoor van bestemming.
De ontvanger van de Administratie der douane en accijnzen te Zaventem heeft aanlegster in kennis gesteld van de niet-zuivering van de T1-documenten.
Wanneer de T1-documenten niet op de voorgeschreven wijze worden aangezuiverd, kunnen, krachtens artikel 50 van Verordening nr. … van de Commissie van 21 april 1992 de volgende bewijsstukken worden voorgelegd om de regelmatigheid van het douanevervoer alsnog aan te tonen :
- een door de douaneautoriteiten gewaarmerkt document waaruit blijkt dat de goederen op het kantoor van bestemming of bij een toegelaten geadresseerde zijn aangeboden. Dit document dient een gedetailleerde omschrijving van de goederen te omvatten of,
- een document waaruit blijkt dat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht. Dit document dient eveneens een gedetailleerde omschrijving van de goederen te bevatten.
Door aanlegster worden voor 17 T1-documenten strookjes waarop een stempel van het douanekantoor Neubrandenburg werd aangebracht, voorgelegd ten einde de regelmatigheid van het douanevervoer aan te tonen.
Door de douanediensten te Neubrandenburg zou volgens de Administratie echter zijn gemeld dat de goederen in feite nooit aangehouden werden en dat de betreffende stempelafdrukken vervalsingen zijn.
Wat de overlegging van de Poolse invoerdocumenten betreft die werden voorgelegd voor 5 verzendingen, zouden de bevoegde autoriteiten eveneens hebben gemeld dat hun onderzoek heeft uitgewezen dat deze invoerdocumenten vals zijn.
Deze vaststellingen werden door de Administratie der Douane en Accijnzen geacteerd in een proces-verbaal d.d. 29 september 1996.
Ingevolge de niet-zuivering van de documenten T1 is, aldus de Administratie, overeenkomstig de artikelen 3, 23, 24 en 52 van het BTW-Wetboek de Belgische BTW bij invoer verschuldigd.
De vordering inzake BTW werd vastgelegd in een proces-verbaal opgesteld op 6 augustus 1997 door mevr. A. V., adjunct-controleur verbonden aan het controlekantoor te Zaventem.
Op grond van dit proces-verbaal werd op 9 oktober 1997 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 23 oktober 1997 overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW aan aanlegster werd betekend.
II. Voorwerp van de vordering
De vordering van eiseres strekt er in hoofdzaak toe het door haar ingestelde verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren, dienvolgens het dwangbevel van 9 oktober 1997, uitvoerbaar verklaard op 14 oktober 1997, met aangehecht proces-verbaal van 6 augustus 1997 van nul en generlei waarde te horen verklaren en verzoekster te horen ontslaan van de in dit dwangbevel met aangehecht proces-verbaal van hem gevorderde sommen.
III. In rechte
A. Wat de door eiseres opgeworpen excepties van onbevoegdheid betreft
1. Schending van artikel 34 van Verordening … van 17 september 1990
Verweerder beroept zich op de nummers 2 en 3 van artikel 34 van de EEG Verordening nr. … van de Raad van 17 september 1990 om over te gaan tol heffing van de BTW op invoer van goederen.
Dit artikel kan slechts worden toegepast indien er bij het communautair douanevervoer enerzijds een overtreding of onregelmatigheid heeft plaatsgevonden en anderzijds deze overtreding of onregelmatigheid plaatsvond zonder dat het mogelijk is de plaats te bepalen waar ze werd begaan.
Indien aan deze beide voorwaarden is voldaan, is o.a. de Lidstaat waartoe het kantoor van vertrek van de goederen behoort gemachtigd om over te gaan tot de inning van alle rechten en heffingen volgens de nationale bepalingen van die Lidstaat.
Volgens eiseres zou in casu niet zijn voldaan aan de tweede gestelde voorwaarde omdat de inbreuk die zij zou hebben begaan - aangenomen dat zij daadwerkelijk een inbreuk zou hebben begaan - wel degelijk en duidelijk lokaliseerbaar is.
De volgens de Administratie gepleegde inbreuk op de verplichting om de goederen en T1documenten aan te bieden bij het douanekantoor van bestemming kan, aldus eiseres, maar op één plaats hebben plaatsgevonden, met name bij het douanekantoor van bestemming van de goederen.
Artikel 34 van genoemde Vordering zou bijgevolg niet ingeroepen kunnen worden als basis voor de heffing van de BTW bij invoer.
De rechtbank is het met deze stelling niet eens. Het is immers niet omdat de goederen het kantoor van bestemming niet hebben bereikt dat de inbreuk op de verplichting de goederen en T1-documemen aldaar aan te bieden, noodzakelijkerwijze in het land van bestemming werd gepleegd. Zoals verweerder terecht opmerkt. zou het evengoed kunnen dat de goederen België nooit hebben verlaten. Ook in dat geval worden de goederen en de T1-documenten niet aangeboden bij het kantoor van bestemming.
De juiste plaats van de inbreuk is aldus niet te achterhalen zodat de door eiseres opgeworpen schending van artikel 34 van Verordening … van 17 september 1990 niet kan worden weerhouden.
2. Schending van artikel 11bis van Verordening … van 27 maart 1987
Artikel 11bis van Verordening … van 27 maart 1987 schrijft het volgende voor ingeval er onregelmatigheden bij het douanevervoer worden geconstateerd.
“1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, deelt het kantoor van vertrekt dit zo spoedig mogelijk mede aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldig making van de aangifte voor communautair douanevervoer.
2. in de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt onder andere te termijn vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs moet worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien her bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde Lidstaat over tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. In de gevallen waarin deze Lidstaat niet de Lidstaat is waarin het kantoor van vertrek is gelegen, stelt het kantoor van vertrek deze Lidstaat daarvan onverwijld in kennis.”
Volgens eiseres had verweerder haar op grond van deze bepaling binnen de elf maanden na aangifte voor communautair douanevervoer in kennis moeten stellen van het feit dat er tijdens dit vervoer onregelmatigheden zouden zijn gebeurd. Deze kennisgeving zou in vele gevallen hetzij in het geheel niet hetzij laattijdig zijn gedaan, hetgeen volgens eiseres zou moeten worden gesanctioneerd met een onmogelijkheid voor verweerder om de verschuldigde BTW bij invoer te innen.
Ook deze stelling kan niet door de rechtbank worden bijgetreden.
Er dient vooreerst te worden opgemerkt dat Verordening … vanaf 1 januari 1993 werd vervangen door Verordening … van 21 april 1992.
Deze verordening betreft, net zoals haar voorganger, specifiek douanewetgeving. De in artikel 49 (van Verordening …) voorziene termijnen zijn enkel van toepassing op de invordering van douanerechten (invoerrechten) en hebben geen betrekking op de invordering van de BTW. Inzake BTW geldt de gewone verjaringstermijn voorzien in artikel 81 van het BTW-wetboek, d.w.z. in de regel een termijn van vijf jaar.
Deze verjaring kan ter zake niet worden ingeroepen.
B. Wat de grond van de betwisting betreft
Eiseres stelt dat zij het bewijs levert van de doorvoer van de goederen door het voorleggen van de afgestempelde strookjes van de T1-documenten.
Deze strookjes werden inderdaad afgestempeld door het douanekantoor Neubrandenburg (zie stukken 1 tot en met 24 van eiseres).
Volgens verweerder zouden de aangebrachte stempelafdrukken evenwel afkomstig zijn van valse stempels.
De rechtbank dient vast te stellen dat verweerder hiervan niet het bewijs levert.
Verweerder verwijst in eerste instantie naar documenten die zijn opgesteld in een vreemde taal, met name in het Duits en het Pools.
De taalwet is echter van openbare orde en dient strikt te worden nageleefd. De documenten die verweerder naar voor brengt dienen dan ook vergezeld te zijn van een vertaling in het Nederlands.
Verweerder heeft weliswaar een aantal vertalingen overgemaakt maar deze werden niet alle opgesteld door een beëdigd vertaler en zijn bovendien niet volledig.
Uit de naar voor gebrachte stukken is verder niet op te maken of de "Zollkriminalambt" (Duitse belastingdienst) de stempels heeft onderzocht die op de strookjes van de T1-documenten van eiseres zijn aangebracht dan wel in het algemeen stempels heeft onderzocht die op bepaalde (andere) documenten voorkomen.
Het is niet omdat een bepaalde stempelafdruk op een bepaald document vals is. dat bewezen zou zijn dat een andere stempelafdruk op een ander document is aangebracht door diezelfde valse stempel.
Het loutere bestaan van valse stempels - aangenomen nog dat dit bewezen is - wil met andere woorden nog niet zeggen dat het zeker en vaststaand is dat deze stempels ook voor de door eiseres voorgelegde stukken werden gebruikt.
Uit de stukken 32 en 33 van verweerder blijkt dat de Administratie bijkomend onderzoek liet uitvoeren met betrekking tot de stempel "Neubrandenburg 23".
Enkel de documenten vervat in de stukken 1 tot en met 7 van eiseres werden afgestempeld met deze stempel. Alle overige documenten (stukken 8 tot en met 24 van eiseres) werden afgestempeld met de stempel “Neubrandenburg 24”. Met betrekking tot deze laatste werd geen nader onderzoek uitgevoerd.
Tenslotte blijkt uit de naar voor gebrachte documenten dat de onderzoekende ambtenaar zelf twijfels had nopens het al of niet vervalst zijn van de aangebrachte stempels (zie o.a. stukken 26 en 32 van verweerder).
Het is bijgevolg niet aangetoond dat er voor de betrokken zendingen van goederen geen geldige bewijzen van aanbieding zouden zijn, zodat de Administratie ten onrechte de BTW op invoer heeft geheven.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzend als niet ter zake en of overbodig.
Verklaart het verzet van eiseres tegen het dwangbevel van 9 oktober 1997 ontvankelijk en gegrond,
Doet dit dwangbevel teniet en omslaat eiseres van betaling van de in dit dwangbevel met aangehecht proces-verbaal van 6 augustus 1997 gevorderde sommen.
Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van de door hem reeds ingehouden sommen, vermeerderd met moratoire en gerechtelijke interesten,
Verwijst verweerder in de kosten van het geding, rechtsplegingvergoeding inbegrepen, deze kosten geraamd zijnde op 4.255 BEF (dagvaardingskosten) + 12.900 BEF (rechtsplegingsvergoeding) voor eiseres en op 12.900 BEF (rechtsplegingsvergoeding) voor verweerder zelf,
Staat de voorlopige uitvoering toe.
Aldus gevonnist en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 33ste Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, op 18 januari 2001.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer V. G., alleen zetelend rechter,
Mevr. V., adjunct-griffier,
V. V. G.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.