Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 23.03.2026 (2022/3492/A)
FIN 55243509/01
Invoer - Douanewaarde - Maatstaf van heffing - Aansprakelijk vertegenwoordiger - Correctieopgave
Samenvatting
Niet beschikbaar
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel
7de kamer
Vonnis
23 maart 2026
2022/3492/A
In de zaak van:
De BV cie1, met zetel te ..., met ondernemingsnummer ...,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Philippe Renier, advocaat met kantoor te 1831 Diegem, Lambroekstraat 5A (pr@renier.tax).
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, KBO 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de Adviseur-generaal, Team Invordering Rechtspersonen Brussel 3, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3110, met correspondentieadres: 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6, bus 804,
verweerder,
vertegenwoordigd door mevrouw Sylvia Lindekens, attaché
(afdeling.juridische.zaken.bbi.antwerpen@minfin.fed.be).
Ook in deze zaak:
1. De BV cie2, met zetel te ..., met ondernemingsnummer ...,
eerste verweerster in gedwongen tussenkomst,
vertegenwoordigd door mr. Koen Van Cauter, advocaat met kantoor te te 9830 Sint-Martens-Latem, Kortrijksesteenweg 271, bus 2 (kvc@vandesiipe-vancauter.be),
2. cie3., vennootschap naar Amerikaans recht, met zetel te ..., met identificatienummer ..., in België geregistreerd onder het btw-nr. BE ...,
tweede verweerster in gedwongen tussenkomst,
die keuze van woonplaats doet bil haar raadslieden,
vertegenwoordigd door mr. Inès Vermeiren en mr. Bavo Van Pamel loco mr. Olivier Bertin en mr. Cedric Berckmans, advocaten met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 235
(olivier.bertin@twobirds.com, cedric.berckmans@twobirds.com).
3. De NV cie4, met zetel te ..., met ondernemingsnummer ...,
derde verweerster in gedwongen tussenkomst,
vertegenwoordigd door mr. Marthe Lembrechts loco mr. Dirk De Maeseneer, advocaat
met kantoor te 2000 Antwerpen, Tabakvest 52-54 (info@litiguard.eu).
In deze zaak, in beraad genomen op 9 maart 2026,
spreekt de rechtbank volgend vonnis uit:
I. PROCEDURE
De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:
- het verzoekschrift, elektronisch neergelegd op 29 november 2022,
- de dagvaarding in gedwongen tussenkomst door eiseres van de BV cie2, betekend op 29 januari 2024,
- de dagvaarding in gedwongen tussenkomst door eiseres van cie3., betekend op 6 februari 2024,
- de dagvaarding in gedwongen tussenkomst door de BV cie2 van de NV cie4, betekend op 31 maart 2025,
- de beschikking conform artikel 748 van het Gerechtelijk Wetboek van 25 april 2025,
- de syntheseconclusie voor eiseres, elektronisch neergelegd op 7 augustus 2025,
- de syntheseconclusie voor verweerder, elektronisch neergelegd op 8 september 2025,
- de syntheseconclusie voor cie3., elektronisch neergelegd op 8 oktober 2025,
- de syntheseconclusie voor de BV cie2, elektronisch neergelegd op 10 oktober 2025,
- de syntheseconclusie voor de NV cie4, elektronisch neergelegd op 9 december 2025,
- de stukken van de partijen.
De raadslieden van de partijen en de heer K.D. (vaste vertegenwoordiger van eiseres) zijn gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 9 maart 2026. Vervolgens zijn de debatten gesloten en is de zaak in beraad genomen.
II. FEITEN
De BV cie1, hierna eiseres, is geregistreerd als belastingplichtige onder het btw-identificatienummer BE ..., onder meer voor 'activiteiten van (gecertificeerde) (fiscaal) accountants'.
Op 22 november 2022 stelt de Belgische staat (hierna: verweerder) een proces-verbaal van taxatie op voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019. Er wordt in het proces-verbaal overwogen dat eiseres als individueel aansprakelijk vertegenwoordiger van cie3. (een Amerikaans textielbedrijf, erkend in België op basis van het nummer BE ...) schuldenaar is van btw met betrekking tot de onderwaardering van de maatstaf van de heffing (inbreuk op de artikelen 3, 34 en 45 van het Btw-wetboek), evenals met betrekking tot het ten onrechte aftrekken van btw (inbreuk op artikel 45 van het Btw-wetboek).
Het blijkt dat het proces-verbaal, de hierin opgenomen vaststellingen en de nagevorderde btw een uitloper zijn van een controle in de periode 2020-2022 ten aanzien van de NV cie5 (douane-agent van cie3.) en eiseres, dit in het bijzonder met betrekking tot de invoer en verkoop van textielgoederen door cie3 aan cie6 (gevestigd in het Verenigd Koninkrijk), haar enige klant.
Samengevat zet verweerder in het proces-verbaal uiteen dat de verkopen tussen cie3 en cie6 reeds plaatsvonden voor de goederen door buitenlandse leveranciers (onder meer uit Hongkong) werden gefactureerd en verstuurd, en voor verschillende inklaringen een verkeerde douanewaarde, en aldus ook een verkeerde maatstaf van heffing (btw) is gehanteerd. Volgens verweerder werden verschillende facturen bewust vervalst om aan een lagere waarde te kunnen inklaren, waarbij de originele factuur het Belgisch btw-nr. van cie3 niet vermeldt. Eiseres was ontegensprekelijk op de hoogte van deze handelingen aangezien zij de constructie met betrekking tot de onderwaardering van de goederen heeft uitgetekend en nagekeken, aldus verweerder. Dit heeft volgens verweerder onder meer tot gevolg dat de aftrek van de btw niet kan worden toegestaan, dat een boete van 200 % zich opdringt en dat eiseres hoofdelijk gehouden is met cie3 tot voldoening van de nagevorderde btw, intrest en geldboeten.
Er is sprake van 553.647,83 euro nagevorderde btw, een geldboete van 1.107.295,66 euro (200 %) en nalatigheidsinteresten vanaf 21 januari 2020.
Op 29 november 2022 stelt eiseres een vordering in bij deze rechtbank.
Verweerder stuurt op 27 februari 2023 een innings- en invorderingsbericht (btw) met nummer ... naar eiseres waarin de voormelde schuld inzake btw wordt nagevorderd.
Op 29 januari 2024 gaat eiseres over tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van de BV cie2 (hierna: cie2).
Op 6 februari 2024 gaat eiseres over tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van cie3.
In haar conclusie van 12 juli 2024 vraagt verweerder in hoofdorde het "(...) invorderingsorder met nummer ... integraal te ontheffen", en dit op grond van onder meer de volgende motivering:
"Er wordt door verweerder echter vastgesteld dat de taxatie die blijkt uit het proces-verbaal van 22 november 2022 werd ingevorderd middels invorderingsorder nr. ... in hoofde van cie1 (…) en niet in hoofde van cie1 als individueel aansprakelijk vertegenwoordiger van cie3 (…).
(..)
Verweerder is dan ook van mening dat ingevolge het bovenstaande het invorderingsorder met nummer ... integraal dient te worden ontheven."
Op de openbare terechtzitting van 25 november 2024 is de zaak met bepaling van nieuwe conclusietermijnen uitgesteld naar de zitting van 5 mei 2025, waarbij aan de Belgische staat is gevraagd het volledig administratief dossier neer te leggen, met inbegrip van de transactie die is afgesloten tussen de douaneautoriteiten en cie3.
Op 10 december 2024 stelt verweerder een 'verbeterende en verduidelijkende' versie op van het vorige proces-verbaal van taxatie. In dit (nieuwe) proces-verbaal is een uitgebreide uiteenzetting opgenomen over de betrokkenheid van eiseres bij 'het fraudesysteem'. De nagevorderde btw wordt evenwel teruggebracht tot 268.692,99 euro en de boete tot 537.385,98 euro (200 %).
Verweerder stuurt op 12 december 2024 een innings- en invorderingsbericht (btw) met nummer ... naar eiseres waarin de voormelde schuld inzake btw wordt nagevorderd.
Op 17 januari 2025 verleent de adviseur-generaal bevoegd voor de inning en invordering aan cie3 een volledige kwijtschelding van de nalatigheidsintrest voor zover het akkoord met de bijzondere belastinginspectie volledig wordt nageleefd.
Op een niet nader bepaalde datum neemt een adviseur-generaal bij de bijzondere belastinginspectie een beslissing tot vermindering van de geldboete tot 10 %.
Op 22 januari 2025 ondertekenen eiseres en cie3 een correctieopgave voor een totaal bedrag van 295.552,99 euro, met name:
- btw:
- boete: 268.692,99 euro, 26.860,00 euro (vermindering tot 10 %),
- intrest: 0,00 euro (kwijtschelding).
Het bedrag opgenomen in de correctieopgave wordt als volgt voldaan aan verweerder:
- eiseres: 195.552,99 euro,
- cie3: 100.000,00 euro.
Op 31 maart 2025 gaat cie2 over tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van de NV cie4, haar aansprakelijkheidsverzekeraar (hierna: cie4).
III. VORDERING
Eiseres vordert het volgende in haar syntheseconclusie:
"de vordering van Eiseres ontvankelijk te verklaren,
voorts,
t.a.v. de Belgische Staat en cie3
te zeggen voor recht dat conform de getekende correctieopgave d.d. 22 januari 2025 de initiële vordering van Eiseres t.a.v. de Belgische Staat en cie3 zonder voorwerp is;
te zeggen voor recht dat Eiseres, cie3 en de Belgische Staat hun eigen kosten van de procedure dienen te dragen;
t.a.v. cie2
Eiseres vordert voorts haar vordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring t.a.v. cie2 ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Dienvolgens, cie2 te veroordelen tot betaling aan Eiseres een bedrag van 195.552,99 EUR, meer de interesten te rekenen vanaf 15 januari 2025, zijnde de datum van betaling door Eiseres van haar beweerd aandeel in het minnelijk akkoord, meer 1 EUR (provisioneel) voor reputationele schade, meer 1 EUR (provisioneel) voor haar advocatenkosten, meer 1 EUR (provisioneel) voor haar geleden cash flow schade;
Voorts, cie2 te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding, thans begroot op 7.848,84,00 EUR cf. artikel 1022 Ger. W. juncto KB 26 oktober 2007."
Verweerder vraagt het volgende in zijn syntheseconclusie:
"IN HOOFDORDE:
Het akkoord tussen partijen vermeld in de correctieopgave te bekrachtigen, voor volgende bedragen:
1. btw: 268.692,99 EUR,
2. geldboete: een verminderd bedrag van 10%, zijnde 26.860,00 EUR ingevolge beslissing van mevr. F., Adviseur-Generaal bij de Bijzondere Belastinginspectie, directie Antwerpen
3. nalatigheidsintrest: kwijtschelding ingevolge beslissing van mevr. G., Adviseur-Generaal bij de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering (stuk 63)
Voor het overige de partijen te veroordelen tot de eigen kosten van het geding.
IN ONDERGESCHIKTE ORDE:
Het verzet van verzoekster ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, met dien verstande dat de te weerhouden bedragen deze vermeld in het proces-verbaal van 10 december 2024 (stuk 57) zijn, te weten:
1) btw: 268.692,99 EUR,
2) geldboete: een bedrag van 537.380,00 EUR,
3) nalatigheidsintrest: te berekenen over 268.690,00 EUR, vanaf 21/01/2020. Voor het overige verzoekster te veroordelen tot alle kosten van het geding,"
cie2 vraagt het volgende in haar syntheseconclusie:
"In hoofdorde:
De vordering van cie1 BV tegen cie2 BV onontvankelijk te verklaren.
cie4 NV te veroordelen tot vergoeding van de advocatenkosten van cie2 BV t.b.v. 1 EUR provisioneel.
cie1 BV te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de kosten van dagvaarding in hoofde van cie2 BV begroot op 409,17 EUR en van de rechtsplegingsvergoeding op heden in hoofde van cie2 BV begroot op 15.697,67 EUR, te indexeren indien geïndexeerd bij KB tussen huidige conclusie en het tussen te komen vonnis.
In ondergeschikte orde:
De vordering van cie1 BV tegen cie2 BV ontvankelijk doch integraal ongegrond te verklaren.
cie4 NV te veroordelen tot vergoeding van de advocatenkosten van cie2 BV t.b.v. 1 EUR provisioneel.
cie1 BV te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de kosten van dagvaarding in hoofde van cie2 BV begroot op 409,17 EUR en van de rechtsplegingsvergoeding op heden in hoofde van cie2 BV begroot op 15.697,67 EUR, te indexeren indien geïndexeerd bij KB tussen huidige conclusie en het tussen te komen vonnis.
In de meest ondergeschikte orde:
Voor zover en in de mate waarin de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel zou oordelen dat de vordering van cie1 BV tegen cie2 BV ontvankelijk en geheel of gedeeltelijk gegrond is: cie3. en/of cie4 NV te veroordelen tot betaling van eenzelfde bedrag aan cie2 BV. cie4 NV te veroordelen tot vergoeding van de advocatenkosten van cie2 BV t.b.v. 1 EUR provisioneel.
cie3. en/of cie4 NV te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de kosten van dagvaarding in hoofde van cie2 BV begroot op 409,17 EUR en van de rechtsplegingsvergoeding op heden in hoofde van cie2 BV begroot op 7.848,84 EUR, te indexeren indien geïndexeerd bij KB tussen huidige conclusie en het tussen te komen vonnis."
cie3 vraagt het volgende in haar syntheseconclusie:
- "Het akkoord tussen cie1, cie3 en de BELGISCHE STAAT vermeld in de correctieopgave van 22 januari 2025 te bekrachtigen;
- Te zeggen voor recht dat de initiële vordering van cie1 t.a.v. cie3 zonder voorwerp is;
- De vordering van cie2 t.a.v. cie3 ongegrond te verklaren;
- cie2 te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op het basisbedrag, hetzij 7.848,84 EUR."
cie4, tot slot, vraagt het volgende in haar syntheseconclusie:
"In hoofdorde
Voor zover de vorderingen van cie1 lastens cie2 onontvankelijk of ongegrond zouden worden verklaard, de vorderingen cie2 lastens cie4 zonder voorwerp te verklaren.
In ondergeschikte orde
De vorderingen van cie2 lastens cie4 ongegrond te verklaren.
In meest ondergeschikte orde
De vorderingen van cie2 lastens cie4 gedeeltelijk ongegrond te verklaren, in die zin dat de in de polis bedongen vrijstelling dient te worden toegepast en cie2 in ieder geval gehouden is om het bedrag van de vrijstelling ten laste te nemen.
In ieder geval
cie2 te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van cie4 begroot op:
- rechtsplegingsvergoeding (basis): 7.848,84 EUR,
te indexeren indien geïndexeerd bij KB tussen huidige conclusie en het tussen te komen vonnis.
cie2 tot slot te veroordelen tot betaling van de rolrechten aan de FOD Financiën."
IV. BEOORDELING
Ontvankelijkheid
Er is geen betwisting over de ontvankelijkheid van:
- de hoofdvordering van eiseres tegen verweerder,
- de tussenvordering van eiseres tegen cie3,
- de tussenvordering van cie2 tegen cie3,
- de tussenvordering van cie2 tegen cie4.
cie2 voert daarentegen wel de onontvankelijkheid aan van de tussenvordering van eiseres tegen haar, met name omdat deze vordering 'laattijdig en dilatoir' zou zijn en omdat het zou gaan over een 'nieuwe vordering'.
In tegenstelling tot wat cie2 stelt, blijkt niet dat de vordering van eiseres lastens haar laattijdig en dilatoir is. Immers, eiseres is einde 2022 geconfronteerd met een proces-verbaal van taxatie, heeft onmiddellijk een vordering in rechte ingesteld en is vervolgens, ongeveer een jaar later, overgegaan tot het dagvaarden van cie2.
Bovendien moet voor zover als nodig worden vastgesteld dat een laattijdige vordering in beginsel enkel tot de vaststelling kan leiden dat de tussenvordering de berechting van de hoofdvordering niet mag vertragen als bedoeld in artikel 814 van het Gerechtelijk Wetboek. Een dergelijk probleem wordt echter niet opgeworpen door de partijen die betrokken zijn bij de hoofdvordering, en de rechtbank stelt voor zover als nodig vast dat er geen reden is de tussenvordering van eiseres ten aanzien van cie2 op een later ogenblik te behandelen of te hernemen.
Uit de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring van 29 januari 2024 blijkt dat eiseres cie2 in het geding betrekt omdat zij deze partij wat betreft de nagevorderde btw en aanhoren aansprakelijk acht voor haar handelingen als 'exclusieve klantenbeheerder' bij eiseres, evenals in haar hoedanigheid van bestuurder. In die omstandigheden betreft de (huidige) vordering van eiseres geen zogenaamde nieuwe vordering doch wel een gewijzigde vordering die berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd als bedoeld in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek.
De excepties van cie2 worden verworpen.
De rechtbank ontwaart voor het overige geen ambtshalve op te werpen gronden tot niet-ontvankelijkheid van de vorderingen. De vorderingen zijn bijgevolg ontvankelijk.
Hoofd- en tussenvordering van eiseres tegen verweerder en cie3 (akkoord — correctieopgave)
Standpunt (betrokken partijen)
In haar conclusie zet eiseres bij de bespreking van de 'feiten' uiteen dat zij zich 'voorwaardelijk' akkoord heeft verklaard met de correctieopgave, in die zin dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan fiscale fraude. Zij stelt nooit te hebben gefraudeerd en dit nooit te zullen erkennen, waarbij zij aangeeft te goeder trouw te hebben gehandeld en niet wist of kon weten dat er problemen waren met de btw-aangiften. Het akkoord is volgens eiseres louter ingegeven door de wens om een einde te stellen aan de voor haar verlammende situatie.
Eiseres vraagt in het beschikkend gedeelte van haar conclusie om de vordering, voor zover deze is gericht tegen verweerder en cie3, zonder voorwerp te verklaren.
Ter zitting stelt de heer K.D. (vaste vertegenwoordiger van eiseres) dat het akkoord middels de correctieopgave voor eiseres 'een afgesloten verhaal' is, zij dit akkoord niet in vraag wenst te stellen, doch het gaat om een bedrijfseconomische beslissing.
Verweerder stelt dat het akkoord (correctieopgave) door eiseres en cie3 zonder voorbehoud is ondertekend en betaald, en hij vraagt dit akkoord te bekrachtigen.
cie3 sluit zich in wezen aan bij het standpunt van verweerder.
Beoordeling
Een ondertekende correctieopgave met schuldbekentenis is een (fiscaal) akkoord met betrekking tot bepaalde feiten waarvan de partijen de vaststelling aanvaarden, en dit met het oog op de beëindiging van het tussen hen bestaande geschil. Een dergelijk akkoord is in beginsel voldoende tot vaststelling en bewijs van de overtredingen waarop de schuldbekentenis slaat. Een belastingplichtige kan in principe niet terugkomen op een dergelijk akkoord tenzij er sprake zou zijn van wilsgebreken (dwang, dwaling, geweld,...) of van kennelijke reken- of schrijffouten, of klaarblijkelijke vergissingen.
Eiseres stelt in wezen dat zij de correctieopgave van 22 januari 2025 met volledige kennis van zaken heeft ondertekend doch hiermee niet heeft willen aangeven fraude te hebben gepleegd.
In die omstandigheden, en rekening houdend met de voorgelegde gegevens, is er geen sprake van enige wilsgebrek in hoofde van eiseres of van kennelijke reken- of schrijffouten, of duidelijke vergissingen.
Bijgevolg kan eiseres, ook niet impliciet zoals zij tracht te doen in haar conclusie, terugkomen op het akkoord.
Desalniettemin dringen zich hieronder enkele aanvullende vaststellingen op met betrekking tot de in het proces-verbaal van taxatie aangehaalde betrokkenheid van eiseres en cie3 bij fraude, in het bijzonder wat betreft het btw luik.
Met het proces-verbaal van taxatie van 10 december 2024 wordt een geldboete van 200 % nagevorderd ten aanzien van eiseres op grond van artikel 70, §3 van het Btw-wetboek, dat bepaalt:
"Wanneer het invoerdocument dat krachtens artikel 52 moet worden overgelegd, onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van de aard of de hoeveelheid van de ingevoerde goederen, de prijs of het toebehoren ervan, de naam of het adres van degene op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van die belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan 50 EUR.
Die geldboete is hoofdelijk verschuldigd door allen die krachtens artikel 52 gehouden zijn tot voldoening van de belasting. Ze is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtreding als louter toevallig kan worden aangemerkt.
Ingeval een persoon wegens eenzelfde overtreding zowel de in § 1 als de in § 3 bepaalde geldboete oploopt, is alleen de laatste verschuldigd."
In de correctieopgave is de volgende overweging opgenomen over de geldboete:
"Op grond van art. 70, §3 van het btw-wetboek is er een geldboete verschuldigd, welke gelijk is aan het dubbel van de verschuldigde belasting, hetzij 268.692,99 EUR x 2 = 537.385,98 EUR.
Ingevolge beslissing van mevr. Fyens, Adviseur-Generaal van de Bijzondere Belastinginspectie, directie Antwerpen, wordt de boete verminderd tot 10 % zijnde, 26.869,30 EUR.
(...)
Overeenkomstig art. 4, §1 van het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 wordt het totale bedrag van de geldboete afgerond naar de lagere euro of het tiental euro naargelang het kleiner of groter is dan 250 EUR, zijnde: (...) (26.860,00)."
Geen van de partijen legt de beslissing van de adviseur-generaal voor waarbij de geldboete wordt verminderd tot 10 %. Dit is enigszins bevreemdend aangezien verweerder de beslissing tot kwijtschelding van de nalatigheidsintrest, genomen op 17 januari 2025, wel voorlegt.
Het is ook niet duidelijk wanneer de beslissing tot vermindering van de geldboete is genomen.
Evenmin leggen de partijen stukken voor over de onderhandelingen die zijn gevoerd tussen eiseres en/of cie3 en /of verweerder.
Evenwel is het niet zonder belang wanneer en op welke grondslag de beslissing tot vermindering van de geldboete tot 10 % is genomen en op grond van welke rechtsgrondslag. De administratie kan immers geen geldboeten verminderen tot onder
het wettelijk bepaalde minimum tenzij er sprake is van een verzoek tot kwijtschelding van de geldboete als bedoeld in artikel 9 van het Organiek besluit van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen.
Een dergelijk verzoek tot kwijtschelding impliceert evenwel - in beginsel - dat de belastingplichtige de belastingschuld op zich, hier 268.692,99 euro, niet meer betwist.
Uit de correctieopgave kan worden afgeleid dat de beslissing tot vermindering van de geldboete tot 10 % is genomen alvorens eiseres de btw-schuld van 268.692,99 euro heeft erkend.
Dit wijst erop dat de beslissing tot vermindering is genomen op basis van het Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde - en dus niet op basis van artikel 9 van het Organiek besluit van 18 maart 1831 -, wat wordt bevestigd door de correctieopgave zelf aangezien voor de geldboete uitdrukkelijk wordt verwezen naar artikel 4, §1 van het Koninklijk besluit nr. 41 (zie ook artikel 84, derde lid van het Btw-wetboek).
Artikel 1 van het Koninklijk besluit nr. 41 bepaalt onder meer het volgende:
"De schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is bepaald:
(..)
4° voor overtredingen begaan vóór 1 november 1993 in tabel D, en voor overtredingen begaan na 31 oktober 1993 in tabel I van de bijlage bij dit besluit, ten aanzien van overtredingen beoogd in artikel 70, § 3, van hetzelfde Wetboek;
(...)
De in de tabellen A tot J van de bijlage bij dit besluit opgenomen schaal is echter niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken."
Aangezien het overtredingen betreft na 31 oktober 1993 is tabel I van toepassing, en in deze tabel is onder meer het volgende bepaald:
"Het invoerdocument bevat onjuiste vermeldingen ten aanzien van
(…)
2. de prijs of de bij de prijs te voegen kosten
A) Louter toevallige overtredingen: zie tabel G, VIII, 2
B) Andere overtredingen: 50 pct. van de op de handeling verschuldigde belasting zonder dat ze minder dan 50 EUR mag bedragen"
Onder 'louter toevallige overtredingen' moet volgens het Koninklijk besluit (zie onderaan in tabel I) worden verstaan, de onregelmatigheden die te wijten zijn aan onwetendheid, vergissingen of nalatigheid en waarbij aan de goede trouw van de overtreder niet kan worden getwijfeld.
Tabel G, VIII, 2) van het Koninklijk besluit nr. 41 bepaalt het volgende:
"VIII. Overtredingen van de verplichtingen de goederen aan te geven en de belasting te voldoen met naleving van de voorwaarden bepaald in artikel 52 van het Wetboek.
(..)
2. Overtredingen in verband met het bedrag van de belasting die voor de aangegeven goederen verschuldigd is; worden hier inzonderheid bedoeld de vergissingen betreffende:
- de bepaling van de maatstaf van heffing;
- de omrekening in Belgische frank of in euro van de elementen die tot de maatstaf van heffing behoren;
- het tarief van de BTW;
- het bedrag van de verschuldigde belasting
A) Louter toevallige overtredingen
Het bedrag van de bijkomende belasting is:
- minder dan of gelijk aan 1.250 EUR: 5 pct. van de bijkomende belasting
- meer dan 1.250 EUR: 10 pct. van de bijkomende belasting
B) Andere overtredingen.
1° Vergissingen in verband met de vermelding van de prijs of het toebehoren ervan: zie tabel I, 2
2° Andere vergissingen: 50 pct. van de bijkomende belasting."
Uit deze wettelijke bepalingen blijkt dat bij een louter toevallige overtreding met betrekking tot het bedrag van de bijkomende belasting van meer dan 1.250,00 euro, een verminderde geldboete van 10 % wordt opgelegd.
Hoewel de beslissing van de adviseur-generaal niet voorligt, kan uit de chronologie van het dossier, de bewoordingen van de correctieopgave en de voormelde wettelijke bepalingen met afdoende zekerheid worden afgeleid dat de adviseur-generaal een toepassing heeft gemaakt van de voormelde vermindering tot 10 %.
Dit houdt echter ook in dat de adviseur-generaal, die deel uitmaakt van verweerder, van oordeel is dat er geen sprake is van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, zoals aangegeven in het laatste lid van artikel 1 van het Koninklijk besluit nr. 41. Anders zou een vermindering niet mogelijk zijn.
Aldus dringt de vaststelling zich op dat het akkoord middels de correctieopgave geen erkenning inhoudt door eiseres (of cie3) van enige fraude.
De rechtbank ziet geen reden tot verwerping van dit akkoord wegens redenen van openbare orde.
In dat verband merkt de rechtbank voor zover als nodig op dat:
- inzake de verschuldigde invoerrechten (douane) een transactie is afgesloten met de aldaar betrokken partijen (cie3, cie5 en cie7) op basis van artikel 263 algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, wat veronderstelt dat erop dit punt geen fraude voorligt (zie de stukken 26 en 27 van verweerder),
- tot de essentiële elementen van de belasting behoren de aanwijzing van de belastingplichtigen, de belastbare materie, de belastbare grondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstellingen en -verminderingen (vgl. Cass. AR F.23.0037.F, 19 juni 2025), en dus in beginsel niet de inzake btw opgelegde geldboeten,
- uit het proces-verbaal van taxatie blijkt dat de door verweerder geviseerde 'methode' blijkbaar al werd toegepast door cie3 alvorens eiseres is tussengekomen als individueel aansprakelijk vertegenwoordiger (zie bladzijde 26 van het proces-verbaal),
- eiseres een dergelijke methode aanvankelijk nog verdedigbaar achtte doch einde 2019 (einde belastbaar tijdperk) hierover e-mailverkeer heeft gevoerd met het bedrijf cie8 dat een regularisatie vooropstelde (zie bladzijde 27 van het proces-verbaal en de bijlagen 29 en 30 bij het proces-verbaal),
- eiseres, evenals de andere betrokken partijen, hebben meegewerkt met de administratie en niet blijkt dat naderhand nog problemen zijn gerezen.
Bijgevolg dringt de vaststelling zich op dat de vordering van eiseres tegen verweerder en cie3 zonder voorwerp is.
Tussenvordering van eiseres tegen cie2
Eiseres verwijt aan cie2 zware fouten, of herhaaldelijke lichte fouten, in de uitvoering van haar opdracht op basis van een dienstenovereenkomst van 1 februari 2017, in het bijzonder bij het voorbereiden en indienen van de btw-aangiften van cie3. In dat kader is volgens eiseres ook het bestuurdersmandaat van cie2 relevant, blijkbaar vanaf 11 maart 2020, aangezien zij tijdens de fiscale controle gemachtigd was eiseres te vertegenwoordigen.
Zoals aangegeven hebben eiseres en cie3 op 22 januari 2025 een correctieopgave ondertekend voor een totaal bedrag van 295.552,99 euro, met name 268.692,99 euro btw en 26.860,00 euro geldboete (10 %).
In het kader van dit akkoord betaalt eiseres een bedrag van 195.552,99 euro aan verweerder. cie3 betaalt een bedrag van 100.000,00 euro.
Zoals cie2 terecht aanvoert, verduidelijken noch eiseres noch cie3 op concrete wijze de samenstelling van de voormelde betalingen en in het bijzonder wie en in welke mate de btw-schuld en/of de geldboete van 10 % heeft betaald.
Dit is nochtans relevant aangezien in eerste instantie niet kan worden ingezien waarom cie2 een gedeelte van de btw-schuld van 268.692,99 euro zou moeten betalen, een belasting die in principe, althans in eerste orde, verschuldigd is door de eigenlijke belastingplichtige, hier cie3. Deze laatste en eiseres hebben over deze schuld blijkbaar een wederzijds akkoord gesloten doch dit akkoord wordt niet voorgelegd, en het is dus onduidelijk waarom eiseres, zelfs als individueel aansprakelijk vertegenwoordiger, een (dergelijk) gedeelte van de btw-schuld op zich neemt, en evenmin waarom eiseres deze schuld dan zou kunnen doorschuiven naar cie2.
Alleen al om deze reden is de vordering van eiseres ten aanzien van cie2 ongegrond.
Voor zover als nodig merkt de rechtbank wat betreft de geldboete nog op dat hiervoor is vastgesteld dat uit de beslissing tot vermindering van de geldboete tot 10 % in samenhang met de correctieopgave in beginsel voortvloeit dat het gaat over 'louter toevallige overtredingen', met name onregelmatigheden die te wijten zijn aan onwetendheid, vergissingen of nalatigheid en waarbij aan de goede trouw van de overtreder niet kan worden getwijfeld.
In die omstandigheden - en vertrekkend vanuit de hypothese dat in het door eiseres betaalde bedrag van 195.552,99 euro ook een gedeelte geldboete zit, wat zoals hiervoor aangegeven niet zeker is - maakt eiseres niet afdoende aannemelijk dat cie2, zij het als dienstverlener of als bestuurder, fouten heeft gemaakt die in oorzakelijk verband staan met de schade die eiseres meent te hebben geleden.
Tot slot, wat betreft de door eiseres aangevoerde reputatie- en financiële schade (telkens begroot op 1 euro provisioneel), stelt de rechtbank vast dat eiseres niet het minste bewijs voorlegt van dergelijke schade. Daarbij brengt de rechtbank opnieuw in herinnering dat eiseres ervoor heeft gekozen haar geschil op minnelijke wijze af te handelen met verweerder en cie3, en de geldboete in dat kader wegens zogenaamde louter toevallige overtredingen is verminderd tot 10 % .
De vordering van eiseres tegen cie2 is bijgevolg ongegrond.
Overige vorderingen
Aangezien de tussenvorderingen tussen respectievelijk cie2 en cie3, en cie2 en cie4 vrijwaringsvorderingen betreffen, zijn deze in het licht van de bovenstaande vaststellingen eveneens ongegrond.
V. KOSTEN
De kosten van het geding worden omgeslagen, in die zin dat elke partij wordt veroordeeld tot de eigen kosten. Hierbij houdt de rechtbank onder meer rekening met het tijdens de gerechtelijke procedure tussengekomen (nieuwe) proces-verbaal van taxatie, het akkoord middels correctieopgave, het stilzwijgen van eiseres en cie3 over hun onderlinge akkoord, de verworpen excepties van cie2 en de relatie verzekerde/verzekeraar tussen cie2 en cie4.
Het betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van art. 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt II Circ. nr. 2019/C/26 van 15/02/2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).
Beschikkend gedeelte
VI. BESLISSING
De rechtbank,
Rekening houdend met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
In eerste aanleg en op tegenspraak,
Neemt akte van de correctieopgaven van 22 januari 2025, zoals ondertekend door eiseres en cie3,
Verklaart de vorderingen ontvankelijk doch zonder voorwerp of ongegrond,
Veroordeelt elke partij tot de eigen kosten.
Deze beslissing is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 7de kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 23 maart 2026, waar aanwezig waren en zitting namen:
De heer F. van DIEVOET: rechter,
Mevrouw E. AKSU: griffier.
E. AKSU F. van DIEVOET
(…)
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.