Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 23.04.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
HOF VAN BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer
Nr. van de zaak : 2002/AR/1119
Openbare terechtzitting van 23.04.2008
INZAKE VAN :
De NV I. F. A., Hierna afgekort NV IFA, met maatschappelijke zetel te …, … Beg …, BTW …;
appellante,
vertegenwoordigd door Meester F., loco Meester J. D., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van de FOD Financiën, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51 ;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester D., loco Meester A. D., advocaat te …, …,
Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :
De procedurestukken
In deze zaak heeft het hof op 16 januari 2008 een tussenarrest geveld, waarin alle punten van de discussie ten gronde reeds
R. 2008/3177 EINDARREST - kosten
werden beslecht, en waarin een heropening der debatten werd bevolen. enkel voor wat de kosten betreft.
Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 16 januari 2008 voor de uiteenzetting van de feiten en de reeds ten gronde genomen beslissingen, die hier voor herhaald worden geacht.
De kosten
Op 1 januari 2008, d.w.z. nadat onderhavige zaak in beraad werd genomen, is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-KB van 26 oktober 2007 in werking getreden.
Het hof beval terzake een heropening der debatten teneinde partijen toe te laten het correcte bedrag van de door hen gevorderde rechtsplegingvergoeding op te geven.
Ter openbare zitting van het hof van 16 april 2008 verklaarde appellante de rechtsplegingvergoeding in graad van hoger beroep te begroten op het minimumbedrag van … EUR, terwijl geïntimeerde de toepassing van het basisbedrag van … EUR bepleitte.
Op het verzoek van appellante om de rechtsplegingvergoeding te beperken tot het minimumbedrag van … EUR, nu zij naast de hoofdsom tevens gehouden is tot een hoge geldboete en hoge interesten, kan niet worden ingegaan. Het gaat hier immers om door de wet zelf bepaalde geldboete en interesten.
Derhalve dient de rechtsplegingvergoeding in graad van beroep op … EUR te worden vastgesteld.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak,
Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Begroot de kosten op … EUR voor appellante en op … EUR voor geïntimeerde.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 23.04.2008.
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
J. V., alleenzetelend raadsheer,
C. D. N., griffier.
C. D. N. J. V.
HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer
Nr. van de zaak : 2002/AR/1119
Openbare terechtzitting van 16.01.2008
IN ZAKE VAN :
DE NV I. F. A., Hierna afgekort NV IFA, met maatschappelijke zetel te …, … Beg …, BTW …;
appellante,
vertegenwoordigd door Meester G., loco Meester J. D., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van de FOD Financiën, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester A. D., advocaat te …, …,
Door de FOD bijgevoegde beslissing
Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :
Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het tussenarrest van dit hof van 21 februari 2007,
R. 2008/468 Tussenarrest - HDD op 16.04.08 om 10.10 u (10')
waarbij een heropening der debatten werd bevolen, alsook de reeds bij dit tussenarrest geviseerde procedurestukken.
Korte herhaling van de feiten
Appellante werd als BTW-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van transport van goederen, en heeft in de loop van de jaren 1990 en 1991 7 nationale aangiften T 1 voor communautair douanevervoer geldig gemaakt op het douanekantoor Zaventem. Appellante trad op als aangever inzake communautair douanevervoer. Het betrof validatie voor het vervoer van goederen (onderdelen voor landbouwwerktuigen) afkomstig uit Canada (luchtvracht), opgeladen in … (per vrachtwagen) met bestemming …, … werd als douanekantoor van bestemming vermeld.
De goederen werden evenwel niet bij het douanekantoor Luik aangeboden binnen de gestelde termijn van de respectieve doorvoerdocumenten, d. i. 8 dagen na de opmaak ervan. De aangiften T 1 werden evenmin op het douanekantoor Luik, zijnde het kantoor van bestemming, terug ontvangen met de vereiste aftekeningen en verklaringen.
De ontvanger van de administratie der douane en accijnzen te Zaventem heeft appellante in kennis gesteld van de niet- aanzuivering van de T 1-documenten.
Op 22 maart 1993 werden de vaststellingen door de administratie der douane en accijnzen geacteerd in een proces-verbaal, dat op 23 maart 1993 per aangetekend schrijven werd verzonden naar appellante.
Volgens geïntimeerde werd, ingevolge de niet-zuivering van de documenten T 1, de Belgische BTW bij invoer verschuldigd.
Op 20 november 1997 werd de vordering inzake BTW vastgelegd in een proces-verbaal.
Op 27 november 1997 werd op grond van dit proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd dat op 10 december 1997 aan appellante werd opgestuurd. Uit dit dwangbevel blijkt dat appellante aan geïntimeerde verschuldigd was als BTW : … BEF, als boete : … BEF, alsook interesten.
Op 22 december 1997 tekende appellante verzet aan tegen dit dwangbevel en dagvaardde zij geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
Bij het bestreden vonnis van 29 maart 2002 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel het verzet van appellante ontvankelijk, doch ongegrond.
Discussie
a) Wat de beweerde afwezigheid van hoofdelijkheid betreft
a. 1. In hoofdorde meent appellante dat haar taak ophield vanaf het ogenblik dat de goederen zich na de invoer op de luchthaven bevonden. Zij meent dat het vanaf de afhaling van de goederen aan de bestemmeling van de goederen toebehoorde om deze naar het kantoor van bestemming te Luik te brengen, alsmede in te staan voor de validering van de T-documenten, hetgeen niet gebeurd is ingevolge het faillissement van de bestemmeling.
Reeds in zijn tussenarrest van 21 februari 2007 stelde het hof ondubbelzinnig dat het daarmee niet kan instemmen. Het preciseerde dat geïntimeerde terecht verwijst naar art. 8 van het KB nr. 7 van 27 december 1977 (en niet 1997, zoals ten onrechte werd vermeld door de eerste rechter) met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de BTW, dat bepaalt dat "de geadresseerde, de aangever en diens lasthebber hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de belasting". In casu is het onbetwistbaar dat appellante is opgetreden als aangever.
De argumenten die appellante inroept om aan deze hoofdelijke gehoudenheid te ontsnappen falen alle naar recht.
Het eerste argument van geïntimeerde terzake, nl. dat in de wet nergens een bepaling voorkomt die vooropstelt dat de aangever bij de doorvoer van niet-communautaire goederen hoofdelijk gehouden is de Belgische BTW te betalen, nu deze hoofdelijkheid enkel zou zijn voorzien ingeval van invoer of het in het vrije verkeer brengen van goederen, werd reeds afgewezen in het tussenarrest van het hof van 21 februari 2007.
Ook het argument dat appellante ter openbare zitting van het hof van 11 januari 2007 ontwikkelde, en waaromtrent een heropening der debatten werd bevolen in het tussenarrest van 21 februari 2007, nl. dat er in casu geen wettelijke basis voorhanden is voor de hoofdelijkheid, nu voormeld KB nr. 7 een volmachtsbesluit is dat - vanuit het oogpunt van de hiërarchie der rechtsnormen - geenszins kan worden gelijkgesteld met een wet, kan het hof niet bijtreden. Terecht verwijst appellante naar art. 1202 B.W. volgens hetwelk de hoofdelijkheid niet wordt vermoed, maar krachtens een wet moet worden ingevoerd. In dat verband verwijst geïntimeerde terecht naar art. 51, § 5 (oud) W.BTW dat letterlijk het volgende bepaalt : "Ten aanzien van de goederen die in entrepot zijn opgeslagen of die zijn ingevoerd onder een regeling van tijdelijke vrijstelling van belasting, geeft de Koning de regelen voor de heffing van de belasting die opeisbaar wordt door het niet naleven van de voorwaarden gesteld voor de vrijstelling, en wijst Hij die personen aan die tot de betaling van die belasting zijn gehouden". In uitvoering van deze bepaling wijst voormeld KB nr. 7 in zijn art. 8 de personen aan die tot de betaling van de belasting zijn gehouden.
a. 2. In ondergeschikte orde, in de hypothese dat het hof van oordeel zou zijn dat zij alsnog hoofdelijk gehouden zou zijn, beroept appellante zich op art. 31 van de Verordening 2726/90, volgens hetwelk "de borg gezuiverd is van zijn verplichtingen na afloop van 12 maanden te rekenen van de dag van geldig making van de aangifte T 1, indien hij niet door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vertrek in kennis is gesteld van de niet-zuivering van het document T 1".
Ook dit argument van appellante, waaromtrent eveneens een heropening der debatten werd bevolen in het tussenarrest van 21 februari 2007, dient te worden afgewezen, nu appellante in deze niet in de hoedanigheid van borg, maar als aangever inzake communautair douanevervoer wordt aangesproken, terwijl de Kredietbank als borg optrad.
Derhalve kan appellante zich niet beroepen op voormeld art. 31 teneinde te worden ontslagen van haar verplichtingen.
b) Wat de beweerde verjaring betreft
Appellante verwijst naar de artikelen 81 en 85, § 2 W.BTW volgens dewelke de vordering tot voldoening van de BTW verjaart door verloop van 5 jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan, en de verjaring wordt gestuit ten gevolge van de kennisgeving van het dwangbevel. In deze dateert de kennisgeving van het dwangbevel van 9 december 1997, daar waar de laatste datum, waarop de geldigheidsduur T 1 verstreken is, dateert van 23 maart 1991. Derhalve meent appellante dat de vordering volgend uit het dwangbevel verjaard is. Appellante meent dat art. 2248 B.W. in casu geen toepassing vindt, nu er geen hoofdelijkheid geldt tussen de bestemmeling en de aangever bij doorvoer van goederen.
Nu er wel degelijk sprake is van een hoofdelijke gehoudenheid van de aangever (zie onder a) hiervoor), verwijst geïntimeerde met reden naar het schrijven van 8 januari 1993, dat de bestemmeling van de ingevoerde goederen, de heer L. M., die na de invoer van deze goederen failliet werd verklaard, aan de ontvanger der douane en accijnzen te Zaventem richtte. In dit schrijven verklaarde de bestemmeling uitdrukkelijk verantwoordelijk te zijn voor de betaling van de rechten, BTW en alle boeten die voortkomen uit de niet-aanbieding van de T 1-documenten bij de douane van het kantoor van bestemming. Terecht stelt geïntimeerde dat deze brief moet worden aangemerkt als een schulderkenning in de zin van art. 2248 B.W. Verder werd de verjaring opnieuw gestuit door het opnemen door de curator in het passief van het faillissement van de schuldvordering die de ontvanger van de douane en accijnzen te Zaventem voor de toepassing van de BTW op 8 februari 1993 had ingediend bij de rechtbank van koophandel te Eupen.
Nu de geadresseerde en de aangever inzake communautair douanevervoer hoofdelijke schuldenaars zijn, stuit de ingebrekestelling van eerstgenoemde (de bestemmeling) ook de verjaring in hoofde van de aangever (appellante) overeenkomstig art. 2249, lid 1 B.W.
c) Wat de beweerde toepassing van art. 2037 B.W. betreft
Appellante verwijst naar art. 2037 B.W., dat bepaalt dat de borg ontslagen is wanneer hij door toedoen van de schuldeiser niet meer in de rechten, hypotheken en voorrechten van die schuldeiser kan treden. In casu werden de ingevoerde goederen door toedoen van de administratie der douane en accijnzen vrijgegeven, volgens appellante volledig te haren nadele, nu door dit verdwijnen van het onderpand de subrogatie vanwege haar onmogelijk of ten minste minder efficiënt werd. Derhalve meent appellante dat zij ten onrechte toch nog als wettelijke borg wordt aangesproken teneinde de niet-betaalde BTW te voldoen.
Met reden wijst geïntimeerde erop dat uit de door een werknemer van appellante ondertekende T 1-documenten blijkt dat de betreffende goederen vanuit Zaventem bij middel van een vrachtwagen met nummerplaat … de grens zouden overschrijden naar Luxemburg, en dat dit bezwaarlijk als een fout of verantwoordelijkheid van de administratie der douane en accijnzen kan worden beschouwd.
d) Wat de gevraagde prejudiciële vraagstelling omtrent de beweerde ongelijke behandeling van de hoofdelijk gehouden aangever betreft
Ter openbare terechtzitting van het hof van 11 januari 2007 verklaarde appellante uitdrukkelijk afstand te doen van haar tweede voorgestelde prejudiciële vraag omtrent de rechterlijke onafhankelijkheid, en zich bijgevolg te beperken tot haar eerste voorgestelde prejudiciële vraag omtrent de beweerde ongelijke behandeling van de hoofdelijk gehouden aangever betreft.
Het hof gaat evenwel met geïntimeerde akkoord dat er geen reden bestaat om de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. De vermeende ongelijke behandeling van de aangever vloeit immers voort uit communautaire verplichtingen, meer bepaald uit de Verordening (EEG) nr. 222/77 van de raad van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1976, herzien in de Verordening (EEG) nr. 2726/90 van de raad van de Europese Gemeenschappen van 17 september 1990. Overigens is appellante een inzake aangifte gespecialiseerd kantoor en vloeit uit het certificaat van borgtocht (zijnde stuk 14 van geïntimeerde) voort dat zij wel degelijk van in den beginne op de hoogte was van de mogelijke hoofdelijkheid in hoofde van de aangever.
e) Wat de vordering van appellante uit hoofde van tergend en roekeloos geding betreft
Ten slotte vraagt appellante geïntimeerde te veroordelen tot het betalen aan haar van de som van … EUR hoofdens schadevergoeding hoofdens tergend en roekeloos geding.
Met reden wijst geïntimeerde erop dat een vordering tot vergoeding van schade wegens tergend en roekeloos geding slechts kan worden toegekend wanneer het bewijs geleverd is dat de andere partij bewust schade heeft willen berokkenen aan de partij die de vergoeding vordert en dat dit bewijs terzake geenszins is geleverd.
Derhalve dient het hoger beroep van appellante te worden afgewezen.
f) Wat de kosten betreft
Op 1 januari 2008, d.w.z. nadat onderhavige zaak in beraad werd genomen, is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-KB van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit KB vinden toepassing op onderhavige zaak.
Teneinde partijen toe te laten het correcte bedrag van de door hen gevorderde rechtsplegingvergoeding op te geven, meent het hof dat het aangewezen is om tot een heropening der debatten over te gaan.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk, doch ongegrond;
Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep;
Beveelt de heropening der debatten ter openbare terechtzitting van 16 april 2008 om 10.10 uur (10') om de hiervoor aangehaalde reden.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 16.01.2008.
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
J. V., alleenzetelend rechter,
C. D. N., griffier.
C. D. N. J. V.
HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer
Nr. van de zaak : 2002/AR/1119
Openbare terechtzitting van 21.02.2007
IN ZAKE VAN :
De NV I. F. A., hierna afgekort NV IFA, met maatschappelijke zetel te …, … Beg 706-7325, BTW … ;
appellante,
vertegenwoordigd door Meester G., loco Meester J. D., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van de FOD Financiën, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51 ;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester A. D., advocaat te …, …,
Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :
Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de vierentwintigste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op tegenspraak gewezen op
R.2007/1406 Tussenarrest - H.D.D. op 13.06.2007 om 11 u (40')
29 maart 2002 (A.R. nr. 98/610/A), waarvan geen betekeningakte voorligt en waartegen door appellante een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 10 mei 2002.
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.
Het vonnis verklaarde het verzet van appellante tegen het aan haar betekende dwangbevel ontvankelijk, doch ongegrond.
Dit verzet was op 22 december 1997 aangetekend bij gerechtsdeurwaarderexploot met dagvaarding van geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
Het verzet strekte ertoe de vordering krachtens het dwangbevel uitgevaardigd op 27 november 1997 en aan appellante aangetekend opgestuurd op 10 december 1997 te doen opheffen, minstens te horen schorsen; geïntimeerde te horen veroordelen om binnen de 24 uren na de uitspraak van het vonnis vrijwillig opheffing te verlenen en, bij gebreke daaraan, voor recht te stellen dat het vonnis als opheffing zou gelden; geïntimeerde te horen veroordelen tot het betalen aan appellante van de som van … BEF hoofdens schadevergoeding hoofdens tergend en roekeloos geding.
De feiten
Appellante werd als BTW-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van transport van·goederen, en heeft in de loop van de jaren 1990 en 1991 7 nationale aangiften T 1 voor communautair douanevervoer geldig gemaakt op het douanekantoor Zaventem. Appellante trad op als aangever inzake communautair douanevervoer. Het betrof validatie voor het vervoer van goederen (onderdelen voor landbouwwerktuigen) afkomstig uit Canada (luchtvracht), opgeladen in Zaventem (per vrachtwagen) met bestemming …. Luik werd als douanekantoor van bestemming vermeld.
De goederen werden evenwel niet bij het douanekantoor Luik aangeboden binnen de gestelde termijn van de respectieve doorvoerdocumenten, d. i. 8 dagen na de opmaak ervan. De aangiften T 1 werden evenmin op het douanekantoor Luik, zijnde het kantoor van bestemming, terug ontvangen met de vereiste aftekeningen en verklaringen.
De ontvanger van de administratie der douane en accijnzen te Zaventem heeft appellante in kennis gesteld van de niet-aanzuivering van de T 1-documenten.
Op 22 maart 1993 werden de vaststellingen door de administratie der douane en accijnzen geacteerd in een proces-verbaal, dat op 23 maart 1993 per aangetekend schrijven werd verzonden naar appellante.
Volgens geïntimeerde werd, ingevolge de niet-zuivering van de documenten T 1, de Belgische BTW bij invoer verschuldigd.
Op 20 november 1997 werd de vordering inzake BTW vastgelegd in een proces-verbaal.
Op 27 november 1997 werd op grond van dit proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd dat op 10 december 1997 aan appellante werd opgestuurd. Uit dit dwangbevel blijkt dat appellante aan geïntimeerde verschuldigd was als BTW : … BEF, als boete : … BEF, alsook interesten.
Op 22 december 1997 tekende appellante verzet aan tegen dit dwangbevel en dagvaardde zij geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
Bij het bestreden vonnis van 29 maart 2002 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel het verzet van appellante ontvankelijk, doch ongegrond.
Discussie : Wat de beweerde afwezigheid van hoofdelijkheid betreft
1. In hoofdorde meent appellante dat haar taak ophield vanaf het ogenblik dat de goederen zich na de invoer op de luchthaven bevonden. Zij meent dat het vanaf de afhaling van de goederen aan de bestemmeling van de goederen toebehoorde om deze naar het kantoor van bestemming te … te brengen, alsmede in te staan voor de validering van de T-documenten, hetgeen niet gebeurd is ingevolge het faillissement van de bestemmeling.
Het hof kan hiermee niet instemmen. Terecht verwijst geïntimeerde naar art. 8 van het KB nr. 7 van 27 december 1977 (en niet 1997, zoals ten onrechte werd vermeld door de eerste rechter) met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de BTW, dat bepaalt dat "de geadresseerde, de aangever en diens lasthebber hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de belasting". In casu is het onbetwistbaar dat appellante is opgetreden als aangever.
Om aan deze hoofdelijke gehoudenheid te ontsnappen, stelt appellante vooreerst dat in de wet nergens een bepaling voorkomt die vooropstelt dat de aangever bij de doorvoer van niet-communautaire goederen hoofdelijk gehouden is de Belgische BTW te betalen, nu deze hoofdelijkheid enkel zou zijn voorzien ingeval van invoer of het in het vrije verkeer brengen van goederen.
Het voornoemde KB nr. 7 heeft evenwel niet alleen betrekking op de invoer, maar ook op de doorvoer van goederen, zoals blijkt uit art. 12 van dit KB. Deze bepaling voert - onder de inzake douane gestelde voorwaarden - een vrijstelling van belasting in voor de invoer van goederen die worden geplaatst onder een douaneregeling inzake doorvoer, entrepot of tijdelijke opslag. Ten onrechte stelt appellante dat, indien aan de inzake douane gestelde voorwaarden niet is voldaan, de vrijstelling wegvalt, maar men in een juridisch vacuüm terechtkomt nu het KB nr. 7 nergens zou bepalen dat het in dat geval om een gewone invoer zou gaan. Terzake verwijst geïntimeerde met reden naar de niet coherente houding van appellante, die wel degelijk de invoerrechten heeft betaald zonder enig voorbehoud, maar thans weigert de BTW te betalen.
Daarnaast is er het argument van appellante dat er in casu geen wettelijke basis voorhanden is voor de hoofdelijkheid, nu voormeld KB nr. 7 een volmachtsbesluit is dat - vanuit het oogpunt van de hiërarchie der rechtsnormen - geenszins kan worden gelijkgesteld met een wet.
Dit argument werd door appellante ontwikkeld ter openbare zitting van het hof van 11 januari 2007. Hoewel hem ter zitting de kans werd geboden om te repliceren, ging geïntimeerde niet verder in op dit argument van appellante. Het hof acht het aangewezen terzake een heropening der debatten te bevelen.
2. In ondergeschikte orde, in de hypothese dat het hof van oordeel zou zijn dat zij alsnog hoofdelijk gehouden zou zijn, beroept appellante zich op art. 31 van de Verordening 2726/90, volgens hetwelk "de borg gezuiverd is van zijn verplichtingen na afloop van 12 maanden te rekenen van de dag van geldig making van de aangifte T 1, indien hij niet door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vertrek in kennis is gesteld van de niet-zuivering van het document T 1".
Het hof stelt vast dat appellante op pagina 3 van haar beroepsbesluiten stelt dat "de ontvanger van de administratie der douane en accijnzen te Zaventem appellante in kennis heeft gesteld van de niet-aanzuivering van de T 1-documenten", zonder te preciseren wanneer dit juist is gebeurd, laat staan daarvan de nodige bewijzen voor te leggen.
Uit het schrijven van de vroegere raadsman van appellante van 22 februari 1993 (zie stuk nr. 9 van appellante) blijkt dat er wel degelijk contacten en/of ontmoetingen hebben plaatsgevonden tussen de administratie der douane en accijnzen en de verantwoordelijken van appellante. Precieze data terzake ontbreken.
Nu uit geen enkel van de door partijen neergelegde stukken blijkt wanneer appellante precies in kennis werd gesteld van de niet-aanzuivering van de T 1-documenten, komt het hof aangewezen voor om ook op dit punt tot een heropening der debatten over te gaan.
OM DEZE REDENEN,
HE T HOF, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk;
Alvorens ten gronde recht te spreken, beveelt een heropening der debatten op de zitting van 13 juni 2007 om 11.00 u (40') teneinde partijen toe te laten over voormelde twee kwesties standpunt in te nemen en desgevallend daarover aanvullend te concluderen;
Houdt de kosten aan ;
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 21.02.2007
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
J. V., alleenzetelend raadsheer,
C. D. N., griffier.
C. D. N. J. V.
NR. 177
24ste KAMER
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL
A.R. : 98/610/A
VERZET TEGEN DWANGBEVEL
EINDVONNIS OP TEGENSPRAAK
IN DE ZAAK :
de NV I. F. A. (I.F.A.), met maatschappelijke zetel te …, … Beg …;
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. I. P. loco mrs. J. D. en E. G., advocaten te …, …;
tegen :
de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer minister van Financiën, met kabinet te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51;
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. V. L., loco mr. A. D., advocaat te …, …;
In deze zaak in beraad genomen op 14 maart 2002 spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :
Gelet op de door de wet vereiste procedurestukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder :
- de gedinginleidende dagvaarding, betekend op 22 december 1997 door mr. d. M., gerechtsdeurwaarder met standplaats te Vilvoorde,
- de conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie op 28 augustus 1998,
- de aanvullende conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie op 6 december 1999,
- de tweede aanvullende conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie op 19 april 2001,
- de syntheseconclusie van eiseres, neergelegd ter griffie op 14 november 2001,
- de besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 29 mei 1998,
- de eerste aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 11 oktober 1999,
- de tweede aanvullende conclusie van verweerder, neergelegd ter griffie op 7 september 2000,
- de synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 19 oktober 2001,
Gehoord de advocaten ter zitting van 4 januari 2002 en van 14 maart 2002 in hun pleidooien;
Gezien de neergelegde dossierstukken;
1. De procedure
Inzake werd een verzet tegen een dwangbevel aangetekend door de NV I.F.A. International Freight Agency tegen de Belgische Staat - Administratie van de BTW. Het verzet strekt ertoe de voornoemde vordering krachtens het dwangbevel te doen opheffen, minstens te schorsen. Tevens vordert men de veroordeling om binnen de 24 uren na de uitspraak van het te wijzen vonnis vrijwillig opheffing te verlenen, en bij gebreke hieraan, voor recht te stellen dat het vonnis als opheffing zal gelden. Tenslotte vordert men de veroordeling van de Belgische Staat tot het betalen aan aanlegster van een som van … BEF (€ …) als schadevergoeding en dit wegens tergend en roekeloos geding.
2. De feiten
De heer L. M. liet verschillende onderdelen voor landbouwwerktuigen vanuit Canada invoeren via internationaal luchtvervoer hetwelk diende te passeren via het douanekantoor Zaventem D. Aanlegger stelt dat het een vervoer betrof van één plaats in de Gemeenschap naar een andere plaats van niet communautaire goederen.
Volgens aanlegger houdt de regeling van extern communautair douanevervoer in dat het vervoer van goederen onder douane van de ene plaats naar de andere plaats van de E.G. geschiedt onder geleide van één enkel douanedocument, het T 1 document.
Volgens aanlegger wordt het T 1 document afgegeven door middel van een aangifte in het kantoor van vertrek, in casu Zaventem. Dit kantoor bepaalt dan de termijn waarbinnen de goederen met het document aan het kantoor van bestemming dienen te worden gebracht, in casu Luik. De regeling zou dan eindigen wanneer de goederen met het toebehorende document bij de douane worden aangebracht op het kantoor van bestemming. Dit kantoor dient dan één exemplaar van het document terug te zenden naar het kantoor van vertrekt. Wanneer dit document aankomt op het kantoor van vertrek zou het T 1 document gezuiverd zijn.
Aanlegger stelt dat hij optrad als aangever inzake communautaire douane vervoer, en dit te … - …. Volgens aanlegger berustte de verantwoordelijkheid voor de zuivering volledig bij de bestemmeling en diende die er voor te zorgen dat het T 1 document aangebracht werd op het kantoor van bestemming, namelijk ….
Aanlegger stelt voorts dat hij de nodige documenten tijdig opstelde en dit teneinde er de nodige aftekeningen en verklaringen op te doen aanbrengen in het kantoor van bestemming te ….
De heer M. blijkt zich niet van deze taak gekweten te hebben, met als resultaat dat de administratie van douane en accijnzen aanlegster in haar hoedanigheid van wettelijke borg heeft aangesproken tot betaling van de achterstallige BTW evenals tot de gevorderde boeten en interesten. Dit gebeurde via het dwangbevel.
Verweerder voor wat hem betreft stelt dat de invordering van de invoerrechten en andere belastingen wegens de niet-zuivering van T-documenten geregeld is in art. 36 van de E.E.G. verordening nr. 2726/90 van de Raad van 17 september 1990 en plaatsvindt volgens de nationale bepaling.
Bij niet-aanzuivering van de doorvoerdocumenten vindt art. 257 par. 1 van de algemene wet inzake douane en accijnzen toepassing. De ontvanger van de administratie van douane en accijnzen te Zaventem heeft aanlegster in kennis gesteld van de niet-aanzuivering van de T-documenten.
Verweerder argumenteert voorts dat de vaststellingen door de administratie der douane en accijnzen geacteerd werd in een proces-verbaal van 22 maart 1993, per aangetekend schrijven verzonden op 23 maart 1993 naar aanlegster.
Verweerder stelt voorts dat ingevolge de niet-zuivering van de documenten T 1 de Belgische BTW bij invoer verschuldigd is en dit overeenkomstig de artikelen 3 (oud), 24 (oud) en 51 (oud) van het W.BTW, alsmede op grond van art. 12 van het KB nr. 7 van 27 december 1977.
De vordering inzake BTW werd uiteindelijk vastgelegd in een proces-verbaal opgesteld op 20 november 1997 door A. V., adjunct-controleur verbonden aan het controlekantoor te …. Het is dan precies op grond van dat proces-verbaal dat op 27 november 1997 een dwangbevel uitgevaardigd werd op 9 december 1997, hetwelk dan conform art. 85 par. 1 W.BTW aan aanlegster werd betekend.
Uit dat dwangbevel resulteert dan dat aanlegster aan de Belgische Staat verschuldigd is wat volgt:
| BEF | € | |
| BTW | … | … |
| Boete | … | … |
| Interesten | p.m. | p.m. |
| Moratoire interesten | p.m. | p.m. |
Aanlegster is een andere mening toegedaan. Op 22 december 1997 tekent zij verzet aan tegen het dwangbevel en dagvaardt zij de Belgische Staat voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. Vermits elkeen bij zijn standpunt blijft, dient de procedure verder gezet te worden.
3. In rechte
In rechte dient deze zaak als volgt benaderd te worden :
a) Aanlegster stelt dat de vordering verjaard is. Zij verwijst daarvoor naar art. 81 BTW en naar art. 85 par. 2 BTW. Zij argumenteert dat de vordering volgend uit het betreffende dwangbevel reeds meer dan twee jaar verjaard is.
De rechtbank deelt deze mening niet. Volgens haar werd de verjaringstermijn van respectieve vorderingen van de BTW op een geldige manier gestuit. Immers op 8 januari 1993 richtte de heer M. L. een brief naar de Ontvanger der Douane en Accijnzen te Zaventem, waaruit onder meer resulteert wat volgt :
"... Ondergetekende M. L., …, …, …, gaat de verbintenis aan de definitieve aangifte gestaafd met alle vereiste bescheiden in te ruilen, ter aanzuivering van hogervermelde T-documenten. Ik verklaar hierbij ook dat alle goederen door mijzelf of door mijn werknemers werden afgehaald op de luchthaven (BRUCARGO). Ik ben dan ook verantwoordelijk voor de betaling van de rechten, BTW en alle boetes die voortkomen uit het niet aanbieden van de T-documenten bij de douane van het kantoor van bestemming…”.
Volgens de rechtbank dient deze brief wel degelijk, en dit conform art. 2248 B.W., beschouwd te worden als een schulderkenning.
Conclusie : de vordering is niet verjaard.
b) Kan inzake toepassing gemaakt worden van artikel 2037 B.W.?
Dit artikel luidt als volgt :
"De borg is ontslagen wanneer hij door toedoen van de schuldeiser niet meer in de rechten, hypotheken en voorrechten van de schuldeiser kan treden".
De rechtbank meent dat de analyse van aanlegster terzake onjuist is. Er mag niet uit het oog verloren worden dat de heer M. L. expliciet verklaarde dat hij alle goederen zelf of door zijn werknemers heeft opgehaald op de luchthaven en zich verantwoordelijk stelde voor de betalingen (rechten, BTW + boetes) tengevolge van het niet aanbieden van de T-documenten bij de douane van het kantoor van bestemming.
Uit de T 1-documenten ondertekend door een werknemer van aanlegster - resulteert dat de betreffende goederen vanuit Zaventem bij middel van een vrachtwagen met nummerplaat … de grens zouden overschrijden naar …. De rechtbank meent dan ook dat op basis van het hoger vermelde de administratie geen fout treft, en dat art. 2037 B.W. op haar niet kan gerepercuteerd worden !
c) Na een grondige analyse van het dossier meent de rechtbank dat verweerder terecht toepassing maakt van de artikelen 3 (oud), 24 par. 1 en par. 2 (oud) en 51 (oud) van het W.BTW, en van het KB nr. 7 van 27 december 1977, art. 8 en art. 12.
Deze luiden als volgt :
Artikel 3. De invoer van goederen, door wie ook, is eveneens aan de belasting onderworpen.
Artikel 24 (gewijzigd bij de artikelen 13 van de wet van 27 december 1977, 1 van de wet van 4 juli 1986, 113 van de wet van 22 december 1989 en 56 van de wet van 28 juli 1992). § 1. Bij invoer vindt het belastbaar feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van het binnenkomen van het goed op het grondgebied zoals bepaald bij artikel 23.
§ 2. Indien de goederen overeenkomstig het bepaalde in artikel 40, § 1, 1° van het Wetboek, onder een regeling inzake doorvoer of entrepot worden geplaatst, vindt het belastbaar feit eerst plaats en wordt de belasting eerst verschuldigd op het tijdstip waarop de goederen op regelmatige wijze aan die regeling worden onttrokken en ten verbruik worden aangegeven. Hetzelfde geldt wanneer de goederen bij de invoer overeenkomstig de douanewetgeving bij de douane worden aangebracht en eventueel in tijdelijke opslag worden geplaatst.
Artikel 51 (gewijzigd bij artikel 116 van de wet van 22 december 1989). § 1. Ten aanzien van de belasting verschuldigd ter zake van invoer, stelt de Koning de voorwaarden waaronder de goederen op het grondgebied van het Rijk mogen worden gebracht en schrijft Hij onder meer de verplichting voor ze op de door Hem te bepalen wijze aan te geven.
De Koning wijst aan op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan, en wie voor deze voldoening aansprakelijk is; Hij bepaalt het tijdstip waarop de belasting moet worden voldaan en de formaliteiten die daarbij moeten worden nagekomen.
§ 2. Er is overtreding van de verplichting de belasting te voldoen wanneer de goederen op het grondgebied van het Rijk worden gebracht zonder dat ze zijn aangegeven of, meer algemeen, zonder dat de ter uitvoering van § 1, eerste lid, gegeven regelen zijn nageleefd.
Bij invoer of poging tot invoer zonder aangifte kunnen de goederen en de ervoor gebezigde vervoermiddelen, in de gevallen en overeenkomstig de regelen inzake invoerrecht, in beslag genomen worden en, voor zover zij niet voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 9 en 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, verbeurdverklaard en vervolgens verkocht of teruggegeven worden, ook al zijn die goederen wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen; de genoemde regelen vinden eveneens toepassing voor de schadeloosstelling van de persoon wiens goederen onrechtmatig in beslag zijn genomen. De inbeslagneming, de verbeurdverklaring, de verkoop of de teruggaaf worden verricht door of op verzoek van de Administratie der douane en accijnzen of de Administratie van de BTW, registratie en domeinen.
§ 3. Wanneer de regelmatig op het grondgebied van het Rijk gebrachte goederen onder douanetoezicht zijn en niemand de aangifteformulieren komt voleindigen, kan de Administratie der douane en accijnzen over die goederen beschikken overeenkomstig de regelen inzake invoerrecht, ook al zijn de goederen wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen.
§ 4. Wanneer de levering door de persoon op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting regelmatig is voldaan en, eventueel, de daaropvolgende leveringen gepaard gaan met de verzending van het goed van het buitenland naar een plaats in België, dan worden die leveringen in afwijking van artikel 16 geacht hier te lande te zijn verricht.
§ 5. Ten aanzien van goederen die in entrepot zijn opgeslagen of die zijn ingevoerd onder een regeling van tijdelijke vrijstelling van de belasting, geeft de Koning de regelen voor de heffing van de belasting die opeisbaar wordt door het niet naleven van de voorwaarden gesteld voor de verkrijging van de vrijstelling, en wijst Hij die personen aan die tot de betaling van die belasting zijn gehouden.
Koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1997 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.
(Uitvoering van de artikelen 3, 23, 24, 34, 40, 50, 51 en 52 van het Wetboek).
Artikel 8 (gewijzigd bij artikel 6 van het Koninklijk Besluit van 29 juni 1984). De geadresseerde, de aangever en dienst lastgever, zijn hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting.
De aangever en dienst lastgever zijn ontheven van die verplichting wanneer de belasting moet worden voldaan op de wijze aangeduid in de artikelen 6, § 3, en 7, in hoofde van een andere persoon die als geadresseerde optreedt.
Artikel 12 De invoer van goederen die worden geplaatst onder een douaneregeling inzake doorvoer, entrepot of tijdelijke opslag, is geheel van de belasting vrijgesteld onder de inzake douane gestelde voorwaarden, ook al gaat het om goederen die wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen zijn.
d) Is aanlegster hoofdelijk gehouden ?
De rechtbank meent hierop affirmatief te moeten antwoorden. De ganse argumentatie terzake ontwikkeld door aanlegster weerstaat niet aan art. 8 van het KB nr. 7 van 27 december 1977, hetwelk expliciet de hoofdelijkheid jegens de aangever weerhoudt.
e) Met betrekking tot de door aanlegster geformuleerde prejudiciële aanvragen :
De rechtbank meent dat er geen aanleiding is om over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen als zijnde ongegrond.
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals gewijzigd,
Rechtsprekend na tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig,
Verklaart het verzet van aanlegster ontvankelijk doch ongegrond,
Wijst haar er dan ook van af en veroordeelt haar tot de integraliteit van de kosten. Deze worden begroot in hoofde van verweerder op € … (RPV) en in hoofde van aanlegger op € … (€ … dagvaarding + € … RPV),
Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en met uitsluiting van borgstelling en kantonnement,
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 24ste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, op 29 maart 2002, waar aanwezig waren en zitting namen :
de heer J. G. P., alleenzetelend rechter,
mevrouw T. C., afgevaardigd adjunct-griffier;
(… nietige lijnen en … nietige woorden)
T. C. J. G. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.