Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 15.12.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :
Zitting van : 15/12/2009
In zake : 2008/AR/2477
Y. C. H. VZW, met zetel te … (…), …;
appellante,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 30 juni 2008;
vertegenwoordigd door Meester J. S., advocaat te …, …;
tegen :
1. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;
2. de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, op benaarstiging van. de rekenplichtige Ontvanger van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;
geïntimeerden,
vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 30 juni 2008 door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 september 2008;
Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;
1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep
1.1. De VZW Y. C. H. (voorheen VZW H. W. V.), appellante, is een watersportvereniging die sinds 8 februari 1971 geregistreerd is als BTW-plichtige voor beheer en exploitatie van sportcentra onder het nummer BE … en is uit hoofde van haar economische activiteit onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.
Zij diende dan ook kwartaalaangiften in.
1.2. Op 5 november 2004 werd door de heer L. G., verificateur bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Sector BTW, verbonden aan het Vijfde BTW-controlekantoor Antwerpen, een controle verricht met betrekking tot de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2003.
Ter gelegenheid van de uitgevoerde controle werd vastgesteld dat appellante tijdens de voormelde periode bepaalde handelingen, en meer bepaald de berging van boten en het onder bezwarende titel in concessie geven van een drankgelegenheid, niet aan de BTW heeft onderworpen en dat appellante zich niet kon beroepen op de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 3°, W.BTW, die niet geldt voor het ter beschikking stellen van ligplaatsen, evenmin als voor de winterberging van boten.
Van voormelde vaststellingen werd proces-verbaal opgesteld. Een eensluidend afschrift hiervan werd aan appellante overgemaakt bij aangetekende brief van 21 december 2004.
Volgens het proces-verbaal is appellante volgende bedragen ingevolge de niet aangifte van belastbare handelingen verschuldigd :
- verschuldigde BTW : 21.445,65 EUR
- verminderde proportionele geldboete : 4.280,00 EUR
- de wettelijke interesten overeenkomstig artikel 91, § 1, W.BTW vanaf 21 januari 2004.
Op 23 december 2004 werd door de heer R. D. V., rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen 2, een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 23 december 2004 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door B. V., eerstaanwezend inspecteur a.i. van de BTW-controle te Antwerpen 5.
Dit dwangbevel werd samen met het proces-verbaal van 21 december 2004 aan appellante op 15 februari 2005 betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder L. V., met standplaats te ….
1.5. Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 13 april 2005 vordert appellante de nietigverklaring van het dwangbevel van 23 december 2004, het zeggen voor recht dat dit dwangbevel - evenals de latere vervolgingsakten voor de inning van de in dwangbevel gevorderde sommen - geen enkel gevolg zullen sorteren, alsook het bevelen van de opheffing van het uitvoerend beslag op roerende goederen dat op 21 maart 2005 krachtens het litigieus dwangbevel werd betekend.
1.6. Het bestreden vonnis uitgesproken door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 30 juni 2008 oordeelt vooreerst dat het proces-verbaal meer dan voldoende gemotiveerd is in de zin van de Wet van 29 juli 1991 ter zake van motivering van bestuurshandelingen. Verder stelt de eerste rechter dat de berging van "rijtuigen", te dezen vaartuigen in de zin van voertuigen, onder de toepassing van artikel 18, § 1, 8°, Wetboek BTW valt. Er is geen sprake van vrijstelling bij artikel 44, § 2, 3°, Wetboek BTW (diensten door exploitanten van sportinrichtingen en (door) inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of sport doen).
Ten aanzien van appellante is nooit tevoren controle geschied wat betreft dit punt van berging. Appellante onderbouwt ook niet hoe zij "redelijkerwijze zou hebben kunnen aannemen" dat er niet belastbaarheid was dan wel vrijstelling bestond. De concessie van de drankgelegenheid vormt zowel op zich een belastbare handeling als ook nog naast de belastbare handelingen van stalling. Of appellante recht op aftrek had, en of ze het heeft uitgeoefend, staat niet ter discussie. De boete is wettelijk in beginsel 200 %, zulks van rechtswege. Krachtens de modulering van het Koninklijk Besluit nr. 41 inzake BTW is te dezen slechts 10 % toegepast. Deze tot 1/20 van de wettelijke norm herleide boete staat in evenredigheid met de feiten, en met de duurtijd van de niet aangifte. Er ligt geen oorzaak of reden voor om over te gaan tot nog verdere herleiding. Tenslotte oordeelt het bestreden vonnis met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding dat de vordering tot nietigverklaring van het dwangbevel dan wel tot onwettig verklaring van de erin geformuleerde fiscale vordering niet waardeerbaar is en dat er daarbinnen geen reden voorligt tot afwijking op het basisbedrag. De vordering wordt derhalve toelaatbaar doch ongegrond verklaard en appellante wordt veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding van 1.200,00 EUR.
1.7. Tegen dit vonnis heeft appellante hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 september 2008.
1.8. In dit verzoekschrift en in de op 11 februari 2009 neergelegde besluiten stelt appellante dat handelingen die door haar werden gesteld vrijgesteld zijn van BTW bij toepassing van artikel 44, § 2, 3°, W.BTW, dat een omzetting is van artikel 13 van de Zesde Richtlijn nr. 77/1988/EEG van 17 mei 1977 tot invoering van het Gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde. De kwestieuze handelingen werden inderdaad uitsluitend verricht, met het oog op de sportbeoefening en de vergoeding is louter kostendekkend. De uitsluitingen van artikel 44, § 3, 2°, W.BTW hebben betrekking op de vrijstelling betreffende onroerende verhuur en kunnen met bij analogie worden uitgebreid naar de diensten verstrekt door appellante, nl. diensten die nauw samenhangen met en onontbeerlijk zijn voor de sportbeoefening. Elke belastingplichtige zou overigens bij lezing van artikel 44, § 3, 2°, W.BTW, waarin sprake is van terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen besluiten dat deze tekst niet van toepassing is op vaartuigen.
Enige onduidelijkheid moet normaal in het voordeel van de belastingplichtige worden beslecht. Subsidiair is appellante van oordeel dat een regularisering voor het verleden niet kan worden behouden op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur. Appellante werd immers van bij haar oprichting en met kennis van de administratie ongemoeid gelaten betreffende deze handelingen. Bovendien, werd appellante misleid door de terminologie van de wet, de BTW-commentaar, de circulaires dienaangaande en zowat elke officiële communicatie van de Belgische Staat betreffende de toepassing van artikel 44, § 3, 2°, a), zelfs met inbegrip van de vakcursus BTW voor ambtenaren. Onveranderlijk wordt de term rijtuig gebruikt waardoor er in hoofde van elke redelijke belastingplichtige de gerechtvaardigde verwachting wordt gewekt dat het toepassingsgebied van genoemd artikel beperkt is tot rijtuigen. Het feit dat de belastingplichtige sinds haar ontstaan ongemoeid werd· gelaten in deze problematiek, gekoppeld aan de expliciete stellingneming van de administratie in al haar gepubliceerde documentatie, heeft dan ook het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt waarop appellante zich beroept om de regularisering voor het verleden aan te vechten. Overigens heeft de Minister van Financiën zelf in antwoord op een parlementaire vraag gesteld dat de BBI uiteindelijk beslist heeft om af te zien van de BTW-eisen op de in het verleden verrichte handelingen, gezien de retroactieve toepassing van de nieuwe beoordeling van de omstandigheden waarin de VZW's hun prestaties verrichten tegenstrijdig zou zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het rechtszekerheidsbeginsel en het eraan verbonden gerechtvaardigd vertrouwen. Ook de. voorrang van het legaliteitsbeginsel op het vertrouwensbeginsel kan in deze zaak niet worden aanvaard. Het is immers de wettekst zelf die hier qua terminologie aan de oorsprong ligt van het probleem. Het legaliteitsbeginsel primeert enkel wanneer het voor ieder normaal oplettende burger duidelijk is dat de gedragslijn van de fiscale administratie onwettig is. Aangezien de bevoegde belastingdienst jarenlang de vrijstelling heeft aanvaard, dient zij de gewettigde verwachtingen die zij bij appellante heeft gewekt in te lossen zodat het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde dient verklaard te worden. Appellante is tenslotte van oordeel dat het geschil een in geld waardeerbare vordering als voorwerp heeft, die kan worden gewaardeerd op 25.725,65 EURO, zodat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 2.000,00 EUR bedraagt.
Appellante besluit derhalve tot de hervorming van het bestreden vonnis, bijgevolg de vernietiging van het dwangbevel en het ontslaan van appellante van de betwiste BTW in hoofdsom met alle aanhorigheden, inbegrepen de administratieve boete, en de veroordeling van geïntimeerde tot terugbetaling van alle sommen die op grond van deze aanslag zouden zijn geïnd, verhoogd met de moratoriuminteresten.
1.9. Geïntimeerde stelt zijnerzijds in zijn op 13 maart 2009 neergelegde syntheseconclusies dat ligplaatsen te water en ook winterberging van vaartuigen, met of zonder bewaking, in een door een exploitant van een opslagplaats ter beschikking gestelde bergruimte, vanaf 1 januari 1993 diensten zijn bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 9° van het BTW-wetboek. Deze handelingen zijn aan de BTW onderworpen en expliciet uitgesloten van de vrijstelling inzake de terbeschikkingstelling van een uit zijn aard onroerend goed, bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-wetboek. De betrokken handelingen zijn uitgesloten van zowel de vrijstelling van artikel 44, § 2, 3°, van het BTW-wetboek (gebied van sportbeoefening, onder bepaalde voorwaarden) als van de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek (gebied van verhuur van een uit hun aard onroerende goederen met een reeks uitzonderingen) en zijn ze aldus aan de belasting onderworpen. Het heffen van BTW op de liggelden van de zeilboten is bijgevolg in overeenstemming met de BTW-wetgeving. De interpretatie die appellante geeft als zou het in casu om diensten gaan die nauw samenhangen met de sportbeoefening is niet alleen in tegenspraak met het sinds 1 januari 1993 bestaande wettelijke kader maar strookt ook niet met de bestaande rechtspraak. Vaartuigen zijn wel degelijk bedoeld waar in artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-wetboek sprake is van "stalling van voertuigen". De activiteit van appellante kan geenszins als een louter onroerende verhuur worden beschouwd, maar valt onder de handelingen die expliciet van de vrijstelling zijn uitgesloten en aldus aan de BTW zijn onderworpen. Geïntimeerde voert verder aan dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet contra legem kunnen worden toegepast en dat men deze beginselen niet kan inroepen als er geen discretionaire bevoegdheid is. Bij arrest van 3 maart 2005 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor recht verklaard dat artikel 13, B, sub b, punt 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) zoals gewijzigd bij richtlijn 92/111 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip "voertuigen" ook boten omvat.
Dergelijk arrest heeft bindende werking erga omnes en geldt in beginsel ex tunc. Een andere interpretatie aannemen zou de formele rechtsregel schenden. De authentieke interpretatie van het Europees Hof van Justitie brengt voor de administratie een gebonden bevoegdheid mee en geen discretionaire bevoegdheid. Een prejudicieel arrest werkt in beginsel terug tot de datum van inwerkingtreding van het uitgelegde voorschrift, zodat het aldus uitgelegd voorschrift ook moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan vóór het arrest van het Europees Hof van Justitie. Het rechtszekerheidsbeginsel wordt hierdoor niet geschonden. Het feit dat appellante zelf nooit 'verontrust' werd in deze problematiek toont op zich al aan dat er van enig gewekt vertrouwen in haren hoofde geen sprake kan zijn. Het blijkt immers uit geen enkel besluit van de belastingdienst dat appellante door de administratie verkeerd zou zijn ingelicht met betrekking tot het van toepassing zijn van het BTW-stelsel. Er is geen sprake van enig misbruik van het gewettigd vertrouwen in hoofde van de administratie. Naar aanleiding van een controle van de boekhouding werd vastgesteld dat appellante niet conform de ter zake vigerende wetgeving heeft gehandeld. De opgestelde navordering betreft de regularisatie van de bestaande toestand. Appellante beroept zich bijgevolg ten onrechte op de schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, temeer daar het volstrekt onduidelijk is welk nadeel zij door het handelen van de administratie zou hebben geleden. Tenslotte, strekt de vordering volgens geïntimeerde tot het ongedaan maken van een handeling, nl. het "bestreden dwangbevel te vernietigen", zodat moet worden aangenomen dat de vordering niet in geld waardeerbaar is en de rechtsplegingsvergoeding op het basisbedrag van 1.200,00 EUR dient te worden begroot. Geïntimeerde besluit derhalve tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
2. Beoordeling
2.1. Krachtens artikel 18, § 1, tweede lid, 8° en 9°, W.BTW wordt onder meer als een dienst beschouwd, de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen en de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen.
Het wordt niet betwist dat appellante tijdens de jaren 2001 tot en met 2003 handelingen heeft verricht, die tot voorwerp hebben de berging van boten, en dat zij deze handelingen niet heeft onderworpen aan de BTW.
Artikel 44, § 2, 3°, W.BTW voorziet weliswaar in een vrijstelling van de BTW voor de diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen, wanneer die exploitanten en inrichtingen instellingen zijn die geen winstoogmerk hebben en zij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan.
Krachtens artikel 44, § 3, 2°, W.BTW zijn van de belasting nog vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1, met uitzondering evenwel van :
a) de volgende diensten :
de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen;
de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen; [... ].
Uit de voormelde bepalingen volgt dat de vrijstelling voor sportinrichtingen zonder winstoogmerk (artikel 44, § 2, 3° van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde) in beginsel geldt voor een watersportvereniging die aan haar leden de mogelijkheid biedt om de zeilsport of aanverwante te beoefenen en daartoe opleiding verzekert, doch niet voor het ter beschikking stellen van ligplaatsen, evenmin als voor de winterberging van boten (artikel 44, § 3, 2°, W.BTW).
Artikel 44, § 3, 2°, W.BTW is, inderdaad, de omzetting in de nationale rechtsorde van artikel 13, B, sub b, punt 2, van de Zesde richtlijn, dat eveneens in een uitzondering voorziet wat de verhuur van ruimte voor het stallen van voertuigen betreft. Artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/3 88/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/111/EEG van de Raad van 14 december 1992, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip verhuur van onroerende goederen ook de verhuur van ligplaatsen voor het meren van boten in het water en van plaatsen voor het stallen van deze boten op de wal op het haventerrein omvat (H.v.J. (3e k.) nr. C-428/02, 3 maart 2005 (Fonden Marselisborg Lystbadehavn), FJF 2005, 983, noot, conclusie J. KOKOTT, Pb C 14 mei 2005 (dispositief), afl. 115, 1, Rec. CJCE 2005, afl. 3 (A), I, 1527, conclusie J. KOKOTT).
Appellante kan zich derhalve niet beroepen op de vrij stelling voorzien in artikel 44, § 3, 2° W.BTW. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat appellante gedurende de jaren 2001 tot en met 2003 als BTW belastingplichtige diende te worden aangemerkt ingevolge het bergen van boten.
2.2. Het prejudiciële arrest waarin een uitlegging aan het gemeenschapsrecht wordt gegeven moet als bindend worden beschouwd (H.v.J. 14 december 2000 nr. C-446/98 (CMP), Jur. 2000, I-11435, r.o. 49). De uitleg heeft erga omnes werking en bindt zowel de verwijzende rechter als alle betrokken rechtssubjecten (A.-M. VAN DEN BOSSCHE en J.M. PRINSSEN, 'Recht van de europese unie : rechtsbescherming. Overzicht van rechtspraak 2000-2007', T.P.R. 2008, nr. 142 p. 224).
De uitlegging die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen krachtens de hem bij artikel 234 EG verleende bevoegdheid aan een voorschrift van gemeenschapsrecht geeft - in casu aan artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/111/EEG van de Raad van 14 december 1992 heeft gegeven - verklaart en preciseert zo nodig de betekenis en de strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van de inwerkingtreding ervan moet of had moeten worden verstaan en toegepast (H.v.J. (Grote Kamer) nr. C-2/06, 12 februari 2008 (Kempter), APT 2007-08 (samenvatting), afl. 1, 79, conclusie Y. BOT, JDE 2008 (samenvatting), afl. 147, 95, NJB (NL) 2008 (weergave), afl. 10, 583, Pb C 29 maart 2008 (dispositief), afl. 79, 3, SEW 2008 (weergave), afl. 3, 112, SEW 2008 (weergave H. DE WAELE), afl. 11, 453, noot H. DE WAELE, 'Beschouwing inzake het arrest Kempter, een nieuwe aflevering in de detectiveserie Kühne & Heitz', (SEW 2008, afl. 11,453-455).
Het oordeel van het Europees Hof van Justitie heeft aldus in beginsel terugwerkende kracht (H.v.J. 13januari 2004 nr. C-453/00 (Kühne & Heitz), Jur. 2004,1-837, r.o. 21). Een prejudicieel arrest is met andere woorden louter declaratoir en niet constitutief van aard, zodat het in beginsel tot de datum van inwerkingtreding van het uitgelegde voorschrift terugwerkt (A.-M. VAN DEN BOSSCHE en J.M. PRINSSEN, 'Recht van de europese unie : rechtsbescherming. Overzicht van rechtspraak 2000-2001', T.P.R. 2008, nr. 145 p. 225; Hv.J. 13 januari 2004 nr. C-453/00 (Kühne & Heitz), Jur. 2004, I-837, r.o. 22; H.v.J. 12 februari 2008 nr. C-2/06 (Kempter), r.o. 35).
Artikel 44, § 3, 2°, W.BTW moet derhalve geacht worden van bij zijn inwerkingtreding de terbeschikkingstelling van ligplaatsen en van berging voor boten van de BTW vrijstelling te hebben uitgesloten.
2.3. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sluiten het recht op rechtszekerheid in. Die beginselen gelden ook ten aanzien van het fiscaal bestuur. Het recht op rechtszekerheid van een individuele belastingplichtige is geen onbeperkt recht en moet onder omstandigheden wijken voor het legaliteitsbeginsel van artikel 170 van de Grondwet dat de rechtszekerheid en gelijkheid verzekert ten bate van alle belastingplichtigen. Het recht op rechtszekerheid veronderstelt inzonderheid dat de belastingplichtige zich op gerechtvaardigde verwachtingen kan beroepen en dat het vertrouwen van de burger ten overstaan van het overheidsoptreden rechtmatig is (zie o.a. Cass. (1e k) AR F.02.0053.N, 3 december 2004, Arr.Cass. 2004, 1948, Pas. 2004, 1914, RGCF 2006, 42; Cass. (1e k) AR F.00.0034.F, 26 oktober 2001, Act.fisc. 2002 (weergave P. BELLEN), afl. 3, 1, Arr.Cass. 2001, 1793, conclusie advocaat-generaal A. HENKES, Fisc.Act. 2001 (weergave F. MARCK), afl. 44, 6, FJF 2001, 795, Fiscoloog 2001 (weergave S. VAN CROMBRUGGE), afl. 825, 6, Pas. 2001, 1728, conclusie advocaat-generaal A. HENKES; Cass. (3e k) AR F.99.0108.F, 6 november 2000, Act.fisc. 2001 (weergave J. BAETEN), afl. 9, 6, Arr.Cass. 2000, 1717, APT 2000, 236, conclusie eerste advocaat-generaal J.F. LECLERCQ, Bull. 2000, 1681, Bull. Bel. 2002, 391, Fisc.Koer. 2001 (weergave W. DEFOOR), 4, Fisc.Act. 2000 (weergave F. DESTERBECK), afl. 43, 7, FJF 2000, 727, Fiscoloog 2001 (weergave S. VAN CROMBRUGGE), afl. 791, 3, JLMB 2001, 1100, RW 2002-03, 836, TFR 2001, 164; Cass. (1e k) AR F.98.0072.N, 3 november 2000, Arr.Cass. 2000, 1710, Bull. 2000, 1674, Bull. Bel. 2002, 1421, Fisc.Act. 2001 (weergave G. POPPE), afl. 5, 2, FJF 2001, 267, FJF 2001, 1, TFR 2001, 164, noot B. PEETERS, 'Het rechtszekerheidsbeginsel in het fiscaal recht : verduidelijking van het begrip gerechtvaardigde verwachting', (TFR 2001,167-171)).
Het recht op rechtszekerheid impliceert aldus dat de burger vertrouwen moet kunnen stellen in hetgeen hij als niets anders kan begrijpen dan als een vaste gedrags- en bestuursregel en krachtens welke de openbare diensten ertoe gehouden zijn de gewettigde verwachtingen in te lossen, die zij bij hem hebben gewekt (Cass. (3e k.) AR F.01.0044.F, 3 juni 2002, Arr.Cass. 2002, 1421, conclusie eerste advocaat-generaal J.F. LECLERCQ, Juristenkrant 2002 (weergave S. DE RAEDT.), afl. 53, 1, FJF 2003, 1, conclusie eerste advocaat-generaal J.F. LECLERCQ, JT 2002, 788, conclusie (uittreksel) eerste advocaat-generaal J.F. LECLERCQ, JLMB 2003, 903, Pas. 2002, 1274, conclusie eerste advocaat-generaal J.F. LECLERCQ, RGCF 2004, afl. 2, 35, noot A. VISSCHERS & A. LOSSEAU, 'Principes de bonne administration - Droit à la sécurité juridique Reconnaissance du caractère probant d'une comptabilité', (RGCF 2004, afl. 2, 36-38), RW 2003-04 (verkort), 1062, noot).
Door het Hof dient te worden vastgesteld dat de Minister van Financiën in antwoord op een parlementaire vraag nr. 264 van 13 maart 2000 inde Kamer heeft bevestigd dat de kwestieuze handelingen onderworpen zijn aan de BTW en niet kunnen genieten van de vrijstelling bedoeld in artikel 44 van het BTW-Wetboek en dat deze stelling volledig in overeenstemming is met de door het Europees Hof van Justitie in zijn arrest nr. C-428/02 van 3 maart 2005 aan de bepalingen van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 gegeven interpretatie.
Appellante kan zich niet beroepen op enig gerechtvaardigd vertrouwen in een andere mogelijke interpretatie·door de administratie, die overigens strijdig is met de zin en de draagwijdte die een Europese rechtsregel van bij haar inwerkingtreding moet geacht worden te hebben gehad, temeer appellante voor de kwestieuze jaren 2001 tot en met 2003 (voorafgaand aan de controle op 5 november 2004) niet werd gecontroleerd en de administratie te haren overstaan tijdens de voormelde periode nooit een houding heeft aangenomen, die haar zou kunnen hebben doen denken dat de thans belaste handelingen van een BTW-vrijstelling zouden kunnen genieten. In deze omstandigheden kan zij zich ook niet beroepen op een met de wet strijdig antwoord, dat de Minister van Financiën in het parlement heeft gegeven op een vraag nr. 961 van 8 april 2002, nu dit antwoord te haren aanzien ook nooit enig effect ter gelegenheid van enige controle heeft gesorteerd.
Er kan derhalve geen sprake zijn in hoofde van appellante van enige schending van enige gerechtvaardigde verwachtingen en/of van een rechtmatig en gewettigd vertrouwen in een bepaalde gedragslijn van de administratie bij de toepassing van een bepaalde BTW-vrijstelling.
Het door appellante ingeroepen recht op rechtszekerheid dient derhalve in de voormelde omstandigheden alleszins te wijken voor het legaliteitsbeginsel van artikel 170 van de Grondwet dat de rechtszekerheid en gelijkheid verzekert ten bate van alle belastingplichtigen.
Het hoger beroep faalt zo in feite als in rechte.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Recht doende op tegenspraak,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;
Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis en veroordeelt appellante tot de kosten van hoger beroep,. begroot aan de zijde van geïntimeerde op duizend tweehonderd euro (1.200,00 EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van VIJFTIEN DECEMBER TWEEDUIZENDENNEGEN,
waar aanwezig waren :
D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
S. B. en M. G., Raadsheren;
A. V. L., Griffier.
A. V. L. M. G. S. B. D. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.