Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 3 april 2006

Zoeken

Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-recht-rechtbank-kortrijk-2006-04-03-b98c

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
3 april 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

264 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Kortrijk d.d. 03.04.2006

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER FISCAAL MET EEN RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJKE ZAKEN

In de zaak : 01/1800/A

NV D., met vennootschapszetel te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer …,

eiseres,

vertegenwoordigd door en pleitend meester F. S., advocaat te …, …, loco meester J. S., advocaat te …, …, (ref. …).

tegen :

1. BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-controlekantoor 5; met kantoren gevestigd te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31;

2. BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW­ontvangkantoor Kortrijk I; met kantoren gevestigd te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31;

verweerders,

vertegenwoordigd door en pleitend meester F. W., advocaat te …, .., (ref. …).

I. Relevante feitelijke gegevens

1. De NV D. produceert 3 producten in beton : gewelven, bouwstenen en straatklinkers.

Zij is BTW-belastingplichtige.

2. Voor de bouwstenen in beton heeft zij vanwege de gedelegeerde bestuurder J. D. een licentie bekomen om de naam "Flexblok" te gebruiken.

3. In 1996 kocht de firma een helikopter Bell model 407 ter vervanging van een vorige helikopter aan voor een bedrag van 36.000.000 BEF (thans 892.416,69 euro).

4. Op de helikopter is de vermelding "FLEXBLOK" aangebracht.

5. Vanaf 4 mei 1999 voerde een ambtenaar van de Administratie van de BTW bij de NV D. een controle inzake de BTW over de periode van 1 december 1995 tot 30 november 1997 uit.

6. Op 20 september 1999 maakte die ambtenaar een proces-verbaal op.

7. Het proces-verbaal van 20 september 1999 vermeldt onder meer :

"Bepaling van de aftrekbare en niet-aftrekbare BTW

Rekening houdende met mijn hiervoor vermelde vaststellingen en in het bijzonder met :

- de verklaring van de heer J. D. dat de helikopter een uitstekend middel is om goodwill te creëren bij klanten en leveranciers, wat wijst op het gebruik van het toestel voor vermaak en onthaal;

- mijn vaststelling dat 45 procent van alle vluchttijd in 1997 heeft plaatsgevonden op zaterdag, zon- en feestdagen, die in eerste instantie wijst op vermaak of ontspanning;

- mijn 3 vaststellingen met betrekking tot vluchten op werkdagen waarvoor aanwijzingen werden aangetroffen die mij doen vermoeden dat het om vermaak of beloning van kennissen van de heer J. D. gaat;

- dat bepaalde vluchten (naar aanleiding van tombola's en wedstrijden) in feite zuivere liberaliteiten uitmaken vanwege de heer J. D.;

- dat in feite voor geen enkel geval de NV D. ook maar enig verantwoordingsstuk heeft voorgelegd voor zowel de door mij aangeduide data als voor de data die hij zelf mocht aanduiden, niettegenstaande hij hiertoe tot 2 maal toe schriftelijk werd verzocht;

- het feit dat ingevolge onderhavige gezamenlijk uitgevoerde controle er inzake inkomstenbelastingen een minnelijk akkoord kon worden bereikt tussen de Administratie der Directe Belastingen en de NV D. met betrekking tot het bepalen van een voordeel van alle aard in hoofde van de heer J. D. en berekend werd op basis van 5 procent van alle vluchttijd, dat hieromtrent [door] de heer V. in het kader van de voorafgaande discussies van het akkoord uitdrukkelijk gewezen werd op het feit dat dit enkel en alleen de regularisatie betrof van de zuivere privé-aanwending van het toestel door de heer J. D. en geen uitstaans had met de aanwending voor vermaak of voor onthaal, waarvoor een uitsluiting of beperking bestaat inzake BTW;

Worden volgende percentages weerhouden als niet aftrekbare BTW :

- wegens het gebruik door de heer J. D. voor zijn privédoeleinden : 5 procent;

- wegens het gebruik voor vermaak en voor onthaal (artikel 45, § 3, 4° van het BTW­Wetboek): 40 procent;

Totaal niet-aftrekbare BTW : 45 procent.

(...)

Teveel afgetrokken BTW : 8.876.646 x 45 % = 3.994.490 BEF [thans 99.020,82 euro].

Uit hetgeen voorafgaat blijkt aldus dat de NV D. …, … de volgende sommen verschuldigd is aan de Belgische Staat Administratie van de BTW, registratie en domeinen :

1. als belasting over de toegevoegde waarde de som van 3.994.490 BEF [thans 99.020,82 euro];

2. als proportionele geldboete op grond van artikel 70, § 1bis van het BTW-Wetboek het dubbel van de onrechtmatig genoten aftrek van belasting, zijnde 7.988.980 BEF [thans 198.041,64 euro].

Deze boete wordt evenwel verminderd tot 399.000 BEF [thans 9.890,95 euro] overeenkomstig Tabel H die bijlage vormt aan het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde;

3. de interesten bedoeld in en te berekenen overeenkomstig artikel 91 van het BTW-Wetboek vanaf 21 december 1997.".

8. De NV D. betaalde de gevorderde BTW.

9. Op 21 januari 2000 tekende de raadsman van de NV D. bezwaar aan tegen het proces­verbaal.

10. De Administratie wees het bezwaar van de NV D. af.

11. Op 20 augustus 2002 verkocht de NV D. de helikopter Bell 407.

II. Vorderingen en standpunten

A. De NV D..

Bij dagvaarding, op 5 oktober 2001 betekend aan de Belgische Staat, leidde de NV D. de zaak in en stelde zij haar vordering.

Zij vorderde :

- haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- de teruggave te bevelen van alle aan de BTW-ontvanger betaalde BTW ten bedrage van in totaal 5.096.434 BEF [thans 126.337,30 euro] voor de periode van 1 januari 1995 tot en met 30 november 1997, meer de interesten; deze bedragen maakten het voorwerp uit van het proces-verbaal de dato 20 september 1999 opgesteld door de heer G. F., eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, verbonden aan het controlecentrum van Kortrijk en ter kennis gebracht van haar bij aangetekend schrijven van 1 oktober 1999;

- haar te veroordelen tot de kosten van het geding [sic];

- het uit te spreken vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.

In haar conclusie, neergelegd ter griffie op 14 maart 2003, verbeterde zij een materiële vergissing en handhaafde zij voor het overige haar vordering.

Zij vroeg :

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten.

In haar conclusie, neergelegd ter griffie op 22 oktober 2003, handhaafde zij haar vordering.

In haar conclusie, neergelegd ter griffie op 10 februari 2004, handhaafde zij haar vordering.

In haar conclusie, neergelegd ter griffie op 3 juni 2004, handhaafde zij haar vordering.

In haar samenvattende conclusie, neergelegd ter griffie op 21 september 2004, herformuleerde zij haar vordering.

Zij vordert thans :

- haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- te zeggen voor recht dat de sommen gevorderd in het proces-verbaal van 20 september 1999 niet verschuldigd zijn;

- de terugbetaling te bevelen van de sommen die op grond van het voornoemde proces-verbaal werd[en] betaald, vermeerderd met de moratoriuminteresten bepaald in artikel 91 BTW­Wetboek;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

B. De Belgische Staat

In zijn conclusie, neergelegd ter griffie op 23 mei 2002, nam de Belgische Staat een standpunt in ten opzichte van de vordering.

De Belgische Staat vroeg :

- het verzoek tot terugbetaling van de NV D. als ongegrond af te wijzen;

- de NV D. te veroordelen tot de kosten van het geding.

In zijn conclusie, neergelegd ter griffie op 15 september 2003, handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

In zijn conclusie, neergelegd ter griffie op 24 december 2003, handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

In zijn conclusie, neergelegd ter griffie op 29 april 2004, handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

In zijn conclusie, neergelegd ter griffie op 30 juni 2004, handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

III. Procedure

Op de openbare terechtzitting van 16 januari 2006 verschenen meester F. S. in de plaats van meester J. S. voor de NV D. en meester F. W. voor de Belgische Staat.

De raadslieden zetten de zaak uiteen.

De debatten werden gesloten.

De raadslieden legden elk een dossier neer.

De zaak werd in beraad genomen.

De stukken werden ingezien.

IV. De zitting van 16 januari 2006

Op de zitting van 16 januari 2006 vroeg de Voorzitter uitleg aan de raadsman van de NV D. over punt 4.4. : het privé-gebruik van de helikopter op p. 17 van de samenvattende conclusie van de NV D., neergelegd ter griffie op 21 september 2004.

De raadsman van de NV D. gaf geen voor de Rechtbank bevredigende uitleg.

V. Argumentatie van de partijen

A. De NV D..

De argumentatie van de NV D., ontwikkeld in haar samenvattende conclusie, neergelegd ter griffie op 21 september 2004, kan samengevat worden als volgt.

1. Vrijwillige betaling - schulderkentenis

Het kan niet betwist worden dat zij geen enkele schulderkentenis heeft verricht ten opzichte van de administratie.

2. Bewijskracht van het proces-verbaal van 20 september 2001 [bedoeld wordt : 1999]

a. Algemene principes

De subjectieve interpretatie die in het proces-verbaal werd gegeven aan de feiten, kan niet als bewijskrachtig worden aanvaard.

Het proces-verbaal kan niet het bewijs leveren van de stelling van de administratie dat de helikopter voor 40 % werd gebruikt voor het onthaal van klanten en voor 5 % voor het privé­gebruik van de heer J. D., gedelegeerd bestuurder.

b. Werkwijze van de administratie : vermoedens op vermoedens

Luidens artikel 59, § 1, eerste lid BTW-Wetboek kan de administratie het bewijs leveren van de verschuldigdheid van de BTW aan de hand van vermoedens. Feitelijke vermoedens kunnen evenwel enkel worden aangenomen indien ze gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn (cfr. artikel 1353 Burgerlijk Wetboek).

De vermoedens die de administratie hanteert in het proces-verbaal, beantwoorden niet aan deze vereisten.

Bovendien wordt het resultaat van een vermoeden als uitgangspunt gebruikt om een volgend vermoeden op te steunen, hetgeen resulteert in een verboden opeenstapeling van vermoedens.

Het eerste vermoeden is dat het recht op aftrek beperkt is tot 55 %.

De stelling van de administratie steunt op de vaststelling dat 45 % van de vlieguren werden verricht in het weekend en op feestdagen. Omdat dit volgens de administratie "in eerste instantie wijst op vermaak of ontspanning" werd besloten om 45 % van de aftrek van de BTW te verwerpen.

Het tweede vermoeden is dat er 5 % privé-vluchten zijn.

Het derde vermoeden is dat er 40 % kosten van onthaal zijn.

Besluit : De administratie kan niet op een rechtsgeldige manier aantonen dat de helikopter ten belope van 45 % werd gebruikt voor activiteiten die geen recht op aftrek genereren.

De bewijsvoering van de administratie is gesteund op onsamenhangende vermoedens, die bovendien nog op elkaar gestapeld zijn.

c. Willekeur van het standpunt van de administratie

Wanneer het recht op aftrek van BTW op een investering wordt beoordeeld, moet rekening gehouden worden met de aard van het gebruik over de gehele gebruiksduur van het goed.

De helikopter werd aangewend in haar bedrijf tot en met het ogenblik van de verkoop ervan op 20 oktober [bedoeld wordt : augustus] 2002. De helikopter werd dus gedurende een tijdspanne van ongeveer 6 jaar gebruikt.

Het gebruik waarvoor geen recht op aftrek zou kunnen worden genoten in de hypothese van de administratie, bedroeg hoogstens 7,5 %.

3. Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur

a. Vooringenomenheid bij het onderzoek

Klaarblijkelijk was het reeds van bij de aanvang van het onderzoek de bedoeling om een gedeelte van de afgetrokken BTW te verwerpen en dit omwille van het grote bedrag aan afgetrokken BTW

b. Schending van het vertrouwensbeginsel

Het recht op aftrek met betrekking tot de helikopter werd slechts voor 1 enkel jaar in vraag gesteld. De aftrek van BTW werd nooit betwist voor wat betreft haar vroegere helikopter. Hierdoor mocht zij er van uitgaan dat ook voor een nieuw aan te kopen helikopter een aftrek van BTW ten belope van 100 % mocht worden toegepast, hetgeen ook werd bevestigd in de jaren volgend op de aankoop van de nieuwe helikopter.

4. Bedrijfskarakter kosten helikoper

a. Algemeen

Zij wil zich niet beperken tot het aanvoeren van negatieve elementen omtrent de bewijsvoering van de administratie. Zij wenst eveneens met positieve elementen aan te tonen dat zij aanspraak kan maken op de aftrek van BTW ten belope van 100 %.

b.Kosten van onthaal versus kosten van publiciteit

i) Interpretatie van de notie "kosten van onthaal".

Het toepassingsgebied van het begrip "kosten van onthaal" moet worden beperkt tot die kosten die ten behoeve van klanten of gasten worden gemaakt zonder dat een ander voordeel wordt nagestreefd dan het creëren van een algemeen gunstige atmosfeer ten overstaan van de onderneming.

ii) Publicitair karakter van de helikoptervluchten.

In eerste instantie kan het publicitair karakter van de helikopter worden beoordeeld aan de hand van de externe begeleidende omstandigheden van de helikoptervlucht. Indien objectief kan aangetoond worden dat de helikoptervlucht de aandacht trekt van eventuele toeschouwers, dan kan moeilijk ontkend worden dat deze vlucht een publicitair karakter zal hebben.

In tweede instantie kan het publicitair karakter van de helikopter worden beoordeeld aan de hand van concrete doeleinden van een specifieke helikoptervlucht. Deze beoordeling zal zich vooral noodzaken indien niet kan aangetoond worden dat de extern begeleidende omstandigheden van een bepaalde vlucht een publicitaire impact hebben gehad.

In dit verband kan verwezen worden naar bepaalde helikoptervluchten die in ieder geval omwille van de interne omstandigheden een publicitair karakter hadden.

In derde instantie kan de helikopter aangewend worden als een middel om publiciteit te maken.

iii) In dubio contra fiscum.

Voor zover met betrekking tot 1 of meerdere vluchten nog twijfel zou overblijven omtrent de kwalificatie, dan moet deze twijfel op grond van het algemeen adagium "in dubio contra fiscum" in het nadeel van de administratie spelen. Indien een vlucht een dubbele functie heeft, dan moet het publicitair karakter van de vlucht als doorslaggevend worden beschouwd.

c. De helikopter als bedrijfsvoertuig

De administratie kan redelijkerwijze niet betwisten dat de helikopter door eiseres eveneens als bedrijfsvoertuig werd gebruikt.

d. Het privé-gebruik van de helikopter

Het privé-gebruik van een aan het bedrijf behorend goed wordt in het BTW-Wetboek gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel (cfr. Artikel 19, § 1 BTW-Wetboek). Dit betekent dat het recht op aftrek van BTW niet kan worden beperkt op grond van de overweging dat er een privaat gebruik zou zijn van een bedrijfsmatig goed.

B. De Belgische Staat.

1. De argumentatie van de Belgische Staat, ontwikkeld in zijn conclusie, neergelegd ter griffie op 23 mei 2002, kan samengevat worden als volgt.

Vooraf wordt vermeld dat door de belastingplichtige een vrijwillige betaling werd verricht, zodat deze betaling als schulderkentenis kan beschouwd worden.

a. Proces-verbaal

Het proces-verbaal levert bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen (artikel 59, § 1, tweede lid BTW-Wetboek).

De in de processen-verbaal opgenomen vaststellingen moeten door de Rechtbank als waarachtig worden beschouwd.

b. Bewijsmiddel

De feiten vermeld in het proces-verbaal hebben een onthaalfunctie. Aan de hand van het logboek, waar de vlieguren, de namen van de personen die meevlogen en de vluchtroute [in vermeld staan,] kon er door de belastingplichtige niet aangetoond worden dat de vluchten een beroepskarakter hadden.

c. Arbitrair karakter

Er kan niet gesteld worden dat hier een arbitrair karakter voorkomt, gezien de gegevens om de percentages te bepalen, uit het logboek afkomstig zijn.

d. Bedrijfskarakter kosten helikopter

i) Publiciteitskosten

De kosten voor het overvliegen van klanten kunnen onmogelijk als publiciteitskost gecatalogeerd worden, vermits in de luchtvaart er voor het maken van publiciteit in de lucht een duidelijke wetgeving is die een vergunning voor luchtarbeid vereist.

Mits de firma niet in het bezit is van dergelijke machtiging, zal de publiciteit op de helikopter hoogstwaarschijnlijk niet zo groot zijn dat er sprake kan zijn dat de vluchten die met dit voertuig worden uitgevoerd, reclamevluchten zijn.

ii) Bedrijfsvoertuig

De Administratie houdt rekening met het feit dat de helikopter als bedrijfsvoertuig gebruikt wordt.

In het proces-verbaal wordt een privaatgebruik van 5 % bepaald, confer het akkoord met de Administratie der Directe Belastingen, en voor 40 % een gebruik inzake onthaalkosten.

2. De nieuwe argumentatie van de Belgische Staat, ontwikkeld in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 15 september 2003, kan samengevat worden als volgt.

a. Vermoeden op vermoeden

Er kan gesteld worden dat het proces-verbaal niet opgemaakt is op basis van vermoedens. Het betreffen allemaal feiten die in het logboek vermeld staan.

b. Vertrouwensbeginsel

Het is niet omdat er bij vroegere controles door de Administratie geen opmerking werd gemaakt over de helikopter, dat er in de nu gecontroleerde periode geen fouten kunnen worden vastgesteld.

3. De nieuwe argumentatie van de Belgische Staat, ontwikkeld in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 29 april 2004, kan samengevat worden als volgt.

Na de controleperiode waarvoor het proces-verbaal werd opgemaakt, heeft de helikopter een andere functie gekregen.

4. De nieuwe argumentatie van de Belgische Staat, ontwikkeld in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 30 juni 2004, kan samengevat worden als volgt.

De Belgische Staat vertrouwt op de wijsheid van de Rechtbank om een percentage vast te stellen van de kosten helikopter met betrekking tot de kosten van onthaal.

VI. Beoordeling

A. Schulderkentenis ?

De betaling van de gevorderde BTW door de NV D. is geen schuldbekentenis.

De NV D. mocht de BTW betalen om te vermijden dat de interesten oplopen en daarna de teruggave van de BTW vorderen.

B. De basiswaarde van het proces-verbaal

1. Artikel 59, § 1, laatste lid BTW-Wetboek bepaalt : "De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.".

De NV D. heeft tegenspraak kunnen voeren over het proces-verbaal.

De Rechtbank zal oordelen in hoever de NV D. het tegendeel van het proces-verbaal heeft bewezen.

2. Overigens is de NV D. slecht geplaatst om kritiek te leveren op het proces-verbaal.

Het logboek is niet correct ingevuld.

De gedelegeerd bestuurder heeft niet goed meegewerkt met het onderzoek.

De ambtenaar vermeldt in het proces-verbaal :

"Ik heb geprobeerd om van de heer J. D. mondeling bijkomende uitleg te bekomen, wat mij niet gelukt is. Hij ontweek telkens de vraag en liet duidelijk blijken dat het onderzoek hem niet zinde." (p. 3).

(...)

"Rekening houdende met mijn hiervoor vermelde vaststellingen en in het bijzonder met :

(...)

- dat in feite voor geen enkel geval de NV D. ook maar enig verantwoordingsstuk heeft voorgelegd voor zowel de door mij aangeduide data als voor de data die hij zelf mocht aanduiden, niettegenstaande hij hiertoe tot tweemaal toe schriftelijk werd verzocht;" (p. 11).

C. De beginselen van behoorlijk bestuur

Het getuigt niet van onbehoorlijk bestuur als de Administratie voor een bepaalde periode de aftrek toestaat en voor een andere periode niet.

De helikopter kan in een bepaalde periode voor andere doeleinden gebruikt geweest zijn dan in een andere periode.

D. Het gebruik van de helikopter in 1997

1. De regels van de bewijslast moeten correct toegepast worden.

Het is de belastingplichtige die het beroepsmatig karakter van een bepaalde verrichting moet kunnen aantonen, opdat de BTW op die verrichting aftrekbaar zou zijn.

Het is niet de Administratie die moet aantonen dat een bepaalde verrichting geen beroepsmatig karakter heeft, opdat de BTW op die verrichting niet afgetrokken zou mogen worden.

Opdat de NV D. de BTW zou kunnen aftrekken, moet zij het bedrijfsmatig karakter van de helikoptervluchten bewijzen.

Het adagium "in dubio contra fiscum" is hier niet van toepassing.

2. De NV D. bewijst voor minstens 45 % van de helikoptervluchten in 1997 niet dat zij een bedrijfsmatig karakter hadden.

3.

a. Vermeldingen zoals "niet meer bekend", "promotievlucht", "promotie flexblok" vormen geen bewijs van het bedrijfsmatig karakter van de vluchten.

b. Loutere beweringen van de gedelegeerde bestuurder en de raadsman van de NV D., niet gestaafd door objectieve bewijsstukken, bewijzen evenmin het bedrijfsmatig karakter van de vluchten.

c. De verstrekte gegevens zijn in een aantal gevallen tegenstrijdig.

Zo vermeldt de gedelegeerde bestuurder voor de vlucht van 24 mei 1997 "trouw gevlogen van zoon R. C. (europarlementair) helpt ons waar het kan !" en de raadsman "niet meer bekend".

d. De gedelegeerde bestuurder noteert voor de vlucht van zondag 25 mei 1997 "gratis vlucht met terminale MS-patiënten lijkt me zeker geen vermaak, maar een menselijke plicht van harte verricht".

Een dergelijke vermelding wijst niet op een vlucht met een bedrijfsmatig karakter, maar op een liberaliteit

4. De verklaringen van personen die meegevlogen hebben, hebben weinig waarde.

Vanzelfsprekend zullen personen die mochten meevliegen met de helikopter, bereid zijn om een verklaring in het voordeel van het bedrijf dat de vlucht aangeboden heeft, af te leggen.

In verschillende verklaringen van personen die meegevlogen hebben, komt de term "'de flexblokhelikopter" voor.

Een dergelijk identiek en ongebruikelijk woordgebruik doet vermoeden dat de verklaringen voorgezegd werden.

E. Het gebruik van de helikopter van 1996 tot 2002

De helikopter Bell 407 werd aangekocht eind 1996.

De NV D. bewijst voor minstens 45 % van de helikoptervluchten in 1997 niet dat zij een bedrijfsmatig karakter hadden.

De helikopter Bell 407 werd verkocht op 20 augustus 2002.

De NV D. had de helikopter Bell 407 dus ongeveer 6 jaar in haar bezit.

Na 1997 had de helikopter Bell 407 geen onthaalfunctie meer.

De heer D. vermeldt in zijn controleverslag voor de periode 1 december 1997 tot 30 november 2000 (conclusie Belgische Staat, neergelegd ter griffie op 29 april 2004, p. 2) :

"Problematiek helikopter.

In de loop van het boekjaar werd een 2° helikopter aangekocht op de NV J. C.. Dit toestel wordt thans gebruikt voor het verrichten van allerlei promotionele vluchten en zelfs als instructietoestel. (...)

Het toestel aangekocht op de NV D. wordt thans gebruikt voor het verrichten van vluchten naar …, … en … (voor het overvliegen van personeel naar …, voor het verrichten van herstellingen aan het machinepark).

Voor deze helikopter worden V.A.A. gefactureerd aan J. D. ten belope van 5 % van de gedane vluchten aan 20.000 BEF [thans 495,79 euro] per uur.

Verder wordt thans ook kerosene aangerekend aan de NV J. C. voor occasionele promotionele vluchten gedaan op de momenten dat de 2° heli hetzij in herstelling of in gebruik is.

De in aftrek gebrachte BTW met betrekking tot helikoptervluchten aangerekend door J. C. en H. S. (...) heb ik evenwel verworpen als onthaalkosten.

Er werd[en] dan ook geen BTW als onthaalkosten met betrekking tot de helikopter verworpen.".

Bedrijfsrevisor G. V. R. attesteert dat voor de aanslagjaren 1999 en 2000 (periode inzake BTW 01/12/1997 - 29/11/2000) de kosten met betrekking tot de helikopter Bell niet aan een forfaitaire beperking van BTW-aftrek wegens kosten van onthaal onderworpen werden (stuk 11 NV D.).

Hieruit volgt dat gedurende de volledige periode dat de helikopter Bell 407 in het bezit was van de NV D., 7,5 % van de vluchten geen bedrijfsmatig karakter had.

F. Niet-aftrekbaarheid van de BTW

1. Brandstof, uitrusting en onderhoud boekjaar 1996/97

De NV D. bewijst voor minstens 45 % van de helikoptervluchten in 1997 niet dat zij een bedrijfsmatig karakter hadden.

De BTW voor brandstof, uitrusting en onderhoud in het boekjaar 1996/97 is derhalve voor 45 % niet aftrekbaar.

2. Revisie heli 206, aankoop heli 407 en prijssupplement heli 407 boekjaar 1995/96

Gedurende de volledige periode dat de helikopter Bell 407 in het bezit was van de NV D., had 7,5 % van de vluchten geen bedrijfsmatig karakter.

De BTW voor de revisie heli 206, aankoop heli 407 en prijssupplement heli 407 boekjaar 1995/96 is derhalve voor 7,5 % niet aftrekbaar.

G. Eindafrekening

1. Bedragen verschuldigd door de NV D..

a. Niet-aftrekbare BTW brandstof, uitrusting en onderhoud boekjaar 1996/97

De BTW voor brandstof, uitrusting en onderhoud in het boekjaar 1996/97 is voor 45 % niet aftrekbaar :

63.391 BEF+ 35.432 BEF= 98.823 BEF

98.823 BEF x 45 % = 44.470 BEF, hetzij 1.102,38 euro.

b. Niet-aftrekbare BTW revisie heli 206, aankoop heli 407 en prijssupplement heli 407 boekjaar 1995/96

De BTW voor revisie heli 206, aankoop heli 407 en prijssupplement heli 407 boekjaar 1995/96 is voor 7,5 % niet aftrekbaar :

8. 594.521 BEF x 7,5 % = 644.589 BEF, hetzij 15. 978,94 euro.

c. Totaal niet-aftrekbare BTW

Het totaal van de niet-aftrekbare BTW bedraagt :

44.470 BEF+ 644.589 BEF= 689.059 BEF, hetzij 17.081,33 euro.

d. Geldboete

De geldboete bedraagt :

689.059 BEF x 10 % = 68.906 BEF

68.906 BEF moet afgerond worden naar 68.000 BEF, hetzij 1.685,68 euro.

e. Interesten

De NV D. moet interesten betalen op de verschuldigde BTW en de geldboete van 21 december 1997 tot het ogenblik dat zij de BTW betaald heeft.

De interesten worden berekend overeenkomstig artikel 91 van het BTW-Wetboek.

2. Terugbetaling door de Belgische Staat

a. De hoofdsom

De Belgische Staat moet in hoofdsom terugbetalen aan de NV D. :

126.337,30 euro [voorheen 5.096.434 BEF] - 17.081,33 euro - 1.685,68 euro - de door de NV D. verschuldigde interesten.

b. De interesten

De Belgische Staat moet interesten betalen op de hoofdsom die zij moet terugbetalen aan de NV D. van het ogenblik dat de NV D. de BTW betaald heeft tot de terugbetaling.

De interesten worden berekend overeenkomstig artikel 91 van het BTW-Wetboek.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende op tegenspraak;

Gelet op de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de vordering ontvankelijk en als volgt gegrond;

Veroordeelt de Belgische Staat om terug te betalen aan de NV D. :

HONDERDZESENTWINTIGDUIZEND DRIEHONDERD ZEVENENDERTIG EURO DERTIG CENT min ZEVENTIENDUIZEND EENENTACHTIG EURO DRIEENDERTIG CENT min DUIZEND ZESHONDERD VIJFENTACHTIG EURO ACHTENZESTIG CENT (126.337,30 euro -17.081,33 euro -1.685,68 euro) min de door de NV D. verschuldigde interesten plus de door de Belgische Staat verschuldigde interesten;

Zegt dat de NV D. interesten moet betalen op de verschuldigde BTW en de geldboete van 21 december 1997 tot het ogenblik dat zij de BTW betaald heeft;

Zegt dat de Belgische Staat interesten moet betalen op de hoofdsom die zij moet terugbetalen aan de NV D. van het ogenblik dat de NV D. de BTW betaald heeft tot de terugbetaling;

Zegt dat zowel de door de NV D., als de door de Belgische Staat verschuldigde interesten berekend worden overeenkomstig artikel 91 van het BTW-Wetboek;

Veroordeelt de Belgische Staat tot 9/10 en de NV D. tot 1/10 van de kosten van het geding;

Stelt de kosten vast :

a) aan de zijde van de NV D. :

- dagvaarding en rolstelling : 132, 15 euro;

- rechtsplegingsvergoeding : 356,97 euro;

b) aan de zijde van de Belgische Staat :

- rechtsplegingsvergoeding : 356,97 euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw I te Kortrijk op de openbare terechtzitting van DRIE APRIL TWEEDUIZEND EN ZES.

Aanwezig :

C. V., alleenzetelend rechter,

G. H., griffier - hoofd van dienst.

G. H. C. V.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 915 voorkomens
WBTW art. 593 voorkomens
WBTW art. 191 voorkomen
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8