Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 10.04.2002
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N l S genezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op tien april tweeduizend en twee in openbare zitting van de 2F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement, alwaar zetelden :
L.B., rechter, voorzitter van de kamer,
P. W., rechter,
N. V., rechter,
N. D., adjunct-griffier.
Inzake : AR nr. 00/3550/A
V. D. G., advocaat, met kantoor te …, …, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV A. I. T. H., ingeschreven in het register van de BTW onder het nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …, met zetel gevestigd te …, …, in faling verklaard bij vonnis van 5 november 1998 gewezen door de elfde kamer van rechtbank van koophandel te Antwerpen.
eisende partij q.q.
verschijnt in persoon.
tegen :
DE BELGISCHE STAAT,
1. vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën (administratie van de BTW, Registratie en Domeinen), zijnde aan het Ministerie van Financiën, Algemeen Secretariaat, Begroting en Comptabiliteit, met kantoren te 1000 Brussel, Bisschofsheimlaan 38.
2. Ministerie van Financiën, vertegenwoordigd door de heer hoofdcontroleur bij het 6de BTW-controle kantoor te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4.
verwerende partij,
verschijnende bij meester A. D., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder H. H. in vervanging van gerechtsdeurwaarder P. L. te … op 7 juni 2000 voor wat betreft verwerende partij sub nr.·1 en betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder L. V. te Antwerpen op 7 juni 2000 voor wat betreft verwerende partij sub nr. 2.
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juli 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 d.d. 3 mei 1998 en nummer 1103/97 d.d. 1 7 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 13 maart 2002.
De vordering strekt ertoe verweerders te veroordelen tot betaling aan eiser q.q. van het bestaande BTW-tegoed ad … BEF ten gunste van de gefailleerde NV A. I. T. H., vermeerderd met intresten, boeten en kosten van het geding, en onder voorbehoud van eventuele verdere aanpassingen in de loop van het geding.
Bij conclusies, neergelegd op 8 oktober 2001, heeft eiser q.q. zijn vordering uitgebreid strekkende tot veroordeling van verweerders tot betaling van het BTW-tegoed ad … BEF, vermeerderd met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.
Relevante feiten
Bij verstekvonnis van 5 november 1998 van de rechtbank van koophandel te Antwerpen werd de NV A. I. T. H. in slaat van faillissement verklaard en werd eiser q.q. tot curator benoemd.
Na afsluiting van de rekening-courant van de gefailleerde NV A. I. T. H. beliep het BTW-tegoed, op datum van 31 december 1997, … BEF. Voor het jaar 1998 werden immers enkel nog nihil-aangiften ingediend.
Op 10 juni 1999 begaven BTW-ambtenaren zich naar eiser q.q. en verzochten hem inzage te verlenen van de boeken en stukken die de gefailleerde vennootschap ingevolge het BTW-wetboek of de ter uitvoering ervan genomen besluiten heeft gehouden, opgemaakt of ontvangen, alsook van de handelsboeken, boekingsstukken, contracten betreffende de handels- of beroepswerkzaamheid.
Aan de hand van de voorgelegde bescheiden werden de hierna volgende vaststellingen gedaan betreffende aankopen en verkopen 1997-1998 en betreffende nog op te stellen facturen per 31 december 1996, waarvan op 14 april 2000 proces-verbaal werd opgemaakt, namelijk :
- aftrekbare BTW betreffende inkomende facturen 1997-1998 : … BEF,
- verschuldigde BTW betreffende inkomende facturen 1998 ingevolge de regeling van verlegging van heffing : … BEF,
- verschuldigde BTW ingevolge inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig bestemd zijn voor privé- of andere dan beroepsdoeleinden betreffende inkomende facturen 1998 : … BEF,
- verschuldigde BTW betreffende uitgaande factuur 1998 : … BEF,
- verschuldigde BTW betreffende nog op te stellen facturen per 31 december 1996 : … BEF.
Bijgevolg was de gefailleerde NV A. I. T H., volgens het proces-verbaal van 14 april 2000, nog verschuldigd aan BTW, namelijk :
- verschuldigde BTW : … BEF + … BEF + … BEF + … BEF, zijnde in totaal … BEF,
- aftrekbare BTW : … BEF,,
- saldo : … BEF - … BEF, zijnde … BEF + geldboete van … BEF of in totaal … BEF, vermeerderd met intresten vanaf 21 januari 1999.
Bij aangetekende brief van 18 april 2000 werd eiser q.q. medegedeeld dat voornoemd tegoed van … BEF wordt aangewend voor de aanzuivering van de vaststaande schuld opgenomen in voornoemd proces-verbaal en dat voor het eventueel resterende saldo een teruggaaf zal warden opgemaakt.
Volgens eiser q.q. wordt het bedrag van … BEF, vermeerderd met intresten vanaf 21 januari 1999, ten onrechte weerhouden als nog verschuldigde BTW, zodat hij aanvankelijk vorderde dat verweerders zouden veroordeeld worden tot betaling van het BTW-tegoed van … BEF.
In de loop van de procedure heeft hij zijn vordering uitgebreid als volgt, namelijk :
- BTW-tegoed per 31 december 1997 : … BEF
- aftrekbare BTW betreffende voornoemde inkomende facturen 1997-1998 : … BEF
- aftrek BTW betreffende bijkomende inkomende facturen 1998 : … BEF
TOTAAL BTW-tegoed : … BEF
Beoordeling
Betreffende het BTW-tegeoed
Volgens eiser q.q. werden in 1998 nog bijkomende inkomende facturen ontvangen, die niet in de BTW-aangiften werden opgenomen en waarvoor bijgevolg het recht op aftrek van … BEF niet is uitgeoefend.
Vooreerst dient opgemerkt te worden dat eiser q.q. deze bijkomende inkomende facturen niet heeft voorgelegd aan de BTW-ambtenaren toen deze zich op 10 juni 1999 naar hem begaven en verzochten inzage te verlenen van de boeken en stukken van de gefailleerde vennootschap.
Bovendien staat het onomstotelijk vast dat dit recht op aftrek van … BEF niet werd uitgeoefend conform artikel 4, § 1 van het K.B. nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.
Ingeval eiser q.q. het recht op aftrek op deze bijkomende inkomende facturen nog wenst uit te oefenen, dient hij dit te doen conform artikel 4, § 2 van voornoemd K.B. nr. 3 van 10 december 1969 en dient hij hiervoor de nodige aanvraag in te dienen bij de BTW-administratie, hetgeen hij niet deed.
De BTW-administratie dient immers na te gaan of een verdere controle zich opdringt en of aan de voorwaarden voor het recht op aftrek werd voldaan.
Bijgevolg kan eiser q.q. dit recht op aftrek van … BEF in de huidige procedure niet uitoefenen.
Anderzijds werd in het proces-verbaal van 14 april 2000 reeds rekening gehouden met de aftrekbare BTW van … BEF betreffende inkomende facturen 1997-1998.
Betreffende de verschuldigde BTW ten bedrage van … BEF inzake inkomende facturen 1998 ingevolge de regeling van verlegging van heffing
Krachtens artikel 20, § 1 van het K.B. nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde moet, in afwijking van artikel 51, § 1, 1° van het wetboek, de medecontractant van de belastingplichtige die een van de in § 2 aangeduide handelingen verricht de belasting die over die handeling verschuldigd is voldoen, wanneer hij zelf een belastingplichtige is, gehouden tot het indienen van een in artikel 53, eerste lid, 3°·van het wetboek bedoelde aangifte en moet hij deze belasting voldoen op de in § 4 voorgeschreven wijze.
Artikel 20, § 2 van voornoemd K.B. nr. 1 van 29 december 1992 bepaalt dat alle werk in onroerende staat wordt bedoeld in de zin van artikel 19, § 2 van het wetboek en bepaalt verder wat eveneens wordt bedoeld in de mate dat zij geen werk in onroerende staat zijn.
Uit deze inkomende facturen blijkt ontegensprekelijk dat de handelingen behoren tot de in voornoemd artikel 20, § 2 aangeduide handelingen.
Bijgevolg dient de NV A. I. T. H., als medecontractant die zelf een belastingplichtige is en gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften, de verschuldigde BTW te voldoen, hetgeen zij niet deed.
Betreffende de verschuldigde BTW ten bedrage van … BEF ingevolge inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig bestemd zijn voor privé of andere dan beroepsdoeleinden
Krachtens artikel 45, § 1 van het wetboek van BTW, waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten bestemt voor zijn economische activiteit.
De belastingplichtige, die het recht op aftrek inroept, dient het bewijs te leveren dat hij zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen.
De belastingplichtige dient dan ook het bewijs te leveren dat hij de goederen en diensten bestemt voor zijn economische activiteit.
Aangezien eiser q.q. niet het minste bewijs levert dat de goederen en diensten werden bestemd voor de economische activiteit van de NV A. I. T. H., werd het recht op aftrek van … BEF terecht verworpen door de administratie.
Betreffende de verschuldigde BTW ten bedrage van … BEF inzake de uitgaande factuur van de NV B.
Op 21 april 1998 factureerde de NV A. I. T. H. de NV B. voor het “leveren en verwerken bouwmaterialen, funderingswerken, werf …” voor een bedrag van … BEF + … BEF BTW.
Volgens eiser q.q. werd de BTW ten bedrage van … BEF ten onrechte gefactureerd vermits het werk in onroerende staat betreft waardoor, conform artikel 20 van voornoemd K.B. nr. 1 van 29 december 1992, het stelsel van de verlegging van de heffing naar de medecontractant van toepassing is.
Krachtens artikel 51, § 1, 3° van het wetboek van BTW is de belasting verschuldigd door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt en wordt hij schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk.
Bijgevolg is de NV A. I. T. H. de BTW ten bedrage van … BEF verschuldigd door de loutere vermelding ervan op de factuur.
Wanneer de opsteller van de factuur het gevaar voor verlies van belastinginkomsten tijdig en volledig heeft uitgeschakeld, verlangt het beginsel van de neutraliteit van de BTW echter dat de ten onrechte gefactureerde belasting kan worden herzien (H. v. J. 19 september 2000 inzake Schmeink & Cofreth AG & Co. KG en M. Strobel).
In casu blijkt echter uit geen enkel objectief element dat het gevaar voor verlies van belastinginkomsten tijdig en volledig werd uitgeschakeld zodat bijgevolg de mogelijk ten onrechte gefactureerde BTW niet kan worden herzien.
Betreffende de verschuldigde BTW ten bedrage van … BEF inzake nog op te stellen acturen per 31 december 1996
Uit de balans van de NV A. I. T. H. per 31 december 1996 blijkt dat voor een bedrag van … BEF diensten werden verricht, waarvoor nog facturen dienden opgesteld te worden.
Op 18 oktober 1997 factureerde de NV A. I. T. H. de NV C. voor "opleveren appartement" voor een bedrag van … BEF met verlegging van de heffing naar de medecontractant en met vermelding dat dit bedrag werd betaald via voorschotten.
Het wordt niet betwist dat het bedrag van … BEF in de balans per 31 december 1996 betrekking heeft op voorschotten die de NV C., in de loop van 1996, heeft betaald voor dit appartement.
Uit de factuur van 18 oktober 1997 en in het bijzonder uit de vermelding "opleveren appartement" blijkt ontegensprekelijk dat de NV A. I. T. H. handelingen heeft verricht bedoeld in artikel 20, § 2 van voornoemd K.B. nr. 1 van 29 december 1992, namelijk werk in onroerende staat, zodat de NV C. als medecontractant, die zelf een belastingplichtige is en gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften, de verschuldigde BTW diende te voldoen.
Uit geen enkel objectief element blijkt dat de NV A. I. T. H. dit appartement verkocht heeft aan de NV C.. Het betreft integendeel duidelijk werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2 van het wetboek van BTW.
Bovendien dient opgemerkt te worden dat de administratie niet betwist dat voor het overige werd gefactureerd met verlegging van de heffing naar de NV C..
Aangezien de NV C. als medecontractant de verschuldigde BTW diende te voldoen, is de gefailleerde NV A. I. T. H. dit bedrag van … BEF (… EUR) niet verschuldigd.
Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad
Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Na erover beraadslaagd te hebben.
Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.
Verklaart het proces-verbaal van 14 april 2000 van nul en generlei waarde in de mate dat daarin … EUR BTW als verschuldigd wordt vermeld en in de mate dat hierop een geldboete en intresten worden gevorderd.
Beveelt de herberekening van het saldo.
Veroordeeld eiser q.q. tot ¾ en verweerders tot ¼ van de kosten van het geding tot op heden door :
- verweerders in totaal begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve in totaal vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding,
- eiser q.q. in totaal begroot en door de rechtbank ambtshalve in totaal vereffend op … EUR dagvaarding en rolstelling.
Wijst het meer en/of anders gevorderde af.
N. D. N. V. P. W. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.