Recht op aftrek van belasting, voldoening van de belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 12 oktober 2011

Zoeken

Recht op aftrek van belasting, voldoening van de belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-voldoening-strafbepaling-rechtbank-brugge-2011-10-12-dfc9

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
12 oktober 2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

100 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 12.10.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 10/1775/A Rep. nr. 2011/11896

de heer H. M., fabrikant van dekzeilen, (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,

eiser,

voor wie is opgetreden Meester M. Z. loco Meester M. M., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van :

- de gewestelijk directeur van het Controlecentrum van de AOIF te Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4;

- de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

voor wie is opgetreden de heer D. E., adjunct-fiscaal deskundige bij een fiscaal bestuur,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het gedinginleidend verzoekschrift de dato 3 juni 2010.

De rechtbank nam kennis van het dossier der rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord ter de openbare terechtzitting van 14 september 2011.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

2.1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer BE … voor de zelfstandige activiteit van fabrikant van dekzeilen.

Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 10 december 2008 werd door M. H., fiscaal deskundige bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit in die hoedanigheid verbonden aan het Controlecentrum te Brugge een controle uitgevoerd met betrekking tot de toepassing van de wetgeving en reglementering van de BTW voor de periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2007.

Het voormeld toezicht werd gezamenlijk uitgeoefend met P. V., adjunct fiscaal deskundige bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie der directe belastingen, in die hoedanigheid eveneens ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit verbonden aan het Controlecentrum Brugge.

Op 2 december 2009 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal geredigeerd door M. H., voormeld.

Op 7 december 2009 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 10 december 2009 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. L., waarnemend directeur aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW te Brugge.

Op 2 april 2010 werd het dwangbevel met aangehecht proces-verbaal betekend aan eiser.

Op 3 juni 2010 heeft eiser een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie dezer rechtbank.

2.2. Eiser vraagt : de voorziening ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, dienvolgens gezegd wordt voor recht dat het bestreden dwangbevel nietig is en geen rechtsgevolg kan ressorteren, minstens vast te stellen dat het bestaan van de vermeende belastingschuld niet is bewezen, minstens een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, dienvolgens verweerder te veroordelen tot terugbetaling van alle ingevorderde bedragen lastens eiser, meer intresten en de kosten ten laste van verweerder te leggen.

2.3. Verweerder vraagt dat : het verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en eiser veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder werpt geen middelen op die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank geen middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. nopens het dwangbevel en de door eiser aangevoerde nietigheid ervan wegens bevoegdheidsoverschrijding

a. In casu wordt door verweerder de aftrek van de voorbelasting van eiser geweigerd omwille van het feit dat de door G. V. en later diens vennootschap A.W.T. & P. Ltd. opgestelde facturen een aantal meldingen niet bevatten, dit onder verwijzing naar artikel 5 van het KB nr.1 van 29 december 1992.

Volgens eiser is de Koning, door de aftrek van BTW afhankelijk te maken van de vermeldingen zoals opgenomen in artikel 5 van het Koninklijk Besluit nr.1 van 29 december 1992, zijn bevoegdheid te buiten gegaan.

b. De Rechtbank kan deze zienswijze niet volgen. Bij arrest van het Hof van Beroep te Gent van 15 oktober 1993, waarbij de Rechtbank zich aansluit, werd gestatueerd : "Het KB van 10 december 1969 houdt geen toevoeging of wijziging in op of van het recht op aftrek, maar regelt enkel de uitvoering van dit recht. De vereiste van een regelmatige factuur is conform aan de bevoegdheid door artikel 49 verleend aan de Koning om onder meer het tijdstip te bepalen waarop het recht van aftrek ontstaat, tegelijkertijd om te bewijzen dat er weldegelijk een recht op aftrek ontstaat, inzonderheid dat er goederen worden geleverd of diensten worden gepresteerd en dat hij die goederen of diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen." (stuk 1 - bundel verweerder).

Bij vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt de dato 18 februari 1991, bevestigd bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen de dato 29 juni 1993 werd beslist dat de Koning die in toepassing van artikelen 45 tot 49 van het BTW-wetboek onder meer de regelen volgens dewelke de aftrek plaats heeft, bepaalt "zijn bevoegdheid helemaal niet te buiten ging door in genoemde KB's te bepalen aan welke voorwaarden onder andere facturen moeten voldoen om voor de aftrek in aanmerking te kunnen komen". (stukken 2 en 3 - bundel verweerder).

Het middel mist grondslag.

3.2.2. nopens het gebrek aan bewijs van kwade trouw en de facturen

a. Eiser stelt dat verweerder in het proces-verbaal niet aantoont dat hij ter kwader trouw heeft gehandeld, zodat de aftrek van voorbelasting niet kan geweigerd worden, temeer daar hij de op de factuur vermelde BTW betaald heeft.

Vervolgens stelt hij dat de ontbrekende gegevens niet van aard zijn om te stellen dat hij niet gerechtigd zou zijn de BTW fiscaal in aftrek te brengen, nu de ontbrekende vermeldingen niet van aard zijn om te stellen dat de administratie onmogelijk nog een fiscale controle zou kunnen uitoefenen.

b. Noch de goede trouw noch het feit dat eiser de BTW betaald heeft, verleent het recht op aftrek van de BTW wanneer eiser niet bewijst dat de diensten beantwoorden aan de voorwaarden die bepaald zijn bij artikel 45 W.BTW om van het recht op aftrek te kunnen genieten.

c. Het Hof van Beroep te Gent statueert bij arrest van 17 november 1997 dat de rechter geval per geval mag nagaan of de vermeldingen die een factuur op grond van het KB nr.1 moet bevatten, wel noodzakelijk zijn om het recht op aftrek te beoordelen.

Zijn de vermeldingen voor de beoordeling van het recht op aftrek niet nodig, dan kan de aftrek toch worden toegestaan, ook al voldoet de factuur niet aan de vormvereisten die het KB stelt.

Het Hof beschouwt de vermeldingen van het KB nr.1 dan ook niet als strikte voorwaarden. Het Hof van Beroep verwijst naar de constante rechtspraak van het Hof van Justitie (zie ook H.v.J. 21 april 2005, HE, zaak C 25/03, F.J.F. n° 2005/286) die reeds gestatueerd had dat het recht op aftrek weliswaar afhankelijk gesteld mag worden van het bezit van een factuur met een aantal verplichte vermeldingen, maar dat die vermeldingen nodig moeten zijn om de inning van de BTW en de controle daarvan mogelijk te maken (Hof van Beroep Gent, 17 november 1997, F.J.F., n° 97/293).

d. Aangaande de verplichte vermelding betreffende de omschrijving van de handeling vermelden de kwestieuze facturen "geleverde prestaties volgens instructies" soms aangevuld met de woorden "met eigen materieel".

De Administratie kan gevolgd worden waar zij stelt dat deze vermeldingen zodanig algemeen zijn geformuleerd dat de handelingen niet gedetermineerd kunnen worden. Het voorwerp van de prestatie werd dermate onduidelijk en vaag omschreven op de facturen dat het voorwerp van de prestatie niet kan bepaald worden.

Er kan niet nagegaan worden of de kwestieuze handelingen gebruikt worden voor het stellen van outputhandelingen.

Gelet op de onvolledige vermelding van de omschrijving van de handeling op de facturen werd de controle en de invordering van de BTW verhinderd, wat het recht op aftrek in de weg staat.

Het feit dat het ontbreken dezer factuurvermeldingen geen aanleiding heeft gegeven tot het opleggen ener boete conform artikel 70, § 2 W.BTW, noch tot een medeaansprakelijkheid van de medecontractant is in casu niet relevant.

e. In diverse gerechtelijke uitspraken werd het strikte standpunt, waarbij elk gebrek in de factuurvermeldingen zou volstaan om de aftrek van de BTW te weigeren, genuanceerd op basis van de goede trouw.

Deze rechtspraak vindt in casu geen toepassing nu eiser niet bewijst voldaan te hebben aan de grondvoorwaarden die moeten voldaan zijn om te kunnen genieten van de BTW-aftrek zoals vermeld geworden in de artikelen 45 e.v. W.BTW.

Het middel mist grondslag.

3.2.3. nopens de toepassing van de BTW-regeling medecontractant voor werken in onroerende staat

a.Eiser stelt dat de in artikel 51, § 1, 1° van het BTW-wetboek algemene regel dat de belasting verschuldigd is door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht heeft, afwijkende regeling voorzien in artikel 51, § 4° van het BTW-wetboek, die aan de Koning de mogelijkheid biedt om de medecontractant tot voldoening van de belasting te verplichten, in strijd is met artikel 170 van de Grondwet.

Volgens eiser kan de Koning, rekening houdende met het fiscaal legaliteitsbeginsel, niet gerechtigd zijn te bepalen welk subject een belasting dient de voldoen, met andere woorden, Hij is niet gerechtigd af te wijken van het algemene principe dat de belasting voldaan moet worden door degene aangeduid in artikel 51, § 1, 1° van het BTW-wetboek waardoor artikel 51, § 4 van het BTW-Wetboek dode letter zou zijn.

b.Volgens verweerder betreft de bij artikel 51, § 4 van het BTW-wetboek aan de Koning verleende bevoegdheid tot het afwijken van het bij artikel 51, § 1, 1° van het BTW-Wetboek vastgelegd algemeen principe enkel de voldoening van de belasting aan de Staat, is er geen bevoegdheidsoverschrijding door de uitvoeringsmaatregelen aan de Koning toe te vertrouwen en is er geen strijdigheid met artikel 170 van de Grondwet.

c.Artikel 51, § 1, 1° van het BTW-wetboek bepaalt dat de belasting verschuldigd is "1° door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht;"

Van de algemene regel van artikel 51, § 1, 1° W.BTW kan worden afgeweken overeenkomstig de bepalingen van artikel 51, § 4° W.BTW. Deze bepaling stelt : "De Koning kan afwijken van § 1, 1°, om de medecontractant van de leverancier van goederen of van de dienstverrichter tot voldoening van de belasting te verplichten in de mate dat Hij zulks noodzakelijk acht om die voldoening te vrijwaren.".

Op grond van de bepalingen van artikel 51, § 4 W.BTW heeft de Koning in artikel 20 van het BTW-KB nr.1 voorzien in een afwijkende voldoeningsregeling voor wat betreft werken in onroerende staat. Artikel 20 van het BTW-KB nr.1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt :

"§ 1. In afwijking van artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek moet de medecontractant van de in België gevestigde belastingplichtige die een van de in § 2 aangeduide handelingen verricht de belasting die over die handeling verschuldigd is voldoen, wanneer hij zelf een in België gevestigde belastingplichtige is en gehouden tot het indienen van een in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte of een niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, van het Wetboek. Hij moet deze belasting voldoen op de in § 4 hierna voorgeschreven wijze.

§ 2. Wordt bedoeld alle werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, van het Wetboek.

Worden eveneens bedoeld, in de mate dat zij geen werk in onroerende staat zijn :

1° iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw :

a) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daarin begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketels of aan de radiatoren;

b) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van alle vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;

c) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;

d) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;

e) van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers, waarmee een keuken of badkamer is uitgerust;

f) van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst.

2° iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbedekking als de plaatsing ervan in een gebouw, ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;

3° ieder werk dat bestaat in het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen van goederen bedoeld in 1° of 2° hierboven. Wordt ook bedoeld de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van een werk in onroerende staat of van een onder 1°, 2° of 3°, hierboven bedoelde handelingen.

§ 3. De belastingplichtige die handelingen verricht bedoeld in § 2 vermeldt op de facturen die hij voor die handelingen uitreikt, noch het tarief, noch het bedrag van de verschuldigde belasting, maar brengt er de vermelding op aan "Belasting te voldoen door de medecontractant, koninklijk besluit nr. 1, art. 20" of elke andere gelijkwaardige vermelding.

§ 4. De in § 1 bedoelde medecontractant moet de ter zake van die handelingen verschuldigde belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting verschuldigd wordt."

Eiser wijst er op dat artikel 20 van het BTW-KB nr.1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde voorziet in een afwijkende regeling waarvan artikel 51, § 1, 1° BTW-wetboek door te bepalen dat niet de belastingschuldige maar wel de medecontractant van de belastingschuldige de BTW dient te voldoen, volgens eiser ingaat tegen de bepalingen van artikel 170 van de Grondwet.

Artikel 170 van de Grondwet luidt :

"§ 1. Geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet.

§ 2. Geen belasting ten behoeve van de gemeenschap of het gewest kan worden ingevoerd dan door een decreet of een in artikel 134 bedoelde regel. De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt.

§ 3. Geen last of belasting kan door de provincie worden ingevoerd dan door een beslissing van haar raad. De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt. De wet kan de in het eerste lid bedoelde belastingen geheel of gedeeltelijk afschaffen.

§ 4. Geen last of belasting kan door de agglomeratie, de federatie van gemeenten en de gemeente worden ingevoerd dan door een beslissing van hun raad. De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt.”.

d.Verweerder stelt dat artikel 51, § 4 BTW-wetboek en artikel 20 van het BTW-KB nr.1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde het fiscaal legaliteitsbeginsel vervat in artikel 170 van de Grondwet niet miskent nu de bij artikel 54, § 4 van het BTW-wetboek aan de Koning verleende bevoegdheid tot het afwijken van het bij artikel 51, § 1, 1° van het BTW-wetboek vastgelegd algemeen principe geen uitstaans heeft met de verschuldigdheid van de belasting maar enkel de voldoening ervan aan de Staat regelt en dus geen essentieel bestanddeel van de wet zelf betreft, maar enkel tot doel heeft de controle en de inning van de belasting te verrekenen, zodat er geen sprake is van bevoegdheidsoverschrijding door uitvoeringsmaatregelen aan de Koning toe te vertrouwen.

e. Gelet op de talrijke nauwkeurig omschreven en gestaafde tegenstrijdige argumenten van beide partijen kan er twijfel bestaan nopens het feit te weten of voormeld artikel 51, § 4 BTW-wetboek en artikel 20 van het BTW-KB nr.1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de BTW al dan niet het fiscaal legaliteitsbeginsel vervat in artikel 170 van de Grondwet schendt.

De Rechtbank wenst dan ook volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof :

"Schenden de bepalingen van artikel 51, § 4 W.BTW, gelezen in samenhang met artikel 20 van het Koninklijk Besluit nr.1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 10, 11 en 170 GW, in zoverre artikel 51, § 4 W.BTW aan de Koning de bevoegdheid verleent om af te wijken van artikel 51, § 1, 1° W.BTW en aldus de medecontractant van een leverancier van goederen of van een dienstverrichter tot voldoening van de belasting te verplichten daar waar deze bevoegdheid overeenkomstig het fiscaal legaliteitsbeginsel voorzien in artikel 170 GW enkel toekomt aan de federale wetgever."

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk.

Stelt de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof :

"Schenden de bepalingen van artikel 51, § 4 W.BTW, gelezen in samenhang met artikel 20 van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 10, 11 en 170 GW, in zoverre artikel 51, § 4 W.BTW aan de Koning de bevoegdheid verleent om af te wijken van artikel 51, § 1, 1° W.BTW en aldus de medecontractant van een leverancier van goederen of van een dienstverrichter tot voldoening van de belasting te verplichten daar waar deze bevoegdheid overeenkomstig het fiscaal legaliteitsbeginsel voorzien in artikel 170 GW enkel toekomt aan de federale wetgever."

De Rechtbank verwijst in afwachting van het antwoord van het Grondwettelijk Hof de zaak naar de bijzondere rol en houdt de beslissing in verband met de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag twaalf oktober tweeduizend en elf.

Aanwezig zijn :

H. A., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. A. H.

Aangehaalde teksten

8
WBTW art. 5111 voorkomens
KB nr. 1 art. 207 voorkomens
KB nr. 1 art. 52 voorkomens
WBTW art. 191 voorkomen
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 491 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen
WBTW art. 541 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8