Werkingssfeer, belastbare handeling, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 25 maart 2009

Zoeken

Werkingssfeer, belastbare handeling, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-belastbare-handeling-strafbepaling-administratieve-rechtbank-hasselt-2009-03-25-b5e8

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
25 maart 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

93 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 25.03.2009

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

Inzake AR nr. 07/443/A

M. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, en ondernemingsnummer ….

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. P. L. loco mr. A. V., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de ontvanger van het 1ste BTW-ontvangkantoor, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 19.02.2007;

- de syntheseconclusie en stukken van eiseres;

- de conclusies, syntheseconcIusie, tweede syntheseconclusie en stukken van verweerder.

I. FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiseres is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE … ingevolge de door haar uitgevoerde activiteit van ondersteuning geven bij productie, organisatie en marktbenadering en onderneming in onroerende goederen en is zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Na een voorafgaandelijke aankondiging hebben J. Ch. en S. G., resp. fiscaal deskundige en adjunct fiscaal deskundige bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, beiden in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, verbonden aan het controlecentrum Hasselt-Beringen een plaatsbezoek gebracht bij de NV M..

Op 25.01.2006 hebben de controleambtenaren zich onaangekondigd aangemeld bij de NV M. teneinde het werkelijk beroepsgebruik van de woning te kunnen nagaan. Zij werden ontvangen door mevr. M. van de NV M. doch de toegang tot het onroerend goed werd geweigerd.

Op 23.08.2006 werd de controle verder gezet over de periode van 01.01.2003 tot 31.12.2004.

De controleverrichtingen en hun resultaten werden vastgelegd in een proces-verbaal van 12.12.2006 waarbij de hierna volgende inbreuken werden vastgesteld :

- inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig bestemd zijn voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van een economische activiteit;

- ten onrechte opgenomen bedrag aan terug te vragen BTW in vak 62 van de BTW-aangifte van het vierde kwartaal 2003 ;

- inbreuken op art. 19, § 1 W.BTW betreffende het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige.

Er werd gesteld dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- 44.512,19 euro aan BTW;

- een geldboete gelijk aan het dubbel van de BTW in toepassing van art. 70, § 1bis W.BTW en verminderd en afgerond overeenkomstig art. 1, tabel H en art. 4, § 1 van het KB nr. 41 van 30.01.1987 tot 4.450,00 euro;

- de wettelijke intresten overeenkomstig art. 91 W.BTW over de BTW berekend vanaf 21.01.2005 over de som van 44.512,00 euro (zie stuk 1, bundel overtuigingsstukken verweerder).

Aangezien een minnelijke afhandeling van het dossier niet mogelijk bleek, werd er op 19.12.12006 een dwangbevel uitgevaardigd gesteund op het proces-verbaal van 12.12.2006. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19.12.2006 en met aangetekende brief van 21.12.2006 betekend aan eiseres (zie stukken 2 en 3, bundel overtuigingsstukken verweerder).

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW, alsmede de vervolgingskosten.

Eiseres stelt in besluiten dat zij op 27.12.2006 een bedrag van 57.152,03 euro heeft betaald onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelig erkentenis.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 19.02.2007, stelde eiseres een vordering in rechte in.

Eiseres vordert de vernietiging van het dwangbevel en de terugbetaling van de betaalde BTW, boeten en intresten, verhoogd met de moratoire intresten.

ll. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

2.1. M.b.t. de vordering tot nietigheid van het dwangbevel van 19.12.2006

De rechtbank stelt vooreerst vast dat het dwangbevel van 19.12.2006 niet is aangetast door een formele nietigheid, zodat deze vordering dient te worden afgewezen.

2.2. M.b.t. het verzet tegen de BTW-vordering

1. Eiseres oefent haar activiteiten uit in een door haar opgericht onroerend goed dat zij in gebruik nam in de loop van het jaar 2000. Een gedeelte van het onroerend goed wordt ter beschikking gesteld van de zaakvoerder.

2. Uit het proces-verbaal van 12.12.2006 blijkt dat de BTW-vordering van de administratie uit vier onderdelen bestaat :

- in deel I verwerpt verweerder de uitoefening van het recht op aftrek op de werken in onroerend staat aan het onroerend goed dat door eiseres in 2000 in gebruik is genomen op basis van art. 45, § 1 W.BTW en art. 1 van het KB nr. 3. Eiseres beperkte de aftrek van de verschuldigde BTW tot 52 %, percentage dat zij aangaf als beroepsmatig gebruik van de woning. In de vordering van de administratie wordt de aftrek beperkt tot 40 % en dit op grond van het door eiseres afgesloten akkoord inzake directe belastingen waarbij het privé-gebruik van de woning door de zaakvoerder bepaald werd op 60 % en het beroepsmatig gedeelte op 40 %;

- in deel II van het proces-verbaal wordt de volledige aftrek van BTW verworpen op de kosten van de installatie van een zwembad, de toestellen voor het onderhoud ervan en de onderhoudsproducten en dit op grond van art. 45, § 1 W.BTW en art. 1 van het KB nr. 3;

- in deel III van het proces-verbaal wordt de door eiseres gedane herziening van de BTW in haar voordeel verworpen. Het betreft hier de BTW betaald voor een aantal investeringen m.b.t. het onroerend goed, waarvoor eiseres in eerste instantie de BTW volledig in aftrek heeft gebracht, naderhand de verschuldigde BTW op het privé gebruik ten bedrage van 48 % in het voordeel van de staat herzien heeft, en vervolgens op grond van het Seeling-arrest terug een herziening doet in haar voordeel;

- in deel IV van het proces-verbaal wordt de BTW gevorderd die verschuldigd is wegens het privé gebruik van roerende goederen eigendom van eiseres (telefoon, GSM, auto, verwarming, ...).

3. De betwisting betreft enkel de beweerde inbreuken op de uitoefening van de aftrekregeling t.a.v. van goederen en/of diensten die volledig bestemd zijn voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan een economische activiteit.

M.b.t. punt IV van het proces-verbaal van 12.12.2006 (inbreuken op art. 19, § 1 W.BTW) blijkt uit het proces-verbaal dat de gevolmachtigde boekhouder van eiseres zich akkoord verklaarde in zijn brief van 21.11.2006 met deze voordelen van alle aard.

Aangezien er onvoldoende BTW werd afgedragen, werd deze opgenomen in het proces-verbaal van 12.12.2006. Eiseres stelt dienaangaande geen vordering. De BTW t.b.v. 938,26 euro is derhalve verschuldigd, alsook de erop aangerekende boete en intresten.

4. Krachtens het op huidig geschil van toepassing zijnde art. 45, § 1 W.BTW waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen zoals bedoeld in art. 45, § 1, 1° tot 5° W.BTW bedoelde handelingen.

Anders dan in het arrest Seeling van het Europees Hof van Justitie (H.v.J., 8 mei 2003, C-269/00, Wolfgang Seeling, www.curia.eu.net ) waarin aangenomen werd dat de voorbelasting in beginsel aftrekbaar was voor een particulier die ervoor koos het investeringsgoed te behandelen als een goed van de onderneming al werd het zowel voor bedrijfs- als voor privé-doeleinden gebruikt, is de belastingplichtige in huidige zaak een vennootschap.

Deze vennootschap, zijnde een vennootschap die een handelsactiviteit tot doel heeft (vgl. met art. 3, § 2 W. Venn.) heeft het onroerend goed in eigendom. Het onroerend goed bevindt zich derhalve in het bedrijfsvermogen van eiseres en wordt voor een gedeelte privé-gebruikt door de zaakvoerder. Uit een akkoord met de directe belastingen blijkt dat het beroepsmatig gedeelte op 40 % werd bepaald en het privé-gebruik op 60 %.

In tegenstelling tot hetgeen verweerder voorhoudt, kan eiseres de voorbelasting integraal in aftrek brengen (zie o.m. H.v.J., 11 juli 1991, C-97/90, Hansgeorg Lennartz t. Finanzamt Muenchen III, Jur. H.v.J, 1991, I, 3795, r.o. 29; H.v.J., 14 juli 2005, C-434/03, P. Charles en T.S. Charles-Tijmens t. Staatssecretaris van Financiën, r.o. 24, www.curia.eu.net ).

Essentieel is dat de belastingplichtige het goed heeft opgenomen in het bedrijfsvermogen. Vennootschappen hebben gelet op de beperkingen hen opgelegd door hun doel, alleen maar een bedrijfspatrimonium. Dit werd ook zo gesteld door de Minister van Financiën : "De goederen die een rechtspersoon verkrijgt, kunnen immers uitsluitend behoren tot het bedrijfsvermogen, aangezien een rechtspersoon geen privé-vermogen heeft" (zie Vraag Kamer nr. 924, 22 september 2005).

Het feit dat het goed maar gedeeltelijk voor de bedrijfsactiviteit zou gebruikt worden en gedeeltelijk privé-gebruikt wordt door de zaakvoerder, doet hieraan geen afbreuk.

Ook de bewering van verweerder dat het goed gedeeltelijk voor vrijgestelde handelingen (art. 44, § 3, 2) WIB 92) zou worden aangewend omdat de terbeschikkingstelling van het appartement aan de zaakvoerder dient aangemerkt te worden als een huur onder bezwarende titel en bijgevolg is vrijgesteld, doet hier geen afbreuk aan.

Immers in casu is er geen sprake van een onroerende verhuur zodat de vrijstelling van art. 44, § 3, 2° W.BTW niet kan worden toegepast.

Terecht stelt eiseres dat de begrippen uit het W.BTW een communautaire invulling hebben en dat dient te worden nagegaan hoe het begrip "onroerende verhuur" door de communautaire rechtsorde wordt ingevuld.

In het arrest Temco (zie H.v.J., 18 november 2004, T.F.R., 2005, blz. 87 e.v.) wordt onder randnummer 19 gesteld dat het begrip verhuur van onroerende goederen in de zin van art. 13 B sub b van de Zesde Richtlijn in wezen daarin bestaat dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dit recht uit te sluiten (zie tevens H.v.J., arresten van 9 oktober 2001, Mirror Group, C-409/98, Jurispr., p. 1-7175, punt 31 en Cantor Fitzgerald International, C-108/99, Jurispr., p. I-7257, punt 21; H.v.J., 8 mei 2003, C-269/00, Wolfgang Seeling, punt 49, www.curia.eu.net )

Volgens het Europees Hof is er helemaal geen toepassing mogelijk van art. 13 B sub b van de Zesde Richtlijn in geval van een gratis ter beschikking stelling van een onroerend goed aan een zaakvoerder. De terbeschikkingstelling aan de zaakvoerder van eiseres van een deel van een onroerend goed is te beschouwen als een dienst ten bezwarende titel en een belastbare handeling (art. 6.2, a van de Zesde Richtlijn en art. 19, § 1 W.BTW) (zie H.v.J., 14 september 2006, C-72/05, Hausgemeinschaft Jörg und Stefanie WolIny 1. Finanzambt landshut, punt 23, www.curia.eu.net ).

Er moet worden aangenomen dat het gedeelte van het onroerend goed dat ter beschikking gesteld is van de zaakvoerder, ter beschikking wordt gesteld buiten een huurovereenkomst. Een schriftelijke huurovereenkomst wordt niet voorgelegd.

Evenmin blijkt dat er huur betaald wordt als tegenprestatie voor de terbeschikkingstelling van een gedeelte van het onroerend goed. Ook is er geen tijdsduur bedongen. Het enkele feit dat het de zaakvoerder is die de ter beschikking heeft over een deel van het onroerend goed volstaat niet om aan te nemen dat er een huurovereenkomst is, ook al kan dit beschouwd worden als een voordeel van alle aard inzake inkomstenbelastingen.

De voorwaarden voor een onroerende verhuur zijn dus geenszins vervuld.

De aftrek van BTW werd dan ook ten onrechte verworpen door verweerder.

De vordering van eiseres is dan ook gegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS, 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).

Partijen ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om afte wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN :

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk.

Verklaart de vordering tot vernietiging van het dwangbevel van 19.12.2006 ongegrond.

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 19.12.2006 in de volgende mate gegrond.

Zegt voor recht dat het dwangbevel dat door verweerder ten nadele van eiseres op 19.12.2006 werd opgemaakt, ongegrond is voor het bedrag van 43.573,93 aan BTW en voor het bedrag van 4.350,00 euro aan geldboete, alsook de intresten op deze bedragen aangerekend vanaf 21.01.2005 op basis van art. 91, § 1 W.BTW.

Beveelt dienvolgens verweerder om over te gaan tot terugbetaling aan eiseres van deze bedragen opgenomen in het dwangbevel van 19.12.2006 dat ongegrond werd verklaard, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 19.02.2007.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van eiseres op 2.500,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 25.03.2009, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De heer L. P., griffier.

L. P. M. C.

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit vonnis, deze beschikking ten uitvoer zullen leggen;

Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit vonnis, deze beschikking is ondertekend en gezegeld met het zegel van de rechtbank.

VOOR EENSLUIDENDE UITGIFTE, afgeleverd aan eiseres.

Hasselt, 22 juli 2009

De griffier-hoofd van dienst,

PH. N.

Aangehaalde teksten

9

Vergelijkbare beslissingen

8