Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 05.06.2000
Vrijstelling - Bewijs - Boete - Dwangbevel
Tijdens een B.T.W.-controle wordt vastgesteld dat een B.T.W.-belastingplichtige een partij van 500 GSM-toestellen heeft verkocht aan een Luxemburgse onderneming zonder aanrekening van B.T.W., waarbij echter duidelijk vaststaat dat de toestellen België nooit verlaten hebben. Deze overtreding van de B.T.W.-wetgeving geeft aanleiding tot het opstellen van een dwangbevel waarbij de verschuldigde B.T.W. wordt gevorderd, verhoogd met boetes en interesten. De B.T.W.-belastingplichtige vecht het dwangbevel aan voor de rechtbank. Er wordt geargumenteerd dat het dwangbevel nietig is aangezien het niet de machtiging bevat waarbij de gewestelijk directeur delegatie verleent aan de ambtenaar om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren. Volgens de rechtbank gaat dit argument niet op, aangezien deze vermelding niet tot de verplichte vermeldingen van een dwangbevel behoort. Ook het argument dat de B.T.W.-belastingplichtige verkoper volledig ter goeder trouw de goederen heeft overgedragen aan de koper met het oog op intracommunautair vervoer, dat hij door de koper is misleid en dat het nooit de bedoeling is geweest de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, is voor de rechtbank niet voldoende om niet te besluiten tot de verschuldigdheid van de belasting. Daarnaast is de rechtbank is deze zaak ook van oordeel dat de overtredingen van deze zaak uitermate ernstig zijn en het algemeen belang schade toebrengen, waardoor zij geen reden ziet tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde boete van 200%.
Vierde Kamer
Alleenrechtsprekend rechter: Dhr. N. Haemers
Gedelegeerd adjunct-griffier: Mevr. N. Lhoëst
Partij: N.V. All Euro Communications t. De Belgische Staat
Rolnr.: 99/2209/A
I
RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 19 augustus 1999.
Gelet op de verwijzing van deze zaak de dato 22 november 1999, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze Rechtbank.
De Rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 8 mei 2000.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II
BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.
2.1.
Op 12 augustus 1998 werd lastens eiseres een toezicht met betrekking tot de toepassing van de intracommunautaire BTW-wetgeving uitgeoefend door de ambtenaren verbonden aan het nationaal controlecentrum ter bestrijding van carrouselfraude.
Overeenkomstig het proces-verbaal van 20 maart 1999 blijkt dat 500 GSM-toestellen die zogezegd bestemd waren voor de SARL Lomalex uit Luxemburg, het Belgisch grondgebied niet verlaten hebben en ter beschikking werden gesteld te Eigenbrakel van een zekere J••••• M•••••.
Voormelde persoon is enerzijds geregistreerd als BTW-plichtige onder het Belgisch BTW-nummer •••.•••.••• en treedt anderzijds op als afgevaardigde van voormelde Luxemburgse firma.
Uit de stukken blijkt dat voormelde J. M••••• de gsm-toestellen, in eigen naam en met vermelding van het BTW-nummer van zijn éénmanszaak, voor een lagere prijs dan de aankoopprijs heeft doorverkocht aan de SRCL Centrale Jolly.
Overeenkomstig de bijlagen aan het proces-verbaal de dato 20 maart 1999 gebeurde de facturatie door eiseres aan de SARL Lomalex ten onrechte met vrijstelling van BTW. wegens intracommunautaire levering vermits de goederen het Belgisch grondgebied niet hadden verlaten.
Derhalve werden in voormeld proces-verbaal de volgende verschuldigde sommen weerhouden in hoofde van eiseres: 1.522.500,- Bf. BTW., 3.045.000,- Bf. wettelijke boete en de intresten op het BTW.-bedrag vanaf 21 september 1998.
Vermits voormelde bedragen niet werden betaald, werd op 15 juni 1999 door de rekenplichtige van het BTW.-ontvangkantoor te Kortrijk, overeenkomstig artikel 85, § 1 WBTW., een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 13 juli 1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer directeur A. De Rycke van de BTW.-directie te Brugge en op 9 augustus 1999 per gerechtsdeurwaardersexploot aan eiseres betekend.
2.2.
Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het bestreden dwangbevel, uitgevaardigd op 15 juni 1999 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 13 juli 1999, van nul en generlei waarde is en dat eiseres ontslaan wordt van alle in het dwangbevel gevorderde bedragen. Verder wordt gevraagd dat verweerder wordt veroordeeld tot de integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald, ingehouden en/of toegerekend op de bedragen vermeld in het bestreden dwangbevel. In ondergeschikte orde vraagt eiseres dat de rechtbank de boete die betrekking heeft op het dwangbevel, kwijtscheldt.
Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
2.3.
Verweerder vraagt dat het verzet onontvankelijk, minstens ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 12.600,- Bf. rechtsplegingsvergoeding.
III
BEOORDELING
3.1
nopens de regelmatigheid van het dwangbevel
3.1.1.
Eiseres stelt dat in het bestreden dwangbevel het bewijs van de machtiging, waarbij de gewestelijke directeur delegatie verleend aan een bepaalde ambtenaar om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren, niet vervat is. Tevens werd het bewijs van machtiging niet als bijlage aan het bestreden dwangbevel gehecht en werd in het gerechtsdeurwaardersexploot de dato 9.08.1999 met geen woord gerept over het vereiste bewijs van die machtiging.
Eiseres stelt verder dat het bewijs van die machtiging een conditio sine qua non uitmaakt teneinde authenticiteit te verlenen aan het dwangbevel. Voormelde tekortkoming brengt dan ook de absolute nietigheid mee van de betekening van het dwangbevel, alsmede van de uitvoerbaarverklaring.
3.1.2.
Het dwangbevel, hetwelk ontegensprekelijk een authentieke akte uitmaakt, dient in de op hem toepasselijke wettelijk voorgeschreven vorm te zijn opgemaakt, te weten overeenkomstig de bepalingen van artikel 85, § 1 WBTW., luidende als volgt: "Bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar".
Het visum en de uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel maken dus de voorzegde wettelijk voorgeschreven vorm uit en zijn dus de wettelijke vereisten zonder dewelke het dwangbevel niet uitvoerbaar is. Zij voegen uiteraard niets toe aan het dwangbevel, doch zij zijn een wettelijke voorwaarde opdat het dwangbevel tot een uitvoerbare titel zou geworden. Derhalve is de rechtsgeldige naleving van voorzegde bepaling een strikte noodzaak.
Evenwel mogen geen andere of meerdere vereisten, dan bij wet bepaald, worden gesteld. Aldus wordt door geen enkele wettelijke bepaling vereist dat de delegatie zelf bij dit dwangbevel wordt gevoegd, mede ter kennis wordt gebracht of wordt betekend noch dat deze delegatie een, conform artikel 1328 B.W. vast datum zou hebben. Teneinde aldus aan de wettelijke bepalingen te voldoen, is het vereist, doch volstaat het, dat het visum en de uitvoerbaarverklaring, benevens de datum, de naam van de ambtenaar die het heeft geviseerd en uitvoerbaar verklaard, vermeldt, gevolgd door diens handtekening, desgevallend met de vermelding van de aanwijzing door de gewestelijke directeur van de administratie, ingeval het niet deze laatste is die het visum en de uitvoerbaarverklaring heeft verleend.
Het litigieuze dwangbevel voldoet aan al deze vereisten. Aangezien verweerder in de procedure onder haar stuk 18 een document voorlegt waaruit ontegensprekelijk blijkt dat de gewestelijke directeur op 3 februari 1997 aan de heer A. De Rycke , directeur van de BTW. te Brugge zijn wettelijke bevoegdheid heeft gedelegeerd om alle dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren met ingang van deze datum en tot nader order, dient te worden vastgesteld dat het visum en de uitvoerbaarverklaring de dato 13 juli 1999 conform de bepalingen van artikel 85 § 1, eerste lid WBTW. zijn geschied, nu, het weze herhaald, geen meerdere of andere vereisten worden gesteld, terwijl de verklaring de dato 3 februari 1997 evenmin van valsheid wordt beticht.
3.2
nopens het bewijs van de intracommunautaire levering
3.2.1.
Op grond van artikel 39 bis eerste lid, 1° WBTW. zijn de intracommunautaire leveringen van goederen van belasting vrijgesteld, indien de levering wordt verricht door een belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke BTW.-aangiften overeenkomstig artikel 53, eerste lid, 3° WBTW..
Als de belastingplichtige deze vrijstelling inroept moet hij het bewijs leveren omtrent de hoedanigheid van de koper en de echtheid van het vervoer of de verzending aantonen.
3.2.2.
Op grond van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde moet de verkoper ten allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt. Hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoersdocumenten en de betalingsstukken.
3.2.3.
Overeenkomstig de uitgaande factuur van eiseres blijkt dat het om een intracommunautaire levering gaat van 500 GSM-toestellen met als geadresseerde SARL Lomalex.
Door de verbalisanten werd echter vastgesteld dat de kwestieuze goederen het Belgisch grondgebied niet verlaten hebben doch integendeel afgeleverd werden in de magazijnen van de firma Shugard Waterloo te Eigenbrakel. Dit is niet in overeenstemming met de exportverklaring waarop vermeld staat dat eiseres instaat voor het transport van de goederen en ook niet met de factuur en de afleveringsnota gelet op de vermelding "verzendkosten: on our behalf".
Uit de raadpleging van de informatiebank van de Europese Unie in verband met intracommunautaire transacties blijkt evenmin dat de SARL Lomalex de goederen doorverkocht heeft aan J••••• M••••• voorafgaandelijk aan de verkoop door deze laatste aan de SCRL Centrale Jolly.
3.2.4.
Eiseres houdt voor dat zij volledig ter goeder trouw de goederen heeft overgedragen met het oog op het intracommunautair vervoer ervan door of voor rekening van de koper. Zij stelt verder dat zij door haar koper is misleid en dat zij nooit heeft gehandeld met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
Op basis van de voorliggende stukken blijkt echter overduidelijk dat het nooit de bedoeling is geweest om de bewuste lading in de zin van artikel 39 bis WBTW. intracommunautair te leveren aan de SARL Lomalex te Luxemburg. Het is duidelijk dat de bewuste verkoop niet bestemd was voor de SARL Lomalex maar voor de heer J••••• M••••• . De factuur werd ten onrechte opgemaakt op naam van voormelde Luxemburgse firma en de partijen speelden onder één hoedje met de bedoeling om de BTW te ontduiken.
3.2.5.
Aangezien J••••• M••••• in België geregistreerd is als BTW-plichtige en de goederen in België geleverd zijn, is de BTW volgens de gewone regels opeisbaar.
3.3
nopens de boete
3.1
3.1
3.3.1.
Artikel 70 § 1 WBTW. bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd die gelijk is aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.
Normaal wordt voormelde boete evenwel verminderd volgens het barema vermeld in het koninklijk besluit nr. 41 de dato 30 januari 1987. In artikel 1, laatste alinea van voormeld K.B. staat evenwel dat het barema van de boetevermindering geen toepassing vindt voor overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
De Rechtbank stelt vast dat uit de voorliggende processen-verbaal de dato 13 augustus 1998 en 20 maart 1999 duidelijk blijkt dat het de bedoeling was van eiseres om moedwillig BTW. te ontduiken en de schatkist te benadelen. De kwestieuze goederen hebben immers het Belgisch grondgebied niet verlaten zodat eiseres zich onmogelijk kon beroepen op de vrijstelling van de BTW. conform artikel 39 bis WBTW.. Eiseres kan geen goede trouw inroepen vermits zij contractueel gehouden was om het vervoer van België naar Luxemburg te verrichten. Daarbij komt nog dat eiseres door de BTW-administratie reeds voordien werd gesanctioneerd voor gelijkaardige overtredingen. De verbalisanten hebben dan ook volkomen legaal voormelde boete, die rechtstreeks voortvloeit uit de bepalingen van artikel 70 § 1 WBTW. en artikel 1, laatste alinea van het K.B. nr. 41, opgelegd.
3.3.2.
Verweerder stelt dat voormelde boete moet beschouwd worden als een administratieve boete aangezien zij berekend wordt volgens een bepaald percentage van de verschuldigde rechten en zij er in hoofdzaak toe strekt om, via een gepaste vergoeding, de rechten van de schatkist te vrijwaren.
Eiseres stelt terecht dat voormelde boete dient gekwalificeerd te worden als een strafsanctie in de zin van artikel 6.1 EVRM..
3.3.3.
Het Arbitragehof onderstreept immers in zijn arrest van 24 februari 1999 dat de fiscale administratieve boete (van 200%) vooral een repressief karakter heeft. Het is een afschrikkingsmiddel. Bijgevolg zijn het E.V.R.M. en het B.U.P.O-verdrag van toepassing op deze administratieve sanctie.
Volgens het Arbitragehof moet de belastingplichtige derhalve de mogelijkheid hebben door een rechter te laten beoordelen of een administratieve sanctie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, zijn geëerbiedigd. Onder deze beginselen valt ook het evenredigheidsbeginsel.
De rechter moet derhalve een controle met volle rechtsmacht kunnen uitoefenen.
3.3.4.
De Rechtbank stelt vast dat de begane overtredingen uitermate ernstig zijn en het algemeen belang schade toebrengen. De begane fraude getuigt van een bijzonder opzet en van het ontbreken van elke goede trouw in hoofde van eiseres. Bovendien brengt eiseres geen enkel argument naar voor brengt die als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.
De Rechtbank is derhalve van oordeel dat de boete van 3.045.000,- Bf. gerechtvaardigd is en in ieder geval beantwoordt aan het evenredigheidsbeginsel.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 12.900,- Bf., uit hoofde van de rechtsplegingvergoeding.
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.
De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De gegevens van een partij die de FOD Financiën leesbaar liet (ondernemingsnummer) zijn hier door punten vervangen. De tekst is nergens anders gewijzigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.