Vrijstelling, Bewijs, Aftrek, Factuur, Vermindering, korting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 5 april 2000

Zoeken

Vrijstelling, Bewijs, Aftrek, Factuur, Vermindering, korting

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-bewijs-aftrek-factuur-boete-rechtbank-hasselt-2000-04-05-d824

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
5 april 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

130 paragrafen

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt dd. 05.04.2000

Vrijstelling - Bewijs - Aftrek - Factuur - Boete - Vermindering

Bij de controle bij een B.T.W.-belastingplichtige worden twee belangrijke overtredingen van e B.T.W.-wetgeving vastgesteld, nl. aftrek van B.T.W. op basis van facturen die niet alle verplichte vermeldingen bevatten en het niet voorhanden zijn van documenten die de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen staven. De B.T.W.-belastingplichtige is het met geen van beide eens en kaart de zaak aan bij de rechtbank. Eén van de belangrijkste argumenten die de B.T.W.-belastingplichtige gebruikt, is de niet-verenigbaarheid van de Belgische formele verplichtingen terzake met het Europees recht. Inzake de navordering van B.T.W. op de leveringen waarvoor geen afdoende bewijs voor de vrijstelling voorhanden is, is de rechtbank van oordeel dat de door de Belgische wetgeving opgelegde verplichting niet onevenredig zijn en niet strijdig zijn met het Europees recht. De vordering van de B.T.W.-administratie was in dit verband terecht. Hetzelfde kan gezegd worden over de relatie tussen de verplichte factuurvermeldingen en het recht op aftrek van B.T.W. In de correctieopgave werd een aan de B.T.W.-belastingplichtige een boete opgelegd van 200 % van de B.T.W. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Arbitragehof terzake verminderd de rechtbank echter de boete tot 50 % van de B.T.W.

Elfde kamer

Rechter: Dhr. E. Smeets

Adjunct-griffier: Mevr. B. Gheuens

Partij: Autohasselt NV. t. De Belgische Staat

Rolnr.: 95/1328/A

Retroakten en probleemstelling inzake A.R. 99.1175.A (voorheen A.R. 95.1680.A)

Op 6 december 1993 heeft een controle-ambtenaar van de Derde Bijzondere Belastinginspectie Hasselt bij eiseres BTW-controle doorgevoerd over de periode 1 jan.-31 dec. 1993.

De controle behelsde enerzijds uitgaande handelingen van eiseres, meer bepaald verkopen van personenwagens aan ene S.a. Lami gevestigd in het Groothertogdom Luxemburg; eiseres paste op deze verkopen de vrijstelling van Belgische BTW wegens intracommunautair leveringen (art. 39bis Wetboek BTW) toe.

Bij de controle stelde de Administratie dat de voorwaarden tot het bekomen van voornoemde vrijstelling niet waren voldaan, meer bepaald de vereisten uit de artikelen 1, 2 en 3 van KB BTW nr. 52. Met name werd gesteld dat er geen bewijs was geleverd dat de verkochte wagens 'verzonden of vervoerd waren buiten België maar binnen de Gemeenschap', en dat 'geen stukken (werden) voorgelegd waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen bleek'.

Er bleef hieromtrent onenigheid bestaan tussen partijen, waarna op 2 mei 1995 proces-verbaal inzake BTW werd opgemaakt (stuk 2, bundel verweerder).

Dit proces-verbaal werd door verweerder samen met dwangbevel dd. 17 mei 1995 aan eiseres betekend, met vordering tot betaling van 4.079.125,- Bfr. hoofdsom BTW, een administratieve geldboete ad 200% = 8.158.000,- Bfr., meer intresten en kosten.

Tegen dit dwangbevel van 17 mei 1995 werd door eiseres bij deze rechtbank verzet aangetekend bij exploot van L. Roppe , gerechtsdeurwaarder te Beringen, van 14.06.1995.

Deze zaak is thans gekend onder A.R. 99.1175.A.

Retroakten en probleemstelling inzake A.R. 95.1328.A

De controle van 6 december 1993 behelsde anderzijds inkomende handelingen van eiseres, meer bepaald aankopen van tweedehandse personenwagens van diverse (Belgische) firma's. Eiseres trok de door haar aan deze firma's betaalde BTW af als voorbelasting, zulks in toepassing van art. 45 § 1, 1° Wetboek BTW, op basis van de inkomende facturen. Eiseres bestemde de aangekochte wagens voor doorverkoop, reden waarom ze de aftrek verrichtte zoals zonet aangegeven.

Bij de controle stelde de Administratie dat de voorwaarden voor aftrek der voorbelasting echter niet voldaan waren.

Op 17 maart 1995 werd ook hier een proces-verbaal inzake BTW opgemaakt (stuk 1 van verweerder), dat door verweerder samen met dwangbevel dd. 17 mei 1995 aan eiseres werd betekend met vordering tot betaling van 7.270.741,- Bfr. hoofdsom BTW, een administratieve geldboete ad 200% = 14.541.000,- Bfr., meer intresten en kosten.

Ook tegen dit dwangbevel van 17 mei 1995 werd door eiseres bij deze rechtbank verzet aangetekend bij exploot van L. Roppe , gerechtsdeurwaarder te Beringen, van 14.06.1995.

Deze zaak is thans gekend onder A.R. 95.1328.A.

Samenvoeging

Beide partijen zijn het er over eens dat het in beide zaken om samenhangende vorderingen gaat, zodat het aangewezen is beide zaken samen te voegen om er in één vonnis uitspraak over te doen.

Ontvankelijkheid

Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de eis niet en de rechtbank bemerkt geen reden die tot ambtshalve op te werpen onbevoegdheid aanleiding zou kunnen geven, zodat de verzetten ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Standpunten van partijen

Elk der partijen heeft een syntheseconclusie opgesteld, met verklaring ter terechtzitting dat vermelde conclusies alle vorige vervangen.

In essentie zet eiseres uiteen dat:

1. de Belgische wettelijke vereisten ter invulling van haar bewijslast van in voorkomend geval het vervoer der goederen (wagens) buiten België, te onereus zijn (art. 39bis Wetboek BTW jo. KB nr. 52 inzake BTW), wat dan strijdig zou zijn met de desbetreffende E.U.-regelgeving, en wat ook een aantal beginselen zou schenden, o.m. het neutraliteitsbeginsel van de BTW; ook zou het de BTW-Administratie aan belang ontbreken om de in het dwangbevel dd. 17 mei 1995 gestelde vordering te doen gelden;

2. in ieder geval de Belgische Administratie in de concrete toepassing van de invulling der bewijslast zulke strenge eisen stelt dat in de praktijk daardoor het economisch verkeer wordt belemmerd en alzo gezondigd tegen de neutraliteit van de BTW; België zou daarover in gebreke zijn gesteld door de Europese Commissie (verwijzing naar Fiscoloog nr. 721 dd. 15 sept. 1999);

3. dat de Administratie de inkomende facturen op louter formele gronden zou hebben verworpen als grondslag voor het kunnen toepassen van de aftrek van de aan de verkoper op factuur betaalde BTW; dat eiseres te goeder trouw is, en dat de Belgische internrechtelijke factuurvermeldingsvereisten (KB nr. 1 inzake BTW) in strijd zouden zijn met de desbetreffende E.U.-regelgeving, en ook met een aantal beginselen, zoals o.m. het evenredigheidsbeginsel;

4. in ieder geval de Belgische Administratie in de concrete toepassing bij de controle van de factuurvermeldingsvereisten discriminerend te werk zou gaan; daardoor zou tegelijk het bij de belastingplichtigen opgewekt vertrouwen worden geschonden, daar de Administratie naar eigen smaak van geval tot geval zou beslissen wanneer ze de factuurvermeldingen wel aanvaardt en wanneer niet;

5. de processen-verbaal hun wettelijke bewijskracht ex art. 59 § 1 Wetboek BTW zouden missen, nu er buiten vaststellingen ook afleidingen in zouden voorkomen, tot welk laatste een controle-ambtenaar niet bevoegd is;

6. de opgelegde 200%-boetes dienen te worden herleid, waartoe de rechtbank bevoegdheid zou bezitten.

Verweerder zet van zijn kant voert aan dat:

1. inzake art. 39bis is gebleken dat beweerde intracommunautaire leveringen in werkelijkheid in België zijn 'geëindigd'; dat hoe dan ook door het gebrek aan bewijs door eiseres van de intracommunautaire levering de Belgische BTW verschuldigd werd en dat geen E.U.-regelgeving en/of beginselen werden geschonden; dat de Administratie wel belang heeft bij haar vordering, nu de stelling van eiseres daaromtrent het hele getrapte BTW-heffingssysteem op de helling zou zetten;

2. dat inzake de aftrek van voorbelasting het bewijs ter uitoefening van dat recht op aftrek niet voorligt en dat de Belgische BTW-Wetgeving (inzonderheid de KB's nr. 1 en 3 inzake BTW) dit bewijs niet onmogelijk of extreem moeilijk maakt; dat hoe dan ook essentiële vermeldingen op de facturen zouden ontbreken en dat facturen zouden uitgaan van anderen dan de als leveranciers vermelde ondernemingen of gewoon niet uitgaan van de als leveranciers vermelde ondernemingen; dat de wettelijke vereisten zowel als de toepassing ervan in concreto wel degelijk in overeenstemming zijn met de E.U.-regelgeving en met de opgeworpen beginselen, nu deze regels en beginselen een redelijke fiscale controle niet in de weg staan, integendeel toelaten; dat het hoe dan ook nationale rechter is die de toetsingsbevoegdheid bezit in liet net uiteengezette opzicht.

Onmiddellijk dient vastgesteld dat verweerder in essentie niets zegt over de toegepaste 200%-boete, waaruit de rechtbank afleidt dat verweerder zich desbetreffend naar de wijsheid gedraagt

Beoordeling

I

Art. 39bis Wetboek BTW en KB BTW nr. 52

Art. 39bis in fine heeft aan de Koning uitdrukkelijk opgelegd om te bepalen welke voorwaarden en beperkingen vereist zijn voor de toepassing der vrijstelling. Zulks impliceert dat de Koning delegatie kreeg om bepaalde bewijsvereisten op te leggen, wat Hij ook deed.

Art. 3 van KB 52 vereist het bezit van 'alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt'. M.a.w. wordt aan de belastingplichtige opgelegd zich bewijsstukken te verschaffen dat de goederen het Belgisch grondgebied hebben verlaten (ongeacht de vraag wat dan nadien nog met de goederen gebeurt).

Dit houdt een positieve bewijsplicht in in hoofde van de belastingplichtige, die niet louter kan verwijzen naar het na 1992 wegvallen van de vroegere grensverplichtingen inzake documenten. Hij dient zelf zorg te dragen voor het bekomen van bewijsstukken, zonder zich trouwens te mogen verlaten op beweringen of gezegden van personen die de goederen (hier wagens) komen ophalen.

Het is niet zo dat het voor eiseres onmogelijk of zeer moeilijk was om bewijsstukken te bekomen. Zij kon zonder problemen beroep doen op onafhankelijke derden (bv. grensexpediteurs, een buitenlands accountantskantoor enz.) om zulke stukken op te stellen of kon vereisen dat de afhalers der wagens naderhand zulke documenten bezorgden. Dat zulks een zekere kostprijs zou meebrengen vormt in dat verband geen noemenswaardige belemmering op het vrije verkeer, zeker niet in verhouding tot de waarde der goederen zelf.

Er anders over oordelen zou de Administratie elke werkelijke controlemogelijkheid op het vervuld zijn der vrijstellingsvoorwaarden ontnemen.

Zo volstaat het voor eiseres niet om te stellen dat bij voorafgaande navraag bij de Belgische daartoe wettelijk aangewezen dienst, is gebleken dat de haar opgegeven Luxemburgse koper wel degelijk inzake BTW was geregistreerd in dat land.

Het gegeven dat eiseres wordt geacht te goeder trouw te zijn en dat tot nader order dan ook is, ontslaat haar echter niet van de bewijslast zoals hogerop uiteengezet. Het gegeven dat haar afnemer(s) mogelijk niet te goeder trouw was/waren/is/zijn, kan eiseres evenmin ontheffen van de hoger vermelde bewijslast.

Het heeft overigens voor eiseres geen belang of de buitenlandse afnemer nu al dan niet bonafide is omdat zulk bewijs van eiseres niet wordt verlangd, enkel dat zij er zorg voor draagt te bewijzen dat de wagens werden 'verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap'.

Van een schending door art. 39bis en/of door KB 52 van art. 28quater der Zesde BTW-Richtlijn kan geen sprake zijn, nu deze supranationale regel België als Lidstaat precies toelaat om de voorwaarden vast te stellen teneinde een juiste en eenvoudige toepassing te verzekeren van de vrijstellingen inzake intracommunautaire leveringen.

Men kan geenszins stellen dat de vereisten die krachtens art. 39bis zijn uitgewerkt in KB nr. 52 niet eenvoudig zouden zijn, zeker niet in verhouding tot het belang van de vrijstelling. Het gaat integendeel om essentiële controlevereisten zonder dewelke de vrijstellingsregel dode letter zou worden.

Het gegeven was trouwens niet anders in de periode tot 1992, daar toen ook reeds het bewijs van uitvoer moest voorliggen, weze het dan dat men toen 'gebruik' kon en moest maken van grenscontroledocumenten terwijl men in huidig systeem beroep kan doen op onafhankelijke derden.

In het algemeen spreken van een manifeste rem (syntheseconclusie eiseres, blz. 7) gaat dan ook niet op, zeker niet in de concreet voorliggende situatie van verkoop van wagens.

Stellen dat het niet vereist is dat het vervoer (of de verzending) moet beëindigd zijn buiten België om de vrijstelling te genieten, is een argument dat strijdt met het begrip zelve van intracommunautaire levering, die er pas kan zijn vanaf het verlaten van het Belgisch grondgebied en aankomst in een andere E.U.-Lidstaat.

Uit het voorgaande volgt dat er geen strijdigheid is tussen de Belgische regels van art. 39bis jo. KB 52 en de E.U.-regelgeving.

De rechtszekerheid vereist niet dat de verkoper zich zonder meer mag gedragen naar loutere mededelingen van de koper en eiseres kan onder dat mom niet het recht op naïviteit opeisen. Zij is immers in het kader van het controlerecht van de Administratie alsmede in het kader van haar bewijslast als aanspraakmaker op een vrijstelling gehouden tot haar hoger uiteengezette bewijsplicht, die slechts ophoudt éénmaal zij met de vereiste stukken aantoont dat de goederen zijn aangekomen in een andere E.U.-Lidstaat. Wat daar nadien geschiedt met de goederen is voor zijn bewijsplicht verder irrelevant.

Ten overvloede staat hij niet in voor valsheid van documenten in zoverre hij daaraan niet heeft meegewerkt. Het volstaat maar het is vereist dat hij bewijsstukken heeft.

Zonder deze regel is elke redelijke controle op het voldaan zijn der vrijstellingsvoorwaarden zonder voorwerp. Zoals reeds uiteengezet staat de opgelegde verplichting niet buiten verhouding tot het controledoel en schendt KB 52 geenszins enig beginsel van evenredigheid noch het doeltreffendheidsbeginsel, nu het gaat om onontbeerlijke controlevereisten.

Inzake het gelijkheidsbeginsel laat art. 39bis Wetboek BTW de vrijstelling niet afhangen van de persoon die zich belast met het vervoer: in elk der mogelijkheden wordt het bewijs van de vrijstelling geëist van degene die op de vrijstelling aanspraak maakt.

Het gegeven dat de vrijstelling enkel toepasselijk is indien de koper een BTW-belastingplichtige is die als zodanig handelt, heeft uitstaans met de hoedanigheid van de afnemer - die eiseres kon te weten komen en naar eigen zeggen ook daadwerkelijk is te weten gekomen door navraag bij de daartoe bevoegde centrale dienst - maar niet met de alsdan opgelegde bewijsplicht, die zelf volgt uit het E.U.-BTW-stelsel dat het noodzakelijk maakt dat de buitenlandse medecontractant aldaar wordt gecontroleerd op diens BTW-verplichtingen aldààr, wat juist de essentie van de BTW in EG-context moet waarborgen, nl. de neutraliteit van de BTW opzichtens intracommunautair goederenverkeer.

De regel van art. 39bis jo. KB 52 is duidelijk in zijn vereiste van invullingsplicht der bewijslast door de belastingplichtige die aanspraak maakt op de vrijstelling en beoogt zoals gezegd de controle. Afwezigheid van deze regel zou precies de discriminatie tot gevolg hebben die eiseres wil vermijden: wie vrijstelling verkrijgt zonder dat hij het bestaan van de daartoe noodzakelijke voorwaarden moeten aantonen, veroorzaakt discriminatie ten opzichte van degene(n) die zich niet in de vrijstellingsvoorwaarden bevinden.

Zoals hoger reeds werd gesteld is de opgelegde verplichting inzake bewijslast noodzakelijk ter controle en vormt zij geen beletsel of belemmering van het economisch verkeer, zodat eiseres ten onechte aanvoert dat de uitgewerkte controlemaatregel de doelstellingen van het EG-Verdrag (syntheseconclusie eiseres, blz. 13 onderaan) in gevaar zou kunnen brengen. Er dient trouwens te worden vastgesteld dat KB 52 in uitvoering van art. 39bis niet eens een gesloten bewijs-systeem oplegt, nu het de mogelijke bewijsstukken slechts exemplatief weergeeft ("... onder meer..."), als ze maar overtuigend bewijs leveren.

Reeds hogerop werd uiteengezet dat de opgelegde bewijsplicht niet tornt aan de BTW-neutraliteit, nu deze bewijsplicht met de daarin voorziene bewijsmiddelen wordt verantwoord door de controlenoodzaak, zonder dat deze bewijsplicht zodanig onereus is dat de BTW-betalingsverplichting daardoor uiteindelijk op eiseres komt te vallen.

In het proces-verbaal van de Administratie van mei 1995 staat te lezen dat de controle-ambtenaar vaststelde dat buiten de verkoopfacturen gericht aan een Luxemburgse firma, hoe dan ook geen stukken worden voorgelegd die de echtheid van verzending of vervoer ernstig doen geloven: de bestelbons zijn 'getekend' in drukletters door ene M. Turk zonder de minste opgave van hoedanigheid binnen het bedrijf van de afnemer; hetzelfde is het geval met de 'attestations exportation'. Met enkel dergelijke stukken kan eiseres niet in ernst volhouden dat hier in concreto de toepassing der bewijsregels voor haar discriminatoir is.

Door tenslotte te stellen dat de Administratie geen belang zou hebben bij haar vordering (syntheseconclusie eiseres, blz. 20), gaat eiseres uit van een wettelijk onjuist vertrekpunt. Art. 51 § 1 1° Wetboek BTW bepaalt immers dat de belasting verschuldigd is door de belastingplichtige (eiseres) die in casu in België een belastbare levering van goederen doet.

Nu eiseres onder de bewijslast van een recht op vrijstelling (onder art. 39bis ) deze vrijstelling niet aantoont, heeft zij een belastbare levering verricht (art. 4, art. 9), zodat zij alzo de belasting verschuldigd is als verkoper. Dat zij bij haar afnemer geen BTW op haar factuur heeft geëist, is een gegeven dat aan verweerder niet tegenstelbaar is.

Art. 39bis in fine heeft aan de Koning uitdrukkelijk opgelegd om te bepalen welke voorwaarden en beperkingen vereist zijn voor de toepassing der vrijstelling. Zulks impliceert dat de Koning delegatie kreeg om bepaalde bewijsvereisten op te leggen, wat Hij ook deed.

Art. 3 van KB 52 vereist het bezit van 'alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt'. M.a.w. wordt aan de belastingplichtige opgelegd zich bewijsstukken te verschaffen dat de goederen het Belgisch grondgebied hebben verlaten (ongeacht de vraag wat dan nadien nog met de goederen gebeurt).

Dit houdt een positieve bewijsplicht in in hoofde van de belastingplichtige, die niet louter kan verwijzen naar het na 1992 wegvallen van de vroegere grensverplichtingen inzake documenten. Hij dient zelf zorg te dragen voor het bekomen van bewijsstukken, zonder zich trouwens te mogen verlaten op beweringen of gezegden van personen die de goederen (hier wagens) komen ophalen.

Het is niet zo dat het voor eiseres onmogelijk of zeer moeilijk was om bewijsstukken te bekomen. Zij kon zonder problemen beroep doen op onafhankelijke derden (bv. grensexpediteurs, een buitenlands accountantskantoor enz.) om zulke stukken op te stellen of kon vereisen dat de afhalers der wagens naderhand zulke documenten bezorgden. Dat zulks een zekere kostprijs zou meebrengen vormt in dat verband geen noemenswaardige belemmering op het vrije verkeer, zeker niet in verhouding tot de waarde der goederen zelf.

Er anders over oordelen zou de Administratie elke werkelijke controlemogelijkheid op het vervuld zijn der vrijstellingsvoorwaarden ontnemen.

Zo volstaat het voor eiseres niet om te stellen dat bij voorafgaande navraag bij de Belgische daartoe wettelijk aangewezen dienst, is gebleken dat de haar opgegeven Luxemburgse koper wel degelijk inzake BTW was geregistreerd in dat land.

Het gegeven dat eiseres wordt geacht te goeder trouw te zijn en dat tot nader order dan ook is, ontslaat haar echter niet van de bewijslast zoals hogerop uiteengezet. Het gegeven dat haar afnemer(s) mogelijk niet te goeder trouw was/waren/is/zijn, kan eiseres evenmin ontheffen van de hoger vermelde bewijslast.

Het heeft overigens voor eiseres geen belang of de buitenlandse afnemer nu al dan niet bonafide is omdat zulk bewijs van eiseres niet wordt verlangd, enkel dat zij er zorg voor draagt te bewijzen dat de wagens werden 'verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap'.

Van een schending door art. 39bis en/of door KB 52 van art. 28quater der Zesde BTW-Richtlijn kan geen sprake zijn, nu deze supranationale regel België als Lidstaat precies toelaat om de voorwaarden vast te stellen teneinde een juiste en eenvoudige toepassing te verzekeren van de vrijstellingen inzake intracommunautaire leveringen.

Men kan geenszins stellen dat de vereisten die krachtens art. 39bis zijn uitgewerkt in KB nr. 52 niet eenvoudig zouden zijn, zeker niet in verhouding tot het belang van de vrijstelling. Het gaat integendeel om essentiële controlevereisten zonder dewelke de vrijstellingsregel dode letter zou worden.

Het gegeven was trouwens niet anders in de periode tot 1992, daar toen ook reeds het bewijs van uitvoer moest voorliggen, weze het dan dat men toen 'gebruik' kon en moest maken van grenscontroledocumenten terwijl men in huidig systeem beroep kan doen op onafhankelijke derden.

In het algemeen spreken van een manifeste rem (syntheseconclusie eiseres, blz. 7) gaat dan ook niet op, zeker niet in de concreet voorliggende situatie van verkoop van wagens.

Stellen dat het niet vereist is dat het vervoer (of de verzending) moet beëindigd zijn buiten België om de vrijstelling te genieten, is een argument dat strijdt met het begrip zelve van intracommunautaire levering, die er pas kan zijn vanaf het verlaten van het Belgisch grondgebied en aankomst in een andere E.U.-Lidstaat.

Uit het voorgaande volgt dat er geen strijdigheid is tussen de Belgische regels van art. 39bis jo. KB 52 en de E.U.-regelgeving.

De rechtszekerheid vereist niet dat de verkoper zich zonder meer mag gedragen naar loutere mededelingen van de koper en eiseres kan onder dat mom niet het recht op naïviteit opeisen. Zij is immers in het kader van het controlerecht van de Administratie alsmede in het kader van haar bewijslast als aanspraakmaker op een vrijstelling gehouden tot haar hoger uiteengezette bewijsplicht, die slechts ophoudt éénmaal zij met de vereiste stukken aantoont dat de goederen zijn aangekomen in een andere E.U.-Lidstaat. Wat daar nadien geschiedt met de goederen is voor zijn bewijsplicht verder irrelevant.

Ten overvloede staat hij niet in voor valsheid van documenten in zoverre hij daaraan niet heeft meegewerkt. Het volstaat maar het is vereist dat hij bewijsstukken heeft.

Zonder deze regel is elke redelijke controle op het voldaan zijn der vrijstellingsvoorwaarden zonder voorwerp. Zoals reeds uiteengezet staat de opgelegde verplichting niet buiten verhouding tot het controledoel en schendt KB 52 geenszins enig beginsel van evenredigheid noch het doeltreffendheidsbeginsel, nu het gaat om onontbeerlijke controlevereisten.

Inzake het gelijkheidsbeginsel laat art. 39bis Wetboek BTW de vrijstelling niet afhangen van de persoon die zich belast met het vervoer: in elk der mogelijkheden wordt het bewijs van de vrijstelling geëist van degene die op de vrijstelling aanspraak maakt.

Het gegeven dat de vrijstelling enkel toepasselijk is indien de koper een BTW-belastingplichtige is die als zodanig handelt, heeft uitstaans met de hoedanigheid van de afnemer - die eiseres kon te weten komen en naar eigen zeggen ook daadwerkelijk is te weten gekomen door navraag bij de daartoe bevoegde centrale dienst - maar niet met de alsdan opgelegde bewijsplicht, die zelf volgt uit het E.U.-BTW-stelsel dat het noodzakelijk maakt dat de buitenlandse medecontractant aldaar wordt gecontroleerd op diens BTW-verplichtingen aldààr, wat juist de essentie van de BTW in EG-context moet waarborgen, nl. de neutraliteit van de BTW opzichtens intracommunautair goederenverkeer.

De regel van art. 39bis jo. KB 52 is duidelijk in zijn vereiste van invullingsplicht der bewijslast door de belastingplichtige die aanspraak maakt op de vrijstelling en beoogt zoals gezegd de controle. Afwezigheid van deze regel zou precies de discriminatie tot gevolg hebben die eiseres wil vermijden: wie vrijstelling verkrijgt zonder dat hij het bestaan van de daartoe noodzakelijke voorwaarden moeten aantonen, veroorzaakt discriminatie ten opzichte van degene(n) die zich niet in de vrijstellingsvoorwaarden bevinden.

Zoals hoger reeds werd gesteld is de opgelegde verplichting inzake bewijslast noodzakelijk ter controle en vormt zij geen beletsel of belemmering van het economisch verkeer, zodat eiseres ten onechte aanvoert dat de uitgewerkte controlemaatregel de doelstellingen van het EG-Verdrag (syntheseconclusie eiseres, blz. 13 onderaan) in gevaar zou kunnen brengen. Er dient trouwens te worden vastgesteld dat KB 52 in uitvoering van art. 39bis niet eens een gesloten bewijs-systeem oplegt, nu het de mogelijke bewijsstukken slechts exemplatief weergeeft ("... onder meer..."), als ze maar overtuigend bewijs leveren.

Reeds hogerop werd uiteengezet dat de opgelegde bewijsplicht niet tornt aan de BTW-neutraliteit, nu deze bewijsplicht met de daarin voorziene bewijsmiddelen wordt verantwoord door de controlenoodzaak, zonder dat deze bewijsplicht zodanig onereus is dat de BTW-betalingsverplichting daardoor uiteindelijk op eiseres komt te vallen.

In het proces-verbaal van de Administratie van mei 1995 staat te lezen dat de controle-ambtenaar vaststelde dat buiten de verkoopfacturen gericht aan een Luxemburgse firma, hoe dan ook geen stukken worden voorgelegd die de echtheid van verzending of vervoer ernstig doen geloven: de bestelbons zijn 'getekend' in drukletters door ene M. Turk zonder de minste opgave van hoedanigheid binnen het bedrijf van de afnemer; hetzelfde is het geval met de 'attestations exportation'. Met enkel dergelijke stukken kan eiseres niet in ernst volhouden dat hier in concreto de toepassing der bewijsregels voor haar discriminatoir is.

Door tenslotte te stellen dat de Administratie geen belang zou hebben bij haar vordering (syntheseconclusie eiseres, blz. 20), gaat eiseres uit van een wettelijk onjuist vertrekpunt. Art. 51 § 1 1° Wetboek BTW bepaalt immers dat de belasting verschuldigd is door de belastingplichtige (eiseres) die in casu in België een belastbare levering van goederen doet.

Nu eiseres onder de bewijslast van een recht op vrijstelling (onder art. 39bis ) deze vrijstelling niet aantoont, heeft zij een belastbare levering verricht (art. 4, art. 9), zodat zij alzo de belasting verschuldigd is als verkoper. Dat zij bij haar afnemer geen BTW op haar factuur heeft geëist, is een gegeven dat aan verweerder niet tegenstelbaar is.

II

Verwerping van de aftrek van voorbelasting

Het is juist dat de facturen vormgebreken vertonen maar huidig geding draait niet louter om vormgebreken in de facturen.

De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van de taxatie-ambtenaar telkens wordt vermeld uit welke oorzaak de facturen inhoudelijk niet kunnen worden aanvaard als bewijs. Het is aan de hand van de inkomende facturen dat iedere belastingplichtige de hem door zijn leverancier in rekening gebrachte BTW kan aantonen ( Dirix en Ballon, De factuur, in A.P.R., nr. 5 blz. 3).

Eiseres citeert het Hof van Justitie dat wijst op art. 22 § 3 Zesde BTW-Richtlijn, dat toelaat om verplichtingen op te leggen om fraude te voorkomen en om fiscale controle te verzekeren. De inkomende factuur dient tegelijk om controle mogelijk te maken op het afdragen van BTW in hoofde van de verkoper en om controle mogelijk te maken op de aftrek van BTW in hoofde van de koper (met name dat deze laatste wel degelijk voorbelasting afdroeg aan de verkoper-BTW-belastingplichtige).

Nu kreeg in het BTW-stelsel de belastingplichtige-koper in de ketting der omzetverrichtingen een (medewerkings)taak opgelegd teneinde de fiscale controle mogelijk te maken. Eiseres doet het voorkomen alsof haar een onmogelijke taak wordt opgelegd en spreekt zelfs van overmacht.

In het aan de rechtbank voorliggende geval is het van belang te weten of eiseres de BTW op factuur aan haar verkoper heeft voldaan, wat door eiseres zelf als functie van de factuur wordt weergegeven (syntheseconclusie eiseres, blz. 29 medio). Zodra bewezen is dat de koper de BTW heeft afgedragen aan zijn verkoper, heeft de fiscale controlefunctie van de factuur haar doel bereikt bij de koper.

Dat de Administratie daarnaast moet vaststellen dat zij de door de koper aan de verkoper betaalde BTW niet kan recupereren bij de verkoper, is niet het probleem van de koper, tenzij die uiteraard niet te goeder trouw zou zijn, wat hier echter niet in vraag staat.

In het proces-verbaal dd. 17 maart 1995 leest men dat de bestuurder van eiseres aan de controle-ambtenaar heeft verklaard dat hij de respectieve leveranciers niet kende en dat hij de wagens 'inderdaad' nooit heeft gezien. Zulks geldt voor elk der onder nummers I, II, III en IV vermelde namen (Auto-Occasion Miecret Alain, Blaimont Stéphane, Garage Agostino, en Racimex).

Dat lijkt niet ter zake, zodra maar vaststaat dat eiseres BTW heeft betaald aan een regelmatig als BTW-belastingplichtige geregistreerde werkelijke verkoper en dat eiseres daarbij te goeder trouw, niet in collusie met de verkoper handelde, wat echter nooit in vraag blijkt te zijn gesteld zodat moet uitgegaan van de goede trouw van eiseres (art. 2268 B.W.).

Desbetreffend stelt de rechtbank vast dat (volgorde proces-verbaal dd. 17 maart 1995):

- inzake I. de controle-ambtenaar verklaart dat m.b.t. een cheque 72 5823 (over drie facturen) niet kan worden nagegaan wie het geld voor de facturen incasseerde; dat nog inzake I. de vierde factuur 'per kas' is voldaan, maar dat geen stuk als bewijs van inschrijving in het kasboek werd voorgelegd;

- inzake II. de controle-ambtenaar verklaart dat m.b.t. een cheque 52 5954 (over twee facturen) niet kan worden nagegaan wie het geld voor de facturen incasseerde;

- inzake III. de controle-ambtenaar verklaart dat de drie facturen per kas zijn voldaan, maar dat geen stuk als bewijs van inschrijving in het kasboek werd voorgelegd;

- inzake IV. de controle-ambtenaar verklaart dat vier facturen per kas zijn voldaan, maar dat geen stuk als bewijs van inschrijving in het kasboek, noch een ondertekend ontvangstbewijs door de zaakvoerder van de verkoper wordt voorgelegd; dat geen dergelijke opmerking wordt gemaakt omtrent de andere twee facturen 1910193 en 190193 dd. 19/1/93;

- dat inzake V. de controle-ambtenaar verklaart dat een cheque nr. 22 5979 werd afgetekend door een eigen bediende van eiseres, wijl hij betrekking had op een aankoopfactuur, zodat op grond van de betalingsbewijzen niet kan worden aangetoond wie de werkelijke verkoper is;

- dat inzake VI. de controle-ambtenaar verklaart dat m.b.t. twee facturen een cheque 42 5862 werd afgetekend door een eigen bediende van eiseres; dat hetzelfde het geval is m.b.t. een cheque 32 5861 voor andere drie facturen, zodat op grond van de betalingsbewijzen niet kan worden aangetoond wie de werkelijke verkoper is;

- dat inzake VII. de controle-ambtenaar verklaart dat m.b.t. een cheque 52 5919 (over twee facturen) de handtekening op de keerzijde niet die van de verkoper is; dat nog inzake VII de andere twee facturen per kas zijn voldaan, maar dat geen stuk als bewijs van inschrijving in het kasboek werd voorgelegd, noch een ondertekend ontvangstbewijs door de verkoper.

Art. 3 van KB nr. 3 BTW somt de voorwaarden op voor de uitoefening van het recht op aftrek. De rechtbank stelt vast dat de verwerping der facturen in het meer vermelde proces-verbaal niet enkel gegrond is op het niet voorkomen van de factuurvermeldingsvereisten inzake BTW op die inkomende facturen, maar dat er diverse begeleidende omstandigheden zijn die uitwijzen dat het niet gaat om een zuiver formele verwerping, zoals eiseres het wil doen voorkomen.

Dat de verwerping dan ook terecht geschiedde.

III

Toepassing van de van rechtswege verschuldigde boete gelijk aan tweemaal het recht

De Administratie vestigde de boete op grond van art. 70, § 1 Wetboek BTW.

In een arrest van 24.02.1999 oordeelde het Arbitragehof dat een grondwettige interpretatie van art. 70 Wetboek BTW slechts kan gebeuren in de zin dat het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen (R.W., 1998-99, 1346). Volle rechtsmacht houdt in dat de rechter rechtsmacht heeft om in het licht van de concrete omstandigheden over te gaan tot behoud, vermindering of kwijtschelding, d.w.z. de boete aan te passen aan de concrete omstandigheden der zaak. De belastingplichtige moet de opgelegde sanctie kunnen laten controleren door een rechterlijke instantie. De rechter mag weliswaar geen loutere redenen van opportuniteit of billijkheid laten gelden om de belastingplichtige te bevrijden van hem wettelijk opgelegde verplichtingen (Cass. 502.1999, T.F.R., 1999, nr. 99/44, tweede middel).

Eén en ander impliceert dat de uiteindelijk verschuldigde boete in verhouding moet staan met de concrete gegevens van de zaak.

Zoals hoger reeds werd overwogen moet eiseres tot bewijs van het tegendeel worden geacht te goeder trouw te hebben gehandeld. Het is echter op grond van de hoger geciteerde vaststellingen even waar dat eiseres bijzonder onnauwkeurig, om niet te zeggen bijzonder nonchalant heeft gehandeld en zich geen recht op naïviteit kan aanmatigen. Zij dient de gevolgen te dragen van haar minstens doorgedreven gebrek aan zorgvuldigheid bij het vervullen van de opgelegde wettelijke verplichtingen inzake nazicht van facturatie in de inhoudelijke zin van het woord, zegge het nagaan van de werkelijkheidsgetrouwheid van de facturatie, zonder dat een en ander terug te brengen is tot een louter formalisme.

Eiseres schermt met het neutraliteitsbeginsel van de fiscaliteit, inzonderheid BTW, opzichtens het economische gebeuren, dat niet mag worden gehinderd door de daaraan te hechten fiscale gevolgen. Daartegenover staat echter dat ook de fiscale controle haar rechten heeft en moet kunnen worden uitgeoefend. De Administratie blijkt bij de uitvoering van deze controle niet onredelijk te hebben gehandeld.

In de gegeven omstandigheden lijkt een boete van 50% bij de feiten aan te sluiten.

Hetzelfde geldt met betrekking tot de concrete feiten in verband met de bewijsvoering inzake intracommunautaire levering. Eiseres ging voort op wel bijzonder lichte elementen om ervan uit te gaan dat de afnemer wel zou overgaan tot het effectief tot over de landsgrens België-Luxemburg vervoeren van de afgenomen goederen, ging niet prima facie na of degene die beweerde de afnemer te vertegenwoordigen daartoe enige verantwoording of hoedanigheid kon voorleggen (wat niets te zien heeft met de navraag of de afnemer zelf bestond als BTW-plichtige in Luxemburg) en vroeg niet eens naar diens hoedanigheid.

Ook hier lijkt een boete ad 50% aan te sluiten bij de feiten.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN:

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak:

Voegt de zaken A.R. 99.1175.A, voorheen gekend onder AR. 95.1680.A, en A.R. 95.1328.A samen.

Verklaart de vorderingen in deze zaken ontvankelijk.

Verklaart ze ongegrond met betrekking tot de BTW en de daarop verschuldigde intrest alsmede met betrekking tot de verschuldigde vervolgingskosten.

Verklaart ze deels gegrond met betrekking tot de BTW-geldboeten en zegt voor recht dat deze geldboeten voor elk der dwangbevelen wordt herleid tot 50% boven op de verschuldigde rechten, deze boeten te verhogen met moratoire intrest op de wijze zoals opgenomen in de respectieve dwangbevelen conform art. 91 § 4 Wetboek BTW.

Veroordeelt eiseres en verweerder elk tot de helft der gerechtskosten, deze aan de zijde van eiseres begroot op 4236,- Bfr. en 4407,- Bfr. dagvaardingskosten en aan de zijde van verweerder begroot op 0,- Bfr., en slaat de rechtsplegingsvergoedingen om.

Aangehaalde teksten

8
WBTW art. 39bis5 voorkomens
WBTW art. 512 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens
KB nr. 3 art. 31 voorkomen
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 591 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8