Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 13.06.2002 (C.00.0082.N)
Vorm van het cassatieberoep - Verzoekschrift - Ontvankelijkheid
Wettelijke bepalingen
Art. 1080, Gerechtelijk Wetboek
Art. 93, W.BTW
Samenvatting
Niet ontvankelijk is de voorziening tegen een arrest inzake een B.T.W.-geschil dat vóór 6 april 1999 voor een rechtscollege was gebracht, wanneer het verzoekschrift niet ondertekend is door een advocaat bij het Hof van Cassatie.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 13.06.2002
(C.00.0082.N)
H., naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te ..., eiseres, vertegenwoordigd door mr. T.B., advocaat bij de balie te Hasselt, kantoor houdende te 3500 Hasselt, Groenplein 4,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op benaarstiging van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, voor wie optreedt de ontvanger van het Eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, wiens kantoor gevestigd is te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 oktober 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd.
III. Middel
Eiseres voert in haar verzoekschrift één middel aan.
Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit.
IV. Beslissing van het Hof
Over het door het openbaar ministerie opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van de voorziening, waarvan aan de partijen is kennis gegeven overeenkomstig artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek :
het verzoekschrift is niet ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie :
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eiseres bij gerechtsdeurwaardersexploot van 31 juli 1998 verweerder voor de beslagrechter te Hasselt gedagvaard heeft teneinde de opheffing te verkrijgen van het door verweerder gelegde bewarend beslag op haar BTW-tegoed;
Overwegende dat, krachtens artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, de gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissing kunnen worden aangewend, vervolgd en afgehandeld worden met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels;
Dat de wetgever hiermee beoogt alle geschillen die op de dag van de inwerkingtreding van die wet, dit is 6 april 1999, nog niet definitief zijn beslecht, te laten afhandelen volgens de eerder geldende regels; dat aldus wanneer vóór die datum een geding reeds voor een rechtscollege is gebracht, de vroegere procedure moet worden gevolgd, ook wat de rechtsmiddelen betreft;
Overwegende dat de bepalingen van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, voor zover niet is voorzien in een bijzondere datum van inwerkingtreding, van kracht zijn geworden op 6 april 1999;
Dat artikel 93 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals vervangen door artikel 63 van de voornoemde wet van 15 maart 1999, luidens welk een ander advocaat dan een advocaat bij het Hof van Cassatie het verzoekschrift tot cassatie mag ondertekenen en neerleggen, in werking is getreden op 6 april 1999 en te dezen op grond van artikel 11, eerste lid, van de voornoemde wet van 23 maart 1999 geen toepassing vindt;
Overwegende dat artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek vereist dat de voorziening in cassatie wordt ingesteld bij verzoekschrift dat zowel op het afschrift als op het origineel door een advocaat bij het Hof van Cassatie is ondertekend;
Dat de bepalingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals te dezen toepasselijk, geen daarvan afwijkende bepaling inhouden, zodat het verzoekschrift waarbij een voorziening in cassatie wordt ingesteld op basis van de bepalingen van vermeld Wetboek, moet ondertekend zijn door een advocaat bij het Hof van Cassatie;
Overwegende dat het verzoekschrift van eiseres waarbij de voorziening in cassatie wordt ingesteld, niet ondertekend is door een advocaat bij het Hof van Cassatie ;
Dat het middel van niet-ontvankelijkheid gegrond is;
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
De kosten begroot op de som van achtenzestig euro vijf cent jegens de eisende partij en op de som van vijfennegentig euro vierenveertig cent jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ...
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.