Recht op aftrek, gedeeltelijke belastingplicht, algemeen verhoudingsgetal, complexe dienst · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 8 december 2017

Zoeken

Recht op aftrek, gedeeltelijke belastingplicht, algemeen verhoudingsgetal, complexe dienst

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-gedeeltelijke-belastingplicht-algemeen-rechtbank-brussel-2017-12-08-c460

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
8 december 2017

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

144 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 08.12.2017

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde - recht op aftrek – gedeeltelijke belastingplicht – algemeen verhoudingsgetal - complexe dienst

Wettelijke bepalingen

Art. 45 §1 WBTW, art. 46, §1 WBTW, art. 1 KB nr. 3

Artt. 173 en 174 van de Richtlijn 2006/112/EG

Samenvatting

1)Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige doet op 30/3/1995 een aangifte van aanvang van activiteit (organiseren van een muziekfestival) bij een btw-kantoor. De belastingplichtige ontvangt in het kader van het festival naar eigen zeggen opbrengsten uit advertenties, standgeld en uit de verkoop van dranken en snacks. Daarnaast ontvangt zij ook subsidies van verschillende openbare instellingen voor verschillende activiteiten en evenementen. Naar aanleiding van een controle inzake btw wordt belastingplichtige erop gewezen dat er geen recht op aftrek kan zijn van de btw betreffende de verlening van een gratis recht op toegang tot een muziekfestival. De controle door de administratie resulteert in de vaststelling van meerdere inbreuken en bijgevolg worden verschillende regularisatieopgaven opgesteld. De belastingplichtige gaat hiermee niet akkoord en stelt een vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg.

2)De procedure voor de rechtbank

In hoofdorde vordert de belastingplichtige de volledige terugbetaling van de btw die werd ingehouden. In ondergeschikte orde wordt de terugbetaling van het deel van ingehouden btw dat hoe dan ook niet verschuldigd is gevorderd. De vordering in ondergeschikte orde (tussenvordering) werd in het tussenvonnis van 6/10/2017 beslecht.

De belastingplichtige stelt dat zij naar aanleiding van het festival belaste tegenprestaties ontvangt en dat zij geen gratis activiteit uitoefent. Zij stelt dat het recht op aftrek uitsluitend onderworpen is aan de uitoefening van een economische activiteit en er een rechtsreeks en onmiddellijk verband is tussen de kosten en de economische activiteit. Zij is van oordeel dat de organisatie van het festival aan deze voorwaarden voldoet. De opsplitsing in aftrekbare en niet-aftrekbare btw is dan ook niet correct, aangezien alle naar aanleiding van het festival gedragen kosten “kenmerkend en essentieel” zijn voor de belaste handelingen (advertenties, standgeld, dranken en snacks), en aldus deel uitmaken van de kostprijs ervan. Belastingplichtige is derhalve van mening dat de btw aftrekbaar is en dat zij bijgevolg niet aangemerkt kan worden als gedeeltelijke belastingplichtige. De toepassing van een algemeen verhoudingsgetal (art. 46 WBTW), is dan ook niet van toepassing. Bovendien kunnen de verkregen subsidies geen voorwerp uitmaken van opname in het algemeen verhoudingsgetal, daar België de optie niet heeft gelicht (art. 174 van Richtlijn 2006/112/EG). De belastingplichtige is ten slotte van mening dat zij een enige of complexe dienst verricht.

De rechtbank volgt het standpunt van de belastingplichtige niet. Er is geen objectief verband tussen de kosten die verband houden met het festival en de belastbare activiteit van de belastingplichtige. Een vergelijking met het arrest Sveda (HVJEU, C-126/14), waarbij investeringsgoederen verworven of vervaardigd werden met de bedoeling een economische activiteit uit te oefenen gaat dan ook niet op. De hoofddoelstelling van de belastingplichtige -volgens haar statuten een vereniging zonder winstoogmerk – was niet het verrichten van belastbare handelingen (snacks, advertenties,…) maar de organisatie van een (gratis) festival. Het organiseren van een festival is geenszins een middel om in een later stadium goederen en diensten (advertenties, snacks, dranken, standjes) te leveren, maar een doel op zichzelf van de vereniging. De verkoop van advertenties, snacks, dranken en standjes is hieraan volkomen ondergeschikt. De belastingplichtige is dan ook een gedeeltelijk belastingplichtige waarvan het recht op aftrek dient berekend te worden volgens een verdeelsleutel waarbij in de noemer de totale omzet is opgenomen, inclusief de subsidies. Dat de belastbare activiteit de hoofddienst is en de organisatie van het festival de bijkomende dienst en beiden één economische niet te splitsen dienst uitmaken, overtuigt de rechtbank evenmin. De vordering werd ongegrond verklaard. De belastingplichtige heeft berust in het tussengekomen vonnis.

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, 33e kamer d.d. 08.12.2017

Rol: 2016/3777/A

In zake van :

De V.Z.W D. V. V. B.. met zetel gevestigd te …, … en met KBO nummer …. Eiseres, vertegenwoordigd door Meester F. d. C., advocaat, met kantoor te …, ….

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de .Minister van Financiën met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal - Gewestelijk Directeur, FOD FINANCIËN - KMO, Centrum KMO Brussel 1, vertegenwoordigd door zijn gedelegeerde ambtenaren, William Dehenau, Adviseur en Française Nachtergaele, Attaché - Inspecteur bij een fiscaal bestuur, met kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3404. Verweerder, vertegenwoordigd door mevrouw F. N., voornoemd.

Gelet op het tussenvonnis van 6 oktober 2017 en de daaraan voorafgaande procedurestukken, waaronder:-

het tegensprekelijk verzoekschrift neergelegd op 7/10/2016,

de beschikking op grond van artikel 747 § 2 Ger. W. van 30/1/2017,

de conclusie van D. V. v. B. neergelegd ter griffie op 10/04/2017,

de conclusie van de Belgische Staat neergelegd ter griffie op 8/5/2017,

de stukken van partijen.

De advocaten van partijen werden gehoord in hun pleidooien ter openbare zitting van 27 oktober 2017, waarna de zaak in beraad werd genomen.

De procedure verliep met in acht name van de toepasselijke bepalingen van de wet van 15 juni 1935 en de wijzigende en aanvullende wetten op het taalgebruik in gerechtszaken.

Overeenkomstig artikel 748bis Ger. W. houdt de rechtbank enkel rekening met de laatst genomen (synthese)conclusies van de partijen.

1. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1.Op 30 maart 1995 werd een aangifte van aanvang van activiteit neergelegd bij het BTW-kantoor (stuk 1 bundel verweerder). In vak Il van deze aangifte (werkzaamheid van de belastingplichtige) staat vermeld: organiseren van een muziekfestival.

Volgens eiseres wordt dit festival georganiseerd op publiek domein in open lucht.

Eiseres ontvangt naar eigen zeggen naar aanleiding van het festival de volgende aan BTW onderworpen opbrengsten:

- advertenties

- standgeld

- verkoop van dranken en snacks.

Eiseres ontvangt tevens subsidies van verschillende openbare instellingen voor verschillende activiteiten en evenementen (niet enkel voor het festival).

2.Naar aanleiding van een controle op teruggaaf van BTW van het derde kwartaal 2010 werd eiseres erop gewezen dat er geen recht op aftrek kan zijn van de BTW betreffende de verlening van een "om niet" recht op toegang tot het muziekfestival. De controle betrof de periode 1 januari 1999 tot 31 december 2010.

Op 23 januari 2012 werd een eerste regularisatieopgave opgesteld en doorgestuurd naar eiseres (stuk 7 bundel verweerder).

Er zouden verschillende inbreuken zijn vastgesteld.

Eiseres heeft zich gedeeltelijk niet-akkoord verklaard in haar antwoord van 15 februari 2012 (stuk 8 bundel verweerder).

Op 23 mei 2012 heeft de taxatiedienst uitvoerig geantwoord op het gedeeltelijk niet-akkoord van eiseres en twee nieuwe regularisatieopgaven toegevoegd ter vervanging van de originele regularisatieopgave van 23 januari 2012 (stuk 9 en 10 bundel verweerder).

Op 11 juli 2012 heeft de vertegenwoordiger van eiseres een brief overgemaakt aan de gewestelijke directie waarin wordt verzocht de zaak opnieuw te bekijken (stuk 11 bundel verweerder).

De gewestelijke directie heeft hierop geantwoord per e-mail van 2 oktober 2012 (stuk 12 bundel verweerder).

Een beslissing tot naheffing werd verstuurd op 17 oktober 2012 (stuk 13 bundel verweerder). Volgens deze beslissing zou eiseres zijn verschuldigd:

1° als BTW: € …

2°als proportionele geldboete de som van € …, afgerond naar € …

3°als intrest een bedrag van 0,8% per maand te rekenen vanaf 21 januari 2012 over de verschuldigde BTW

3.Op 18 oktober 2012 heeft de vertegenwoordiger van eiseres een verzoek gericht tot de centrale administratie BTW van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit (stuk 14 bundel verweerder) om de zaak te herbekijken.

Op 13 december 2012 heeft de centrale administratie geantwoord dat zij de visie van eiseres niet volgt (stuk 15 bundel verweerder).

Besprekingen tussen partijen werden gevoerd met betrekking tot het bijzonder verhoudingsgetal dat opgenomen is in de beslissing tot naheffing (stuk 16, 17, 18 en 19 bundel verweerder).

4.Bij de nieuwe bevoegde KMO Brussel 1 - Expertise I werd een bezwaarschrift door eiseres ingediend op 8 februari 2016.

Bij aangetekende brief van 5 augustus 2016 heeft deze dienst het eerder ingenomen standpunt bevestigd.

5.Op 7 oktober 2016 heeft eiseres een verzoekschrift strekkende tot fiscaal verhaal neergelegd ter griffie van de . rechtbank in toepassing van de artikelen 1385decies en 1385undecies Ger. W.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

6.De vordering van eiseres strekt ertoe verweerder te veroordelen - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van het bedrag van … euro, te verhogen met de gerechtelijke intresten aan 9,6% per jaar met ingang op datum van het bezwaarschrift dd. 15 december 2015.

Ondergeschikt en alleszins vraagt eiseres dat de rechtbank akte neemt van de schulderkenning door de Belgische Staat en dat de Belgische Staat wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van … euro overeenkomstig artikel 93, §3 WBTW te verhogen met de intresten a rato van 0,8% per maand.

Tenslotte vordert eiseres dat verweerder zou worden veroordeeld tot de kosten van het geding.

7.Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.

3. BEOORDELING

3.1 Ontvankelijkheid

8.De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid.

De vordering is ontvankelijk.

3.2 Gegrondheid

3.2.1 Tussenvordering

9.Over de door eiseres gestelde tussenvordering werd uitspraak gedaan bij tussenvonnis van 6 oktober-2017.

3.2.2 Hoofdvordering

10.De betwisting tussen partijen betreft in essentie de omvang van het aan eiseres toekomende recht op aftrek.

Enig middel: Eiseres is geen gedeeltelijke belastingplichtige
Argumenten van partijen

11.Eiseres stelt dat zij naar aanleiding van het festival belaste tegenprestaties ontvangt en dat zij geen gratis activiteit uitoefent. Het recht op aftrek is uitsluitend onderworpen aan navolgende basisvoorwaarden:

•De uitoefening van een economische activiteit;

•Een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de kosten en de economische activiteit.

Het organiseren van het festival is zonder twijfel een economische activiteit. Met deze activiteit realiseert eiseres al de opbrengsten. Volgens eiseres mag zij dan ook de BTW geheven op de met het festival/concert verbonden directe kosten aftrekken (artikel 45, § 1 WBTW). De kosten houden rechtstreeks en onmiddellijk verband met welbepaalde (belaste) uitgaande handelingen (ie. directe kosten); dan wel -en/of de kosten een rechtstreekse en onmiddellijke band hebben met de gehele economische activiteit (ie. algemene kosten).

De opsplitsing in aftrekbare BTW en niet-aftrekbare BTW (regularisatieopgave stuk 7) is naar het oordeel van eiseres oneigenlijk en niet gerechtvaardigd. Alle naar aanleiding van het festival gedragen kosten zijn immers kenmerkend en essentieel voor de voornoemde belaste handelingen. Zij maken deel uit van de kostprijs ervan. De daarvan geheven BTW is daarom aftrekbaar. Eiseres kan immers de opbrengsten uit advertenties en andere belaste prestaties enkel verwezenlijken op voorwaarde dat het festival plaatsvindt. De vereiste van doorfacturatie van deze kosten bestaat niet.

Het festival wordt gerealiseerd tegen vergoeding, hetgeen in rechte volstaat voor de mogelijkheid van de aftrek van rechtstreeks verbonden BTW op kosten. De BTW op de door eiseres gedragen algemene kosten (administratiekosten, boekhouding, organisatiekosten, en dergelijke meer) en andere met het festival verbonden kosten is dan ook aftrekbaar.

Eiseres is naar eigen zeggen geen gemengde BTW-plichtige. Artikel 46, §1 WBTW dat de toepassing van een algemeen verhoudingsgetal bevat, is dan ook niet van toepassing.

België heeft de optie niet gelicht. Zodanig dat de subsidies niet kunnen worden opgenomen in het algemeen verhoudingsgetal. Aangezien eiseres enkel belaste handelingen verricht naar aanleiding van het festival, mogen de werkingssubsidies geen impact hebben op haar recht op aftrek.

Zelfs indien het verlenen van gratis toegang tot het festival een handeling (om niet) zou uitmaken, dan zou dit niet kunnen leiden tot de door de controle BTW opgelegde rechtzetting. De werkingssubsidies mogen niet opgenomen worden in een. bijzonder. verhoudingsgetal.

Eiseres stelt slechts een enige dienst. Met name indien de kosteloze toegang tot het festival een handeling op zich zou uitmaken - quod certe non - zou dit een enige dienst samen met de belaste handelingen vormen.

De kenmerkende handelingen die in deze onmogelijk aanleiding kunnen geven tot de vaststelling dat ten behoeve van de modale consument meerdere, van elkaar onderscheiden hoofdprestaties, zijn:

- Het organiseren van het festival en de daarmee samenhangende kosten zijn noodzakelijk met .het oog op de belaste handelingen; Er wordt publiciteit gevoerd omwille van het feit dat en enkel omdat dit evenement plaatsvindt; Advertenties zouden onmogelijk zijn indien het evenement niet zou plaatsgrijpen; Eiseres ontvangt standgelden, inkomsten van publiciteit, inkomsten uit drank verkoop omwille van het evenement; Het zou economisch onzinnig zijn vanuit het standpunt van de afnemers, resp. de adverteerders of de exposanten om te adverteren of om een stand te huren zonder dat het evenement zelf plaats vindt;

- Het evenement is dan ook het middel voor de inkomsten te verwerven. Het evenement is dan ook een noodzakelijk bestanddeel van de door eiseres uitgeoefende belaste activiteit;

Naar aanleiding van beurs, fairs, sportevenementen en dergelijke evenementen, heeft het Europese Hof trouwens beslist dat alle prestaties van de organisator onderworpen zijn aan dezelfde BTW behandeling.

Het Europese Hof heeft reeds herhaaldelijk beslist dat de begrippen "economische activiteit" en "BTW-plichtig" objectief dienen begrepen te worden. Het BTW statuut van eenieder moet bekeken worden op basis van de daadwerkelijke economische situatie, i.e. de concrete handelingen. Het doel speelt hierbij geen rol.

Bijgevolg mag men eiseres niet gaan beschouwen als gedeeltelijk BTW-plichtig omwille van het in haar statuten aangekondigde oogmerk. Het BTW statuut van eiseres mag enkel op basis van door haar concrete gedane handelingen die helemaal onderworpen zijn aan BTW, worden beoordeeld.

Het arrest Sveda (EhvJ, 22/10/2015, C-126/14) laat ten andere in deze geen ruimte voor discussie. De BTW administratie pleit tegen de tekst, de argumenten en de beslissing van het Hof van Justitie. Dergelijk arrest Sveda vindt volkomen toepassing in huidige casus.

Het arrest en de daarin gevatte beginselen zijn één op één relevant en bindend voor onderstaande zaak. Dit arrest doet het standpunt van de verweerster helemaal teniet.

Eea. wil zeggen en staat tot genoegen van recht vast dat het recht op aftrek ook bestaat met betrekking tot BTW geheven op kosten, zoals in de zaak Sveda, die noodzakelijk zijn om het gratis toegang tot park mogelijk te maken. In de onderstaande zaak heeft eiseres naar aanleiding van het folk-and-jazz festival waarbij gratis toegang wordt verleend aan bezoekers de volgende aan BTW onderworpen opbrengsten: advertenties, standgeld en verkoop van dranken en snacks. De feitelijke omstandigheden van Sveda en eiseres zijn identiek/soortgelijk zodat verweerster niet kan beweren dat dit arrest gewoon "zonder invloed op huidige zaak" is. Dergelijk argument van de BTW administratie is gewoon fout en niet ernstig. Eiseres mag dus de BTW aftrekken op de kosten die ten dele of volledig noodzakelijk waren om de gratis toegang te garanderen.

12.Volgens verweerder is het gratis verlenen van toegang aan het publiek om concerten, optredens en voorstellingen bij te wonen een handeling die niet bedoeld is in het Wetboek BTW. De BTW geheven op goederen en diensten die voor de organisatie van deze manifestaties worden gebruikt, zijn dan ook niet aftrekbaar.

Volgens verweerder is eiseres een gedeeltelijke BTW-belastingplichtige, omdat zij naast handelingen om niet ook andere handelingen stelt waarvoor wel een vergoeding wordt aangerekend (verschaffen van spijzen en dranken).

Het hoofddoel van eiseres zou zijn de organisatie van het festival. De publiciteit, verkoop van eten en dranken en standgelden zijn er eerder om het de bezoekers zo aangenaam mogelijk te maken. Ook zonder publiciteit en kraampjes zou er volk komen opdagen.

Volgens verweerder zijn er derhalve drie categorieën van kosten:

- geen aftrek op de kosten verbonden aan het festival zelf

- wel aftrek op de kosten die verbonden zijn met belastbare handelingen zoals drank, voeding, publiciteit

- gemengde kosten: aftrek volgens een verhoudingsgetal

Verder verwijst verweerder naar het standpunt van de centrale diensten van de BTW en naar rechtspraak van het Hof van Cassatie.

Met betrekking tot het lichten van de optie door België stelt verweerder dat de Richtlijn niet voorziet in een regeling, zodat de lidstaten zelf een regeling moeten toepassen rekening houdende met de fiscale neutraliteit.

Verweerder is het niet eens met de door eiseres uit de aangehaalde rechtspraak afgeleide rechtsgevolgen.

Beoordeling

13.Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat het recht op aftrek in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband vereist tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Het recht op aftrek van de BTW die op de verkrijging van goederen of diensten in een eerder stadium drukt, veronderstelt dat de voor de verkrijging ervan gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat (HVJEU, C-126/14, Sveda, punt 27).

Verder heeft het Hof in verschillende arresten geoordeeld dat de belastingplichtige recht heeft op aftrek ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium die recht geven op aftrek, wanneer de gedane uitgaven deel uitmaken van de algemene kosten van die belastingplichtige en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Dergelijke kosten houden immers rechtstreeks en onmiddellijk verband met de gehele economische activiteit van de belastingplichtige (zie in die zin HVJEU, lnvestrand, C-435/05, punt 24, en SKF, C-29/08, punt 58).

Om na te gaan of er sprake is van een rechtstreeks verband moeten de nationale belastingautoriteiten en rechterlijke instanties in het kader van de bij hen berustende toepassing van het criterium van het rechtstreekse verband, alle omstandigheden waarin de betrokken verrichtingen hebben plaatsgevonden in de beschouwing betrekken en alleen rekening houden met de verrichtingen die objectief verband houden met de belastbare activiteit van de belastingplichtige. Of dat verband bestaat, moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve inhoud van de betrokken verrichting (zie in die zin HVJEU, C-126/14 punt 29 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

14.Eiseres stelt dat alle naar aanleiding van het festival gedragen kosten "kenmerkend en essentieel" zijn voor de belaste handelingen (advertenties, standgeld, dranken en snacks). Zij maken deel uit van de kostprijs ervan. De daarvan geheven BTW is daarom, naar het oordeel van eiseres, aftrekbaar. Eiseres kan immers de opbrengsten uit advertenties en andere belaste prestaties enkel verwezenlijken op voorwaarde dat het festival plaatsvindt.

De rechtbank is samen met verweerder evenwel van oordeel dat er tussen de kosten die verband houden met het festival en de belastbare activiteit van eiseres geen objectief verband bestaat.

Eiseres verwijst naar de feiten die ten grondslag liggen van de zaak Sveda van het Hof van Justitie. In die zaak heeft het Hof evenwel geoordeeld dat de door Sveda voor de aanleg van het ontdekkingspad gedane uitgaven aan de door de belastingplichtige beoogde economische activiteit kunnen worden gekoppeld en dat dienvolgens die uitgaven geen verband houden met activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de BTW vallen.

Afgezien van het feit dat in het arrest Sveda het Hof van Justitie de nationale rechter heeft opgedragen om te verifiëren of er kennelijk een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de door Sveda gedane uitgaven en de gehele economische activiteit van deze laatste (punt 35 van het arrest), steunt de erkenning van een onmiddellijk en rechtstreeks verband op de vaststelling dat Sveda de betrokken investeringsgoederen heeft verworven of vervaardigd met de bedoeling een economische activiteit uit te oefenen. Het Hof kwam tot deze vaststelling op basis van de vaststellingen - gesteund op objectieve gegevens in het dossier - gedaan door de verwijzende rechter. Deze laatste had immers in de prejudiciële vraag aangegeven dat het betrokken ontdekkingspad kon worden gezien "als een middel om verzoekers aan te trekken teneinde hun dankzij de verkoop van souvenirs, voedsel en drank goederen en diensten te leveren, alsook de mogelijkheid te bieden om attracties en zwemgelegenheden te gebruiken tegen betaling".

In casu moet worden vastgesteld dat het statutair doel van eiseres is "de bevordering van de volkskunst in het algemeen, de organisatie van culturele manifestaties eventueel in samenwerking of in opdracht van derden, en de steunverlening in de meest ruime zin aan culturele groeperingen en artiesten" (stuk 5 bundel verweerder). De hoofddoelstelling van eiseres is derhalve niet het verrichten van belastbare handelingen (snacks, advertenties, ...) - eiseres is immers een vereniging zonder winstoogmerk-, maar wel de organisatie van een (gratis) festival. Dit wordt bevestigd door een analyse van het artistiek en inhoudelijk plan 2010, waarin uitdrukkelijk tot doel wordt gesteld een bijdrage te leveren aan het positief imago van jazz en folk in de breedste zin, onder meer "door het aanbieden van podia" (stuk 19 bundel verweerder).

In voorliggend geval kan niet ernstig worden beweerd dat het organiseren van een festival louter een middel zou zijn om in een later stadium goederen en diensten (advertenties, snacks, dranken, standjes) te leveren. Het organiseren van het festival is een doel op zichzelf van de vereniging en de verkoop van advertenties, snacks, dranken en standjes is hieraan volkomen ondergeschikt, weze het dat hiermee (een deel van) de organisatiekosten van het festival word(t)(en) gefinancierd. De publiciteit, verkoop van eten en dranken, standjes zijn er eerder om het bezoek aan het festival zo aangenaam mogelijk te maken. Ook zonder deze activiteiten zou het festival ongetwijfeld bezoekers aantrekken.

Dat eiseres de opbrengsten uit advertenties, eten en dranken, ... slechts kan realiseren op voorwaarde dat het festival plaatsvindt, doet aan het voorgaande niet af.

Om deze redenen kan niet worden aangenomen dat er een onmiddellijk en rechtstreeks verband bestaat tussen de kosten die verband houden met de organisatie van het festival en de gehele economisch activiteit van eiseres. Daarentegen houden die uitgaven verband met activiteiten die buiten het toepassingsgebied vallen van de BTW (de organisatie van een festival met gratis toegang). Wanneer door een belastingplichtige verworven goederen of diensten worden gebruikt voor handelingen die niet binnen de werkingssfeer van de BTW vallen, kan er geen sprake kan zijn van heffing van belasting in een later stadium noch van aftrek van voorbelasting (HVJEU, Sveda, l.c., punt 32; HVJEU, Eon Aset Menidjmunt, C-118/11, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dat geval wordt immers het rechtstreekse en onmiddellijke verband tussen de in een eerder stadium gedane uitgaven en de vervolgens door de belastingplichtige verrichte economische activiteiten verbroken.

15.De administratie heeft eiseres terecht aangemerkt als een gedeeltelijke belastingplichtige, nu zij een belastingplichtige betreft die tegelijkertijd economische (snacks, dranken, advertenties, staden) en niet-economische activiteiten (organisatie van het festival met gratis toegang) verricht. Deze laatste activiteit valt buiten het toepassingsgebied van de BTW.

In het arrest Securenta van 13 maart 2008 (C-437/06) oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de Zesde richtlijn voor de aftrek van de voorbelasting bij een gedeeltelijke belastingplichtige geen regeling bevat inzake de methode of criteria die de lidstaten moeten toepassen bij de vaststelling van bepalingen voor de verdeling van de voldane voorbelasting naargelang de overeenkomstige kosten verband houden met economische dan wel met niet­ economische activiteiten en dat het bijgevolg de taak is van de lidstaten om met eerbiediging van de beginselen die aan het gemeenschappelijk btw-stelsel ten grondslag liggen om methoden en criteria vast te stellen opdat de belastingplichtigen de nodige berekeningen kunnen maken (punten 33 en 34 van het arrest).

Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde tevens dat de lidstaten bij het nemen van dergelijke maatregelen met name het beginsel van fiscale neutraliteit, waarop het gemeenschappelijk btw-stelsel is gebaseerd, moeten eerbiedigen en dat zij hun beoordelingsbevoegdheid aldus moeten uitoefenen dat wordt gewaarborgd dat de aftrek slechts mogelijk is voor het gedeelte van de belasting over de toegevoegde waarde dat evenredig is aan het bedrag van de handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat. Dit heeft tot gevolg dat de lidstaten erop moeten toezien dat de berekening van het pro rata van economische en niet-economische activiteiten objectief weergeeft welk deel van de in een eerder stadium gedane kosten werkelijk toe te rekenen is aan elk van deze twee activiteiten (r.o. 36 en 37).

In het arrest Portugal Telecom van 6 september 2012 (C-496/11) herhaalde het Hof van Justitie van de Europese Unie dat wanneer de goederen en diensten zowel voor economische activiteiten als voor andere dan economische activiteiten worden gebruikt, artikel 17, vijfde lid, Zesde Richtlijn niet van toepassing is.

Uit die rechtspraak volgt duidelijk dat de artikelen 17, vijfde lid, en 19 Zesde Richtlijn, die thans zijn opgenomen in artikel 173, eerste lid en 174 Rationalisatierichtlijn, niet van toepassing zijn op de gedeeltelijke belastingplichtigen.

Luidens artikel 45, § 1, Btw-Wetboek en artikel 1 KB nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde mag elke belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van de in het voornoemde artikel 45, § 1, 1° tot 5° bedoelde handelingen.

Hieruit volgt dat de belasting geheven van de aan de betrokken belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten, alleen in aftrek mag worden gebracht voor zover hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de belasting. Hieruit volgt tevens dat bij een gedeeltelijke belastingplichtige, die zowel economische activiteiten als niet-economische activiteiten verricht, de belasting over de toegevoegde waarde verbonden aan zijn activiteiten slechts aftrekbaar is voor zover deze kosten kunnen worden toegerekend aan de economische activiteit van de belastingplichtige.

De aftrek van de voorbelasting door een gedeeltelijke belastingplichtige die subsidies ontvangt voor activiteiten die niet belastbaar zijn op grond van het Btw-Wetboek en die volledig bekostigd worden door de subsidies, kan in overeenstemming met artikel 45, § 1, Btw-Wetboek en artikel 1 KB nr. 3 van 10 december 1969 worden bepaald aan de hand van een verdeelsleutel waarbij in de teller de totale ontvangsten zijn opgenomen die aan de btw onderworpen zijn en waarbij in de noemer de totale omzet is opgenomen, inclusief de subsidies.

De toepassing van een dergelijke verdeelsleutel steunt op het bestemmingsbeginsel dat vervat ligt in artikel 45, § 1, Btw-Wetboek en artikel 1 KB nr. 3 van 10 december 1969 (in die zin: Cass. 19 juni 2014, F.12.0082.N, www.cass.be).

16.De argumentatie van eiseres die is gesteund op de bepaling van artikel 174 van Richtlijn 2006/112/Eg faalt dienvolgens naar recht.

17.Uit hetgeen hiervoor werd uiteengezet volgt dat verweerder bij het vaststellen van een verdeelsleutel terecht heeft rekening gehouden met de door eiseres ontvangen subsidies.

Voorts heeft verweerder op correcte en doordachte wijze een onderscheid gemaakt tussen de kosten verbonden aan het festival (waarvoor geen aftrek mogelijk is), kosten verbonden aan de belastbare activiteit van eiseres (waarvoor aftrek mogelijk is) en gemende kosten (waarvoor aftrek is toegestaan overeenkomstig een verdeelsleutel).

18.Eiseres stelt nog dat zij een enige of complexe dienst verricht.

De stelling van eiseres is gesteund op de bewering dat het evenement (het festival) het middel is om inkomsten te verwerven, zodat het evenement een noodzakelijk bestanddeel zou zijn van de door eiseres uitgeoefende belaste activiteit.

Hoger werd reeds beslist dat eiseres niet tot doel heeft belastbare handelingen te stellen en dat het organiseren van het festival geenszins ondergeschikt is aan de belastbare activiteiten van eiseres. Het organiseren van het festival is een doel op zich dat wordt nagestreefd door eiseres overeenkomstig haar statutair doel. De belastbare handelingen zijn hieraan volkomen ondergeschikt, zelfs al wordt de opbrengst van deze activiteiten gebruikt om de realisatie van het hoofddoel na te streven en zelfs al kunnen de door eiseres gestelde belastbare handelingen slechts worden gesteld indien het festival plaatsvindt.

De bewering dat de belastbare activiteit van eiseres als hoofddienst moet worden beschouwd en de organisatie van het festival als bijkomende dienst en beiden één economische niet te splitsen dienst zouden uitmaken, is in strijd met de werkelijkheid.

19.De overige door eiseres geciteerde rechtspraak kan niet leiden tot een andere conclusie.

Het middel is ongegrond.

De vordering van eiseres is ongegrond.

5.GERECHTSKOSTEN

20.Aangezien de vordering van eiseres ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van eiseres.

Verweerder kan geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding, nu hij niet werd bijgestaan door een advocaat.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd;

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot betaling van de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op € ….

Aldus beslist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 8 december 2017.

Waar aanwezig waren en zitting hadden:

De heer M. S., voorzitter, rechter Mevrouw C. V., griffier.

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

14

Vergelijkbare beslissingen

8