Geding, rechten en voorrechten schatkist, teruggaaf van belasting, vervolging · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 20 augustus 1999

Zoeken

Geding, rechten en voorrechten schatkist, teruggaaf van belasting, vervolgingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/geding-rechten-voorrechten-schatkist-teruggaaf-rechtbank-hasselt-1999-08-20-961b

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
20 augustus 1999

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

43 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 20.08.1999

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, VIJFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE AR NR. 98/1577/A

F. G., zaakvoerder, wonende te …, …,

eiser,

vertegenwoordigd door Mr. B. loco Mr. V., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, met burelen te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. C., advocaat te …, …,

VOLGT HET VONNIS :

Bij geregistreerd exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder B. V. te Hasselt d.d. 27.8.1998 liet eiser verweerder dagvaarden in betaling van 159.824 fr. en de gerechtskosten. Verweerder hield d.d. 27.9.1994 ten onrechte een BTW-tegoed van eiser in ten belope van 450.202 fr.

Dit bedrag werd aan eiser overgemaakt in mei 1998. Eiser vorderde alsdan de betaling van intresten over 43 maanden of 154.869 fr. d.d. 28.10.1998 betaalde verweerder een bedrag van 133.200 fr. Bij besluiten vordert eiser een debetsaldo van 29.030 fr.

Het verweer

1. Verwijzend naar art. 14 van het KB nr. 4 van 29.12.1969 stelt verweerder dat de vordering zoals ingesteld onontvankelijk is omdat de dagvaarding diende te worden betekend aan het hoofd van het controlekantoor waaronder eiser ressorteerde, namelijk Lanaken in plaats van Hasselt.

2. Verwijzend naar art. 76 en 93 van het BTW-wetboek stelt verweerder dat de aan eiser verschuldigde intrest werd voldaan zodat de eis zonder voorwerp moet worden verklaard.

Beoordeling

1. Verweerder stelt dat onderhavige vordering niet rechtsgeldig werd.

Het is inderdaad juist dat art. 14 van het KB nr. 4 terzake toepasselijk is. (zie BTW-handboek van H. Vandebergh nr. 531).

Derhalve diende de dagvaarding te worden betekend aan het hoofd van het controlekantoor waaronder eiser ressorteerde, dit is Lanaken in plaats van het controlekantoor van Hasselt 2.

Om te stellen dat de vordering toch geldig werd ingesteld beroept eiser zich op allerhande andere middelen dewelke verweerder onbesproken liet.

De zienswijze van eiser kan worden bijgetreden nu verweerder terzake niet in zijn belangen geschaad werd en genoemd art. 14 geen sanctie voorziet zodat er conform art. 860 en volgende Ger.W. geen aanleiding bestaat om de vordering zoals deze werd ingesteld als ongeldig te weerhouden.

De eis is derhalve ontvankelijk.

2. Ten gronde houdt verweerder voor dat eiser aanspraak kon maken op intresten vanaf 1.4.1995 tot 30.4.1998, hetzij 37 maanden of 133.200 fr. dewelke werd voldaan.

Eiser meent dat er intresten verschuldigd zijn vanaf 1.10.1994 en verwijst hierbij naar een uitspraak van het Hof van Justitie van 18.12.1997.

Het dient te worden benadrukt dat onderhavige vordering slaat op een teruggave van BTW en dit ingevolge een ongegronde inhouding van BTW-tegoeden door verweerder zoals achteraf is gebleken.

De rechtbank is van mening dat verweerder in dergelijk geval nalatigheidsintresten verschuldigd is vanaf het ogenblik dat de foutieve beslissing van inhouding werd genomen en dit in afwijking van art. 76 en 91, § 3 van het BTW-wetboek waar het gaat over de teruggave van een saldo ten voordele van de belastingplichtige.

De herleide eis is dan ook gegrond.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,

Geeft akte aan eiser van zijn herleiding der ingestelde vordering en verklaart deze ontvankelijk en gegrond.

Veroordeelt verweerder om aan eiser te betalen de som van negenentwintigduizend en dertig frank (29.030 fr.) en de gerechtskosten van het geding en begroot deze kosten als volgt :

- in hoofde van eiser op :

- 3.058 fr. dagvaardingskosten,

- 12. 300 fr. rechtsplegingsvergoeding;

- in hoofde van verweerder op 12.300 fr. rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vijfde kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 20 AUGUSTUS 1999, alwaar zetelden :

De Heer R. S., Ondervoorzitter,

De Heer R. D., Griffier.

R. D. R. S.

Aangehaalde teksten

4
KB nr. 4 art. 142 voorkomens
WBTW art. 762 voorkomens
WBTW art. 911 voorkomen
WBTW art. 931 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8