Prejudiciële vraag, Verplichting van het Hof van Cassatie · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie C.00.0467.F 15 maart 2002

Zoeken

Prejudiciële vraag, Verplichting van het Hof van Cassatie

https://juriel.be/nl/rechtspraak/prejudiciele-verplichting-hof-voorziening-in-cassatie-brussel-2002-03-15-80d3

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
C.00.0467.F
Datum
15 maart 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

41 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 15.03.2002 (C.00.0467.F)

Prejudiciële vraag - Verplichting van het Hof van Cassatie - Voorziening in cassatie - Ontvankelijkheid

Wettelijke bepalingen

Art. 478 en 1080, Gerechtelijk Wetboek

Art. 93, W.BTW

Samenvatting

Het Hof van Cassatie dient het Arbitragehof geen prejudiciële vraag te stellen wanneer eiser een onderscheid aanvoert, enerzijds, tussen de B.T.W.-plichtigen en, anderzijds degenen die personenbelasting verschuldigd zijn, welk onderscheid noch op de artt. 478 en 1080 Ger.W., noch op enige andere wetsbepaling stoelt, maar wel op de omstandigheid dat de wetgever op de eerstgenoemden geen regel heeft willen toepassen die vergelijkbaar is met de regel op grond waarvan de laatstgenoemden geen beroep op een advocaat bij het Hof van Cassatie dienen te doen om een voorziening in te stellen.

De tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie is vereist in een voorziening tegen een arrest dat uitspraak doet over een op 2 augustus 1995 ingediend verzoekschrift in hoger beroep betreffende een aanslag die de B.T.W.-administratie heeft vastgesteld, aangezien uit art. 11, eerste lid, W. 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale geschillen volgt dat de gedingen die op de dag van de inwerkingtreding van de wet, dat is 6 april 1999, hangende zijn bij de hoven, rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, vervolgd en afgehandeld worden met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels inzake B.T.W. wijken die vroegere regels niet af van het gemeen recht van het Ger.W. volgens welke het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie vereist is.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie

dd. 15.03.2002

(C.00.0467.F)

C.R., Mr. S.D., advocaat bij de balie te Bergen,

tegen

BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën,

I. Bestreden uitspraak

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 2 maart 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Bergen.

II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer

Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

III. Beslissing van het Hof

Over de overeenkomstig artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek door het openbaar ministerie ambtshalve opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid : het cassatieverzoekschrift is niet door een advocaat bij het Hof van Cassatie ondertekend :

Overwegende dat krachtens artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale geschillen volgt dat de gedingen die hangende zijn bij de hoven, rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, vervolgd en afgehandeld worden met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels ;

Dat de wetgever met die bepaling beoogde dat alle geschillen die op de dag van de inwerkingtreding van de wet, dat is 6 april 1999, nog niet definitief waren beslecht, afgehandeld zouden worden volgens de eerder geldende regels ; dat bijgevolg, wanneer vóór die datum een geding reeds voor een rechtscollege gebracht is, de vroegere rechtspleging gevolgd moet worden, ook wat de rechtsmiddelen betreft ;

Overwegende dat het arrest vaststelt dat het hoger beroep ingesteld is bij een op 2 augustus 1995 neergelegd verzoekschrift ;

Dat uit de voornoemde wetsbepaling volgt dat de voorziening in cassatie tegen het arrest dat over dat hoger uitspraak deed, slechts kon worden ingesteld mits de voordien geldende procedurele bepalingen werden nageleefd ;

Overwegende dat artikel 93 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals het werd gewijzigd bij de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, weliswaar bepaalt dat het cassatieverzoekschrift voortaan door een advocaat ondertekend en neergelegd mag worden, maar dat in de vorige regeling niet werd afgeweken van het gemeen recht van de artikelen 478 en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek volgens welke het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie vereist is ;

Overwegende dat het cassatieverzoekschrift niet door een advocaat bij het Hof van Cassatie is ondertekend ;

Overwegende dat eiser, in het antwoord op de grond van niet-ontvankelijkheid, aanvoert dat de artikelen 478 en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre ze bepalen dat het optreden van een advocaat bij het Hof van Cassatie vereist is om een voorziening in te stellen inzake belasting over de toegevoegde waarde, terwijl dat optreden niet vereist is inzake inkomstenbelastingen evenmin als in strafzaken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden ;

Overwegende dat, enerzijds, eiser niet in dezelfde juridische toestand verkeert als een rechtzoekende die een voorziening in strafzaken instelt ;

Overwegende dat, anderzijds, de artikelen 478 en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek op de geschillen inzake belasting over de toegevoegde waarde slechts van toepassing waren omdat de wetgever geen bijzondere regeling voor die geschillen had getroffen ;

Dat het door eiser aangevoerde onderscheid tussen B.T.W.-plichtigen en degenen die personenbelasting verschuldigd zijn, noch op de artikelen 478 en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek, noch op enige andere wetsbepaling stoelt, maar wel op de omstandigheid dat de wetgever op de eerstgenoemden geen regel heeft willen toe passen die vergelijkbaar is met de regel op grond waarvan de laatstgenoemden geen beroep op een advocaat bij het Hof van Cassatie dienen te doen om een voorziening in te stellen ;

Dat de door eiser voorgestelde vraag, die geen verband houdt met het bepaalde in artikel 26, § 1, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, bijgevolg niet aan dat hof gesteld dient te worden ;

Dat de grond van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen ;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF

Verwerpt de voorziening ;

Veroordeelt eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer ...

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer ...

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 931 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

6