Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 7 februari 2012

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-gent-2012-02-07-ff82

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
7 februari 2012

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

74 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 07.02.2012

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent, 5be kamer - terechtzitting van 07-02-2012

Nr. 2010/AR/2854

in de zaak van :

L. K., wonende te …, …,

appellant,

hebbende als raadsman mr. G. A., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van·de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, wiens kantoren gevestigd zijn te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. D. Z. A., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 29.4.2002 dagvaardde de appellant de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge teneinde uitspraak te horen doen over zijn verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door E. D. D., e.a. inspecteur a.i. van het BTW-ontv.angkantoor te Oostende op 20.3.2002, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22.3.2002 door A. D. R., directeur bij een fiscaal bestuur, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brugge.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellant: een bedrag van … EUR aan BTW + een geldboete van … krachtens artikel 70, § 1 BTW-wetboek + … EUR intresten, hetzij samen … EUR, vermeerderd met de intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.3.2002, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van dit dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 BTW-wetboek, de vervolgingskosten.

Bij vonnis van 23.6.2010 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de appellant ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd hij veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 3.11.2010, heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het bestreden vonnis werd op verzoek van de geïntimeerde betekend aan de appellant bij gerechtsdeurwaardersexploot van 4.10.2010 (stuk 27 van de geïntimeerde).

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Het hoger beroep strekt ertoe :

Dit hoger beroep in te willigen als toelaatbaar, gegrond en bewezen;

“

Het verzet van [de appellant] tegen elke uitvoering van het dwangbevel d.d. 20.03.2002 in te willigen als toelaatbaar, gegrond en bewezen;

Derhalve voor recht te zeggen dat geïntimeerde ertoe gehouden is om aan [de appellant] ontheffing te verlenen voor de gevorderde BTW, intrest en boetes en/of deze te verminderen."

De geïntimeerde vordert dat het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond zou worden verklaard.

2. De appellant baatte te … onder de naam "L. B." een groot- en kleinhandel in vis uit. De thans bij het dwangbevel van hem gevorderde BTW en accessoria heeft betrekking op deze handel voor de periode 1.1.1997 tot 31.12.1997. De administratie heeft de boekhouding van de appellant verworpen voor deze periode en de verschuldigde BTW herberekend.

De appellant werd beleverd onder meer door de BV R. v. Y., gevestigd te … in Nederland. Deze leverancier had voor zijn Belgische klanten twee klantennummers : één bestemd voor intracommunautaire leveringen (vrijgesteld van BTW) (voor de appellant : klantennummer …) en één voor leveringen met aanrekening van Nederlandse BTW à 6 % (voor de appellant : klantennummer …). De BV R. v. Y. factureerde aan de appellant zowel onder het een BTW-stelsel als onder het andere BTW­stelsel.

Wanneer werd geleverd als vrijgestelde communautaire levering werd het BTW-nummer van de Belgische klant vermeld op de facturen, zijn naam en adres, en werden de facturen ook opgenomen in de intracommunautaire opgave die de BV R. v. Y. indiende.

Wanneer werd geleverd met Nederlandse BTW (6 %) werd het BTW-nummer niet vermeld op de factuur, wel de naam en het adres van de Belgische klant, en werden deze facturen niet opgegeven in de intracommunautaire opgave die de BV R. v. Y. indiende.

Dit heeft tot gevolg dat, bij levering onder facturering van Nederlandse BTW, de Belgische belastingadministratie geen spoor kon terugvinden van deze leveringen. Bij opgave als intracommunautaire levering door de BV R. v. Y. daarentegen werd dergelijke levering opgenomen in het zogenaamde VIES-systeem (afkorting voor "Value. Added Information Exchange System", vrij vertaald uit het Engels als "systeem van uitwisseling van informatie met betrekking tot toegevoegde waarde"), en was het voor de Belgische belastingadministratie mogelijk kennis te nemen van de transactiegegevens met betrekking tot leveringen van de BV R. v. Y. aan haar afnemers, zoals de appellant.

Bij controle werd vastgesteld dat :

• de appellant een aantal facturen van de BV R. v. Y. niet had geboekt, dit voor een totaal bedrag van … BEF (… EUR);

• de appellant een aantal facturen van de BV R. v. Y. wel had geboekt, dit voor een totaal bedrag van … BEF (… EUR);

• de appellant een aantal facturen van zijn Franse leverancier SA C. M. d. D. had geboekt in Belgische franken terwijl gefactureerd werd in Franse franken, zodat een tekort van … BEF (… EUR) werd geboekt.

Verder werd bij controle vastgesteld dat geen inventaris van de goederen werd bijgehouden, de ontvangsten in het ontvangstenboek niet gestaafd werden door verantwoordingsstukken, geen financieel dagboek werd voorgelegd.

De appellant betwist dat hij de facturen van de BV R. v. Y., met aanrekening van de Nederlandse BTW, die niet in zijn boekhouding voorkomen, heeft ontvangen. Volgens de appellant zou de BV R. v. Y. onjuist gefactureerd hebben aan haar Belgische klanten om te voldoen aan "de dringende vraag van haar Nederlandse klanten naar leveringen tegen contanten'". Men ziet evenwel niet goed in waarom de BV R. v. Y. de appellant zou hebben willen benadelen ten voordele van andere klanten. Het gaat om loutere veronderstellingen en verdachtmakingen van de appellant die niet kunnen aangenomen worden.

De appellant verwijst verder naar facturen nrs. …, …, …, … en …, die volgens hem niet voorkomen in de boekhouding van de BV R. v. Y., maar wel opgenomen zijn in de boekhouding van de appellant, dit om te kunnen stellen dat de boekhouding van de BV R. v. Y. niet betrouwbaar is. De stelling van de appellant is onjuist, nu deze facturen wel degelijk voorkomen in de boekhouding van de BV R. v. Y. (zie de bijlage 2 bij het proces-verbaal van 16.6.2001, "Overzicht boeking betaling van de facturen", laatste blad onderaan, zelf in het stukkenbundel van de geïntimeerde gevoegd bij het stuk 1 van de geïntimeerde).

In het proces-verbaal van 13.3.2002 (stuk 1 van de geïntimeerde) wordt als bedrag van de factuur nr. … d.d. 8.8.1997 vermeld … NGL (zie p. 6 van dit stuk). Terecht wordt door de appellant opgemerkt dat dit onjuist is, en dit … NLG moet zijn. Dit is evenwel geen vergissing van de BV R. v. Y. in haar boekhouding, nu het correcte bedrag van … NLG vermeld staat in het "overzicht van de boeking betaling van de facturen" uit de boekhouding van de BV R. v. Y. (zie de bijlage 2 bij het proces-verbaal van 16.6.2001, "Overzicht boeking betaling van de facturen", op het blad onderaan genummerd als "pagina 3 van 5", zelf in het stukkenbundel van de geïntimeerde gevoegd bij het stuk 1 van de geïntimeerde). Uit hetzelfde stuk is op te maken dat de appellant deze factuur betaalde in vier maal nl. … NLG + … NLG + … NLG + … EUR, wat het totaal van … NLG geeft. De boekhouding van de BV R. v. Y. vermeldde derhalve het correct bedrag, maar de verbalisant heeft een cijfer van het bedrag van … NLG verkeerd overgeschreven in zijn proces-verbaal. Dit is uiteraard niet van aard te doen twijfelen aan de correctheid van de boekhouding van de BV R. v. Y..

Zo de factuur nr. … d.d. 4.9.1997 voor een bedrag van … NLG onmiddellijk gevolgd werd door een creditnota voor … NLG, dan is dit omdat een verkeerde prijs werd aangerekend van … NLG per eenheid mosselen in plaats van … NLG, zoals blijkt uit de vergelijking van het stuk 31 van de geïntimeerde met betrekking tot de factuur …, waarin ook … NLG werd aangerekend en dit verbeterd werd in … NLG. Dit toont dus helemaal niet aan, zoals de appellant beweert, dat "bepaalde onregelmatige facturen in functie van de werkelijke omvang van de zwarte leveringen moesten worden afgeboekt". Opnieuw gaat het om loutere, door de stukken tegengesproken, verdachtmakingen van de appellant.

Hetzelfde geldt voor de beweringen van de appellant met betrekking tot de facturering op 25.9.1997 voor een bedrag van … NLG (factuur nr. …), gevolgd door een creditnota van … NLG op dezelfde dag (creditnota nr. …). Ook hier blijkt uit de vergelijking met de stukken 33 en 34 van de geïntimeerde dat de creditnota haar oorsprong vindt in een prijscorrectie van … NLG naar … NLG (mosselen Standaard 6 x 2 kg) en van … NLG naar … NLG (mosselen Standaard 25 kg).

In de lijst van facturen en creditnota's opgenomen in het proces-verbaal van 13.3.2002, p. 5/13, vindt men ook nog terug :

• een factuur d.d. 13.11.1997 (nr. …) voor een bedrag van … NLG (per materiële vergissing is in de conclusie van de appellant sprake van … NLG) gevolgd door een creditnota (nr. …) van 17.11.1997 voor hetzelfde bedrag van … NLG;

• een factuur d.d. 18.12.1997 (nr. …) voor een bedrag van … NLG, gevolgd door een creditnota (nr. …) op dezelfde dag voor hetzelfde bedrag.

Op zich is hieraan eigenlijk niets verdachts. Het feit creditnota's uit te schrijven houdt niet in dat men fraudeert of een onjuiste boekhouding voert. Hoger werd trouwens reeds aangetoond met betrekking tot andere facturen dat er een uitleg was voor de creditnota's.

Wat de facturen nrs. …, …, …, …, … en … betreft, alle met klantnummer … (klantnummer voor de aanrekening van Nederlandse BTW à 6 %), huldigt de appellant de stelling dat deze facturen hem per vergissing werden toegestuurd en hadden moeten zijn gefactureerd onder klantennummer … voor de werkelijk uitgevoerde leveringen. Uit de bijlage 2 bij het proces-verbaal van 16.6.2001 ("Overzicht boeking betaling van de facturen", op het blad onderaan genummerd als "pagina 2 van 2", zelf in het stukkenbundel van de geïntimeerde gevoegd bij het stuk 1 van de geïntimeerde) ·blijkt dat de appellant deze facturen heeft betaald. De facturen dragen geen enkele vermelding wat betreft eventueel aangerekende BTW. Gezien de betaling moet worden aangenomen dat deze facturen overeenstemmen met een werkelijke levering en een werkelijk door de appellant te betalen factuurbedrag bevatten. Verder is de stelling van de appellant logisch dat het verkeerde klantennummer werd gebruikt. Immers de facturen met dit nummer werden door de appellant in het kader van het hoger omschreven fraudesysteem buiten zijn boekhouding gehouden, terwijl de thans besproken zes facturen er werden in opgenomen. De vermelding op de facturen van het klantennummer … bevestigt wel de binding tussen dit nummer en de appellant, zoals de BV R. v. Y. die maakt.

Het hoger uiteengezet fraudesysteem werd blootgelegd onder meer door het onderzoek ter plaatse bij de BV R. v. Y. door de Nederlandse belastingdienst gezamenlijk met de Belgische belastingdienst, zoals blijkt uit de processen-verbaal d.d. 13.3.2002 en 16.6.2001 met bijlagen. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de BV R. v. Y. een onjuiste/onbetrouwbare boekhouding zou hebben gevoerd, meer bepaald tot onjuiste factureringen zou zijn overgegaan, op een wijze die nadelig was voor de appellant. Er mag daarentegen aangenomen worden dat het voor de BV R. v. Y. van belang was om de gegevens met betrekking tot de levering en facturatie aan klanten zo precies mogelijk bij te houden, en bovendien gezien alleen reeds het werken met twee verschillende factureringssystemen niet van aard is de boekhouding eenvoudig te maken en zij toch goed moest weten welke leveringen zij aan wie moest doen, en onder welk van de beide toegepaste BTW-stelsels (vergelijk ·ook met wat de Heer B. verklaarde aan de Nederlandse belastingadministratie : zie de brief d.d. 24.3.2004 van de Nederlandse belastingadministratie aan het parket te Middelburg-NL, bijlage bij stuk 13 van de appellant, nl. dat de BV R. v. Y. er groot belang bij had in verband met de productieplanning de verkoop goed te registreren).

In het proces-verbaal d.d. 13.3 2002 werden de. reeds hoger aangehaalde gebreken in de boekhouding van de appellant vastgesteld door de Belgische belastingadministratie bij controle bij de appellant, en onder meer dat de appellant een aantal facturen van de BV R. v. Y. niet had geboekt, dit voor een totaal bedrag van … BEF (… EUR).

De Nederlandse belastingadministratie bevestigde in haar brief van 23.1.2004 aan het parket te Middelburg (NL) dat geen bewijs werd gevonden voor de juistheid van de stelling van de appellant dat de BV R. v. Y. leveringen van derden zou hebben geboekt onder leveringen de appellant (bijlage bij stuk 9 van de appellant). Ook in de brief van 24.3.2004 van de Nederlandse belastingadministratie aan het parket te Middelburg (NL) wordt nog eens bevestigd dat de stelling van de appellant niet kan worden gevolgd.

Uit de brief van 29.6.2004 van de Nederlandse advocaat van de appellant aan zijn Belgische raadsman is af te leiden dat het parket, gevolg gevend aan de klacht van de appellant wegens onder meer valsheid in geschrifte en oplichting, besliste tot niet-vervolging (zie het stuk 15 van de appellant), en dat hiertegen bezwaar kan worden ingediend bij de rechtbank:. Uit de beslissing van het Gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 19.1.2010 (stuk 30 van de appellant) is af te leiden dat het bezwaar van de appellant tegen de niet-vervolging onontvankelijk werd verklaard wegens - voor deel - verjaring of bijna verjaring, maar ook omdat de appellant geen concrete feiten aanbracht die een redelijk vermoeden van schuld konden opleveren. Uit dezelfde beslissing blijkt dat ook de advocaat-generaal bij dit hof heeft geconcludeerd tot afwijzing van het bezwaar van de appellant.

In zoverre de appellant voorhoudt dat het boeken van dertien facturen in Franse franken en het verkeerdelijk boeken in Belgische franken een "volkomen begrijpelijke materiële vergissing" is, kan hij evenmin worden gevolgd. Dat een vergissing zich eens voordoet, is misschien aanneembaar. Dat de appellant evenwel, gespreid in de tijd, dertien maal de vergissing begin is echter niet aan te nemen. Men kan trouwens ook niet aannemen dat de appellant bij een eventuele betaling in Belgische franken aan zijn Franse leverancier van de factuurbedragen in Franse franken (en dus veel te weinig), van deze leverancier geen reactie zou gekomen zijn die de appellant op de vergissing wees. In het andere geval betaalde hij correct Franse franken en moest hij dit ook zo boeken. Evenwel kan het enkel cijfermatig kloppen van de bedragen op de factuur en in de boekhouding bij een eventuele controle wel tot gevolg hebben dat niet onmiddellijk opvalt dat te weinig werd geboekt.

Uit het proces-verbaal van 13.3.2002 blijkt dat aan de appellant bij de controle gevraagd werd voor de periode van 1.1.1997 tot 31.12.1997 inzage te verlenen van de volledige boekhouding en al de boeken, stukken en bescheiden waarvan het bijhouden en bewaren voorgeschreven is door de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde (p. 1/13). Naast de niet-correcte inschrijving van facturen hebben de controlerende ambtenaren ook vastgesteld dat geen inventaris van de goederen in voorraad wordt gehouden, dat er geen verantwoordingsstukken worden voorgelegd voor de ontvangsten in het ontvangstenboek (!), en ook geen :financieel dagboek wordt voorgelegd.

De appellant biedt aan kasbonrollen over te leggen waaruit zou moeten blijken dat de geboekte verkoopresultaten juist zijn. Niets belette de appellant bij de controle de eventuele kasbonnen voor te leggen, wat de bewijskracht ervan maar gunstig zou kunnen beïnvloed hebben. Er werd aan de appellant immers voorlegging gevraagd van alle stukken (zie hierboven). Ook na kennis genomen te hebben van wat aan de appellant door de belastingadministratie werd verweten kon de appellant de eventuele kasbonrollen voorleggen. Dit is niet gebeurd. Thans ingaan op het aanbod van de appellant om kasbonrollen voor te leggen, ongeveer 10 jaar na de vaststellingen van de controlerende ambtenaren in hun proces-verbaal, heeft weinig zin. Men kan immers niet stellen dat dergelijke stukken nog bewijskracht hebben, en van aard zijn te verhelpen aan de hoger aangehaalde andere gebreken in de boekhouding.

In acht genomen hetgeen voorafgaat heeft de administratie terecht de boekhouding van de appellant als niet-bewijskrachtig verworpen. Niet alleen is aangetoond dat de appellant tal van facturen niet boekte of verkeerd boekte, maar bovendien maakten ook de andere gebreken in de boekhouding deze boekhouding onvoldoende controleerbaar. Deze controleerbaarheid is een essentiële vereiste opdat de boekhouding zou kunnen aanvaard worden als voldoende bewijskrachtig om de juiste toepassing van de BTW en de controle ervan te kunnen verzekeren, wat de bedoeling is van de boekhouding zoals uitdrukkelijk blijkt uit de bepaling van artikel 14, § 1 van het KB nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. De boekhouding dient door verantwoordingsstukken te worden gestaafd en het geheel van de boekhouding moet kunnen worden beschouwd als voldoende controleerbaar, oprecht en juist om de heffing van de belasting te verzekeren, wat hier niet het geval is.

Het was de administratie mogelijk, zoals zij gedaan heeft, na verwerping van de boekhouding de belastbare omzet te bepalen op basis van de forfaitaire regeling inzake van BTW voor kleinhandelaars in vis (zie artikel 56, § 2 BTW­wetboek).

Uit hetgeen hoger werd uiteengezet moet ook afgeleid worden dat de appellant het oogmerk had de belasting te ontduiken. Zowel het niet opnemen in zijn boekhouding van de facturen van de BV R. v. Y. met betrekking tot zijn klantennummer …, als het opnemen van· de Franse facturen in zijn boekhouding in Belgische franken terwijl het Franse franken betrof kunnen in de hoger aangehaalde omstandigheden maar uitgelegd worden als een poging om een deel van de omzet voor de belastingadministratie verborgen te houden en de erop verschuldigde belasting te ontduiken.

3. De appellant voert aan dat de administratie voor het bepalen van de winstpercentages zich ten onrechte gesteund heeft op de gegevens vóor de jaren 1995 en 1996, omdat de exploitatieomstandigheden anders waren dan in 1997 en bij de laatste controle de appellant en zijn boekhouder zich soepel hadden opgesteld omdat hun toen beloofd werd dat de appellant in de volgende jaren niet zou worden lastig gevallen.

Het is nochtans moeilijk aanvaardbaar dat de appellant in 1997 een lagere winstmarge zou hebben gehanteerd dan in de jaren 1995 en 1996, en de appellant maakt op geen enkele wijze aanneembaar dat dit zou gebeurd zijn en waarom precies. Een wijziging in de exploitatieomstandigheden wordt niet aangetoond, laat staan inhoudelijk nader omschreven. Verder wordt niet aangetoond dat de winstpercentages voor 1995 en 1996 hoger zouden zijn geweest dan in 1997 omdat hieromtrent een akkoord zou zijn getroffen (op basis van de niet-bewezen beweringen van de appellant ook als strijdig met de wet te beschouwen).

De appellant voert verder aan dat het winstpercentage voor kleinhandel in vis niet kan toegepast worden op groothandel in vis. De geïntimeerde is het ermee eens dat voor de. verkopen als groothandel een lagere marge moet gehanteerd worden, maar stelt dat geen verkoopfacturen werden uitgereikt voor verkopen als groothandel. Met de administratie moet aangenomen worden dat er geen stukken voorliggen waaruit zou kunnen afgeleid worden dat verkopen als groothandel werden gedaan in 1997, en in welke mate, terwijl niet ter betwisting staat dat de appellant een kleinhandel uitbaatte (viswinkel).

Er zijn ook geen redenen voorhanden om aan de administratie te bevelen de CMR-vrachtbrief (of nog alle vrachtbrieven) over te leggen die volgens de appellant de controle bij de BV R. v. Y. en de appellant hebben op gang gebracht. Dergelijk stuk blijkt nergens door de administratie te zijn gehanteerd in haar onderzoek of op een of andere wijze in aanmerking te zijn genomen om de door de appellant verschuldigde belasting en accessoria te bepalen. Het verschuldigd zijn van de belasting wordt afdoende aangetoond door de hoger aangehaalde gegevens (ondermeer de boekhouding van de BV R. v. Y.) zonder dat het ook nodig is vrachtbrieven of leveringsbons van welke aard te doen overleggen (stukken die trouwens bij leveringen "in het zwart" dikwijls niet worden opgemaakt.

4. Er werd een belastingverhoging van 200 % opgelegd in toepassing van artikel 70, § 1 BTW-wetboek, hetgeen na afronding tot een bedrag van … EUR als boete leidt. Gezien het hoger aangehaald oogmerk om de belasting te ontduiken werd deze boete wettelijk opgelegd, nu in toepassing van artikel 1, laatste lid van het KB nr. 41 d.d. 30.1.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, de schalen bijlage bij dit KB niet van toepassing zijn.

Een boete van … EUR is ook niet onredelijk of onevenredig met de begane inbreuken, en dit wordt trouwens door de appellant ook niet aangevoerd.

Beschikkend gedeelte

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger beroep, in hun geheel begroot als volgt :

• aan de zijde van de appellant : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op ZEVEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN TWAALF.

Aanwezig de Heren :

G. T., Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtprekend,

M. V., griffier.

M. V. G. T.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 702 voorkomens
KB nr. 1 art. 141 voorkomen
KB nr. 41 art. 11 voorkomen
WBTW art. 561 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8