Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 23.03.2023
WF 713-15-17/047233
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Bezwaartermijn – Recht op aftrek
Wettelijke bepalingen
Art. 49, 2° en 61, §1 WBTW
Art. 14, §1 van KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde
Art. 4 van KB nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde
Art. 100, 1° en 2° van de wetten op de rijkscomptabiliteit van 17 juli 1991
Art. 131, tweede lid van de wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale staat van 22 mei 2003
Art. 2262, §1 BW
Samenvatting
1) Feiten en voorgaande procedure
Het geschil heeft betrekking op de uitoefening van het recht op aftrek inzake btw en de bezwaartermijn. De belastingplichtige werd op 24 januari 2005 failliet verklaard. Vervolgens diende de administratie een provisionele schuldvordering in op 1 februari 2005 bij de rechtbank van koophandel. Op 19 oktober 2005 vond er een controle plaats van de boekhouding van de gefailleerde bij de curator met betrekking tot de periode van 1 januari 2003 tot en met 24 januari 2005. Hierbij werden er enkel aan- en verkoopfacturen voorgelegd met betrekking tot het jaar 2004. Voor het volledige jaar 2003 en voor een gedeelte van het jaar 2004 werd de in aftrek genomen btw verworpen bij gebrek aan documenten, middels een proces-verbaal. Vervolgens diende de administratie een gewijzigde aangifte van schuldvordering in bij de rechtbank van koophandel. In het afrekeningsverslag van de curator werd de schuldvordering opgenomen in het bevoorrecht passief van het faillissement.
Vervolgens diende de curator in 2017 een administratief bezwaar in bij de administratie. Hierin voerde hij aan dat hij inmiddels toch in het bezit was van alle ontbrekende documenten, dat er nog geen dwangbevel was betekend en verzocht om opnieuw een controle te laten uitvoeren voor de periode in kwestie. Dit bezwaar werd middels een beslissing afgewezen door de administratie.
In eerste aanleg verklaarde de rechter de vordering van de curator onontvankelijk aangezien de curator verzocht om een controle te bevelen of te laten plaatsvinden. De eerste rechter was namelijk van oordeel dat hij geen rechtsmacht had om een fiscale controle uit te laten voeren bij een bepaalde belastingplichtige. Tegen dit vonnis ging de curator in hoger beroep en verzocht deze keer om te oordelen over het uitgeoefende recht op aftrek.
2) Het arrest van het hof van beroep
Het hof stelt vast dat de vervaltermijn, bedoeld in artikel 4 van KB nr. 3 reeds was verstreken op het moment dat de curator zijn bezwaarschrift indiende en wijst erop dat deze vervaltermijn in principe niet kan worden gestuit of geschorst.
De recente rechtspraak van het Europees Hof van Justitie met betrekking tot de gebeurlijke verlenging van de vervaltermijn voor het uitoefenen van het recht op aftrek is in dit geval niet relevant volgens het hof. Niets heeft namelijk de belastingplichtige belet tijdig zijn recht op aftrek uit te oefenen.
Verder vindt het hof het logisch dat de administratie niet over ging tot de betekening van een dwangbevel. De inbreuken werden opgenomen in een proces-verbaal dat ter kennis gebracht werd aan de curator. Vervolgens nam deze de schuldvordering op in het bevoorrecht passief van het faillissement.
Tenslotte stelt het hof, dat bij gebrek aan een wettelijke bezwaartermijn inzake btw, het eventuele recht van de curator om een vordering in te stellen tegen het proces-verbaal verjaarde overeenkomstig de vijfjarige verjaringstermijn in de zin van artikel 100, 1° en 2° van de wetten op de rijkscomptabiliteit. Deze termijn was reeds ruimschoots verstreken op het moment van de indiening van het bezwaarschrift. De bezwaartermijn zou zelfs zijn verstreken indien de gemeenrechtelijke verjaringstermijn, zijnde de tienjarige termijn op basis van artikel 2262bis, §1 BW, van toepassing was geweest.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M, burgerlijke zaken
Arrest van 28 /03/2023
Rol: 2020/AR/516
Mr. V. D. G., advocaat te ... (ref.: …), q.a. curator van het faillissement van A. BV, ON 040...22, met laatste zetel te ...
Eiser in hoger beroep,
tegen het vonnis van de AFi1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 15 februari 2019, gekend onder rolnummer 18/111/A
tegen
BELGISCHE STAAT-FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM MECHELEN, met diensten te 9050 LEDEBERG, G. Crommenlaan 6 bus 747 (Exp. 2) met correspondentieadres te 2300 TURNHOUT, Spoorwegstraat 22
Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is de heer X, fiscaal ambtenaar (kenmerk: …)
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 15 februari 2019, dat op verzoek van de Belgische Staat op 25 februari 2020 bij gerechtsdeurwaarderexploot werd betekend, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 20 maart 2020, waarbij een tijdig hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting.
De betwisting betreft een navordering van BTW en boetes voor de periode van 1 januari 2003 tot aan het faillissement van BV A. op 24 januari 2005 en ten gronde de vraag of het recht op aftrek van voorbelasting voor wat betreft het jaar 2003 terecht werd uitgeoefend.
BV A. was als BTW-plichtige geregistreerd voor de activiteit van 'grondwerken en transport'.
Er bestaat geen betwisting over het feit dat voor het jaar 2003 in totaal voor een bedrag van 162.985,58 EUR aan voorbelastingen werd afgetrokken in de maandelijks ingediende BTW-aangiftes. De in aftrek gebrachte bedragen werden opgesomd in een proces-verbaal van de administratie van 21 november 2006.
BV A. werd failliet verklaard door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen en meester G. V. D. werd bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Mechelen van 24 januari 2005 aangesteld als curator.
De ontvanger van BTW diende op 1 februari 2005 een provisionele aangifte van schuldvordering in van één euro provisioneel, verschuldigd voor de BTW die nog kon gevestigd worden na de definitieve afsluiting van de rekening-courant en/of na onderzoek van de boeken en stukken van de gefailleerde (stuk 1 administratie).
1.2. Aanslag en bezwaar.
Op 19 oktober 2005 vond op het kantoor van de curator een controle plaats inzake BTW voor de periode van 1 januari 2003 tot 24 januari 2005. De ambtenaar stelde vast dat de door de curator voorgelegde boekhouding zeer onvolledig was. Er werden enkel voor het jaar 2004 aankoop- en verkoopfacturen voorgelegd. Aldus werd volgens de ambtenaar een inbreuk gepleegd op artikel 61, §1 WBTW en artikel 14, §1 KB nr.1.
Volgens de ambtenaar was er eveneens een inbreuk op de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur of een regelmatig invoerdocument. De vennootschap toonde slechts gedeeltelijk aan dat aan deze voorwaarde werd voldaan door het voorleggen van een beperkt gedeelte van de aankoopfacturen van de aan haar geleverde goederen en verleende diensten.
Aldus werd volgens de ambtenaar voor het jaar 2003 een bedrag van 162.985,58 EUR ten onrechte afgetrokken en voor het jaar 2004 een bedrag van 3.439,16 EUR.
Bijgevolg was volgens de ambtenaar verschuldigd:
Aan BTW voor de jaren 2003 en 2004: 166.424,74 EUR.
Als proportionele boete op grond van artikel 70, §1bis WBTW: 16.640,00 EUR. Als niet-proportionele boete op grond van artikel 70, §4 WBTW: 2.500,00 EUR. Als interesten op grond van artikel 91, §1 WBTW: 0,8 pct. per maand vanaf 21 februari 2005 te berekenen over 166.420,00 EUR.
Van deze inbreuken werd een proces-verbaal opgemaakt op 21 november 2006 (stuk 2 administratie).
De administratie diende op 30 november 2006 een gewijzigde aangifte van schuldvordering in bij de rechtbank van koophandel (stuk 3.a administratie), nogmaals gewijzigd op 19 december 2006 (stuk 4.a administratie) en op 13 februari 2007 (stuk 5.a administratie).
In het afrekeningsverslag van de curator van 22 augustus 2017 (stuk 10.6 administratie) werd de schuldvordering van de Belgische Staat opgenomen in het bevoorrecht passief van het faillissement voor een bedrag van 159.985,09 EUR, hetzij het bedrag dat gevorderd werd in de laatste aangifte van schuldvordering van 13 februari 2007.
De curator legde het afrekeningsverslag voor aan de rechter-commissaris en riep de schuldeisers en de gefailleerde op voor de vergadering ter goedkeuring van dit verslag (stuk 4 curator). De afrekeningsvergadering werd door de rechter-commissaris een eerste keer op 11 september 2017 en nadien keer op keer uitgesteld (stukken 3 en 4 curator) en er bestaat geen betwisting over het feit dat dit verslag nog steeds niet werd goedgekeurd.
De curator diende op 19 september 2017 een bezwaarschrift in bij de BTW-administratie (stuk 6 administratie). Hij argumenteerde dat thans bleek dat de zaakvoerder van de vennootschap in het bezit was van alle aankoopfacturen voor het jaar 2003 en dat om die reden alsnog een BTW-controle kon plaatsvinden. Er werd op gewezen dat nog geen dwangbevel werd betekend, zodat de procedure voorzien door artikel 89 WBTW niet diende te worden gevolgd.
De curator vorderde bijgevolg om zijn bezwaar ontvankelijk en gegrond te verklaren en om te zeggen dat een hernieuwde controle zou plaatsvinden voor het boekjaar 2003 naar aanleiding van de inbreuken die initieel werden vastgesteld in het proces-verbaal van 21 november 2006.
Het bezwaarschrift werd afgewezen bij beslissing van de ambtenaar, gedelegeerd door de adviseur-generaal van 11 oktober 2017 (stuk 7 administratie). Volgens de ambtenaar was de vervaltermijn voor het uitoefenen van het recht op aftrek verstreken ten aanzien van de handelingen, opgenomen in het proces-verbaal van 21 november 2006. Bovendien deed er zich volgens de ambtenaar geen geval voor zoals opgenomen in artikel 77, §1 WBTW om een recht op teruggaaf uit te oefenen; in voorkomend geval was er sprake van verjaring volgens artikel 82bis WBTW.
1.3. Procedure voor de eerste rechter.
Mr. G. V. D., q.a. curator van het faillissement van BV A. legde op 5 januari 2018 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. Hij vorderde om zijn beroep tegen de beslissing tot afwijzing van het bezwaarschrift inzake BTW-aftrek ontvankelijk en gegrond te verklaren. Hij vorderde om te zeggen voor recht dat de bestreden beslissing van 11 oktober 2017 ongegrond was en te vernietigen was en om tevens te zeggen voor recht dat een vernieuwde controle zou
plaatsvinden voor het boekjaar 2003 naar aanleiding van de inbreuken die initieel werden vastgesteld in het proces-verbaal van 21 november 2006.
De eerste rechter stelde vast:
Dat de schuldvordering van de Belgische Staat volledig werd aanvaard in het passief van het faillissement en dat dit door de curator niet werd betwist.
Dat de curator niet vorderde dat de rechtbank zou oordelen over het al dan niet bestaan van een recht op BTW-aftrek in hoofde van de gefailleerde vennootschap, maar louter vorderde om een BTW-controle te bevelen of te laten plaatsvinden.
Hij oordeelde dat hij geen rechtsmacht had om de administratie op te leggen een fiscale controle uit te voeren bij een bepaalde belastingplichtige. Er werd ook geen rechtsgrond aangehaald op basis waarvan de administratie de verplichting zou hebben een controle uit te voeren. Hij oordeelde:
"Bijgevolg voert eiser op geen enkele wijze aan dat de beslissing van de belastingadministratie om geen controle uit te voeren, minstens in casu, een andere dan een loutere opportuniteitsbeoordeling zou vormen.
De loutere opportuniteit van de beslissing van de administratie om al dan niet een controle inzake BTW uit te voeren, kan bij gebrek aan rechtsmacht niet worden getoetst door de rechtbank. De rechtsmacht van de rechtbank laat evenwel niet toe om een BTW-controle te bevelen die door de Belgische Staat zou moeten worden uitgevoerd."
De vordering van de curator werd dan ook onontvankelijk verklaard en hij werd veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en vereffend op nul euro.
1.4. Procedure voor het hof van beroep.
Mr. G. V. D., in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV A., thans eiser in hoger beroep vordert om zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden vonnis aldus teniet te doen.
Hij vordert om de bestreden beslissing van 11 oktober 2017 teniet te doen, minstens deze te vernietigen.
Hij vordert om te zeggen voor recht dat, in zoverre de BTW-administratie geen hernieuwde BTW-controle voor het boekjaar 2003 noodzakelijk acht, de door de vennootschap uitgeoefende BTW-aftrek voor het jaar 2003 ten bedrage van 162.985,58 EUR regelmatig en als aanvaard geldt, hetzij gegrond wordt verklaard, zodoende tevens de opgelegde proportionele boete van 16.640,00 EUR, resp. de boete van 2.500,00 EUR dient vernietigd.
De Belgische Staat, verweerder in hoger beroep, vordert
- In hoofdorde:
om het beroep onontvankelijk te verklaren en om het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen. De Belgische Staat vordert om de gevestigde aanslag te bevestigen en om de curator te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.
- In ondergeschikte orde:
om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de gevestigde aanslag te
bevestigen, met veroordeling van de curator tot de kosten van beide aanleggen.
Ter zitting van 27 februari 2023 verduidelijkt de Belgische Staat dat haar vordering moet gelezen worden als een vordering om
- In hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen.
- In ondergeschikte orde, om de vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.
2. Bespreking
2.1. Tijdigheid van het bezwaar van de curator/ ontvankelijkheid van de vordering.
De Belgische Staat werpt op dat de curator vervallen is van het recht om de aftrek van de voorbelasting te vorderen, vermits gehandeld werd buiten de vervaltermijnen, bepaald in artikel 4 van KB nr.3. De vervaltermijn voor handelingen met betrekking tot 2003 was ruim verstreken door het kennelijk onredelijk lang stilzitten van de curator. Daarbij wordt door de administratie verwezen naar rechtspraak van onder meer het Europees Hof van Justitie.
Er bestaat geen betwisting over het feit dat de vennootschap haar recht op aftrek van de voorbelasting initieel tijdig heeft uitgeoefend en met name in de maandelijkse BTW-aangiftes in de loop van 2003.
Dit heeft evenwel niet belet dat dit recht op aftrek door de administratie werd betwist in de controle van oktober 2005. Er werd immers vastgesteld dat er voor wat het jaar 2003 betreft geen aankoopfacturen konden worden voorgelegd. Dit had als gevolg dat een proces-verbaal werd opgesteld op 21 november 2006 en dat de aangifte van schuldvordering werd aangepast, met de vraag tot opname van onder meer het bedrag van de volgens de administratie in 2003 ten onrechte verrichte aftrek in het passief van het faillissement.
Het is dan ook ten onrechte dat de curator het feit dat het recht op aftrek initieel werd uitgeoefend aanhaalt als argument om te stellen dat de vervaltermijn om dit recht uit te oefenen niet meer van toepassing zou zijn.
Overeenkomstig artikel 49, 2° W.BTW regelt de Koning de termijnen waarbinnen de aftrek plaatsvindt. Deze bepaling kreeg uitvoering in KB nr.3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW.
In artikel 4 van KB nr.3 wordt bepaald dat de belastingplichtig zijn recht op aftrek globaal uitoefent door op het totaalbedrag van de belasting, verschuldigd voor een aangiftetijdperk het totaalbedrag toe te rekenen van de belasting waarvoor het recht op aftrek tijdens hetzelfde tijdperk is ontstaan en uitgeoefend.
Wanneer de formaliteiten waaraan het uitoefenen van het recht op aftrek onderworpen is, niet tijdig worden vervuld en, in het bijzonder, wanneer de facturen werden uitgereikt na het verstrijken van de termijn waarbinnen die factuur overeenkomstig artikel 4 van KB nr.1 moet worden uitgereikt, wordt het recht van aftrek uitgeoefend in de aangifte met betrekking tot het tijdperk waarin de formaliteiten worden vervuld of in een aangifte betreffende een volgend tijdvak, ingediend vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de af te trekken belasting opeisbaar is geworden (artikel 4, tweede lid KB nr.3).
Met andere woorden geldt er voor het recht op aftrek in bepaalde omstandigheden een termijn van drie jaar volgend op het kalenderjaar waarin de af te trekken BTW opeisbaar is geworden. Deze termijn van drie jaar betreft een vervaltermijn, anders dan de termijn voor het uitoefenen van de vordering tot teruggaaf, die een verjaringstermijn betreft (B. Vanermen, 'Verjaring inzake directe belastingen en BTW', in Bibliotheek Fiscaal Recht Larcier, Groep De Boeck NV, Gent, 2008, 121, nr.195; G. De Wit, 'De verjaringstermijnen inzake BTW', TFR, 269, (895), 898, nr.17).
Deze vervaltermijn kan in principe niet worden gestuit of geschorst en was reeds verstreken op het moment dat de curator zijn bezwaarschrift indiende.
Bovendien dient te worden vastgesteld dat de curator pas naar aanleiding van de indiening van het bezwaarschrift in 2017 overging tot voorlegging van de inkomende facturen van 2003. De curator stelde dat deze facturen zich al die tijd bij de zaakvoerder hadden bevonden en dat ze dus pas in 2017 door de curator werden verkregen.
Het hof stelt vast dat de belastingplichtige zich aldus niet bevond in een situatie, bedoeld in het tweede lid van artikel 4 van KB nr.3: de formaliteiten waren volgens de belastingplichtige immers reeds vervuld, de facturen waren immers reeds uitgereikt, doch bevonden zich bij de zaakvoerder. Er was aldus voor de curator geen reden om de aftrek in een later tijdperk uit te oefenen binnen de termijn van drie jaar van artikel 4 van KB nr.3.
Hoe dan ook was de vervaltermijn van drie jaar van artikel 4 van KB nr.3 reeds verstreken op het moment dat de curator overging tot voorlegging van de vereiste facturen.
Ten overvloede kan erop gewezen worden dat de recente rechtspraak van het Europees Hof van Justitie in verband met de gebeurlijke verlenging van de vervaltermijn voor het uitoefenen van het recht op aftrek (HvJ, 21 maart 2018, C-533/16, V. AG, besproken door B. Buelens en G. Leyssen, 'BTW-aftrek 'buiten termijn' mogelijk', Fisc.Act., 2 mei 2018, afl.16, 1; HvJ 12 april 2018, C-8/17, Bi. t/F., TFR, 2019, 558, 277 met noot J. Van Eyndhoven, 'In bepaalde omstandigheden is btw-aftrek mogelijk buiten de nationale vervaltermijn: Hof van Justitie komt afnemer te goeder trouw te hulp'; ... ) in deze niet relevant is, vermits niets de belastingplichtige heeft belet om tijdig zijn recht op aftrek uit te oefenen. Er wordt geen enkele aanvaardbare reden aangehaald waarom de facturen pas in 2017 door de curator werden bekomen van de zaakvoerder.
Er kan trouwens op gewezen worden dat het Hof van Justitie het recht op aftrek van de voorbelasting weliswaar als een basisbeginsel beschouwt, doch ook aanneemt dat dit recht afhankelijk gesteld kan worden van zowel materiële als formele voorwaarden. Zo oordeelde het Hof van Justitie (HvJ 12 april 2018, voormeld):
"36. De mogelijkheid om het recht op btw-aftrek uit te oefenen zonder tijdsbeperking staat echter haaks op het rechtszekerheidsbeginsel, dat verlangt dat de fiscale situatie van een belastingplichtige, met name zijn rechten en plichten jegens de fiscus, niet gedurende onbepaalde tijd in het ongewisse blijft (arrest van 21 maart 2018, V. EU:C:2018:204, punt 46 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
37. Zo heeft het Hof geoordeeld dat een vervaltermijn waarvan het verstrijken betekent dat een onvoldoende voortvarende belastingplichtige, die niet om aftrek van de voorbelasting heeft verzocht, wordt bestraft met het verlies van het recht op btw-aftrek, niet kan beschouwd worden als onverenigbaar met de bij de btw-richtlijn ingevoerde regeling voor zover die termijn op dezelfde wijze geldt voor soortgelijke rechten in belastingzaken naar nationaal recht en naar Unierecht (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van het recht op btw-aftrek in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt (arrest van 21 maart 2018, C-533/16, V., EU:C:2018:204, punt 47 en de aldaar aangehaalde rechtspraak)".
Het hof stelt verder vast dat de inbreuk, met name het ten onrechte in aftrek brengen van de voorbelasting werd vastgesteld in het proces-verbaal van 21 november 2006. Er bestaat geen betwisting over het feit dat dit proces-verbaal tijdig ter kennis werd gebracht van de curator.
Door de Belgische Staat werd tijdig een aangifte van schuldvordering ingediend overeenkomstig artikel 62 Faillissementswet op 1 februari 2005 voor de BTW die nog kon worden gevestigd na de definitieve afsluiting van de rekening-courant en/of na onderzoek van de boeken en stukken van de gefailleerde waarvoor een of meerdere aangiften van schuldvorderingen kon of konden worden ingediend (stuk 1 administratie).
Na het proces-verbaal van 21 november 2006 werd dienovereenkomstig op 30 november 2006 een gewijzigde aangifte van schuldvordering ingediend (stuk 3 administratie), die later nog werd aangepast (stukken 4 en 5 administratie).
Indien de curator de schuldvordering van de Belgische Staat wilde betwisten, dan had hij hiervan melding moeten maken in het proces-verbaal van verificatie en de Belgische Staat hiervan op de hoogte moeten stellen overeenkomstig artikel 68 Faillissementswet.
Uit geen enkel gegeven blijkt evenwel dat de curator de schuldvordering van de Belgische Staat heeft betwist in het proces-verbaal van verificatie. Integendeel werd de schuldvordering van de Belgische Staat in het afrekeningsverslag van de curator opgenomen onder het bevoorrecht passief van het faillissement (stuk 3 curator). De eerste rechter stelde dan ook terecht vast dat deze schuldvordering volledig werd aanvaard in het passief van het faillissement.
In het licht hiervan is het dan ook logisch dat de administratie niet overging tot het uitvaardigen van een dwangbevel.
Desondanks ging de curator nadien, en met name door middel van een bezwaarschrift van 19 september 2017 alsnog over tot de betwisting van de verwerping van het recht op aftrek van de voorbelasting voor wat betreft 2003.
Voor zover dit nog mogelijk was, gelet op voormeld artikel 68 Faillissementswet, stelt zich vraag op welke grond en binnen welke termijnen een dergelijke betwisting nog kon plaatsvinden.
In elk geval diende de procedure van artikel 89 W.BTW niet te worden gevolgd, vermits geen dwangbevel werd uitgevaardigd.
Vermits de vordering van de curator geen vordering tot teruggave van de belasting in de zin van artikel 82 en 82bis W.BTW betrof, was de in deze artikelen bepaalde verjaringstermijn niet van toepassing. Deze verjaringstermijn (het verstrijken van het derde kalenderjaar, volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting zich had voorgedaan) was trouwens reeds ruimschoots verstreken op het moment van het indienen van het bezwaarschrift.
Artikel 100 van de wet van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit (hierna Wet Rijkscomptabiliteit) luidde destijds als volgt:
"Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen:
1° de schuldvorderingen, waarvan de wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van 5 jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan;
2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar gedurende hetwelke ze werden overgelegd;
3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van 10 jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan.
Voor schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen, blijft evenwel de tienjarige verjaring gelden; zij dienen te worden betaald door de zorg van de Deposito- en Consignatiekas."
Deze bepaling werd afgeschaft. Artikel 113, juncto artikel 131, tweede lid van de wet van 22 mei 2003 (houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale staat (BS, 3 juli 2003)) bepaalde immers dat de gemeenrechtelijke verjaringsregeling van toepassing werd op vorderingen ten aanzien van de federale staat die ontstaan waren na de inwerkingtreding van deze wet. De inwerkingtreding van deze wet werd herhaaldelijk uitgesteld, doch de wet trad uiteindelijk in werking op 1 januari 2011 op grond van artikel 167 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I) (BS, 31 december 2010).
Het voormelde artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit was aldus reeds afgeschaft op het moment van het indienen van het bezwaarschrift in 2017, doch er dient rekening gehouden te worden met artikel 131, tweede lid van de wet van 22 mei 2003, voormeld. Volgens deze bepaling bleef artikel 100, eerste lid Wet Rijkscomptabiliteit van toepassing op de schuldvorderingen op de federale staat die ontstaan waren vóór de inwerkingtreding van deze wet (artikel 131, tweede lid van de wet van 22 mei 2003), zoals de vordering inzake de aftrek van de voorbelasting voor het jaar 2003 in onderhavig geval.
Er kan geen betwisting bestaan over het feit dat de schuldvordering van de curator in verband met zijn recht op aftrek van de voorbelasting geen vaste uitgave in de zin van artikel 68 van het KB van 10 december 1868 (houdende het algemeen reglement op de rijkscomptabiliteit) betrof en evenmin een andere vaste uitgave die ambtshalve door de overheid wordt uitbetaald, zoals de teruggave die blijkt uit een ingekohierde aanslag of een ontheffingsbeslissing na een bezwaar of een vonnis (5. De Raedt, 'Zin en onzin van het toepassen van de Wet Rijkscomptabiliteit in fiscale zaken', T.F.R., 2011, nr.402, (441), 454). In onderhavig geval werd het recht op aftrek geenszins erkend door de overheid.
Nu inzake BTW geen wettelijk bepaalde bezwaartermijn geldt, verjaarde het eventuele recht van de curator om een vordering in te stellen tegen de Belgische Staat met betrekking tot het proces-verbaal van 21 november 2006 in elk geval overeenkomstig de vijfjarige verjaringstermijn in de zin van art. 100, 1° en 2° Wet Rijkscomptabiliteit. Deze termijn geldt immers voor alle schuldvorderingen die voor de Staat geen vaste uitgaven uitmaken, tenzij het gaat om vorderingen die door een afwijkende wetsbepaling aan een andere, bijzondere verjaringstermijn zijn onderworpen (Cass., 10 september 2010, RW, 2011-12, nr.30, 1334, met noot B. Van den Bergh). Deze termijn was ruimschoots verstreken op 19 september 2017. Dat deze termijn op eniger wijze werd geschorst of gestuit wordt niet aangetoond.
Zelfs indien de gemeenrechtelijke verjaringstermijn zou moeten worden toegepast (contra: Cass., 10 september 2010, voormeld) dan zou dit de termijn betreffen van artikel 2262bis, §1 BW, hetzij de tienjarige termijn. Ook deze termijn was reeds verstreken op het moment dat de curator zijn bezwaarschrift indiende.
Het hof oordeelt gelet op het voorgaande dat de administratie het bezwaar van de curator terecht afwees als laattijdig en derhalve onontvankelijk.
2.2. Overige middelen.
Geen enkele bepaling schrijft voor dat de rechter elk middel dient te beantwoorden. Zo dient de rechter niet te antwoorden op een conclusie die wegens een door hem genomen beslissing niet meer ter zake dienend is (Cass. 17 september 1987, Arr. Cass., 1987-88, 77; Cass. 15 januari 2003, Arr.Cass., 2003, 143; Cass. 15 november 2018, AR D.17.0017.F, www.cass.be).
In casu wordt het principaal hoger beroep van de curator tegen het vonnis van de eerste rechter, die besloot tot de onontvankelijkheid van de vordering ongegrond verklaard, vermits de curator laattijdig de verwerping van de aftrek van de voorbelasting aanvocht. De overige middelen van partijen kunnen niet tot de ontvankelijkheid van de vordering van de curator leiden en behoeven dan ook geen antwoord. De overige middelen en argumenten van partijen worden afgewezen als niet ter zake dienend en/of overbodig.
2.3. Rechtspleqinasvergoedinq.
De Belgische Staat is in deze te beschouwen als de in het gelijk gestelde partij, zodat de curator tot de kosten van het geding moet worden veroordeeld.
De Belgische Staat liet zich evenwel niet bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, zodat ze terecht geen aanspraak maakt op een rechtsplegingsvergoeding.
De bijdrage aan het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand die door de curator werd betaald, dient ten zijnen laste te blijven.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht in hoger beroep overeenkomstig artikel 279 , 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Beschikkend gedeelte
3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van meester Geert Van Deck qq. curator faillissement BV
A. toelaatbaar doch ongegrond.
Het hof bevestigt het bestreden vonnis, doch om andere redenen.
Het hof verwijst Geert Van Deck qq. curator faillissement BV A. in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van de Belgische Staat op nul euro.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 28 maart 2023 door
M. G. Kamervoorzitter
C. P. Raadsheer
E. D. B. Raadsheer
E. C. Griffi
Door de FOD bijgevoegde beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg
Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFil
Vonnis van 15/02/2019
Rol: 18/111/A
Inzake:
G. V. D.
advocaat, kantoorhoudende te ..., handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van A. BVBA, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 040...22 en met zetel te ...,
eisende partij.
- persoonlijk ter zitting aanwezig,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Mechelen, met kantoren gevestigd te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 20.
verwerende partij
- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw X, in haar hoedanigheid van
rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën,
Gezien de stukken van het dossier van de rechtspleging zoals zij voorkomen op de inventaris ervan, ondermeer:
- het inleidend verzoekschrift, toegekomen op de griffie op 5 januari 2018;
- de beschikking conform artikel 747, §1 Ger.W. d.d. 26 januari 2018, houdende
bekrachtiging van de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag;
- de conclusies en de stukken van de partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gehoord partijen en hun raadslieden in hun middelen en besluiten op de zitting van 11 januari 2019. Daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen.
Vordering van eiser - ontvankelijkheid
1. De vordering van eiser zoals conclusie neergelegd op 22 juni 2018, luidt als volgt:
"Het beroep tegen de administratieve beslissing inzakze BTW dd. 11/10/2017 ontvankelijk en gegrond te verklaren,
De bestreden beslissing van de Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit (KMO) dd. 11/10/2017 ongegrond te verklaren en deze bijgevolg te vernietigen,
Een hernieuwde BTW-controle te bevelen/laten plaatsvinden voor het boekjaar 2003 n.a.v. de inbreuken die initieel werden vastgesteld in het proces-verbaal dd. 21/11/2006 opgesteld lastens het faillissement van BVBA A. met maatschappelijke zetel te ... en met ondernemingsnummer 040...22 "
2.A. BVBA had haar maatschappelijke zetel te ... en was actief in grondwerken en transport. A. BVBA werd failliet verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Mechelen van 24 januari 2005. Eiser werd aangesteld als curator van het faillissement.
3.Op 29 november 2005 vond een BTW-controle plaats, die betrekking had op de periode van 1 januari 2003 tot en met 24 januari 2005. De belastingadministratie stelde op 21 november 2006 een proces-verbaal op (stuk 1 van eiser).
In dit proces-verbaal werd vastgesteld dat enkel voor het jaar 2004 aankoopfacturen en verkoopfacturen werden voorgelegd. Het recht op BTW-aftrek werd voor het jaar 2003 integraal verworpen voor een bedrag van 162.985,58 euro aan BTW en voor het jaar 2004 ten belope van 3.439,16 euro aan BTW, onder verwijzing naar het niet in het bezit zijn van aankoopfacturen. Een proportionele boete van 16.640,00 euro en een boete van 2.500,00 euro voor het niet ter inzage voorleggen van boeken en stukken werd eveneens als verschuldigd aan gemerkt in het proces-verbaal van 21 november 2006.
4.De belastingadministratie voert aan dat de schuldvordering van de Belgische Staat, onder meer gebaseerd op het proces-verbaal van 21 november 2005, volledig werd aanvaard in het passief van het faillissement, wat door eiser niet wordt betwist.
5.Eiser voert aan dat hij ten tijde van de controle in november 2005 niet in de mogelijkheid zou geweest zijn om de boekhouding van het jaar 2003 voor te leggen, hoewel deze materialiter wel bestond.
6.Eiser vordert niet dat de rechtbank zou oordelen over het al dan niet bestaan van een recht op BTW-aftrek in hoofde van de gefailleerde vennootschap, maar vordert louter om een BTW-controle te bevelen of laten plaatsvinden. Eiser voert daarbij louter aan dat indien zijn vordering gegrond wordt verklaard en een nieuwe controle volgt, "mogelijk de BTW-aftrek 2003 alsnog correct zou beoordeeld worden".
7.De rechtbank heeft evenwel geen rechtsmacht om de administratie op te leggen een fiscale controle uit te voeren bij een bepaalde belastingplichtige. Eiser voert geen enkele rechtsgrond aan op basis waarvan in voorliggend geval enige verplichting zou bestaan voor- de belastingadministratie om een controle uit te voeren. Ook op de terechtzitting werd geen dergelijke rechtsgrond aangevoerd.
8. Bijgevolg voert eiser op geen enkele wijze aan dat de beslissing van de belastingadministratie om geen controle uit te voeren, minstens in casu, een andere dan een loutere opportuniteitsbeoordeling zou vormen.
De loutere opportuniteit van de beslissing van de belastingadministratie om al dan niet een controle inzake BTW uit te voeren, kan bij gebrek aan rechtsmacht niet worden getoetst door de rechtbank. De rechtsmacht van de rechtbank laat evenwel niet toe om een BTW-controle te bevelen die door de Belgische Staat zou moeten worden uitgevoerd.
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige middelen verwerpend.
Verklaart de vordering van eiser onontvankelijk.
Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder niet begroot en door de rechtbank op nul euro vereffend.
Dit vonnis werd uitgesproken op vijftien februari tweeduizend negentien in openbare zitting van de Kamer AFil, die samengesteld was uit:
F. V., rechter,
B. V., griffier,
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.