Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 2 april 2007

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-rechten-rechtbank-kortrijk-2007-04-02-6ed3

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
2 april 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

227 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Kortrijk d.d. 02.04.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE FISCALE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJKE ZAKEN

In de zaak 06/77/a (a7z) :

BVBA T., met vennootschapszetel te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer …,

eiseres,

vertegenwoordigd door en pleitend meester A. V. loco meester J. S., beiden advocaat te …, …, (ref. : …).

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën. Administratie van de BTW.

in de persoon van :

1. de Rekenplichtige van het eerste BTW-ontvangkantoor te Kortrijk,

2. de heer e.a. inspecteur van het derde BTW-controlekantoor te Kortrijk, beiden met kantoor gevestigd te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

verweerder,

vertegenwoordigd door en pleitend meester F. W., advocaat te …, …, (ref. : …).

I. Voorafgaande opmerking

Omwille van ziekte van de rechter wordt het vonnis pas nu uitgesproken.

II. Relevante feitelijke gegevens

De BVBA T. baatte een drankgelegenheid en een verbruiksalon uit.

Zij was derhalve BTW-belastingplichtige.

De administratie van de Bijzondere Belastinginspectie verkreeg toelating tot inzage en afschrift van de strafdossiers onder meer ten laste van G. C., toentertijd zaakvoerder en C. K., toentertijd vennoot van de BVBA T..

Naar aanleiding van die inzage voerde de BTW-administratie een controle uit van de boekhouding van de BVBA T..

Op 14 januari 1998 stuurde de administratie een correctie-opgave naar de BVBA T..

Op 26 februari 1998 antwoordde de raadsman van de BVBA T. op de correctie-opgave.

Op 16 maart 1998 maakte de administratie proces-verbaal op.

De conclusie van dat proces-verbaal luidt :

"Uit het hetgeen voorafgaat blijkt aldus dat de BVBA T. verschuldigd is aan de Belgische Staat Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen :

1) als belasting over de toegevoegde waarde, de som van vier miljoen zevenhonderddrieënvijftigduizend tweehonderdvijftigfrank (4.753.250 BEF) [thans 117.829,98 euro];

2) als fiscale geldboeten, op grond van artikel 70, § 1 van het BTW-wetboek en artikel 4, § 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 wegens niet betaling van de belastingen : tweemaal het bedrag van de verschuldigde BTW afgerond naar het lagere duizendtal (9.506.000 BEF) [thans 235.647,58 euro).

De verminderde proportionele fiscale geldboete volgens de schaal van de tabellen A tot F van de bijlage van het voornoemde koninklijk besluit nr. 41 van 30januari 1987 kan overeenkomstig artikel, laatste lid van hetzelfde besluit niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Het oogmerk de belasting te ontduiken blijkt uit de rubrieken I. Vaststellingen en II. Taxatie van onderhavig proces-verbaal.

3) als intresten van rechtswege verschuldigd op grond van artikel 91, § 1 van voornoemd wetboek : 0,8 % per maand vertraging te rekenen vanaf 21 april 1995 over 4.753.000 BEF [thans 117.823,79 euro], zijnde het bedrag van de [verschuldigde belasting, afgerond op het duizendtal naar beneden. Ieder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend.

…"

De BVBA T. betaalde die bedragen niet vrijwillig.

Op 1 april 1998 vaardigde de administratie een dwangbevel uit.

Op diezelfde datum werd het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Op 3 april 1998 werd het dwangbevel bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de BVBA T.. "

Bij vonnis van 23 december 2003 werden G. C. en C. K. door de Correctionele Rechtbank te Kortrijk veroordeeld onder meer wegens het vervalsen van de boekhouding van de BVBA T. en het niet voldoen van de BTW.

Tegen dat vonnis werd geen hoger beroep aangetekend.

III. Vorderingen en standpunten

A. De BVBA T.

Bij dagvaarding op 24 april 1998 betekend aan de Belgische Staat leidde de BVBA T. de zaak in en stelde zij haar vordering.

Zij vorderde :

- het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk en/of ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat het dwangbevel en de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mogen hebben;

- de terugbetaling te bevelen van alle sommen die werden betaald of werden ingehouden of in beslag genomen, verhoogd met de moratoire rente vanaf het ogenblik dat de sommen hadden moeten worden terugbetaald of vanaf de inbeslagname of de betaling;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de gedingkosten;

- dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijt elke voorziening en zonder borgstelling of kantonnement.

In haar conclusie neergelegd ter griffie op 6 oktober 1999 handhaafde zij haar vordering.

In haar conclusie neergelegd ter griffie op 11 mei 2006 handhaafde zij haar vordering.

In haar conclusie neergelegd ter griffie op 17 augustus 2006 handhaafde zij haar vordering.

B. De Belgische Staat

In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 10 juni 1999 nam de Belgische Staat een standpunt in ten opzichte van de vordering.

De Belgische Staat vroeg :

- het verzet van de BVBA T. ongegrond te verklaren;

- de BVBA T. te veroordelen tot de kosten van het geding.

In zijn conclusie, neergelegd ter griffie op 28 juni 2004, handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

In zijn conclusie, neergelegd ter griffie op 7 juli 2006, handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

In zijn conclusie, neergelegd ter griffie op 18 september 2006, handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

IV. Procedure

Meester A. V. in de plaats van meester J. S., beiden advocaat te …, voor de BVBA T. en meester F. W., advocaat te …, voor de Belgische Staat verschenen op de openbare terechtzitting van 6 november 2006.

De raadslieden zetten de zaak uiteen.

De debatten werden gesloten.

De raadslieden legden elk een dossier neer.

De zaak werd in beraad genomen.

De stukken werden ingezien.

V. Samenvatting van de argumentatie van de partijen

A. De BVBA T.

1. De dagvaarding

De argumenten die de BVBA T. in de dagvaarding naar voor brengt. kunnen samengevat worden als volgt :

a. Voorbehoud strafprocedure

Er wordt voorbehoud gemaakt voor onwettigheden, nietigheden en/of procedurefouten in de strafprocedure.

b. Schending van artikel 85, § 1 W.BTW

De administratie moet de machtiging voorleggen waarbij de gewestelijke directeur mevrouw D. de bevoegdheid verleent om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

In voorkomend geval is het dwangbevel nietig.

c. Schending van artikel 84 W.BTW

Volgens artikel 84 W.BTW heeft de BVBA T. recht om vóór het inleiden van een rechtsgeding een verweerschrift in te dienen bij de Minister van Financiën, waarbij eventueel kan onderhandeld worden.

De administratie is daar niet op ingegaan.

Het dwangbevel is nietig.

d. Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen en van artikel 89, 2° W.BTW

Het proces-verbaal moet gemotiveerd zijn. Deze motivering ontbreekt volledig.

Het dwangbevel is nietig.

e. Schending van de wet van 11 april 1994 op de openbaarheid van bestuur

De administratie heeft ongemotiveerd elke inzage van het dossier geweigerd.

Het dwangbevel is nietig.

f. Schending van de artikelen 59, § 1 W.BTW en 1349 BW (bewijs d.m.v. feitelijke vermoedens)

Het gaat enkel om eenzijdige beweringen vanwege de fiscus.

De vermeende vaststellingen worden betwist. Ze kunnen niet aangemerkt worden als zekere en vaststaande gegevens waarop een redenering door vermoedens kan gebouwd worden.

De aanslag is ongegrond.

g. De geldboeten

Het strafrechtelijk karakter van de boeten impliceert een opportuniteitscontrole door de Rechtbank.

Het strafrechtelijk aspect brengt ook een bijzondere wettelijkheidscontrole mee, meer bepaald op verbod op dubbele bestraffing.

2. De conclusie neergelegd ter griffie op 6 oktober 1999

In haar conclusie neergelegd ter griffie op 6 oktober 1999 ontwikkelt de BVBA T. verder de argumenten die zij in de dagvaarding naar voor gebracht heeft en brengt zij nieuwe elementen naar voor.

De nieuwe elementen die zij naar voor brengt, kunnen samengevat worden als volgt :

a. Schending van artikel 85, § 1 W.BTW

Het argument betreffende de schending van artikel 85, § 1 W.BTW wordt niet meer aangehouden.

b. Voorrang strafdossier

De fiscale rechter dient de verdere behandeling van de fiscale betwisting uit te stellen in afwachting van de behandeling van het strafdossier.

c. De geldboeten

Sedert de 2 cassatiearresten van 5 februari 1999 en het arrest van het Arbitrage hof van 24 februari 1999 staat vast dat de waarborgen van artikel 6 van het EVRM en van artikel 14 van het RUPO-verdrag van toepassing zijn op administratieve sancties van strafrechtelijke aard.

3. De conclusie neergelegd ter griffie op 11 mei 2006

In haar conclusie neergelegd ter griffie op 11 mei 2006 ontwikkelt de BVBA T. verder de argumenten die zij in de dagvaarding en haar vorige conclusie naar voor gebracht heeft en brengt zij nieuwe elementen naar voor.

De nieuwe elementen die zij naar voor brengt, kunnen samengevat worden als volgt :

a. Verjaring van de vordering

De vordering van de administratie is op heden verjaard omdat de administratie tijdens de 5 jaar na de betekening van het dwangbevel op 3 april 1998 geen stuitingsdaad meer stelde.

De administratie kan niet beweren dat de thans gevoerde procedure ingevolge het verzet van de BVBA T. tegen het dwangbevel de verjaring zou schorsen.

De wijziging aangebracht door de wet van 15 maart 1999 is enkel van toepassing voor zover de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

b. Voorrang strafdossier

Ingevolge het vonnis van 23 december 2003 van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk vervalt de grief betreffende de voorrang van de strafvordering op de behandeling van de fiscale zaak.

c. De geldboeten

De vroegere rechtspraak van het Hof van Cassatie, waarin het Hof oordeelde dat de hoven en rechtbanken enkel de wettigheid van de boete mochten beoordelen doch niet de bevoegdheid hadden deze te verminderen of kwijt te schelden om redenen van opportuniteit en billijkheid, is recent door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens teruggefloten geworden.

De boete is niet evenredig met de per hypothese begane overtreding.

De Rechtbank wordt verzocht om de boete van 200 % substantieel te herleiden.

4. De conclusie neergelegd ter griffie op 17 augustus 2006

In haar conclusie neergelegd ter griffie op 17 augustus 2006 brengt de BVBA T. geen nieuwe argumenten naar voor.

Zij ontwikkelt verder de argumenten die zij in de dagvaarding en haar vorige conclusies naar voor gebracht heeft.

B. De Belgische Staat

1. De conclusie neergelegd ter griffie op 10 juni 1999

De argumenten die de Belgische Staat naar voor brengt in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 10 juni 1999, kunnen samengevat worden als volgt :

a. Artikel 85, § 1 BTW-Wetboek

De Gewestelijke directeur heeft aan de Hoofdcontroleur van het 3de BTW-controlekantoor te Kortrijk de bevoegdheid verleend om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

b. Artikel 84 BTW-Wetboek

Het eerste lid van artikel 84 BTW-Wetboek heeft geen imperatief karakter.

De BVBA T. werd ingevolge brief van 14 januari 1998 uitgenodigd standpunt in te nemen nopens de aanspraken van de administratie.

c. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen en van artikel 89, 2° BTW-Wetboek

Het proces-verbaal is voldoende gemotiveerd.

Wanneer het proces-verbaal gemotiveerd is, is het dwangbevel ook afdoende gemotiveerd.

d. De wet van 11 april 1994 op de openbaarheid van bestuur

De BVBA T. heeft in haar antwoord op de correctieopgave van 26 februari 1998 niet expliciet de inzage in het fiscaal dossier gevraagd.

De BVBA T. heeft niet de volledige procedure bepaald in de wet betreffende de openbaarheid van bestuur doorlopen.

e. De artikelen 59, § 1 BTW-Wetboek en 1349 BW (bewijs d.m.v. feitelijke vermoedens)

De gegevens van de bankrekeningen in bijlage bij het proces-verbaal zijn de juiste overname van de bankrekeningen aangetroffen in het strafdossier.

De heer G. C. en mevrouw C. K. hebben in het kader van het gerechtelijk onderzoek verklaard dat al hun inkomsten afkomstig zijn van de uitbating van de bar.

f. De geldboeten

Een administratieve sanctie opgelegd aan een rechtspersoon kan nooit een strafrechtelijk karakter hebben.

De Rechtbanken zijn niet bevoegd om over de omvang van de boete te beslissen.

2. De conclusie neergelegd ter griffie op 28 juni 2004

In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 28 juni 2004 ontwikkelt de Belgische Staat verder de argumenten die hij in zijn vorige conclusie naar voor gebracht heeft en brengt hij nieuwe elementen naar voor.

De nieuwe elementen die de Belgische Staat naar voor brengt, kunnen samengevat worden als volgt :

a. Het strafrechtelijk gewijsde

Bij vonnis van 23 december 2003 van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, rechtsprekende in correctionele zaken, werden de heer G. C. en mevrouw C. K., respectievelijk zaakvoerder en vennoot van de BVBA, strafrechtelijk veroordeeld wegens de feiten van de tenlasteleggingen zoals vermeld in het proces-verbaal van 16 maart 1998.

b. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen en van artikel 89, 2° W.BTW

Er wordt een overzicht van de bankrekeningen gegeven.

c. Voorrang strafdossier

Gezien de zaakvoerder en vennoten van de BVBA T. strafrechtelijk werden veroordeeld, is dit middel achterhaald.

d. De artikelen 59, § 1 W.BTW en artikel 1349 BW

Gelet op de strafrechtelijke veroordeling wegens de in het strafdossier vermelde feiten, is deze grief achterhaald.

e. De geldboeten

De opgelegde boete is evenredig met de begane overtredingen.

3. De conclusie neergelegd ter griffie op 7 juli 2006

In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 7 juli 2006 ontwikkelt de Belgische Staat verder de argumenten die hij in zijn vorige conclusies naar voor gebracht heeft en brengt hij nieuwe argumenten naar voor.

De nieuwe argumenten die de Belgische Staat naar voor brengt, kunnen samengevat worden als volgt :

a Artikel 81 en 83 W.BTW (verjaring)

De administratie heeft de verjaring gestuit overeenkomstig artikel 2244 BW door de kennisgeving van een dwangbevel op 3 april 1998.

Gelet op het feit dat er geen verjaring kan intreden zolang een rechtsgeding hangend is, werkt de stuitende werking van de kennisgeving van het dwangbevel verder gedurende de volledige duur van het geding.

Aangezien artikel 89, § 2 W.BTW (oud) bepaalt dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel gestuit wordt door een vordering in rechte, verkeert de Staat als schuldeiser tijdens de volledige duur van het geding in de onmogelijkheid om betaling te verkrijgen van zijn vordering.

b. De geldboeten

Het Hof van Cassatie oordeelt tot op heden nog steeds dat bij het beoordelen van een fiscale administratieve boete de rechter niet op basis van een subjectieve beoordeling verzachtende omstandigheden in aanmerking mag nemen om aldus de opgelegde boete te verminderen.

4. De conclusie neergelegd ter griffie op 18 september 2006

In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 18 september 2006 brengt de Belgische Staat geen nieuwe argumenten naar voor.

Hij ontwikkelt verder de argumenten die hij in zijn vorige conclusies naar voor gebracht heeft.

VI. Beoordeling

A. Voorrang strafvordering

1.De grief in verband met de voorrang van de strafvordering op de behandeling van de fiscale zaak is achterhaald.

2.In haar conclusie neergelegd ter griffie op 11 mei 2006 gaat de BVBA T. ermee akkoord dat de grief in verband met de voorrang van de strafvordering op de behandeling van de fiscale zaak ingevolge het vonnis van 23 december 2003 van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk vervallen is.

B. Artikel 85, § 1 W.BTW : delegatie

1.Artikel 85, § 1 W.BTW werd niet geschonden.

2.In haar conclusie neergelegd ter griffie op 6 oktober 1999 houdt de BVBA T. de grief in verband met de schending van artikel 85, § 1 W.BTW niet meer aan.

C. Artikel 84 W.BTW : onderhandelingen

1.Artikel 84 W.BTW werd niet geschonden.

2.Artikel 84 W.BTW verplicht de administratie niet om te onderhandelen met de belastingplichtige.

Artikel 84 W.BTW bepaalt niet dat het dwangbevel nietig is als de administratie niet onderhandeld heeft met de belastingplichtige.

D. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de wet van 29 mei 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen en artikel 89, 2° W.BTW

1.De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen en artikel 89, 2° W.BTW werden niet geschonden.

2.Het dwangbevel verwijst naar het proces-verbaal van 16 maart 1998. Het proces-verbaal van 16 maart 1998 is gemotiveerd.

Het bevat onder meer in bijlage een overzicht van de ontvangsten op de verschillende bankrekeningen, waarop de aanvullende aanslag gebaseerd is.

E. De wet van 11 april 1994 op de openbaarheid van bestuur

1.De wet van 11 april 1994 op de openbaarheid van bestuur werd niet geschonden.

2.Artikel 5 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur bepaalt onder meer :

"Inzage, uitleg of mededeling in schrift van een bestuursdocument geschiedt op aanvraag. De vraag vermeldt duidelijk de betrokken aangelegenheid ... ".

De BVBA T. heeft niet expliciet inzage van het BTW-dossier gevraagd.

Artikel 8, § 2 van die wet bepaalt onder meer :

"Wanneer de verzoeker moeilijkheden ondervindt om de raadpleging ... van een bestuursdocument te verkrijgen op grond van deze wet, kan bij een verzoek tot heroverweging richten tot de betrokken administratieve overheid."

De BVBA T. heeft niet de volledige procedure bepaald in de wet betreffende de openbaarheid van bestuur doorlopen.

Overigens bevat de wet betreffende de openbaarheid van bestuur geen nietigheidssanctie.

F. De artikelen 59, § 1 W.BTW en 1349 BW : bewijs

1.De grief in verband met het bewijs van de vordering van de Belgische Staat is achterhaald.

2.Ingevolge het definitief geworden vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk van 23 december 2003 staat het onherroepelijk vast dat G. C. en C. K. de boekhouding van de BVBA T. vervalst hebben en BTW niet betaald hebben.

De BVBA T. betwist de cijfers in het proces-verbaal niet met concrete gegevens.

G. De artikelen 81 en 83 W.BTW : verjaring van de vordering van de Belgische Staat ?

1.De vordering van de Belgische Staat is niet verjaard.

a. Het toentertijd geldend artikel 83, eerste lid W.BTW bepaalt :

"Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve boeten wordt de verjaring gestuit op de wijzen en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen 5 jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangende is.".

Uit de formulering "zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve boeten" volgt dat dit lid van toepassing is zowel op de vordering van de Belgische Staat als op de vordering van de belastingplichtige.

De verjaring van de vordering van de Belgische Staat werd gestuit door de kennisgeving van het dwangbevel op 3 april 1998.

De vordering van de Belgische Staat kan niet verjaren tijdens het huidig rechtsgeding.

De stuiting van de verjaring van de vordering van de Belgische Staat wordt voortgezet tijdens het huidig rechtsgeding.

In feite houdt het toentertijd geldend artikel 83, eerste lid W.BTW in dat de verjaring van de vordering van zowel de Belgische Staat, als van de belastingplichtige geschorst wordt tijdens een rechtsgeding.

2. b. Het is logisch dat de vordering van de Belgische Staat niet kan. verjaren tijdens een rechtsgeding.

Overeenkomstig het toentertijd geldend artikel 89, § 2 W.BTW kan de Belgische Staat zijn vordering immers niet uitvoeren tijdens een rechtsgeding.

Indien de vordering van de Belgische Staat wel zou kunnen verjaren tijdens een rechtsgeding, dan zou de belastingplichtige aan betaling kunnen ontsnappen door verzet aan te tekenen en de zaak lang te laten aanslepen.

H. De geldboete

1. De geldboete wordt verminderd tot 50 % van de verschuldigde BTW

2. Het is thans verworven in de rechtspraak en de rechtsleer dat een administratieve geldboete door de Rechtbank beoordeeld en desgevallend verminderd kan worden.

Bij de bepaling van de omvang van de geldboete wordt rekening gehouden enerzijds met de overdreven omvang van de initiële geldboete en anderzijds met het frauduleus karakter van. de overtredingen.

I. Besluit

Het verzet van de BVBA T. is gedeeltelijk gegrond.

De BTW is volledig verschuldigd.

De geldboete wordt verminderd tot 50 %.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende op tegenspraak,

Gelet op de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het verzet van de BVBA T. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Hervormt het dwangbevel, uitgevaardigd op 1 aprll1998 door R. B., waarnemend eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 1 april 1998 door M. D., eerstaanwezend inspecteur van de derde BTW-Controle te Kortrijk, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brugge, als volgt.

Zegt dat de BVBA T. verschuldigd is aan de Belgische Staat, administratie van de BTW, registratie en domeinen :

- BTW : HONDERD ZEVENTIEN DUIZEND ACHTHONDERD NEGENENTWINTIG EURO ACHTENNEGENTIG CENT (117.829,98 euro) [voorheen 4.753.250 BEF];

- geldboete : ACHTENVIJFTIG DUIZEND NEGENHONDERD VEERTIEN EURO NEGENENNEGENTIG CENT (58.914, 99 euro) [voorheen 2.376.625 BEF];

- de interest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 april 1995;

- de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboete die loopt vanaf de kennisgeving van het dwangbevel;

- de vervolgingskosten.

Zegt dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het gerechtsgebouw I te Kortrijk, in openbare terechtzitting op TWEE APRIL TWEEDUIZEND EN ZEVEN.

Aanwezig :

C. V., alIeenzetelend rechter,

G. H., griffier-hoofd van dienst.

G. H. C. V.

Aangehaalde teksten

6
WBTW art. 842 voorkomens
KB nr. 41 art. 41 voorkomen
WBTW art. 591 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen
WBTW art. 851 voorkomen
WBTW art. 891 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8