Paardenfokkerij, Recht op aftrek, Economische activiteit, Privé-activiteit als hobby · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 24 november 2022

Zoeken
Tekst in het Frans

Paardenfokkerij, Recht op aftrek, Economische activiteit, Privé-activiteit als hobby

https://juriel.be/nl/rechtspraak/paardenfokkerij-recht-aftrek-economische-activiteit-rechtbank-2022-11-24-c56d

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
24 november 2022

Procesverloop

2 stappen · 3 jaar 2 maanden
  1. Weergegeven beslissingRechtbank van eerste aanleg24.11.2022
  2. Beslissing in beroepHof van beroep te Bergen11.02.2026

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

159 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Henegouwen (Afdeling Bergen) d.d. 24.11.2022

WF 705-15-18/050908

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Paardenfokkerij – Recht op aftrek – Economische activiteit – Privé-activiteit als hobby – Privé-uitgaven – Verwerping van de aftrek

Belasting over de toegevoegde waarde – Verminderde btw-geldboeten – Evenredigheidsbeginsel – Geen verzoek om kwijtschelding of vermindering van de geldboeten op grond van het Regentbesluit

Wettelijke bepalingen

Artikelen 4 § 1, 45 § 1 en 70 WBTW

Artikel 9 van het Besluit van de Regent nr. 78 van 18 maart 1831

Samenvatting

Eiseres is sinds 1 juni 2003 voor btw-doeleinden geregistreerd voor haar activiteit van "Vermogensbeheer".

Op 31 december 2007 breidde zij haar maatschappelijk doel uit met het fokken van paarden, paardrijden, ruitersportfaciliteiten en de aan- en verkoop van paardrijbenodigdheden.

Ingevolge een controle werd een regularisatieopgave opgestuurd. De belastingadministratie verwierp de aftrek van btw met betrekking tot bepaalde goederen en diensten die volgens haar door eiseres voor privédoeleinden waren verstrekt. Eiseres diende een verzoekschrift op tegenspraak in.

- Inzake het bestaan van een economische activiteit

Eiseres stelt dat zij een activiteit van "het fokken van dressuurpaarden" uitoefent en de btw over de kosten in verband met die activiteit in aftrek heeft gebracht, een standpunt dat verweerster betwist.

Het begrip economische activiteit, waarnaar wordt verwezen in artikel 4 WBTW, wordt niet gedefinieerd in het WBTW, maar uit parlementaire werkzaamheden blijkt duidelijk dat het alle activiteiten omvat, zonder uitzondering, van fabrikant, handelaar of dienstverrichter en dat het de activiteit als zodanig omvat, ongeacht het doel of resultaat ervan.

Artikel 9.2 van de Richtlijn 2006/112/EG bepaalt dat: “Als „economische activiteit” wordt beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.”

Het criterium “duurzaam”, dat wil zeggen van de gebruikelijke aard, van de regelmatigheid van de handelingen, is een feitenkwestie. Het is aan eiseres, die beweert een belastingplichtige te zijn voor het fokken van dressuurpaarden, om aan te tonen dat zij hiervoor belastingplichtige is.

Aangezien de hoedanigheid van belastingplichtige een feitenkwestie is, is het niet voldoende voor eiseres om te verwijzen naar rechterlijke uitspraken die de aftrek hebben toegestaan zonder evenwel aan te tonen dat ook zij belastingplichtig is voor de gevraagde activiteit.

In onderhavige geval beroept eiseres zich op haar registratie als btw-plichtige vanaf 31 december 2007 voor paardenfokkerijactiviteiten en de wijziging van haar statuten. Zij betoogt dat zij vanaf dat tijdstip recht had op aftrek van btw over handelingen in verband met die activiteit, waarbij zij erop wijst dat het ontbreken van resultaten van de activiteit en de omvang van de omzet irrelevant zijn.

Zij voegt daaraan toe dat was voldaan aan de gebruikelijke aard van de activiteit op het gebied van paardendressuur, aangezien zij in het onderhavige geval in de loop van de twee onderzochte jaren vier paarden had verkocht. Dit zijn de enige feiten die de eiser heeft aangehaald.

Het klopt dat de paardenfokkerij een activiteit is die tijd en investeringen kan vergen. De veulens, eens aangekocht of wanneer ze geboren worden, moeten een aangepaste training en zorg krijgen vooraleer ze als “dressuurpaard” verkocht kunnen worden.

De kosten voor deze activiteit kunnen ruim voor de eerste verkoop zijn gemaakt, gezien de tijd die nodig is om de paarden voor te bereiden.

In het onderhavige geval moet echter worden vastgesteld dat, afgezien van de wijziging van de statuten van eiseres in 2007 en de verkoop van vier paarden tijdens de gecontroleerde periode, geen enkel objectief element door de eiseres is aangevoerd om de economische activiteit waarin deze verkopen plaatsvonden, te verklaren en te rechtvaardigen.

Eiseres rechtvaardigt dus niet onder welke omstandigheden de verkochte paarden werden verworven, noch of deze moesten worden voorbereid vóór hun verkoop, enkele jaren later. Zij verstrekt geen enkele bijzonderheid over het project dat zij in gedachten had toen zij begon met haar activiteiten in de paardenwereld en over de maatregelen die zij heeft genomen om dit project tot een goed einde te brengen.

Zoals de belastingadministratie in het proces-verbaal van 20 augustus 2008 heeft opgemerkt, zijn er geen activiteiten die verband hielden met het fokken van paarden, was er geen deelname aan wedstrijden om de paarden te promoten, was er geen specifieke reclame en was er geen gekwalificeerd personeel. De loutere verkoop van vier paarden is, bij gebreke aan ander relevant en objectief bewijsmateriaal, onvoldoende om het bestaan aan te tonen van een economische activiteit die voldoet aan de vereisten van artikel 4 van voornoemde WBTW.

Niets staat toe om te besluiten dat dat deze verkoop deel uitmaakte van de door eiseres aangevoerde economische activiteit.

De vordering is ongegrond.

- Inzake de andere goederen en diensten

De belastingadministratie heeft de aftrek van btw over bepaalde goederen en diensten die volgens hen door eiseres voor privédoeleinden waren gebruikt verworpen.

Eiseres klaagt aan dat verweerster deze verwerping niet heeft toegelicht in het proces-verbaal van bevindingen.

Uit het proces-verbaal blijkt echter dat de reden voor de verwerping duidelijk is vermeld, gezien het volgens de belastingadministratie gaat over privé-uitgaven.

Er wordt ook vermeld dat "de belastingplichtige het professionele karakter van bepaalde aankopen met een rechtstreeks en onmiddellijk verband met de economische activiteit niet heeft kunnen aantonen, hoewel deze privéaankopen het voorwerp uitmaakten van een volledige of gedeeltelijke aftrek van btw in de aankoopjournalen.". Het proces-verbaal bevat bovendien, in een tabel, elke betrokken post met het factuurnummer, de datum, de naam van de leverancier, de aard van de goederen en de maatstaf van heffing.

Eiseres kon dus niet onwetend zijn geweest van de klacht of de betrokken handelingen.

Het proces-verbaal is voldoende gemotiveerd. Eiseres beweert dus ten onrechte dat zij "niet in de gelegenheid was gesteld het tegendeel te bewijzen", dat wil zeggen aantonen dat de duidelijk opgesomde handelingen voor professionele doeleinden waren verricht.

Bovendien stelt verweerster dat de bewoordingen van de facturen duidelijk verwezen naar privé-uitgaven, zoals "kattenvoer, schoonmaken van de tuin, reparaties aan het zwembad, haarverzorgingsproducten", - of werd niet gespecificeerd - "diversen". Het is aan eiseres om aan te tonen dat deze verrichtingen verband houden met een economische activiteit waarvoor zij belastingplichtig is.

We moeten vaststellen dat eiseres geen enkel bewijs heeft geleverd.

Zij beperkt zich tot de uitleg dat het "hoofdzakelijk ging om het onderhoud van de omgeving, de tuin en de weiden van de (haar) maatschappelijke zetel" en "uitrusting voor de (haar) maatschappelijke zetel", wat in dit geval niet voldoende is gezien het pand ook de privéwoning van de zaakvoerder van eiseres is.

Er wordt geen verklaring gegeven met betrekking tot de "kosten van voer of strooisel voor katten en honden" of "haarverzorging" of "diverse" posten. Bovendien werden ook de uitgaven met betrekking tot de paardenfokkerij verworpen, omdat niet was aangetoond dat deze aan belasting waren onderworpen.

De fiscale administratie heeft de aftrek van btw met betrekking tot al deze handelingen dus terecht verworpen.

De vordering is ongegrond.

- Inzake de kosten met betrekking tot het gebouw

Het gebouw in kwestie is tevens de woning van de zaakvoerder van eiseres, evenals het hoofdkantoor van eiseres en twee andere verbonden vennootschappen.

Aangezien eiseres niet als belastingplichtige kan worden aangemerkt ten aanzien van de paardenfokkerijactiviteit, heeft de belastingadministratie terecht geoordeeld dat de loods en de stallen niet werden gebruikt voor de uitoefening van een beroepsactiviteit.

Met betrekking tot een ontvangsthal wees verweerder erop dat eiseres slechts twee klanten heeft, namelijk de verbonden ondernemingen waarin de zaakvoerder, de bewoner van het pand, actief was, wat door eiseres niet is betwist. Eiseres stelt dat in deze ontvangstruimte klanten werden ontvangen, maar heeft dit op geen enkele wijze aangetoond. Zij legt niet uit om wat voor soort klanten het gaat, aangezien eiseres een "vermogensbeheer " vennootschap is met slechts twee klanten, namelijk de twee andere verbonden vennootschappen. Het is aan eiseres om aan te tonen dat de ontvangstruimte daadwerkelijk wordt gebruikt voor haar professionele activiteit, evenals het gebruik van een tweede toilet - aangezien de beroepsaanwending van een van hen is toegewezen.

Hiervoor werd geen enkelbewijs geleverd en ook geen verklaring gegeven. De belastingadministratie heeft dus terecht de toegestane bedrijfsoppervlakte verlaagd tot 17% van de totale oppervlakte, aangezien de eiseres geen bewijs heeft verstrekt om het door hem gevorderde percentage van 66% te rechtvaardigen.

De vordering is ongegrond.

- Wat de boetes betreft

Eiseres vordert nietigverklaring en, subsidiair, vermindering van de haar opgelegde proportionele geldboete van 10%. De geldboete is opgelegd overeenkomstig artikel 70 WBTW en de Koninklijke Besluiten nr. 41 van 30 januari 1987 en nr. 44 van 9 juli 2012.

Eiseres heeft geen verzoekschrift ingediend overeenkomstig artikel 9 van het Regentbesluit van van 18 maart 1831.

Het staat niet aan de rechtbank om de wettelijk opgelegde boete te verminderen. Bovendien heeft eiseres de rechtsgrond van haar vordering niet uiteengezet.

De vordering is ongegrond

Opmerkingen

De tegenpartij heeft beroep aangetekend.

Tekst van het vonnis

Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Tekst van de beslissing

Tribunal de première instance du Hainaut Division Mons, Section civile, Trente-sixième chambre

Jugement du 24/11/2022

Rôle : RG 20/2149/A

En cause de

L. S. A. F. L. A., dont le siège est sis à ..., inscrite à la B.C.E. sous le numéro 047...90;

Demanderesse ;

Comparaissant à l'audience par son Conseil Maître C. W., loco Maître S. L., avocat, dont le cabinet est établi à ... ;

Contre :

L'ETAT BELGE, représenté par Monsieur le Ministre des Finances, rue de la Loi, 12 à 1000 BRUXELLES, poursuites et diligences du Conseiller Général, Directeur du Centre PME Mons, dont les bureaux sont sis à 7000 MONS, rue Mélina Mercouri, 1, Bloc 3 ;

Défendeur ;

Comparaissant à l'audience par, Mme X, Conseiller ;

Vu la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire dont il est fait application ; Le Tribunal prononce le jugement suivant :

 La requête contradictoire déposée le 5 octobre 2020 pour la S.A. F. l. A. ;

 La fixation de la cause sur base de l'article 747 du code judiciaire ;

 Les conclusions de synthèse déposées le 22 avril 2022 pour la S.A. F. l. A. ;

 Les conclusions de synthèse déposées le 4 juillet 2022 pour l'Etat Belge ;

 L'état de frais et dépens déposé à l'audience du 27 octobre 2022 pour la S.A. F. l. A. ;

Vu les dossiers de pièces déposés à l'audience du 27 octobre 2022 pour chacune des parties ;

Entendu les parties à l'audience du 27 octobre 2022 à laquelle les débats furent déclarés clos et la cause prise en délibéré.

I. Les faits pertinents et l'objet du litige

Le litige porte sur la dette TVA 500...92 à concurrence de 13.004, 97 EUR en principal, et 1.290,00 EUR d'amendes et intérêts.

La demanderesse est une société « de gestion de portefeuille » enregistrée à la TVA depuis le 1er juin 2003.

Le 31 décembre 2007, elle a étendu son objet social à une activité d'élevage de chevaux, équitation, établissement pour l'équestre et l'achat et la vente d'articles d'équitation.

Par suite d'un contrôle qui s'est tenu le 20 février 2018 au siège de la demanderesse, pour la période du 1er janvier 2015 au 30 juin 2017, un relevé de régularisation a été adressé le 28 mai 2018.

Malgré le désaccord de la demanderesse, un procès-verbal de régularisation a été notifié à la demanderesse le 20 août 2018.

La demanderesse a introduit un recours administratif le 18 octobre 2018, ainsi qu'une demande de conciliation.

Par décision du 16 juillet 2020, la taxation a été maintenue. La conciliation n'a pas abouti.

La requête judiciaire a ensuite été déposée le 5 octobre 2020.

La demanderesse sollicite :

- «A titre principal, annuler la contrainte TVA dans son intégralité et en ordonner le dégrèvement complet, amendes et intérêts compris ;

A titre subsidiaire, annuler et ordonner le dégrèvement des amendes infligées ;

- Condamner l'Etat Belge à la restitution des sommes indûment perçues, majorée des intérêts moratoires ;

- Condamner l'Etat Belge aux dépens, en ce compris l'indemnité de procédure et la contribution au Fonds d'aide juridique » ;

L'Etat Belge (ci-après, le défendeur) sollicite la confirmation de la dette TVA.

Il. Fondement

- Quant à l'activité d'élevage de chevaux ;

La demanderesse soutient qu'elle exerce une activité « d'élevage de chevaux de dressage » et a déduit la TVA sur les frais relatifs à cette activité, thèse que le défendeur conteste.

L'article 4, §1 du Code de la TVA (en abrégé, CTVA) dispose que :

§ 1er. Est un assujetti quiconque effectue, dans l'exercice d'une activité économique, d'une manière habituelle et indépendante, à titre principal ou à titre d'appoint, avec ou sans esprit de lucre, des livraisons de biens ou des prestations de services visées par le présent Code, quel que soit le lieu où s'exerce l'activité économique. (...) ».

La notion d'activité économique n'est pas définie dans le CTVA mais, comme le rappelle la demanderesse, il ressort des travaux parlementaires que sont visées toutes les activités, sans exception de producteur, commerçant ou prestataire de services et qu'est visée l'activité en tant que telle, indépendamment de son objectif ou de son résultat.

L'article 9.2 de la Directive 2006/112/CE dispose que :

« Est considérée comme « activité économique » toute activité de producteur, de commerçant ou de prestataire de services, y compris les activités extractives, agricoles et celles des professions libérales ou assimilées. Est en particulier considérée comme activité économique, l'exploitation d'un bien corporel ou incorporel en vue d'en tirer des recettes ayant un caractère de permanence ».

Le critère de permanence, c'est-à-dire du caractère habituel, de la régularité des opérations est une question à apprécier en fait.

Il appartient à la demanderesse, qui revendique la qualité d'assujetti pour une activité d'élevage de chevaux de dressage, de rapporter la preuve de son assujettissement.

Les parties se réfèrent chacune à des décisions des Cours et Tribunaux ayant tranché dans le sens de leur thèse respective.

Dès lors que la qualité d'assujetti est une question de fait, il n'est guère suffisant pour la demanderesse de s'en référer à des décisions ayant fait droit à la déduction sans démontrer qu'elle bénéficierait également de la qualité d'assujetti pour l'activité revendiquée.

En l'espèce, la demanderesse invoque son immatriculation à la TVA dès le 31 décembre 2007 pour des activités d'élevage de chevaux et la modification de ses statuts.

Elle soutient que dès cet instant, elle était légitime à déduire la TVA des opérations en lien avec cette activité, rappelant que le manque de résultat de l'activité et l'importance du chiffre d'affaires sont irrelevants.

Elle ajoute que le caractère habituel de l'activité de dressage de chevaux est rencontré dès lors qu'en l'espèce, sur deux années contrôlées, quatre chevaux ont été vendus par ses soins.

Il s'agit des seuls éléments de fait invoqués par la demanderesse.

Certes, une activité d'élevage de chevaux peut demander du temps et de l'investissement dès lors que les poulains, une fois achetés ou nés, doivent nécessairement bénéficier d'un dressage et de soins particuliers avant de pouvoir être revendus en qualité de « chevaux de dressage ».

Certes, les frais liés à cette activité peuvent avoir été exposés très en amont des premières ventes, vu la durée de préparation que nécessite les chevaux.

Mais force est de constater qu'en l'espèce, mise à part la modification des statuts de la demanderesse en 2007 et la vente de quatre chevaux au cours de la période contrôlée, aucun élément objectif n'est avancé par la demanderesse afin d'expliquer et justifier l'activité économique dans laquelle ces ventes se sont inscrites.

Ainsi, la demanderesse ne justifie pas les circonstances dans lesquelles les chevaux vendus ont été acquis, ni si ces derniers ont dû être préparés avant leur vente qui n'est intervenue que plusieurs années plus tard. Elle n'apporte aucune précision quant au projet qui était le sien à l'entame de son activité dans le milieu équestre et quant aux mesures qu'elle a prises pour mener ce projet à bien.

Comme l'a relevé l'administration fiscale dans le procès-verbal du 20 août 2008, il n'y a pas d'activités liées à la reproduction des chevaux, pas de participation à des concours pour faire connaître ces derniers, pas de publicité spécifique, pas de personnel qualifié...

La simple vente de quatre chevaux, à défaut d'autres éléments objectifs pertinents, est insuffisante pour démontrer l'existence d'une activité économique répondant au prescrit de l'article 4 du CTVA précité. Rien ne permet en effet de conclure que ces ventes se sont inscrites dans le cadre de l'activité économique vantée par la demanderesse.

La demande n'est pas fondée.

- Quant aux autres biens et services ;

L'administration fiscale a rejeté la déduction de la TVA liée à certains biens et services qu'elle a considéré comme réalisés à des fins privées par la demanderesse.

La demanderesse fait grief au défendeur de ne pas avoir expliqué ce rejet dans le procès-verbal de constatations.

Il ressort pourtant dudit procès-verbal que le motif du rejet est clairement exprimé puisqu'il s'agit, selon l'administration fiscale, de dépenses privées.

Il est en outre précisé que « le caractère professionnel en liaison directe et immédiate de certains achats avec l'activité économique n'a pu être démontré par l'assujettie bien que ces achats revêtant un caractère privé ait fait l'objet d'une déduction totale ou partielle de la TVA dans les journaux d'achats ».

Le procès-verbal reprend en outre, dans un tableau, chaque poste concerné, indiquant le numéro de la facture, la date, le nom du fournisseur, la nature du bien et la base d'imposition.

La demanderesse ne pouvait dès lors ni ignorer le grief formulé, ni les opérations concernées. Le procès-verbal est suffisamment motivé.

C'est dès lors à tort que la demanderesse soutient qu'elle a été privée de « la possibilité d'apporter la preuve contraire », c'est-à-dire que ces opérations clairement listées auraient été effectuées à des fins professionnelles.

Au surplus, le défendeur expose que le libellé des factures renvoyait clairement à des dépenses privées — « nourritures/litières chat, nettoyage jardin, réparation piscine, produits capillaires », - ou n'était pas précisé — « divers ».

Il appartient à la demanderesse de démontrer que ces opérations se rattachent à une activité économique pour laquelle elle est assujettie.

Force est de constater que la demanderesse n'apporte aucun élément probant à cet égard.

Elle se limite à expliquer qu'il « s'agit essentiellement d'entretien des abords, du jardin et des prairies du (de son) siège social » et « d'équipements du (de son) siège social », ce qui ne peut suffire en l'espèce, les lieux étant également l'habitation privée du gérant de la demanderesse.

Aucune explication n'est fournie quant aux « frais de nourriture ou litière pour chats et chiens » ou aux « soins capillaires » ou concernant les postes « divers ».

Au surplus, ont également été rejetés les frais relatifs à l'activité d'élevage de chevaux pour lequel l'assujettissement n'est pas démontré.

C'est dès lors à bon droit que l'administration fiscale a rejeté la déduction de la TVA liés à l'ensemble de ces opérations.

La demande n'est pas fondée.

- Quant aux frais liés à l'immeuble sis ... ;

L'immeuble dont question est l'habitation du gérant de la demanderesse, ainsi que le siège social de la demanderesse et de deux autres sociétés liées.

Dès lors que la demanderesse n'est pas assujettie dans le cadre d'une activité d'élevage de chevaux, c'est à bon droit que l'administration fiscale a considéré que le hangar et les écuries n'étaient pas affectés à l'exercice d'une activité professionnelle.

Concernant une salle de réception, le défendeur rappelle que la demanderesse n'a que deux clients, étant des sociétés liées dans laquelle le gérant, occupant des lieux, est actif, ce que la demanderesse ne conteste pas.

La demanderesse expose que des clients sont reçus dans cette salle de réception mais ne le démontre d'aucune manière. Elle n'expose en rien de quel type de clients il serait question, la demanderesse étant une société « de gestion de portefeuille » ayant deux seuls clients, soit les deux autres sociétés liées.

Il appartient à la demanderesse de démontrer que la salle de réception serait effectivement affectée à son activité professionnelle, de même que l'usage d'une seconde toilette — puisque l'affection professionnelle de l'une d'elle a été reconnue.

Aucun élément probant n'est rapporté à cet égard, ni aucune explication.

C'est dès lors à bon droit que l'administration fiscale a ramené la surface professionnelle admise à 17% de la surface totale, la demanderesse n'apportant aucun élément de nature à justifier le pourcentage à hauteur de 66% qu'elle revendique.

La demande n'est pas fondée.

- Quant aux amendes ;

La demanderesse sollicite l'annulation et à titre subsidiaire, la réduction de l'amende proportionnelle de 10% lui infligée.

L'amende a été infligée conformément à l'article 70, §§ 1 à 4 du CTVA et des arrêtés royaux 41 du 30 janvier 1987 et 44 du 9 juillet 2012.

La demanderesse n'a pas introduit un recours conformément à l'article 9 de l'arrêté du Régent du 18 mars 1831 qui dispose que :

« Le [Ministre des finances] statue sur les réclamations ayant pour objet la remise d'amendes et d'augmentations de droits à titre d'amendes, autres que celles prononcées par le juge, et arrête les transactions entre l'administration et les contribuables, dans les cas où elles sont autorisées par les lois »

Il n'appartient pas au Tribunal de céans de réduire l'amende légalement infligée.

La demanderesse n'expose d'ailleurs pas le fondement légal de sa demande.

La demande n'est pas fondée.

III. Dépens

La demanderesse succombe. Ses frais et dépens lui seront délaissés.

Le défendeur n'a pas droit à une indemnité de procédure, n'étant pas assisté d'un avocat.

Beschikkend gedeelte

PAR CES MOTIFS

Le tribunal,

Statuant contradictoirement et en premier ressort ;

Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire dont il a été fait application ;

Donnant acte aux parties de leurs dires, dénégations et réserves, rejetant toutes conclusions plus amples ou contraires ;

Reçoit la demande mais la dit non fondée ; En déboute la S.A. F. l. A. ;

Délaisse à la S.A. F. l. A. ses propres frais et dépens de l'instance, en ce compris la participation au Fonds d'aide juridique de seconde ligne d'ores et déjà payé par soins et liquidée à 20,00 EUR;

Constate que l'Etat Belge n'a pas droit à une indemnité de procédure n'étant pas assisté d'un conseil ;

Ainsi jugé et prononcé en langue française et en audience publique au Palais de justice de Mons, province de Hainaut, les jour, mois et an que dessus, par la trente-sixième chambre fiscale du tribunal susdit où siégeaient:

L. H., juge,

V. M. , greffier délégué.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 45 voorkomens
WBTW art. 452 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8