Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 19.06.2026 (24/344/A)
FIN 5490652401
Niet-aangegeven omzet – cap‑raadpleging - Recht op aftrek
Samenvatting
Niet beschikbaar
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen
Afdeling Antwerpen
Kamer AFi1 – Sectie burgerlijke rechtbank
Vonnis
19.06.2026
24/344/A
Inzake:
S.M.G.
wonende te ..., RRN: ...
eiser
- persoonlijk aanwezig ter zitting en bijgestaan door meester Joke Brabants, advocaat, met kantoor te 2000 Antwerpen, Léon Stynenstraat 75 C,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (AABBI), BBI 5de directie, met correspondentieadres: 9050 Ledebera, Gaston Crommenlaan 6 bus 805, KBO: 0308.357.159
verweerder
- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw Carine Dossche, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
•het tussenvonnis van 16 januari 2026 van de AFi1 kamer van deze rechtbank,
•de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 22 mei 2026.
1. Feiten en procedurele voorgaanden
Huidige betwisting betreft de btw-schuld in hoofde van cie1 (periode 1 juli 2020 tot en met 31 december 2021) met schuldnummer 500.2538.79183 opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 30 mei 2022 met nummer 202205NL024 en uitvoerbaar verklaard op 2 juni 2022.
De rechtbank verwijst voor de feiten en de procedurele voorgaanden naar het tussenvonnis van 16 januari 2026.
Bij tussenvonnis van 16 januari 2026 werd de vordering van eiser ontvankelijk verklaard en werden de debatten heropend teneinde verweerder toe te laten het volledig administratief dossier bij te brengen en partijen toe te laten standpunt in te nemen over de mogelijkheid van de rechtbank om de btw‑boete van 200% te matigen in het licht van het recente arrest van het Hof van Cassatie van 25 april 2025 (F.22.0162.N-F.22.0166.N).
2. Vorderingen van partijen na de heropening van de debatten
Eiser verzoekt de rechtbank:
•alvorens recht te doen, de wering uit de debatten te bevelen van de rekeninguittreksels dewelke verweerder van de financiële instellingen cie2, cie3 en cie4 heeft verkregen, minstens de wering uit de debatten te bevelen van de rekeninguittreksels van cie3;
•vervolgens de vordering van eiser gegrond te verklaren en dienvolgens:
•voor recht te zeggen dat de btw‑schuld met artikel 500.253.879.183 niet verschuldigd is;
•het innings- en invorderingsbericht van 2 juni 2022 met kenmerk 500.2538.79183 te vernietigen;
•teruggave te bevelen van de bedragen die door eiser ten onrechte zouden zijn betaald en/of door de belastingadministratie ten onrechte werden ingehouden, vermeerderd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 WBTW;
•verweerder te verwijzen in de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 23.546,51 euro en de bijdrage voor het fonds van Juridische Tweedelijnsbijstand van 24,00 euro.
Verweerder verzoekt de rechtbank de vordering van eiser ongegrond te verklaren en eiser te veroordelen tot de kosten van het geding.
3. Ontvankelijkheid
Over de ontvankelijkheid van de vordering van eiser werd reeds geoordeeld in het tussenvonnis.
4. Beoordeling
4.1. Schending van artikel 62bis, tweede lid WIB92
Artikel 62bis, tweede lid WIB92 luidt als volgt:
"De ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde met ten minste de graad van adviseur-generaal hebben de machtiging om, wanneer de administratie over een of meer aanwijzingen van belastingontduiking beschikt, de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens over een schuldenaar op te vragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België.
De in het vorige lid vermelde machtiging wordt slechts verleend als alle andere wettelijke middelen voor het bekomen van de gewenste inlichtingen of informatie, behoudens het visitatierecht voorzien in artikel 63 uitgeput zijn en na de bevraging van de schuldenaar. Bij die bevraging wordt aan de schuldenaar meegedeeld dat bij gebreke aan antwoord het in het tweede lid bedoelde contactpunt zal worden geraadpleegd.
De raadpleging van het in het tweede lid bedoeld centraal aanspreekpunt gebeurt volgens de nadere regels in toepassing van artikel 322, § 3, derde lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992."
De raadpleging van het CAP (centraal aanspreekpunt) is aldus onderworpen aan strikte voorwaarden:
•enkel een ambtenaar met minstens de graad van adviseur‑generaal is gemachtigd om gegevens op te vragen bij het CAP;
•er moet voorafgaand aan de consultatie van het CAP een vraag om inlichtingen verstuurd zijn aan de belastingplichtige waarin de expliciete vermelding dient opgenomen te zijn dat een raadpleging van het CAP zal gebeuren bij geen of een onvolledig antwoord, dewelke niet of onvoldoende beantwoord is gebleven;
•er moeten één of meerdere aanwijzingen van belastingontduiking zijn in hoofde van de belastingplichtige.
Eiser voert aan dat de administratie artikel 62bis, tweede lid WIB92 heeft geschonden. Vooreerst zijn er onvoldoende aanwijzingen van belastingontduiking om een raadpleging van het CAP te rechtvaardigen. Daarnaast wordt niet aangetoond dat de raadpleging door het CAP gebeurde door een persoon met tenminste de graad van adviseur‑generaal.
Het verslag dat op 28 januari 2022 werd ingediend door de controlerend ambtenaar teneinde een consultatie van het CAP te verantwoorden bevat volgende motivatie (stuk 8 AD):
"De Belgische onderneming cie1 (...) wordt gecontroleerd in het kader van mogelijke betrokkenheid in btw‑(carrousel)fraude.
Er werden facturen teruggevonden van cie1 naar de onderneming cie5 voor meer dan 160.000,00 euro, voor onder andere schoonmaak.
Uit gegevens in het bezit van onze dienst blijkt ook dat cie1 voor bijna 600.000 euro geld heeft overgeschreven naar de frauduleuze onderneming cie6
Ondanks deze facturen en geldstromen, beschikt cie1 niet over een geactiveerd btw‑nummer (enkel een ondernemingsnummer). Er werden dus ook nooit btw‑aangiften ingediend door of namens cie1.
Op een aangekondigde controle was niemand aanwezig. De onderneming cie1 blijkt niet (meer) gevestigd te zijn op het adres van maatschappelijke zetel te .... cie1 beschikt niet meer over een gekend adres.
Er is geen gekende boekhouder. Er is geen spoor van de boekhouding.
Aangezien er indiciën zijn dat bovengenoemde belastingplichtige zich schuldig maakt aan inbreuken op de fiscale wetgeving, is het aangewezen een volledig overzicht van alle bestaande bankrekeningen te verkrijgen van cie1 om alle inkomsten en uitgaven te kunnen controleren."
De rechtbank is van oordeel dat er in het verslag wel degelijk meerdere aanwijzingen van belastingontduiking in hoofde van cie1 werden geformuleerd. Zo maakt het verslag melding van:
•inlichtingen bekomen uit fiscale onderzoeken bij andere vennootschappen waaruit blijkt dat de cie1 facturen heeft uitgereikt voor o.a. schoonmaak en voor een aanzienlijk bedrag betalingen heeft ontvangen;
•het gegeven dat cie1 evenwel niet voor btw‑doeleinden werd geregistreerd en ook geen btw‑aangiftes heeft ingediend;
•het gegeven dat cie1 niet op het adres van haar maatschappelijke zetel kon worden aangetroffen en er verder geen gekend adres was; evenmin was er enig spoor van een boekhouding.
Deze aanwijzingen zijn in tegenstelling tot wat eiser aanvoert ook voldoende nauwkeurig omschreven en specifiek.
Verder blijkt uit het geheel van de voorliggende gegevens van het dossier dat het verslag door de controlerend ambtenaar op 28 januari 2022 werd gericht aan Ann Deconinck, adviseur‑generaal van de 5e Directie van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, waarna deze via een digitale toepassing het CAP heeft geraadpleegd. Na deze raadpleging werden de resultaten (via het secretariaat van de 5e Directie van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie) diezelfde dag nog bezorgd aan de taxatieambtenaar (stuk 9 AD). De rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat de raadpleging van het CAP niet conform de bepalingen ter zake zou zijn gebeurd.
De rechtbank besluit dan ook dat er geen schending van artikel 62bis, tweede lid WIB92 kan worden vastgesteld.
Gelet op het voorgaande is er geen reden om de rekeninguittreksels die de administratie bekomen heeft aan de hand van het bankonderzoek uit de debatten te weren. Wat de rekeninguittreksels van cie3 betreft dient overigens bijkomend opgemerkt te worden dat de administratie deze niet heeft aangewend voor de bepaling van de na te vorderen belasting.
4.2. Belastbare handelingen
Eiser voert verder aan dat de administratie niet bewijst dat cie1 tijdens de betrokken periode belastbare handelingen heeft gesteld. Eiser was in de veronderstelling dat cie1 een slapende vennootschap betrof die tijdens haar korte bestaan nooit enige activiteiten heeft ontplooid. De (vermoedelijk vervalste) facturen en de geldstromen die zouden blijken uit de rekeninguittreksels vormen volgens eiser geen overtuigend bewijs van het tegendeel.
Artikel 4, §1 WBTW bepaalt dat als belastingplichtige wordt beschouwd 'eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend'.
De rechtbank is van oordeel dat de administratie wel degelijk op afdoende wijze heeft aangetoond dat de vennootschap cie1 belastbare handelingen stelde in de gecontroleerde periode van 1 juli 2020 t.e.m. 31 december 2021 die niet werden aangegeven in de btw‑aangiftes:
•uit de fiscale controle bij de vennootschap cie5 bleek dat facturen op naam van cie1 in de boekhouding van cie5 werden opgenomen voor o.a. schoonmaak, gyprocwerken ed. voor een totaal bedrag van 160.000,00 euro (stukken 2 en 37 AD);
•uit de fiscale controle bij de vennootschap cie6 bleek dat er overschrijvingen hadden plaatsgevonden naar de rekening van cie1 voor een totaal bedrag van 600.000,00 euro (stuk 1 AD);
•uit het gevoerde bankonderzoek bleek dat er in de periode van 9 september 2020 t.e.m. 17 december 2021 een totaal bedrag van 2.069.455,03 euro werd overgeschreven door Belgische ondernemingen en particulieren naar de bankrekeningen van cie1 bij cie4 en cie2. De mededelingen op de Cie4‑bankrekening verwijzen naar facturen, orders ed., wat duidelijk wijst op de uitoefening van een economische activiteit.
De administratie heeft dan ook terecht geoordeeld dat er sprake was van een economische activiteit in de zin van artikel 4, §1 WBTW in hoofde van cie1 en dat cie1 als een btw‑plichtige diende te worden beschouwd. De inkomende verrichtingen op de bankrekeningen van cie1 werden ten onrechte niet aangegeven en de daarop verschuldigde btw, zijnde 359.161,62 euro, werd niet afgedragen door cie1.
4.3. Schending van het Unierecht, het neutraliteitsbeginsel en het verbod op arbitrair overheidshandelen
Eiser meent dat de administratie het Unierecht, het neutraliteitsbeginsel en het verbod op arbitrair overheidshandelen heeft geschonden door geen rekening te houden met de uitgaande verrichtingen op de bankrekeningen ten belope van in totaal 1.974.873,69 euro.
Overeenkomstig artikel 45, § 1, WBTW, mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
De bewijslast van het bestaan van een recht op aftrek berust bij de belastingplichtige. Het is derhalve de belastingplichtige die moet bewijzen dat hij in de wettelijke omstandigheden verkeert om dit recht op aftrek te mogen uitoefenen.
Gelet op het gegeven dat er op het moment van de controle en taxatie geen boekhouding beschikbaar was is het geenszins willekeurig van de administratie om enkel de inkomende verrichtingen, waar bovendien in de mededelingen verwezen wordt naar facturen, orders ed., als belastbare verrichtingen te beschouwen en geen rekening te houden met de uitgaande verrichtingen, waar aldus niet het minste bewijs van werd bijgebracht. Ook tijdens de gerechtelijke procedure wordt geen enkel verantwoordingsstuk bijgebracht, zodat niet wordt aangetoond dat er enig recht op aftrek was in hoofde van de vennootschap voor de betrokken periode. Het loutere gegeven dat er uitgaande verrichtingen waren is uiteraard geenszins voldoende om deze verrichtingen als beroepsmatig te beschouwen.
Nu geenszins wordt aangetoond dat aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek is voldaan, is de verdere argumentatie van partijen aangaande het beginsel ‘fraus omnia corrumpit' en het neutraliteitsbeginsel dan ook niet ter zake dienend.
4.4. Btw‑boete
De administratie heeft op grond van artikel 70, §1 WBTW een geldboete van 200% opgelegd. De administratie hield rekening met volgende elementen om te oordelen dat de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken (zie proces-verbaal van taxatie van 12 april 2022 – stuk 18 AD):
•het ernstig in gebreke zijn op fiscaal en administratief vlak, waaronder het niet beschikken over een actief btw‑nummer;
•het niet aangeven van belastbare handelingen;
•de omvang van de overtredingen, gelet op de bedragen in kwestie en de relatief korte
•tijdspanne waarin de transacties plaatsvonden;
•het gebrek aan gekende boekhouder;
•de spoorloosheid van de boekhouding;
•het niet aanwezig zijn op een aangekondigde controle;
•het gebrek aan gekend adres.
Volgens eiser staat de boete van 200% geenszins in redelijke verhouding tot de begane overtreding.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, zoals de administratieve geldboetes van 200% opgelegd op grond van artikel 70, §1 WBTW, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen (zie ook Cass. 24 maart 2023, F.21.0056.N, www.juportal.be).
Het Hof van Cassatie oordeelde dat het de rechter niet is toegestaan om de boete in toepassing van artikel 6.1 EVRM te verminderen tot beneden het wettelijk tarief van 200% van de verschuldigde belasting buiten de context van een beroep tegen de beslissing van de minister of zijn gedelegeerde over een verzoek tot kwijtschelding met toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit van 1831 (Cass. 25 april 2025, F.22.0162.N en F.22.0166.N). In huidige zaak werd geen verzoek tot kwijtschelding zoals bedoeld in artikel 9 van het Regentsbesluit ingediend zodat het de rechtbank niet zou zijn toegestaan om met volle rechtsmacht te beoordelen of de toepassing van de boete van 200% in deze evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken. Verweerder sluit zich aan bij voormeld arrest van het Hof van Cassatie.
Ter zitting werd door de rechtbank gewezen op het recente arrest van het Hof van Cassatie van 12 februari 2026 (F.24.0026.N) waarin het Hof oordeelde dat de fiscale rechter een btw-geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan verminderen tot beneden de in het KB nr. 41 bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak. Partijen hebben ter zitting standpunt kunnen innemen. Verweerder is van mening dat het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel enkel zou kunnen spelen in het geval er toepassing werd gemaakt van de schalen zoals voorzien in het KB nr. 41, wat in huidig dossier niet het geval is.
Niettegenstaande de rechtbank van oordeel is dat ook in situaties zoals in deze, waarbij een btw‑boete van 200% wordt opgelegd, op grond van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel een evenredigheidstoets mogelijk is, zijn er in huidig dossier geen gronden om vast te stellen dat de btw‑boete van 200% onevenredig is met de aard en de ernst van de inbreuken, waarbij over een periode van meer dan een jaar voor aanzienlijke bedragen de verschuldigde btw niet werd aangegeven. Eiser motiveert ook niet waarom de boete van 200% onredelijk zou zijn. Enkel de omvang van de geldboete, die recht evenredig is met de ten onrechte niet aangegeven btw, maakt deze op zich niet buitensporig.
De rechtbank ziet in deze dan ook geen enkele reden om de geldboete van 200% kwijt te schelden dan wel te verminderen.
De vordering van eiser dient derhalve te worden afgewezen als ongegrond.
5. Kosten van het geding
Eiser dient als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.
Aangezien verweerder niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman, dient er geen rechtsplegingsvergoeding te worden bepaald.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Het tussenvonnis van 16 januari 2026 verder uitwerkend.
Verklaart de vordering van eiser ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.
Verklaart de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door eiser, definitief verworven voor het fonds.
Dit vonnis werd uitgesproken op negentien juni tweeduizend zesentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit:
M. Declerck, rechter
N. Daneels, griffier
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.