Levering van goederen, werkingssfeer, belastbare handeling, belastbaar feit · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 17 september 2008

Zoeken

Levering van goederen, werkingssfeer, belastbare handeling, belastbaar feitBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/levering-goederen-werkingssfeer-belastbare-handeling-rechtbank-hasselt-2008-09-17-0643

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
17 september 2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

84 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 17.09.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLDKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG. ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE AR nr. 06/1660/A

D. P., thans wonende te …, …

eiser,

vertegenwoordigd door Mr. B. S., advocaat te …, …,

tegen :

ONTVANGER 2de BTW-KANTOOR HASSELT, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43,

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel,

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. Chr. B. loco Mr. F. R., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het exploot van gerechtsdeurwaarder A. S. te … van 16.01.1996, inhoudende het verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd door J. S., ontvanger van het tweede ontvangkantoor van de BTW te Hasselt op 07.11.1995, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 09.11.1995 door L. H., hoofdcontroleur van het BTW-ontvangkantoor te Maaseik, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt;

- de besluiten, synthesebesluiten en stukken van verweerder;

- de besluiten en stukken van eiser.


I. FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiser is geregistreerd· als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) met als economische activiteit van handelaar in fietsen, tweedehands autovoertuigen, grasmaaiers en diverse "partij-goederen" en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Na voorafgaande verwittiging heeft L. H., hoofdcontroleur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen op 20.12.1994, 04.01.1995 en 23.01.1995 een controle doorgevoerd teneinde de toepassing van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten na te gaan met betrekking tot de periode van 01.01.1991 tot en met 30.09.1994.

De controle behelsde onder meer uitgaande handelingen van eiser, meer bepaald verkopen aan M., N. en DLX gevestigd in Nederland. Eiser paste op deze verkopen de vrijstelling van de Belgische BTW wegens intracommunautaire leveringen toe (art. 39bis W.BTW).

Bij de controle stelde de Administratie dat de voorwaarden tot het bekomen van voornoemde vrijstelling niet waren voldaan, en meer bepaald de vereisten van artikel 1 en 3 van het KB nr. 52 van 29.12.1992. De controleambtenaar stelde dat er geen bewijs werd geleverd van de echtheid van het vervoer of van de verzending van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap, met name Nederland.

Tevens stelde de controleambtenaar inbreuken op de aftrekregeling vasten verwierp hij de aftrek van een bedrag van 195.000 BEF (thans 4.833,92 euro) aan BTW m.b.t. de aankoop van goederen bij M. C..

Deze vaststellingen leidden tot een proces-verbaal van 25.10.1995 waarin gesteld werd dat eiser de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- 3.227.774 BEF (thans 80.014,43 euro) BTW

- 322.000 BEF (thans 7.982,17 euro) geldboete in toepassing van artikel 70, § 1 en 1bis W.BTW verminderd en afgerond overeenkomstig art. 1 van KB nr. 41 van 30.01.1987 (tabel B en tabel G, afdeling 1, punt VII) en verhoogd met 50 % ingeval van kennisgeving of betekening van het dwangbevel beoogd in art. 2 van KB nr. 41 van 30.01.1987 nl. tot 483.000 BEF (11.973,26 euro).

- wettelijke intresten overeenkomstig artikel 91, § 1 van het W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21.04.1994 over de som van 3.227.000 BEF (thans 79.995,24 euro) (zie stuk 1, bundel verweerder).

Bij gebrek aan betaling werd op 07.11.1995 lastens eiser een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 25.10.1995. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 09.11.1995 (zie stuk 2, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van artikel 91, § 4 W.BTW alsmede de vervolgingskosten.

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder A. S. te … van 16.01.1996 werd door eiser bij deze rechtbank verzet aangetekend tegen het dwangbevel van 07.11.1995.

ll. BEOORDELING

1. Ontvankeliikheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

2.1. Artikel 39bis W.BTW en KB nr. 52 van 29.12.1992

In toepassing van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW draagt eiser de bewijslast dat hij de voorwaarden vervulde om de geleverde goederen aan afnemers gevestigd in Nederland, te factureren met ,vrijstelling van Belgische BTW in het kader van intracommunautaire leveringen.

Artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW stelt immers dat van de belasting zijn vrijgesteld :

"de leveringen van goederen door de verkoper andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, (...)"

Art. 39bis, tweede lid W.BTW heeft aan de Koning opgelegd de beperkingen en voorwaarden te bepalen die voor de toepassing van deze vrijstelling moeten worden nageleefd, hetgeen Hij deed bij KB nr. 52 van 29.12.1992.

Overeenkomstig voornoemd KB nr. 52 is de vrijstelling van art. 39bis, eerste lid, 1° W.BTW afhankelijk van de volgende voorwaarden :

- de goederen moeten geleverd worden door de verkoper;

- het bewijs dient geleverd te worden dat de goederen verzonden of vervoerd zijn, buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1), en de verkoper, in casu eiser, moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; die stukken zijn ondermeer de contracten, de bestelbons, de vervoersdocumenten en de betalingsstukken (artikel 3);

- het bewijs dient geleverd te worden dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of voor een niet belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat (artikel 2).

Eiser, die zich beroept op de vrijstelling, dient een dubbel bewijs te leveren, enerzijds dat de goederen die het voorwerp vormen van de beweerde intracommunautaire levering (ingevolge verkoop), het Belgische grondgebied hebben verlaten en aangekomen zijn op het grondgebied van een andere lidstaat, en anderzijds dat de levering is geschied voor een belastingplichtige die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

Verweerder werpt in besluiten niets op aangaande het tweede deel van het bewijs met name dat de levering is geschied voor en belastingplichtige die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere lidstaat.

Verweerder betwist wel dat aan de eerste bewijsvoorwaarde is voldaan, met name dat is aangetoond dat de goederen werkelijk door de afnemer of voor zijn rekening vanuit België zijn verzonden of vervoerd naar Nederland.

Krachtens artikel 3 van het KB nr. 52 van 29.12.1992 is de bewijsvoering vrij, in die zin dat alle nuttige documenten "waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer blijkt" voor de invulling van de bewijslast in aanmerking komen.

De BTW-administratie moet zich door middel van een sluitend geheel van bewijs elementen kunnen vergewissen van het feit dat de goederen werkelijk het grondgebied hebben verlaten en zijn aangekomen in een andere lidstaat.

Van een schending door art. 39bis W.BTW en door KB nr. 52 van art. 28quater, A, a) van de Zesde BTW-richtlijn kan geen sprake zijn, nu deze supranationale regel

België als Lidstaat precies toelaat om de voorwaarden vast te stellen teneinde een juiste en eenvoudige toepassing te verzekeren van de vrijstellingen inzake intracommunautaire leveringen.

Men kan geenszins stellen dat de vereisten die krachtens art. 39bis W.BTW zijn uitgewerkt in KB nr. 52 te strikt zouden zijn, zeker niet in verhouding tot het belang van de vrijstelling. De voorwaarden die worden opgelegd zijn essentiële controlevereisten zonder dewelke de vrijstellingsregel dode letter zou worden. De wijze waarop het gevraagde bewijs beoordeeld wordt, valt onder de toepassing van de regelgeving, doch houdt niet in dat de regelgeving op zich strijdig is met de richtlijn.

De naar Belgische wetgeving verlangde bewijsinvulling is niet onmogelijk.

In het proces-verbaal van 25.10.1995 staat te lezen dat de controleambtenaar vaststelde dat buiten de verkoopfacturen gericht aan de Nederlandse firma's, geen andere stukken konden worden voorgelegd die de echtheid van verzending of vervoer ernstig doen geloven zoals daar zijn contracten, bestelbons, vervoersdocumenten en betalingsstukken.

De rechtbank stelt vast dat eiser thans de volgende documenten voorlegt waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van· de goederen zou dienen te blijken :

- een ongedateerd attest van DLX Telecom waarbij gesteld wordt dat de door eiser verkochte goederen wel degelijk zijn ontvangen en België verlaten hebben (zie stuk 6, bundel eiser);

- een ongedateerde verklaring van H. N. waarbij gesteld wordt dat de goederen aangekocht bij D. in België ter bestemming Nederland door hem zijn vervoerd en verhandeld zijn in Nederland (zie stuk 7, bundel eiser);

- twee ongedateerde voorgedrukte verklaringen ingevuld door H. M. die attesteert dat de goederen door de verkoper vervoerd zijn naar …, Nederland, (zie stukken 8 a en b, bundel eiser).

De rechtbank is van oordeel dat de overlegde stukken geenszins kunnen beschouwd worden als een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken die aantonen dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Eiser faalt in de aan hem opgelegde bewijslast.

Derhalve moet worden vastgesteld dat de door eiser verrichte leveringen, leveringen op het grondgebied van België zijn, zodat verweerder terecht krachtens art. 15, § 2 W.BTW daarover de BTW heeft gevorderd en de door eiser ingeroepen vrijstelling heeft verworpen.

2.2. Inzake het recht op aftrek

In toepassing van artikel 45, § 1 W.BTW waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen : de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten bestemd voor zijn economische activiteit.

Opdat een belastingplichtige de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten zou mogen aftrekken, moet :

- in toepassing van artikel 2 van het KB nr. 3 van 10.12.1969 het recht op aftrek van die belasting ontstaan zijn en ontstaat dit recht op aftrek op de datum waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens de artikelen 17 en 22 W.BTW;

- in toepassing van artikel 3, § 1 van het KB nr. 3 van 10.12.1969 de belastingplichtige in het bezit zijn van een door zijn leverancier of dienstverrichter uitgereikte regelmatige factuur waarop hem inzonderheid de opeisbare belasting afzonderlijk wordt in rekening gebracht.

Verweerder houdt voor dat eiser niet over geldige documenten beschikte om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen nu hij geen overeenstemmende factuur kan voorleggen met betrekking tot de aankoop van goederen bij M. C. voor een netto-bedrag van 1.000.000 BEF (thans 25.000,00 euro), over welke maatstaf BTW t.b.v. 195.000 BEF (thans 4.834,00 euro) in aftrek werd gebracht.

Eiser gedraagt zich wat dit punt betreft naar de wijsheid van de rechtbank.

Bij gebreke aan een formeel regelmatige factuur, werd het recht van aftrek terecht verworpen door verweerder.

De vordering van eiser is derhalve ongegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt de wettigheid van de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist.

Deze vordering is niet in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om afte wijken van het basisbedrag.


Gelet op de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN:

DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, begroot aan de zijde van eiser op 245,94 euro dagvaardingskosten en aan de zijde van verweerder op 1.200,00 euro rechtsplegingvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de elfde kamer A, op 17 SEPTEMBER 2008, alwaar aanwezig waren ;

mevrouw M. C., enige rechter en

mevrouw M. L., griffier.

M. L. M. C.

Aangehaalde teksten

7

Vergelijkbare beslissingen

8