Invoering van de belasting, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 27 april 2004

Zoeken

Invoering van de belasting, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/invoering-belasting-bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-hof-van-beroep-gent-2004-04-27-8c0b

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
27 april 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

78 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 27.04.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van Beroep te Gent - 5de kamer

Nr. 2002/AR/780

in de zaak van :

wonende te …, …

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. A. loco mr. C. L., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen. vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kantoren zijn gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op vervolging van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30, die keuze·van woonplaats doet bij zijn ambtsgenoot te 8000 Brugge, G.Vincke-Dujardinstraat 4,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. K. loco mr. D. S. L., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

l.

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 7.3.2000 dagvaardde de appellant de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, teneinde uitspraak te horen doen over het verzet van de appellant tegen het dwangbevel (RCIV nr. 299.0715.11052) uitgevaardigd door L. B., eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30, op 18.1.2000, en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9.2.2000 door R D., directeur bij een fiscaal bestuur te Brugge, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge.

In dit dwangbevel wordt als verschuldigd door de appellant opgenomen een bedrag van … BEF (thans … EUR) aan BTW, een boete van … BEF (thans … EUR) krachtens artikel 70, § 1 BTW-wetboek, hetzij in totaal … BEF (thans … EUR), meer intresten en vervolgingskosten.

Voor de eerste rechter vorderde de appellant :

“

Het verzet en de daaruit volgende vordering van concluant (d.i. de appellant) ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Te zeggen voor recht dat concluant (d.i. de appellant) de in het dwangbevel bepaalde BTW niet verschuldigd is aan verweerster (d.i. de geïntimeerde);

Dienvolgens concluant (d.i. de appellant) opheffing te verlenen van de door verweerster (d.i. de geïntimeerde) gevestigde aanslag van BTW;

Dienovereenkomstig te zeggen voor recht dat concluant (d.i. de appellant) geen enkele overtreding heeft begaan op de bepalingen van het BTW-wetboek en dat concluant (d.i. de appellant) dan ook geen administratieve geldboete, noch enige moratoire of nalatigheidsinteresten verschuldigd is aan verweerster (d.i. de geïntimeerde);

Verweerster (d.i. de geïntimeerde) te veroordelen tot de kosten des gedings…”.

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, van 10.12.2001 werd het verzet ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de appellant veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 5.4.2002 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellant er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De appellant vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en tevens :

"

Het oorspronkelijk verzet en de daaruit volgende vorderingen van verzoeker (d.i. de appellant) ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Te zeggen voor recht dat verzoeker (d.i. de appellant) de in het dwangbevel bepaalde BTW niet verschuldigd is aan geïntimeerde;

Dienvolgens verzoeker (d.i. de appellant) opheffing te verlenen van de door geïntimeerde gevestigde aanslag van BTW;

Dienovereenkomstig te zeggen voor recht dat verzoeker (d.i. de appellant) geen enkele overtreding heeft begaan op de bepalingen van het BTW-wetboek en dat verzoeker (d.i. de appellant) dan ook geen administratieve geldboete, noch enige nalatigheids- of moratoire intresten verschuldigd is aan geïntimeerde;

Ondergeschikt, minstens de maatstaf van heffing van de BTW, zoals weerhouden in het proces-verbaal en het dwangbevel, te herleiden naar een bedrag van EUR … of … BEF);

Uiterst ondergeschikt, aan verzoeker (d.i. de appellant) opheffing te verlenen van de aan hem opgelegde administratieve geldboete en te zeggen voor recht dat de fiscale nalatigheidsintresten slechts kunnen worden aangerekend vanaf 15 februari 2000;

Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding …”.

De geïntimeerde vordert dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard.

2. Krachtens artikel 59, § 1 tweede lid BTW-wetboek leveren de processen-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen. Toegepast op het proces-verbaal dd. 24.11.1997 (stuk 1 van de geïntimeerde) houdt dit onder meer in dat bewezen is, tot het bewijs van het tegendeel, dat de appellant volgende verklaring heeft afgelegd :

“

Ik heb de boot in Gent, waar ze zich bevond ter gelegenheid van de beurs E., in ontvangst genomen en heb ze langs het kanaal Gent-Oostende naar Brugge gebracht. De waarde van mijn boot J., die ik aan "L. B. I." heb overgelaten bij de aankoop is … BEF (noot van het Hof : thans … EUR). Ik zal u per fax een afschrift van voormelde verkoopovereenkomst, van de betalingsstukken en van het document opgesteld betreffende de verkoop van het tweedehandse vaartuig J. bezorgen."

Volgens deze verklaring van de appellant werd de boot hem geleverd in Gent, d.i. in België zodat deze levering aan de Belgische BTW onderworpen is (artikel 2 BTW-wetboek).

De appellant toont noch aan dat de verbalisant zijn verklaring niet heeft geacteerd zoals deze werd afgelegd (volgens de stelling van de appellant werden zijn woorden verdraaid) noch dat deze verklaring geen juiste weergave is van de feiten.

De appellant betwist niet dat hij de boot gezien heeft ter gelegenheid van de E.-beurs te Gent op 16.2.1996, en toen de initiële verkoopovereekomst van die datum heeft gesloten (zie het verzoekschrift hoger beroep, p. 6, cijfer b; zie over de inhoud van deze verkoopovereenkomst het proces-verbaal dd. 24.11.1997, stuk 1 van de geïntimeerde). Volgens de appellant werd de boot echter toen niet echt gekocht, maar werd hij door de verkoper terug naar het Groothertogdom Luxemburg gebracht. Steeds volgens de appellant heeft hij nadien zelf rechtstreeks contact genomen met de verkoper en werd einde maart/begin april een nieuwe verkoopovereenkomst gesloten zoals die blijkt onder meer uit de factuur·nr. 96/07 dd. 1.4.1996 (stuk 1 van de appellant), waarna de boot werd geleverd vanuit Luxemburg en door tussenkomst van een Nederlandse transporteur naar een Gentse jachthaven gebracht. Volgens de appellant heeft hij ook zijn vorige boot niet overgelaten aan de verkoper L. B. I. zoals voorzien in de oorspronkelijke verkoopovereenkomst van 16.2.1996, maar heeft hij die zelf doorverkocht aan een particulier.

Deze niet bewezen beweringen van de appellant zijn niet van aard de inhoud van zijn oorspronkelijke verklaring te weerleggen.

De oorspronkelijke verkoopovereenkomst van 16.2.1996 wordt niet voorgelegd. Hoewel volgens de thans gehuldigde stelling van de appellant deze overeenkomst niet slaat op de werkelijke verkoop heeft de appellant dit stuk bij de BTW-controle voorgelegd. De inhoud ervan werd weliswaar opgenomen in het proces-verbaal, maar de appellant heeft - hoewel hij verklaarde dat hij er een afschrift van zou faxen aan de controlerende ambtenaar - dit stuk na het bezoek van deze ambtenaar volgens zijn mededeling aan de verbalisant niet langer bewaard {zie het proces-verbaal van 24.11.1997).

Volgens de in het proces-verbaal opgenomen inhoud van de verkoopovereenkomst van 16.2.1996 werd de overeenkomst afgesloten op de E.-beurs te Gent De koop werd gesloten mits overname van de boot J. 31 O. 1991 van de appellant en een opleg van … BEF (thans … EUR). Met de hand werd geschreven "BTW inbegrepen".

Volgens de door de appellant voorgelegde factuur en uitvoerige betalingsbewijzen (stukken 1 tot en met 4 van de appellant) betaalde hij begin april 1996 voor zijn nieuwe boot … BEF (thans … EUR). d.i. … BEF (thans … EUR) prijs … BEF (thans … EUR) bemiddelingscommissie, … BEF (thans … EUR) (Luxemburgse) BTW.

Hoewel volgens de stelling van de appellant hij zelf zijn vorige boot verkocht aan een particulier, en deze boot een waarde had van … BEF (thans … EUR) (volgens de appellant verkocht hij de oude boot voor dit bedrag : zie stuk 5 van de appellant) is de prijs in de verkoopovereenkomst van 16.2.1996 en in de factuur van 1.4.1996 nagenoeg gelijk gebleven, terwijl nochtans de verkoper L. B. I. in de stelling van de appellant toch niet meer het voordeel genoot van de overname van een boot met waarde … BEF (thans … EUR) en volgens de vaststelling in het proces-verbaal van 24.11.1997 het te betalen bedrag van … BEF (thans … EUR) een "opleg” was bovenop de overgenomen boot. Dit is ongerijmd.

Waar de appellant wil aantonen dat hij zijn vorige boot aan een particulier verkocht legt hij een document voor (stuk 5 van de appellant) met onder meer de vermelding “FAKTUUR'', aan zekere … gericht, voor een bedrag van … BEF (thans … EUR), en de vermelding "Btw voldaan".

Dit document is op zich ontoereikend om de beweerde verkoop aan particulier te bewijzen. Het verwondert niet alleen dat dit document geen datum draagt, maar dat bovendien geen bijkomende bewijselementen worden voorgelegd, zoals betalingsbewijzen van een bedrag van … BEF (thans … EUR). Het belang van dergelijke betalingsbewijzen ontgaat nochtans de appellant niet nu hij voor de betaling van de factuur van 1.4.1996 wel betalingsbewijzen voorlegt.

De door de appellant voorgelegde foto's (stuk 10 van de appellant) tonen aan dat de door de appellant aangekochte boot ooit eens vervoerd werd door een Nederlandse transporteur, maar niet waar en wanneer. Uit deze foto's kan geen nuttig bewijselement worden gehaald.

Er moet derhalve worden aangenomen dat de factuur van 1.4.1996 wel degelijk betrekking heeft op de verkoop gesloten op 16.2.1996, en de appellant levering van de boot kreeg in België, zoals hij tegenover de verbalisant verklaarde.

3. Om de redenen hiervoren aangehaald dient te worden aangenomen dat de appellant zijn vorige boot heeft overgelaten aan L. B. I. en het door de appellant betaalde bedrag van de factuur van 1.4.1996 betrekking heeft op de opleg bovenop de overnamewaarde van de vorige boot (zie de vermelding in de verkoopovereenkomst van 16.2.1996, zoals blijkt uit het proces-verbaal van 24.11.1997).

De overnamewaarde van de vorige boot werd terecht door de geïntimeerde bepaald op … BEF (thans … EUR), zijnde de door de appellant zelf opgegeven waarde (zie stuk 5 van de appellant; zie ook zijn verklaring in het proces-verbaal van 24.11.1997), en gevoegd bij de door de appellant aan L. B. I. betaalde gefactureerde prijs.

4. De appellant vordert de kwijtschelding van de opgelegde boete. Deze boete bedroeg … BEF, hetzij 20 % van de verschuldigde belasting. Deze boete werd bepaald met toepassing van artikel 70, § 1 en 84 derde lid BTW-wetboek, alsmede artikel 1 en Tabel G, rubriek V van het KB nr. 41 van 30.1.1987.

Deze geldboete strekt ertoe, dit om de heffing van de BTW te verzekeren, zowel ten aanzien van de leverancier of de dienstverrichter als zijn medecontractant, hen zowel aan te zenen tot nakoming van de verplichtingen om de geldboete te vermijden als het niet nakomen van die verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.

De aan de appellant in toepassing van voormelde bepalingen opgelegde geldboete is in deze omstandigheden een strafsanctie in de zin van de artikelen 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955) en 14 IVBPR (Internationaal Verdrag van 19.12.1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York, goedgekeurd bij wet van 15.5.1981).

Het Hof vermag de wettelijkheid van dergelijke sanctie te onderzoeken en in het bijzonder na te gaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit houdt in dat het Hof vermag na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, en derhalve te onderzoeken of de geïntimeerde te dezen naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van de hoger aangehaalde omvang, zonder evenwel de boete te mogen kwijtschelden of verminderen om loutere redenen van opportuniteit en tegen de wettelijke regels in (vergelijk met Cass. 24.01.2002, rolnr. C000234N, www.cass.be).

De inbreuk op de BTW-reglementering staat vast. Er blijken geen omstandigheden die tot het besluit zouden leiden dat de opgelegde boete onevenredig is met de inbreuk.

5. De appellant vordert tevens dat zou gezegd worden dat de in het dwangbevel vanaf 21.4.1996 op de BTW berekende nalatigheidsintresten slechts kunnen aangerekend worden vanaf 15.2.2000. Hiertoe voert hij aan dat hij niet kan bestraft worden voor de vertraging in de behandeling van zijn dossier door de geïntimeerde, zodat zij dan ook bezwaarlijk intresten kan aanrekenen vanaf 21.4.1996 terwijl het dwangbevel slechts werd betekend op 15.2.2000.

Het is onduidelijk op welke rechtsgronden de appellant deze vordering steunt.

In zoverre de vordering ertoe strekt vrijstelling van intresten te bekomen in de zin van artikel 84bis BTW-wetboek, verleent deze bepaling hiervoor aan de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde een exclusieve bevoegdheid, en is het Hof van beroep niet bevoegd om hierover te beslissen.

In zoverre de vordering van de appellant inhoudt dat in strijd met de wet intresten worden opgenomen in het dwangbevel, moet worden vastgesteld dat de intresten aangerekend worden vanaf 21.4.1996, d.i. de intrest zoals voorzien bij artikel 91, § 1 BTW-wetboek, en er derhalve geen wetschending is.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.

Ontvangt het hoger beroep, doch verklaart het ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger beroep, begroot als volgt :

• aan de zijde van de appellant: op … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde: op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, op ZEVENENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN VlER.

Aanwezig :

Mevrouw N. v. I., Voorzitter,

De heren A. D. M. en G. T., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. G. T. A. D. M. N. v. I.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 21 voorkomen
WBTW art. 591 voorkomen
WBTW art. 84bis1 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8