Fiche van de FOD Financiën
Belasting over de toegevoegde waarde - Vrijgestelde onroerende verhuur – terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen – geldboete - nalatigheidsintresten
Wettelijke bepalingen
Art. 18 § 1, tweede lid, 9° WBTW,
Samenvatting
De betwisting heeft betrekking op de vraag of de handelingen die de belastingplichtige verricht bestaan uit een vrijgestelde onroerende verhuur (stelling van de administratie) of uit een terbeschikkingstelling van opslagruimte voor opslaan van goederen. De rechtbank is niet gebonden door de juridische kwalificatie die partijen geven aan een overeenkomst, maar zij moet nagaan wat de objectieve aard van de kwestieuze handelingen is. De voorgelegde overtuigingsstukken tonen ongetwijfeld aan dat contracterende partijen in de gehuurde ruimten bedrijven exploiteren, waarbij ook goederen werden opgeslagen. Hieruit volgt ontegensprekelijk dat de objectieve aard van de kwestieuze handelingen bestaat uit een vrijgestelde onroerende verhuur.
De rechter is ook van oordeel dat de boeten wettelijk zijn, voldoende gemotiveerd en in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuken. Er bestaat geen reden om uitstel toe te kennen indien de wet die maatregel zou hebben voorzien.
Uit art. 84bis WBTW volgt dat de belastingplichtige geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van de wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen, en dat de mogelijkheid om deze vrijstelling te bekomen een gunstmaatregel is die enkel kan verleend worden door de gewestelijk directeur. De rechtbank kan daarom niet in de plaats treden van de gewestelijk directeur. Bovendien merkt de rechter op dat de nalatigheidsintresten in deze een loutere schadeloosstelling zijn en aldus geen strafrechtelijk karakter hebben in de zin van art. 6 EHRM.
Samengevoegde geschillen
A.R nr. 14/1990/A A.R nr. 14/1991/A
Opmerking:
Gunstig
Akkoord tussen partijen gesloten
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen
dd. 19.01.2015
(A.R nr. 13/7448/A)
Inzake:
I. NV,
met maatschappelijke zetel te … met ondernemingsnummer….
eisende partij,
- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. G. te …, TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen" met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
verwerende partij,
- vertegenwoordigd ter zitting door ….
De rechtbank neemt onder meer in acht:
inzake AR.nr. 13/7448/A:
- het inleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie op 24 december 2013;
- de beschikking van 21 februari 2014 verleend overeenkomstig artikel 747 § 1 van het gerechtelijk wetboek die het akkoord van de partijen betreffende de conclusiekalender bekrachtigt;
- de conclusie en de stukken van partijen,
inzake A.R.nr. 14/1990/A:
- het geïnventariseerd dossier van de rechtspleging met A.R.nr. 06/604jA, weggelaten van de algemene rol op 7 december 2009, met onder meer:
- het inleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie op 25 januari 2006;
- het verzoek tot herinschrijving op de algemene rol neergelegd ter griffie door verwerende partij op 2 april 2014;
- de beschikking van 16. mei 2014 verleend overeenkomstig artikel 747 § 1 van het gerechtelijk wetboek die het akkoord van de partijen betreffende de conclusiekalender bekrachtigt;
- de conclusie en de stukken van partijen,
inzake A.R.nr. 14/1991/A:
- het geïnventariseerd dossier van de rechtspleging met A.R.nr. Os/477s/A, weggelaten van de algemene rol op 1 december 2008, met onder meer:
- het inleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9 augustus 2005;
- het verzoek tot herinschrijving op de algemene rol neergelegd ter griffie door
verwerende partij op 2 april 2014;
- de beschikking van 16 mei 2014 verleend overeenkomstig artikel 747 § 1 van het gerechtelijk wetboek die het akkoord van de partijen betreffende de conclusiekalender bekrachtigt;
- de conclusie en de stukken van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken.
Gelet op de verordening van de Raad van de ministers nummer 974/98 d.d. 3 mei 1998 en nummer 1103/97 d.d. 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 22 december 2014.
Inzake A.R. 13/7448/A
De vordering strekt ertoe
- in hoofdorde deze deels gegrond te verklaren omwille van het feit dat er tussen partijen een rechtsgeldig akkoord bestaat dat door partijen dient uitgevoerd te worden, dienvolgens het dwangbevel, uitgevaardigd op 28 november 2008 en uitvoerbaar verklaard op 3 december 2008, te ontheffen en wijzigen en de BTWboete te verminderen met 50%, en teruggave te bevelen van de bedragen die door eiseres ten onrechte zouden zijn betaald en / of ingehouden, vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten;
- in ondergeschikte orde, voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat er tussen partijen geen uitvoerbare overeenkomst voorhanden zou zijn, deze gedeeltelijk gegrond te verklaren in de mate .geen rekening werd gehouden met de toepassing van de doorfacturatie van de diensten met toepassing van BTW conform aanschrijving nr. 4 van 1973 voor het Antwerp Ring Center en deze gegrond te verklaren met betrekking tot Singel Noord;
- in uiterst ondergeschikte orde de administratieve geldboetes minstens ten belope van de helft van het bedrag kwijt te schelden en te zeggen voor recht dat er vrijstelling van nalatigheidsintresten wordt toegekend op de BTW navordering en dit omwille van het principiële karakter van de betwisting;
- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.
Inzake A.R. 14/1990/A en A.R. 14/1991/A
De vorderingen strekken ertoe
- in hoofdorde deze deels gegrond te verklaren omwille van het feit dat er tussen partijen een rechtsgeldig akkoord bestaat dat door partijen dient uitgevoerd te worden, dienvolgens de dwangbevelen, uitgevaardigd op respectievelijk 16 december 2005 en 7 juli 2005 en uitvoerbaar verklaard op respectievelijk 16 december 2005 en 8 juli 2005, te ontheffen en wijzigen in de volgende mate, namelijk ontheffing BTW in hoofdsom respectievelijk 185.894,31 EUR en 546.424,24 EUR, de BTW-boetes te verminderen met 50% en de nalatigheidsintresten te berekenen met ingang van 21 januari 2005, en teruggave te bevelen van de bedragen die door eiseres ten onrechte zouden zijn betaald en / of ingehouden, vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten;
- in ondergeschikte orde, voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat er tussen partijen geen uitvoerbare overeenkomst voorhanden zou zijn, deze gedeeltelijk gegrond te verklaren in de mate geen rekening werd gehouden met de toepassing van de doorfacturatie van de diensten met toepassing van BTW conform aanschrijving nr. 4 van 1973;
- in uiterst ondergeschikte orde de administratieve geldboetes minstens ten belope van de helft van het bedrag kwijt te schelden en te zeggen voor recht dat er slechts nalatigheidsintresten verschuldigd zijn op de BTW navordering met ingang van 21 januari 2005;
- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.
Samenvoeging
Deze 3 zaken, gekend onder A.R. 13/7448/A, A.R. 14/1990/A en A.R. 14/1991/A, zijn nauw samenhangend en worden omwille van een goede rechtsbedeling samengevoegd zodat de rechtbank uitspraak doet in één vonnis.
Beoordeling
Betreffende het akkoord tussen partijen
Noch uit het niet-ondertekend ontwerp van dading, noch uit de brief van de administratie van 29 juli 2009, noch uit enig ander objectief element, kan worden afgeleid dat er een akkoord bestaat tussen partijen.
Betreffende de hoedanigheid van beroepsoprichter
Het staat ontegensprekelijk vast dat eiseres geen beroepsoprichter was, hetgeen eiseres trouwens niet langer betwist.
Betreffende de loutere doorfacturatie van kosten aan aankoopprijs met betrekking tot
Antwerp Ring Center
De loutere doorfacturatie van kosten aan aankoopprijs, zonder het verrichten van andere belastbare handelingen, kan niet beschouwd worden als een economische activiteit. Terecht heeft de administratie het recht op aftrek dan ook slechts aanvaard voor de doorgerekende kosten.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat de administratieve commentaar de wet niet kan opheffen, wijzigen of aanvullen en dat de rechtbank niet gebonden is door een administratieve aanschrijving en uitsluitend de wet dient toe te passen.
Betreffende de onroerende verhuur of de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het
opslaan van goederen met betrekking tot Singel Noord
De betwisting heeft betrekking op de vraag of de handelingen die eiseres verricht bestaan uit vrijgestelde onroerende verhuur (stelling van de administratie) of uit terbeschikkingstelling van opslagruimte voor het opslaan van goederen die onderworpen is aan de BTW (stelling van eiseres).
De rechtbank is niet gebonden door de juridische kwalificatie welke de partijen zelf aan de overeenkomsten hebben gegeven, maar zij moet nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling was van de contracterende partijen; het doet bijgevolg niet ter zake dat partijen de overeenkomsten hebben gekwalificeerd als huurovereenkomsten waarin specifieke terminologie werd gebruikt zoals huurder, verhuurder, huur en huurprijs.
Krachtens artikel 18§1 WBTW wordt onder meer als een dienst beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft:
9° de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen.
Als algemeen beginsel stelt artikel 2 WBTW dat "de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen zijn wanneer ze in België plaatsvinden."
De administratie, die de vrijstelling van artikel 44§3,2° WBTW inroept, dient bijgevolg het bewijs te leveren dat eiseres zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het voordeel van de vrijstelling te kunnen genieten.
Op grond van artikel 172 Gec.G.W. kan slechts een vrijstelling of vermindering van belasting worden ingevoerd door een wet en dient alles wat essentieel is voor de vrijstelling of de vermindering door de wet te worden geregeld; individuele vrijstellingen of verminderingen zijn immers verboden.
Bovendien dienen de door wet ingevoerde vrijstellingen en verminderingen, op grond van het gelijkheidsbeginsel, restrictief geïnterpreteerd te worden.
Aangezien als algemeen beginsel BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, moeten de woorden "verhuur van onroerende goederen" strikt worden uitgelegd (HvJ 9 oktober 2001, F.J.F. 2002/3).
De administratie dient dan ook het bewijs te leveren dat eiseres voldoet aan alle voorwaarden van de vrijstelling inzake de verhuur van onroerende goederen, bij gebreke waaraan de belasting verschuldigd is.
De onroerende verhuur en de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen verschillen door hun essentieel voorwerp.
Wanneer het essentiële voorwerp bestaat in het genot van een uit zijn aard onroerend goed, is de handeling een verhuur; wanneer het essentieel voorwerp daarentegen bestaat in de terbeschikkingstelling van bergruimte, wordt de handeling bedoeld in artikel 18§1, lid 2,9° WBTW.
De voorgelegde overtuigingsstukken tonen ongetwijfeld aan dat het de gemeenschappelijke bedoeling was van de contracterende partijen om in de gehuurde ruimten bedrijven te exploiteren waarin ook goederen werden opgeslagen ter ondersteuning van die bedrijfsvoering en dat de gehuurde ruimten daarvoor ook daadwerkelijk werden gebruikt.
Hieruit volgt ontegensprekelijk dat het genot van de gehuurde ruimten het essentiële voorwerp was zodat de handelingen van eiseres bestaan uit vrijgestelde onroerende verhuur.
Het feit, dat de gehuurde ruimten bijkomstig bestemd waren als bergruimten voor het opslaan van goederen, doet niet terzake nu deze bijkomstige dienst immers een middel was om de hoofddienst, zijnde het genot van de gehuurde ruimte, zo aantrekkelijk mogelijk te maken en dan ook het lot van de hoofddienst volgt; bijgevolg werd één dienst verleend die niet uit elkaar kan worden gehaald.
Betreffende de geldboeten
De geldboeten zijn wettelijk, voldoende gemotiveerd en de rechtbank is van oordeel dat deze boeten in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten en dat er geen reden bestaat om uitstel toe te kennen aan eiseres indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.
Betreffende het verzoek tot vrijstelling van nalatigheidsintresten
Krachtens artikel 84bis WBTW mag de bevoegde gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91§1 en 2 bedoelde intresten of voor een deel ervan. Uit artikel 84bis WBTW volgt dat eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en dat de mogelijkheid om deze vrijstelling te bekomen een gunstmaatregel is die, volgens de tekst van dit artikel, enkel kan verleend worden door de gewestelijke directeur.
Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de gewestelijke directeur valt, valt met volle rechtsmacht onder de controle van de rechtbank, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechtbank de gewestelijke directeur zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (vergelijk Cass.4 maart 2004 inzake rolnummer C030346N, http://www.cass.be. Cass. 17 april 2000, Arr.Cass. 2000, 258 en Cass.2 februari 1998, R.W. 1998-99, 1142).
Nu eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en nu artikel 84bis W.BTW uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent de vrijstelling van de nalatigheidsintresten, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de gewestelijke directeur.
Bovendien dient te worden opgemerkt dat de verschuldigdheid van nalatigheidsintresten een loutere schadeloosstelling is wegens de vertraging in de betaling van de BTW schuld zodat deze verschuldigdheid geenszins een straf is en aldus geen strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM.
Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om vrijstelling van nalatigheidsintresten te verlenen.
Betreffende de rechtsplegingsvergoeding
De rechtbank is van oordeel dat niet dient gewacht te worden op een uitspraak van het Grondwettelijk Hof.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK
rechtdoende op tegenspraak,
alle andere en strijdige conclusies verwerpend,
Voegt de 3 zaken, gekend onder A.R. 13/7448/A, A.R. 14/1990/A en A.R. 14/1991/A, samen wegens samenhang en in het belang van een goede rechtsbedeling en doet uitspraak in één vonnis.
Verklaart de vorderingen toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van de gedingen tot op heden door verweerder begroot op en door de rechtbank ambtshalve vereffend op éénmaal 16.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding voor de 3 zaken samen.
Dit vonnis werd uitgesproken op negentien januari tweeduizend vijftien in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:
P.Wolles, ondervoorzitter
N. Verhard, griffier
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.