Faillissement, Faillissementsakkoord en gerechtelijk akkoord, Boedelschuld, Begrip · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie Brussel C.93.0184.F 20 januari 1994

Zoeken

Faillissement, Faillissementsakkoord en gerechtelijk akkoord, Boedelschuld, BegripFaillissement - Faillissementsakkoord en gerechtelijk akkoord - Boedelschuld - Begrip

https://juriel.be/nl/rechtspraak/faillissement-faillissementsakkoord-gerechtelijk-akkoord-cassatie-brussel-1994-01-20-b967

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Zetel
Brussel
Rolnummer
C.93.0184.F
Datum
20 januari 1994

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

20 paragrafen

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 20.01.1994 (C.93.0184.F)

Faillissement - Faillissementsakkoord en gerechtelijk akkoord - Allerlei - Boedelschuld - Begrip

De schuld die niet ontstaat uit een door de curator voor het beheer van de boedel aangegane verbintenis, maar uit de toepassing van art. 528 Faillissementsweg m.b.t. de verkoop van de onroerende goederen van de gefailleerde en van art. 10 K.B. nr. 3 van 10 dec. 1969 naar luid waarvan de aftrek van de belastingen op die onroerende goederen o.m. moet worden herzien wanneer zij ophouden in de onderneming te bestaan, is geen schuld van de boedel maar een schuld in de boedel (1).

(1) Zie de verwijzingen in concl. O.M. (Bull. en Pas., I, 1994, nr. 37).

(BELGISCHE STAAT - MIN. V. FINANCIËN

T. FAILLISSEMENT L.)

ARREST (vertaling) (A.R. nr. C.93.0184.F)

HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 4 juni 1992 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;

Over het middel: schending van de artikelen 444 en 561, eerste lid, van de wet van 18 april 1851 op het faillissement, bankbreuk en uitstel van betaling, opgenomen in boek III van het Wetboek van Koophandel,

doordat het arrest, met bevestiging van het beroepen vonnis, beslist dat de schuldvordering van eiser- die 52.365 frank bedraagt en die haar oorsprong vindt in de herziening, die ter uitvoering van artikel 48, § 2, van het B.T.W.-wetboek heeft plaatsgehad van de aftrek van de belastingen op de onroerende goederen die de gefailleerde voor de faillietverklaring heeft gebouwd of ingericht en die op verzoek van de curator, thans verweerder, zijn verkocht onder het stelsel van het registratierecht - een schuld in de boedel is en bijgevolg de opneming van dat bedrag in de passiva van het faillissement beveelt, op grond « dat de schuldvordering (van eiser) geen schuld van de boedel kan zijn, nu zij slechts het gevolg is van het beheer van het faillissement en in geen enkel verband staat met een handeling waartoe de curator in het belang van de boedel het initiatief zou hebben genomen »,

terwijl krachtens artikel 444 van de Faillissementswet de gefailleerde, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, van rechtswege het beheer over al zijn goederen verliest en dat beheer aan de curator wordt toevertrouwd; artikel 561, eerste lid, van genoemde wet bepaalt dat « het bedrag van het roerende actief van de gefailleerde, na aftrek van de kosten en uitgaven voor het beheer van het faillissement ... aan alle schuldeisers wordt uitgedeeld, naar evenredigheid van hun bevestigde en geverifieerde schuldvorderingen »; uit die bepaling volgt dat als schulden van de boedel worden aangemerkt, de schulden die ontstaan uit handelingen die de curator verricht binnen het kader van het beheer van de boedel; de verkoop van onroerende goederen van de gefailleerde een handeling is die op initiatief van de curator is verricht met het oog op een behoorlijk beheer van het faillissement, en de uit die verkoop ontstane verplichtingen, waaronder de verplichting om een gedeelte terug te betalen van de belastingen die zijn afgetrokken van de belastingen die verkochte onroerende goederen bezwaarden, dus in verband staan met dat beheer, zodat zij moeten worden beschouwd als kosten en uitgaven voor het beheer van het faillissement, in de zin van artikel 561, eerste lid, van de wet van 18 april 1851; het arrest, nu het beslist dat de schuld die jegens eiser is ontstaan uit een door de curator voor het beheer van de boedel verrichte handeling een schuld in de boedel en niet een aan de uitdeling van de schuldeisers onttrokken schuld van de boedel was, de in het middel vermelde bepalingen heeft geschonden:

Overwegende dat het arrest vaststelt dat verweerder « in het kader van de vereffening van het faillissement van de heer A.L., zich genoodzaakt zag om aan de gefailleerde toebehorende onroerende goederen te verkopen; dat die verkoop is geschied onder het stelsel van het registratierecht; dat met toepassing van de artikelen 48, § 2, van het B.T.W.-wetboek en de artikelen 9, § 1, 10, eerste lid, 4°, en 11, § 3, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 een herziening van de oorspronkelijk afgetrokken belastingen heeft plaatsgehad, zodat (eiser) schuldeiser is tot beloop van het onbetwiste bedrag van 52.365 frank»;

Overwegende dat de artikelen 8 en 9 van de Hypotheekwet, 184 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, 451 en 561 van de Faillissementswet het beginsel van de gelijkheid der schuldeisers bevestigen;

Dat bovengenoemd artikel 561 bepaalt dat het actief wordt uitgedeeld zoals aldaar wordt aangegeven, na aftrek onder meer van de kosten en uitgaven voor het beheer van het faillissement;

Dat met toepassing van die wetbepalingen een schuld niet ten laste van de boedel kan gelegd worden tenzij wanneer de curator qualitate qua verbintenissen heeft aangegaan met het oog op het beheer van de boedel, onder meer door de handelswerkzaamheden van de gefailleerde verder te zetten, de door laatstgenoemde gesloten overeenkomsten uit te voeren of nog door diens roerende of onroerende goederen te gebruiken met het oog op een behoorlijk beheer van de boedel; dat de boedel slechts in die omstandigheden gebonden is door de uit dat beheer voortvloeiende verplichtingen en de eraan verbonden lasten moet dragen;

Overwegende dat te dezen de schuldvordering van eiser niet is ontstaan uit een door verweerder voor het beheer van de boedel aangegane verbintenis, maar uit de toepassing van artikel 528 van de Faillissementswet dat de verkoop van de onroerende goederen van de gefailleerde toelaat en van artikel 10 van het bovengenoemde koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 naar luid waarvan de herziening van de aftrek van de belastingen die onroerende goederen bezwaarden onder meer moet worden verricht wanneer zij ophouden in de onderneming te bestaan;

Overwegende dat het arrest, door de beslissing van de eerste rechter te bevestigen dat de litigieuze schuld geen schuld van de boedel is en dat zij moet worden opgenomen onder de bevoorrechte passiva van het faillissement, de in het middel aangewezen wetsbepalingen niet schendt;

Dat het middel faalt naar recht;

20 januari 1994 - 1° kamer

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 3 art. 101 voorkomen
KB nr. 3 art. 111 voorkomen
KB nr. 3 art. 91 voorkomen

Rechtspraak

1

België

1

Hof van beroep te Antwerpen24.08.2001

Hof van beroep te Antwerpen, 24 augustus 2001

Administratieve doctrine

6

Bekijk de 7 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8