Factuur, sanctie, administratieve sanctie · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 18 december 2003

Zoeken

Factuur, sanctie, administratieve sanctie

https://juriel.be/nl/rechtspraak/factuur-sanctie-administratieve-rechtbank-gent-2003-12-18-b9df

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
18 december 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

134 paragrafen

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent dd. 18.12.2003

Recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen - Factuur - Noodzakelijke vermeldingen - Administratieve sancties

Belastingplichtige heeft exploitatieovereenkomsten afgesloten waarbij zij het recht verleent om de handelszaken (meer bepaald hotel-restaurant) op haar naam en voor haar rekening uit te baten. Om de exploitatie te kunnen uitvoeren stelt belastingplichtige daarbij de materiële en immateriële elementen van de handelszaken ter beschikking. Op deze vergoedingen wordt BTW aangerekend.

Op basis van de bepalingen in de overeenkomsten oordeelt de rechtbank (zich steunend op de rechtspraak van het Hof van Justitie) dat het geenszins bewezen is dat het genot van de onroerende goederen het essentiële voorwerp is, nu belastingplichtige de uitbating van de handelszaken toevertrouwt aan andere vennootschappen die een engagement aangaan inzake bedrijfsresultaten en waarbij belastingplichtige in het ondernemingsrisico van de exploitatie deelt. Bovendien is het verband tussen de vergoeding die de exploitant moet betalen en de duur van het gebruik van het onroerend goed dermate indirect, dat niet kan worden gesproken van een verhuur van een onroerend goed, temeer daar volgens het Hof van Justitie de woorden «verhuur van onroerende goederen» strikt moeten worden geïnterpreteerd. Het feit dat belastingplichtige in een exploitatieovereenkomst een minimumvergoeding bepaalt doet hieraan geen afbreuk.

Krachtens artikel 51, § 4 van het WBTW diende belastingplichtige als medecontractant, met betrekking tot werken in onroerende staat (art. 19 § 2 WBTW), zelf de belasting die op de prestaties die er het voorwerp van uitmaken verschuldigd is, op te nemen in haar eigen aangifte en de verschuldigd geworden belasting voldoen binnen de termijn van indiening van de voorgeschreven aangifte. In casu werden deze verplichtingen door belastingplichtige niet nageleefd. De dienstverlener van laatstgenoemde heeft de BTW in de uitgereikte factuur aangerekend. De belastingplichtige is in deze hypothese niet gemachtigd tot aftrek van de voorbelasting die zij aan haar leveranciers heeft betaald voor de uitgevoerde werken in onroerende staat, waarop de verleggingsregeling van artikel 20 van het Koninklijk Besluit nr. 1 ten onrechte niet werd toegepast. Aan belastingplichtige dient wel de corresponderende aftrek toegestaan te worden aangezien de handelingen die belastingplichtige stelt in het kader van de exploitatieovereenkomsten BTW-belaste handelingen zijn die recht op aftrek verlenen.

Er werd terecht een boete opgelegd wanneer de facturen niet de vermeldingen bevatten die nodig zijn om na te gaan of de in de aangifte vermelde diensten beantwoorden aan de werkelijkheid, ook al werd de BTW afgedragen. Bovendien werden deze overtredingen - gelet op hun aantal - geenszins toevallig begaan doch staat het frauduleuze karakter ervan vast, nu zij inzonderheid als doel of resultaat hebben de ontduiking mogelijk te maken van de inkomstenbelastingen. Het is niet omdat belastingplichtige de op de facturen aangerekende BTW heeft afgedragen dat er geen ontduikingsmogelijkheden worden gecreëerd in de vennootschapsbelasting.

Alleenzetelend rechter: Mevr. De Backer

Advocaten: Mr. Vanheeswijck, Mr. Van Keirsbilck, Mr. Decordier

N.V. M.

tegen

de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

1. Rechtspleging

De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2003, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de gedinginleidende dagvaarding d.d. 23 juli 1999, de onderscheiden conclusies en dossiers van partijen.

2. De vordering

De vordering van eiseres strekt ertoe in een vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- verweerder te horen veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van een bedrag ten belope van 28.590.040 frank, te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsintresten vanaf de dag van de betaling;

- te horen zeggen voor recht dat de bedragen, vermeld in het dwangbevel d.d. 8 april 1999 ten titel van B.T.W., boeten en intresten, niet verschuldigd zijn;

- verweerder te veroordelen tot alle kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

3. Feiten en geschil

1. Eiseres heeft als geregelde activiteit het onderzoeken, adviseren en besturen van vennootschappen, evenals het beheren van onroerende goederen. In die hoedanigheid is zij geregistreerd als B.T.W.-belastingplichtige.

2. Op 18 juni 1998 werd bij eiseres een B.T.W.-controle aangevat door de administratie van de Bijzondere Belastinginspectie te Brugge voor de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1997.

Een deel van de bij eiseres vastgestelde overtredingen werden opgenomen in het proces-verbaal van 5 maart 1999.

Op 8 april 1999 werd lastens eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12.4.1999 voor een bedrag van 23.548.932 frank ten titel van B.T.W. en 2.354.000 frank ten titel van boete.

Intussen werden een tweede reeks vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal van 30 april 1999.

3. Eiseres deed op 4 juni 1999 een betaling onder voorbehoud van 20.426.316 frank.

Naar aanleiding van de verkoop door eiseres van een onroerend goed heeft de instrumenterende notaris op 28 juni 1999 een bedrag van 8.163.724 frank ingehouden ter aflossing van de openstaande B.T.W.-schulden ingevolge de processen-verbaal van 5 maart 1999 (6.483.724 frank) en 30 april 1999 (1.680.000 frank).

4. Eiseres is, enerzijds, eigenares van het «G.H.», gelegen te Groot-Bijgaarden, en de «A. du P.», gelegen te Deurle, en, anderzijds, huurder van het «C.H.», gelegen te Knokke.

Op 15 januari 1995 sluit eiseres 2 exploitatieovereenkomsten af met de N.V. E., resp. m.b.t. de «A. du P.» en het «G.H.», waarbij eiseres de N.V. E. het recht verleent om vanaf 1 januari 1995 deze handelszaken op haar naam en voor haar rekening uit te baten. Om de exploitatie te kunnen uitvoeren stelt eiseres daarbij de materiële en immateriële elementen van de handelszaken ter beschikking.

Op 10 februari 1996 sluit eiseres met de N.V. E. een exploitatieovereenkomst af m.b.t. «C.H.».

Op 30 april 1997 sluit eiseres een overeenkomst af waarbij zij de exploitatie van alle hierbovenvermelde handelszaken («A. du P.», G.H. en C.H.) toevertrouwt aan de N.V. H.

5. Volgens het proces-verbaal van 5 maart 1999 hebben hogervermelde overeenkomsten betrekking op het in gebruik geven van alle materiële bestanddelen van de handelszaken, bestaande zowel uit de roerende als de onroerende goederen.

De terbeschikkingstelling van meubilair, apparatuur en uitrusting is een belastbare handeling in de zin van art. 18 § 1, 4° W.B.T.W.

De terbeschikkingstelling van de gebouwen is gelijk te stellen met een onroerende verhuur en is derhalve een vrijgestelde handeling, bedoeld in art. 44 § 3, 2° W.B.T.W.

Volgens de B.T.W.-administratie heeft eiseres de B.T.W., die drukt op de aan haar geleverde goederen en de voor haar uitgevoerde werken in onroerende staat die betrekking hebben op de hierboven vermelde onroerende goederen, ten onrechte in aftrek gebracht.

6. Verlegging van heffing. Toepassing van art. 20 § 1 en § 4 K.B. nr. 1 van 29 december 1992 (P.V. 5 maart 1999).

De administratie houdt voor dat eiseres niet gemachtigd is tot aftrek van de B.T.W., die zij aan haar leveranciers heeft betaald voor de uitgevoerde werken in onroerende staat waarop de verleggingsregeling van art. 20 van het K.B. nr. 1 ten onrechte niet werd toegepast.

7. Herziening van de B.T.W.-aftrek op bedrijfsmiddelen (art. 48 § 2 W.B.T.W.) (P.V. 5 maart 1999).

Eiseres koopt op 13 oktober 1995 50 % van een bedrijvencomplex voor 27.826.583 frank + 5.704.450 frank B.T.W. De transactie maakt deel uit van een «sale and lease back»-operatie, waarbij drie ondernemingen een contract van onroerende leasing afsluiten voor respectievelijk 53 %, 29,4 % en 17,6 % van het bedrijvencomplex. De B.T.W. werd bij de aankoop van het gebouw volledig in aftrek gebracht. Deze ondernemingen gebruiken het gebouw om er hun professionele activiteit in uit te oefenen.

De administratie houdt voor dat eiseres een bedrag van 3.122.616 frank verschuldigd is wegens herziening van de B.T.W.-aftrek op bedrijfsmiddelen wegens stopzetting van de leasingcontracten ten gevolge van het faillissement van 2 van de 3 leasingnemers.

Volgens de B.T.W.-administratie moet, bij toepassing van art. 10, 5° K.B. nr. 3 van 10 december 1969 en de artt. 9 § 1 en 11 § 3 van hetzelfde K.B., de herziening worden verricht voor het jaar waarin de wijziging in het gebruik intreedt in casu respectievelijk 1998 en 1999 en voor de nog lopende jaren.

Berekening: 5.704.450 u 53 % u 7/10 = 2.116.351

5.704.450 u 29,4 % u 6110 = 1.006.265

totaal: 3.122.616 frank.

Eiseres laat gelden dat zij het bedrijvencomplex op 26 februari 1999 verkocht, dat zich pas dan een oorzaak van herziening voordeed, dat zij deze herziening spontaan heeft doorgevoerd in de B.T.W.-aangifte van maart 1999; dat, zelfs indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat het gebouw ten gevolge van het faillissement voor een deel niet meer in onroerende leasing zou gegeven zijn, de herziening voor een deel pas had moeten gebeuren in de aangifte ingediend in april 1999.

8. Boete.

Uit het proces-verbaal d.d. 30 april 1999 blijkt dat de administratie eiseres bij toepassing van art. 70 § 2 W.B.T.W. een geldboete oplegt van 1.680.000 frank omdat de door eiseres uitgereikte facturen onjuiste vermeldingen bevatten inzake de aard en de hoeveelheid van de geleverde diensten en de prijs.

De administratie verwijt eiseres in het bijzonder dat de betrokken diensten zeer vaag worden omschreven en dat eiseres niet het bewijs levert dat de betrokken diensten daadwerkelijk werden verricht.

De administratie stelt dat deze boete niet kan verminderd worden omdat de overtreding werd begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken (art. 1, laatste lid, K.B. nr. 41 d.d. 30 januari 1987).

In casu betreft het navolgende facturen, uitgereikt door eiseres:

a) factuur nr. 96/66 d.d. 31 juli 1996 aan de N.V. B.B.B. te B. (stuk 26) met als vermelding:

management fee over de maanden januari tot juni; maatstaf van heffing: 1.250.000 BEF + B.T.W. 262.500 BEF;

b) factuur nr. 96/88 d.d. 31 oktober 1996 aan de N.V. B.B.B. te B. (stuk 28) met als vermelding:

vergoeding 2de semester 1996;

maatstaf van heffing: 1.250.000 BEF + B.T.W. 262.500 BEF;

c) factuur nr. 96/89 d.d. 31 oktober 1996 aan de N.V. B.B.B. te B. (stuk 29) met als vermelding:

vergoeding overeenkomstig contract d.d. 31 oktober 1996

maatstaf van heffing 1.500.000 BEF + 315.000 BEF.

Eiseres laat gelden dat de voorwaarden voor het opleggen van een B.T.W.-boete niet vervuld zijn.

4. Bespreking

4.1. Betreffende de kwalificatie van de overeenkomsten tussen enerzijds eiseres en anderzijds respectievelijk N.V. E. en N.V. H.

De betwisting betreft de vraag of deze overeenkomsten moeten worden gezien als een onroerende verhuur (stelling van de administratie).

Het wordt niet betwist dat de rechter niet gebonden is door de juridische kwalificatie, welke partijen zelf aan hun overeenkomst hebben gegeven, maar hij moet nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling was van de contracterende partijen.

Krachtens art. 18 § 1, 6 W.B.T.W. wordt o.m. als een dienst beschouwd «de overdracht van of het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen».

Uit het gebruik der woorden «onder meer» moet worden afgeleid dat de opsomming van voornoemd art. 18 niet limitatief is, zodat niet mag uitgesloten worden dat andere handelingen diensten zijn in de zin van het W.B.T.W. en derhalve belastbaar zijn.

Als algemeen beginsel stelt art. 2 W.B.T.W. dat «de leveringen van goederen en diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen zijn wanneer ze in België plaatsvinden».

Voor het onderzoek van huidig geschil dient derhalve niet onderzocht te worden of voornoemde overeenkomsten beantwoorden aan alle vereisten van art. 18 § 1, 6° W.B.T.W., maar wel of deze overeenkomsten moeten beschouwd worden als een «onroerende verhuur» (art. 44 § 3, 2° W.B.T.W.; art. 13, B, b) Zesde Richtlijn).

Noch de Zesde Richtlijn noch het wetboek van B.T.W. geven een definitie van het begrip onroerende verhuur.

Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie moeten de woorden verhuur van onroerende goederen strikt worden uitgelegd, daar die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemeen beginsel dat B.T.W. wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (zie o.m. arrest van 12.9.2000, Commissie/Ierland, C-358/97, Jurispr., 1-6301, punt 55; arrest van 9 oktober 2001, Cantor Fitzgerald International, C-108/99, F.J.F. No. 2002/3, punt 25).

Het Europees Hof van Justitie heeft in een aantal arresten gesteld dat «onroerende verhuur» in de zin van art. 13 B, b) van de Zesde Richtlijn een autonoom communautair rechtsbegrip is en derhalve een communautaire definitie dient te krijgen (zie o.m. arrest van 16.1.2003, Rudolf Maierhofer, C-315/00, punt 25).

Uit de rechtspraak van het Hof (zie arrest 9 oktober 2001, Cantor Fitzgerald International, C-108/99, F.J.F. No. 2002/3, punt 21; arrest 12 september 2000, Commissie/Ierland, C-358/97, Jurispr. blz. 1-6301, punt 56 en 57) kan men afleiden dat een overeenkomst slechts als een verhuur kwalificeert, indien zij als overheersend kenmerk heeft dat het exclusieve genot van een bepaald onroerend goed voor een bepaalde periode wordt afgestaan tegen een vergoeding die verband houdt met duur van het gebruik.

Dit wordt bevestigd in de conclusie van 23 januari 2001 van de advocaat-generaal in de zaak Cantor Fitzgerald International C-108/99 in de overwegingen punt 25 en 26.

In casu werden in de litigieuze overeenkomsten de hierna volgende bepalingen overeengekomen:

- de eigenaar heeft de exploitatie van het G.H., de A. du P., het C.H. toevertrouwd aan andere vennootschappen;

- het mandaat tot exploitatie is voor onbepaalde duur. Elke partij kan te allen tijde een einde maken aan de overeenkomst mits het betekenen van een opzeg bij aangetekend schrijven van minimum 3 maand;

- de exploitant verklaart over voldoende gekwalificeerd personeel te beschikken om de handelszaak met inachtneming van alle vereisten van een goed management te exploiteren;

- de eigenaar kan te alle tijde en zonder enige voorafgaande verwittiging alle documenten, zowel administratieve, boekhoudkundige en fiscale documenten inzien; de exploitant zal er zorg voor dragen dat deze documenten steeds op een voor de eigenaar toegankelijke plaats aanwezig zijn;

- de exploitant garandeert de eigenaar dat de exploitatie nooit verlieslatend zal zijn. Deze garantie geldt als een resultaatsverbintenis en houdt in dat de exploitant elke aanzuivering van een passief van de exploitatie, van welke aard ook, op eerste verzoek zowel in hoofdsom, rente als kosten zal terugbetalen;

- voor de uitoefening van het mandaat ontvangt de eigenaar maandelijks een vergoeding gelijk aan een percentage van de netto-omzet (vermeerderd, in de overeenkomst d.d. 30 april 1997 tussen eiseres en de N.V. H. met een percentage van de winst van de N.V. H. voor de periode vanaf 1 januari 1999).

Gelet op voornoemde bepalingen in de overeenkomsten is het geenszins bewezen dat het genot van de onroerende goederen het essentiële voorwerp is, nu eiseres de uitbating van de handelszaken toevertrouwt aan andere vennootschappen die een engagement aangaan inzake bedrijfsresultaten en waarbij eiseres in het ondernemingsrisico van de exploitant deelt. Bovendien is het verband tussen de vergoeding die de exploitant moet betalen en de duur van het gebruik van het onroerend goed dermate indirect, dat niet kan gesproken worden van een verhuur van een onroerend goed, temeer volgens het Hof van Justitie de woorden «verhuur van onroerende goederen» strikt moeten worden geïnterpreteerd.

Het feit dat eiseres in de exploitatieovereenkomst met de N.V. E. m.b.t. het C.H. een minimumvergoeding bepaalt doet hieraan geen afbreuk.

Bijgevolg is deze exploitatieovereenkomst aan B.T.W. onderworpen en verleent deze recht op aftrek van voorbelasting.

4.2. Betreffende de verlegging van heffing

1. Normaliter is op grond van artikel 51 § 1, 1° W.B.T.W. de B.T.W. verschuldigd door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht.

Krachtens art. 51 § 4 W.B.T.W. stelt art. 20 § 1 van het K.B. nr. 1 dat in afwijking van art. 51 § 1, 1° W.B.T.W. de medecontractant van de belastingplichtige, die één van de handelingen verricht omschreven in paragraaf 2 van dit artikel, wanneer hij zelf een belastingplichtige is, gehouden tot het indienen van een periodieke aangifte, de belasting die over die handeling verschuldigd is moet voldoen op de wijze voorzien in de vierde paragraaf van art. 20 voornoemd.

Handelingen bedoeld in paragraaf 2 zijn deze bedoeld in art. 19 § 2 W.B.T.W.

Art. 20 § 4 K.B. nr. 1 stelt dat de in § 1 bedoelde medecontractant de ter zake van die handelingen verschuldigde belasting opneemt in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting verschuldigd wordt.

Art. 3 § 3 van het K.B. nr. 3 stelt dat wanneer de medecontractant van de leverancier van goederen of diensten bij toepassing van art. 51 § 2 of § 4 W.B.T.W. ertoe gehouden is zelf de belasting te voldoen die opeisbaar is voor de aan hem gedane levering of de aan hem verleende dienst, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit moet zijn van een door de leverancier van de goederen of diensten uitgereikte factuur en de belasting moet hebben voldaan op de wijze voorgeschreven ter uitvoering van bovengenoemde bepaling.

Hieruit volgt dat eiseres als medecontractant van de verschillende firma's die haar de betwiste facturen hebben uitgereikt, zelf de belasting die op de prestaties die er het voorwerp van uitmaken verschuldigd is, moet opnemen in haar eigen aangifte en de verschuldigd geworden belasting moet voldoen binnen de termijn van indiening van de voorgeschreven aangifte .

2. M.b.t. de facturen opgenomen in tabel 5 van het P.V. van 5 maart 1999 stelt eiseres dat de administratie er ten onrechte van uitgaat dat de betwiste facturen betrekking hebben op werken in onroerende staat zodat hieromtrent geen B.T.W. kan gevorderd worden.

Eiseres stelt ten onrechte dat de facturen de verkoop van materieel vast activa.betreffen en geen betrekking hebben op werken in onroerende staat als bedoeld bij art. 19 § 2 W.B.T.W. en art. 20 § 2 lid 2 K.B. nr. 1.

Deze stelling gaat in tegen de afgesloten exploitatieovereenkomsten die stellen dat eiseres beslist over de investeringen en deze ook betaalt, wat overigens bevestigd wordt door het feit dat eiseres initieel zelf de facturen inboekte als materieel vast actief.

3. Hieruit volgt dat eiseres als medecontractant van de verschillende firma's die haar de facturen hebben uitgereikt zelf de belasting die op de prestaties die er het voorwerp van uitmaken verschuldigd is, moet opnemen in haar maandelijkse aangifte en de verschuldigd geworden belasting moet voldoen.

Er wordt niet betwist dat deze verplichtingen door eiseres niet werden nageleefd en dat de dienstverlener van laatstgenoemde de B.T.W. in de uitgereikte factuur heeft aangerekend.

4. M.b.t. de facturen vermeld in tabel 5 houdt de administratie voor dat eiseres niet gemachtigd is tot aftrek van de voorbelasting die zij aan haar leveranciers heeft betaald voor de uitgevoerde werken in onroerende staat waarop de verleggingsregeling van art. 20 van het K.B. nr. 1 ten onrechte niet werd toegepast.

Eiseres beroept zich op de principes van redelijkheid en neutraliteit om de aftrek te kunnen verrichten.

Verweerder stelt dat de B.T.W., die door de uitreiker van de factuur aan de Staat werd gestort, door hem kan worden teruggevraagd.

Bij arrest van 13 december 1989 in de zaak Genius Holding B.V. (zaak C-342/87, Jur., 1989, 1-4227) besliste het Hof van Justitie dat enkel de daadwerkelijk verschuldigde B.T.W. voor aftrek in aanmerking komt. Het loutere feit dat B.T.W. op facturen vermeld wordt volstaat niet om het recht op aftrek te rechtvaardigen.

Bovendien is er het feitelijk element dat eiseres en de vennootschappen rond haar (die onder dezelfde leiding stonden) waaronder N.V. E. de regels van verlegging van heffing niet consequent toepasten en dat de belangrijkste onderaannemer van eiseres (N.V. E. de aangerekende B.T.W. nooit heeft doorgestort.

Vermits eiseres de door de wet bepaalde formaliteiten niet heeft vervuld en de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet heeft nageleefd, met name de vereiste aangifte en voldoening van de verschuldigde B.T.W., kan zij haar recht op aftrek niet uitoefenen.

5. Nu de administratie van eiseres de betaling eist van de B.T.W. die verschuldigd zou zijn geweest bij toepassing van het systeem van verlegging (tabel 5 «door te storten B.T.W. t.b.v. 8.588.054 frank») dient zij de corresponderende aftrek toe te laten aangezien zoals hoger gesteld de handelingen die eiseres stelt in het kader van de exploitatieovereenkomsten B.T.W.-belaste handelingen zijn die recht op aftrek verlenen.

4.3. Betreffende de herziening van de B.T.W.-aftrek op bedrijfsmiddelen

Het staat vast dat op 26 februari 1999 zich een oorzaak van herziening van de B.T.W.-aftrek voordeed (nl. verkoop van het gebouwencomplex), waarvoor de herziening in eenmaal moet gebeuren (art 10, lid 1, 4° K.B. nr. 3).

Zelfs indien er, zoals verweerder stelt, een herziening moest worden toegepast omwille van de stopzetting van het leasingcontract, dan nog diende deze herziening niet onmiddellijk en niet in éénmaal te gebeuren. Immers, de administratie stelde zelf vast dat het contract van onroerende leasing slechts verviel voor een gedeelte van het gebouw (P.V. d.d. 5 maart 1999, p. 7) zodat in dat geval art. 10, lid 1, 10 K.B. nr. 3 van toepassing is. In de B.T.W.-Handleiding 1998 nr. 400, punt a) stelt verweerder zelf «Wanneer het gebruik (voor handelingen die geen recht op aftrek verlenen) gedeeltelijk is wordt de herziening (...) verricht in de aangifte die moet worden ingediend in de maand april van het jaar volgend op dat waarin de wijziging van bestemming plaatsvond».

Deze herziening (in april 1999) was evenwel achterhaald door de verkoop van het gebouwencomplex op 26 februari 1999, die noopte tot een volledige en onmiddellijke herziening in de aangifte ingediend in de maand maart 1999.

De administratie kan derhalve niet op grond van het P.V. d.d. 5 maart 1999 de B.T.W. invorderen die eiseres slechts in de aangifte, ingediend op 20 maart 1999, moet aangeven en die eiseres ook heeft aangegeven.

4.4. Betreffende de administratieve boete (proces-verbaal van 30 april 1999)

1. De vormvoorwaarden inzake facturen worden geregeld door art. 5 van het K.B. nr. 1 van 29 december 1992 dat luidt als volgt:

Art. 5 § 1. De in art. 1 bedoelde factuur en het in art. 2 bedoelde stuk dienen te vermelden:

1° ...

5°a) de datum van de levering van het goed of van de voltooiing van de dienst en, in de in art. 1, § 1, 2° bedoelde gevallen, de datum waarop de belasting opeisbaar wordt of, wanneer de datum niet met zekerheid kan worden bepaald, het tijdvak waarin de handeling heeft plaatsgevonden;

b) ...

6° de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten;

7° ...

12° ...»

2. Eiseres beweert dat de fact. 96/66 en 96/88 betrekking hebben op de overeenkomst d.d. 6 februari 1996, zijnde de tussenkomst in een subsidiedossier.

Uit nazicht van de stukken en het P.V. d.d. 30 april 1999 blijkt dat de betrokken facturen niet de gegevens bevatten die nodig zijn om de handeling te determineren.

Niet alleen werd, volgens de verklaringen van de N.V. B.B.B., de tussenkomst in hetzelfde subsidiedossier gedaan door de N.V. T., die hiervoor factureerde aan de N.V. B.B.B. bovendien stemmen noch de data, noch de vermeldingen op de factuur overeen met wat op 6 februari 1996 was overeengekomen (het contract spreekt o.m. over 4 specifieke vervaldagen en niet van maandelijkse prestaties) zodat de facturen fictief schijnen te zijn.

Eiseres bewijst de realiteit van de prestaties, vermeld in de facturen, niet.

3. De factuur 96/89 spreekt over «vergoeding overeenkomstig contract d.d. 31 oktober 1996».

Eiseres laat na dit contract voor te leggen of enig ander stuk zodat het bewijs niet wordt geleverd dat deze diensten daadwerkelijk werden uitgevoerd.

4. De kwestieuze facturen bevatten derhalve onjuiste vermeldingen die nodig zijn om na te gaan of de in de aangifte vermelde diensten beantwoorden aan de werkelijkheid, bovendien is de datum van de dienst essentieel voor het bepalen van het tijdstip waarop de B.T.W. opeisbaar wordt, zodat door verweerder terecht een boete werd opgelegd.

Bovendien werden deze overtredingen - gelet op hun aantal - geenszins toevallig begaan doch staat het frauduleuze karakter ervan vast, nu zij inzonderheid als doel of resultaat hebben de ontduiking mogelijk te maken van de inkomstenbelastingen. Het is niet omdat eiseres de op de facturen aangerekende B.T.W. heeft afgedragen dat er geen ontduikingsmogelijkheden worden gecreëerd in de vennootschapsbelasting.

4.5. Rekening houdend met het feit dat eiseres de verschuldigdheid van de andere sommen, gevorderd in het proces-verbaal van 5 maart 1999, niet betwist, wordt verweerder veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van 13.877.022 frank.

Dit bedrag bestaat uit 2.166.352 frank en 8.588.054 frank (tabel 4 en 5 P.V. d.d. 5 maart 1999) overeenkomstig de overwegingen onder 4 januari en 4 februari en 3.122.616 frank (zie p. 7 P.V. d.d. 5 maart 1999) overeenkomstig de overwegingen onder 4.3.

Beschikkend gedeelte

Op die gronden,

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd;

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en de hierna bepaalde mate gegrond:

Veroordeelt de Belgische Staat tot terugbetaling van het bedrag te vermeerderen met de wettelijke moratoriumintresten vanaf de dag van de betaling;

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, tot dusver begroot als volgt:

- aan de zijde van eiseres;

- aan de zijde van verweerder.

Aangehaalde teksten

12

Vergelijkbare beslissingen

8