Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 19.06.2000
Dwangbevel - Feitelijk vermoeden
Tijdens een B.T.W.-controle worden bij een forfaitaire B.T.W.-belastingplichtige een aantal overtredingen op de B.T.W.-wetgeving vastgesteld. De nagevorderde bedrage worden voldaan "onder voorbehoud van alle welkdanige rechten". Het dwangbevel dat in dit verband werd uitgevaardigd was geldig en voldeed aan alle wettelijke voorschriften. Nittegenstaande de argumenten van de B.T.W.-belastingplichtige is de rechtbank duidelijk van oordeel dat de rechten van de verdediging niet geschonden zijn, en dat de inlichtingen die door de Administratie worden ingewonnen naar aanleiding van de inzage van het strafdossier van een bepaalde B.T.W.-belastingplichtige, ook kunnen gebruikt worden voor het vestigen van de belasting ten laste van andere belastingplichtigen. In casu werd door de Administratie beroep gedaan op reeks van feitelijke gegevens die een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen ten bewijze van zwarte leveringen.
Vierde kamer
Alleenrechtsprekend rechter: Dhr. N. Haemers
Gedelegeerd adjunct-griffier: Mevr. N. Lhoëst
Partij: V•••••••• J••••• t. De Belgische Staat
Rolnr.: 91/4295/A
I
RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 10 december 1991.
Gelet op de verwijzing van deze zaak de dato 22 november 1999, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.
De Rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 15 mei 2000.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II
BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1.
Eiser heeft ingevolge de toepassing van artikel 4 WBTW. de hoedanigheid van belastingplichtige en is voor zijn geregelde beroepsactiviteit van bakker onderworpen aan de forfaitaire regeling ingesteld bij artikel 56, § 1 WBTW..
Op 10 januari 1989 werd bij eiser een toezicht van de boekhouding gehouden teneinde bij toepassing van artikel 61, § 1 WBTW. de juiste toepassing van de BTW.-wetgeving voor de periode van 1 januari 1985 tot en met 31 december 1987 na te gaan.
De vastgestelde overtredingen werden opgenomen in het proces-verbaal van 11 januari 1991.
Ingevolge de niet betaling binnen de daartoe bepaalde termijn werd door de BTW-ontvanger te Oostende op 6 maart 1991 een dwangbevel uitgevaardigd, dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd verklaard op 13 maart 1991 door de waarnemende directie-inspecteur daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW-administratie.
De processen-verbaal de dato 28 september 1990 en 11 januari 1991 werden samen met het dwangbevel aan betrokkene betekend op 21 maart 1991 bij deurwaardersexploot.
Op 27 april 1991 werd de volledige schuld door eiser voldaan "onder voorbehoud van alle welkdanige rechten".
2.2.
Eiser vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het bestreden dwangbevel, uitgevaardigd op 6 maart 1991 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 13 maart 1991, nietig, onwettig en ongegrond is en derhalve geen enkel gevolg kon en mocht hebben. Verder wordt gevraagd dat verweerder wordt veroordeeld tot de integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald, te vermeerderen met de wettelijke fiscale rente van 0,8% per maand.
Tevens vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
2.3.
Verweerder vraagt dat het verzet ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
III
BEOORDELING
3.1
nopens de regelmatigheid van het dwangbevel
3.1.1.
Van het origineel dwangbevel de dato 6 maart 1991 wordt een afschrift, hetwelk wettelijk vermoed wordt conform aan het origineel te zijn, doch er evenwel niet formeel voor éénsluidend mee wordt verklaard, ter betekening overgemaakt aan de gerechtsdeurwaarder.
Aangezien de gerechtsdeurwaarder het dwangbevel voor gelijkluidend met het origineel heeft verklaard, is het vaststaand dat een met het origineel overeenstemmend afschrift van het dwangbevel aan eiser werd ter hand gesteld. Dat het betekende afschrift niet zou overeenstemmen met het origineel zijn beweringen die door niets worden bewezen en die ingaan tegen de - niet van valsheid betichte - vaststellingen van een ministerieel ambtenaar.
Er weze desbetreffend vastgesteld dat er ten deze geen enkele nietigheid bestaat, vermits er niet eens een wettelijke bepaling bestaat, die op straffe van nietigheid aan de bevoegde ambtenaar de verplichting oplegt het ter betekening afgeleverd afschrift van het dwangbevel voor éénsluidend te verklaren en waar deze vermoed worden éénsluidend te zijn met het origineel.
De gerechtsdeurwaarder mag en moet aanvaarden dat de hem ter betekening door de ontvanger afgeleverde afschriften overeenstemmen met de originelen. De hoedanigheid dezer ambtenaar staat borg voor de juistheid dezer stukken.
In tegenstelling met wat eiser voorhoudt is het betekende dwangbevel derhalve niet aangetast door een absolute nietigheid.
3.1.2.
Het dwangbevel, hetwelk ontegensprekelijk een authentieke akte uitmaakt, dient in de op hem toepasselijke wettelijk voorgeschreven vorm te zijn opgemaakt, te weten overeenkomstig de bepalingen van artikel 85, § 1 WBTW., luidende als volgt: "Bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar".
Het visum en de uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel maken dus de voorzegde wettelijk voorgeschreven vorm uit en zijn dus de wettelijke vereisten zonder dewelke het dwangbevel niet uitvoerbaar is. Zij voegen uiteraard niets toe aan het dwangbevel, doch zij zijn een wettelijke voorwaarde opdat het dwangbevel tot een uitvoerbare titel zou geworden. Derhalve is de rechtsgeldige naleving van voorzegde bepaling een strikte noodzaak.
Evenwel mogen geen andere of meerdere vereisten, dan bij wet bepaald, worden gesteld. Aldus wordt door geen enkele wettelijke bepaling vereist dat de delegatie zelf bij dit dwangbevel wordt gevoegd, mede ter kennis wordt gebracht of wordt betekend noch dat deze delegatie een, conform artikel 1328 B.W. vast datum zou hebben. Teneinde aldus aan de wettelijke bepalingen te voldoen, is het vereist, doch volstaat het, dat het visum en de uitvoerbaarverklaring, benevens de datum, de naam van de ambtenaar die het heeft geviseerd en uitvoerbaar verklaard, vermeldt, gevolgd door diens handtekening, desgevallend met de vermelding van de aanwijzing door de gewestelijke directeur van de administratie, ingeval het niet deze laatste is die het visum en de uitvoerbaarverklaring heeft verleend.
Het litigieuze dwangbevel voldoet aan al deze vereisten. In casu werd het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door mevrouw Anne Vandenberghe, waarnemend directie-inspecteur van de BTW te Brugge.
In tegenstelling met wat eiser stelt, werd het dwangbevel wel degelijk geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de daartoe aangewezen ambtenaar en werd het betekeningsexploot wel degelijk ondertekend door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder.
3.2
nopens het inzagerecht in het strafdossier
3.2.1.
In het schrijven de dato 21 december 1987, 25 februari 1988 en 29 april 1988, uitgaande van de heer procureur-generaal van het parket bij het hof van beroep te Brussel wordt op grond van artikel 211 van het wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen aan de bevoegde ambtenaren toelating tot inzage en afschrift van de stukken van het strafdossier ten laste van de NV Ceres verleend.
Voormelde machtiging die de procureur-generaal heeft verleend aan verweerder houdt in dat verweerder de aldus ingezamelde gegevens rechtmatig heeft gekregen en kan gebruiken voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
In tegenstelling met wat eiser voorhoudt is de belastingheffing derhalve niet gebaseerd op onwettig verkregen inlichtingen.
3.2.2.
Eiser stelt verder dat hij geschonden is in zijn rechten van verdediging aangezien het volledig strafdossier waarop verweerder zich beroept om een dwangbevel uit te vaardigen niet medegedeeld werd.
De Rechtbank stelt vast dat eiser kennis heeft gekregen van bepaalde stukken uit het gerechtelijk onderzoek lastens de NV Ceres. Enerzijds werden uittreksels uit de processen-verbaal van verhoor van de afgevaardigde-beheerder, de vertegenwoordigers en de personeelsleden van de NV Ceres opgenomen in het proces-verbaal de dato 28 september 1990 (stuk 2 verweerder), dat samen met het dwangbevel aan eiser werd betekend en anderzijds heeft verweerder de voor eiser belangrijke stukken uit de strafinformatie aan laatstgenoemde medegedeeld.
Het is in casu duidelijk dat de rechten van verdediging geenszins zijn geschonden.
3.3
nopens het bewijs ten gronde
3.3.1.
Het Hof van Cassatie is de mening toegedaan dat de inlichtingen die door de Administratie worden ingewonnen naar aanleiding van de inzage van het strafdossier van een bepaalde belastingplichtige, ook gebruikt kunnen worden voor het vestigen van de belasting ten laste van andere belastingplichtigen, behoudens wanneer de toelating van de procureur-generaal hierbij een beperking inhield (Cass. 8 oktober 1993, Fisc. Koer., p. 93/648; Cass., 29 april 1994, F.J.F., nr. 94/116).
In casu houden noch de verzoeken van de fiscus noch de verleende toelating van de procureur-generaal enige beperking in betreffende de persoon lastens wie de ontdekte of bekomen inlichtingen, stukken, processen-verbaal of akten kunnen worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.
In tegenstelling met wat eiser voorhoudt, mag verweerder de bekomen informatie uit voormeld strafdossier dus wel degelijk aanwenden tegen eiser.
3.3.2.
De verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete kan door verweerster aangetoond worden via het bewijs door feitelijke vermoedens (art. 59 WBTW.).
Overeenkomstig art. 1349 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.
Het is de rechter die soeverein oordeelt of het feit waarop hij zich steunt, al dan niet bekend is en hij kan een feitelijk vermoeden afleiden uit een geheel van gegevens, ook al geven die gegevens, elk afzonderlijk genomen, geen voldoende zekerheid.
In de rechtspraak wordt algemeen aanvaard dat gegevens uit geschriften en verklaringen uitgaande van derden een geheel van vermoedens kunnen vormen die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmen en bijgevolg voldoen aan de bewijsvoering door feitelijke vermoedens zoals bepaald in art. 1353 B.W..
Door verweerster wordt in casu beroep gedaan op een reeks van feitelijke gegevens die een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens moeten vormen ten bewijze van de zwarte leveringen.
Bij de beoordeling van deze feitelijke gegevens dient gesteld dat deze samen in overweging moeten genomen worden teneinde te kunnen oordelen of er al dan niet sprake is van een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens.
3.3.3.
Een reeks gelijkluidende verklaringen van de bestuursleden en de verantwoordelijken van de NV Ceres, het feit dat veel bakkers-afnemers de afname van bloem zonder factuur hebben toegegeven en op fiscaal vlak een akkoord hebben ondertekend, de schriftelijke verklaring op 11 januari 1989 van de heer E. S•••••• , handelend als tussenpersoon bij de aankoop van bloem bij de NV Ceres, waarbij deze toegaf dat hij klanten-bakkers had die door zijn bemiddeling bloem in het zwart afnamen bij de NV Ceres en een afzonderlijke niet-officiële boekhouding van de NV Ceres bewijzen afdoende dat voormelde firma "zwarte leveringen" deed.
Daarbij komen nog de vaststellingen dat eiser in de betrokken periode een zeer geregelde afnemer was van de NV Ceres en dat eiser in de occulte boekhouding van de NV Ceres (teruggevonden zwarte verzamelbladen en lijsten) voorkomt voor 8070 kg. aankoop zonder factuur in 1986 en voor 4710 kg. aankoop zonder factuur in 1987. Deze hoeveelheid "zwarte aankopen" wordt trouwens ook bevestigd door het "geel notitieboek" van de heer E. S•••••• . Uit het voorgelegde stukken 30 en 31 van verweerder blijkt immers dat er door bemiddeling van de heer E. S•••••• in de periode 1986-1987 voor 12.780 kg. zwarte leveringen zijn gebeurd aan eiser.
De Rechtbank kan akkoord gaan met eiser dat indien documenten bij derden (NV Ceres) worden gevonden, zij in principe niet tegen de belastingplichtige (eiser) kunnen ingeroepen worden, indien deze er de juistheid van betwist. Zij kunnen echter wel tegen hem gebruikt worden aangezien het in casu om stukken gaat die dergelijke aanwijzingen bevatten omtrent veelvuldige en herhaalde handelsverrichtingen zodat er geen reden meer is om aan de ernst en de waarachtigheid te twijfelen.
In tegenstelling met wat eiser voorhoudt maakt dit alles derhalve een bewijskrachtig geheel uit van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zoals bepaald in artikel 59 WBTW., die de effectieve "zwarte" leveringen van de goederen aan eiser bewijzen en waardoor tot de verschuldigdheid van de belasting kan worden besloten.
3.3.4.
Bij de bepaling van de meeromzet steunt verweerder zich terecht op de toepassing van artikel 9 van het K.B. nr. 2 van 7 november 1969, waardoor alle gefactureerde en niet-gefactureerde aangekochte goederen, behoudens tegenbewijs, geacht worden te zijn verkocht onder belastbare omstandigheden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 6450,- Bf., uit hoofde van de rechtplegingsvergoeding.
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.
De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.