Koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969, met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen · Koninklijke besluiten

Naar de tekst
Juriel

01.01.2019 nr. 2

Zoeken
Niet meer van kracht

Koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969, met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen

https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-2-november-betrekking-vaststelling-forfaitaire-grondslagen-abd1

Opgeheven op
01.01.2019
Besluit
nr. 2

Over het document

Verzameling
Koninklijke besluiten
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

18 artikelen

Btw, Koninklijk besluit nr. 2, van 7 november 1969, met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde

(Uitvoering van de artikelen 53, 54, 56 § 1, 77 en 80 van het Wetboek van de BTW)

Opgeheven, met ingang van 01.01.2019 (KB 19.12.2019, B.S. 31.12.2018, pg. 106611. Erratum B.S. 11.01.2019, pg. 875)

Dit koninklijk besluit werd met ingang van 01.01.2019 opgeheven en vervangen door het Koninklijk besluit nr. 2, van 19 december 2018, met betrekking tot de forfaitaire regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde

(De tekst van KB nr. 2, artikel 1, § 1, inleidende zin, werd gewijzigd met ingang van 16.05.2014. (Art. 5, KB 24.01.2015, B.S. 20.02.2015 – Ed. 2, pg. 13872))

1)

Forfaitaire grondslagen van aanslag worden, wanneer zulks mogelijk is, door de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde per bedrijfssector vastgesteld, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, voor de belastingplichtigen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

1°

een fysieke persoon zijn of een vennootschap onder firma, een gewone commanditaire vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid;

2°

beroepswerkzaamheden uitoefenen die voor ten minste 75 pct. van de omzet bestaan uit handelingen waarvoor geen verplichting bestaat tot uitreiking van een factuur voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;

3°

een jaaromzet hebben die niet meer bedraagt dan 750.000 EUR , exclusief belasting over de toegevoegde waarde .

2)

De forfaitaire grondslagen van aanslag kunnen door de administratie worden toegepast op de belastingplichtigen die niet voldoen aan de in § 1, 2° , gestelde voorwaarde, wanneer de handelingen waarvoor de uitreiking van een factuur verplicht is, geschieden ten bate van een gering aantal personen of betrekking hebben op hoeveelheden van goederen die niet merkelijk hoger zijn dan deze welke gewoonlijk aan particulieren worden geleverd.

lid 2

In geen geval mogen de handelingen waarvoor de uitreiking van een factuur verplicht is 40 pct. van de omzet overtreffen.

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 2, is van toepassing met ingang van 01.01.1970 (KB 07.11.1969)

lid 2Voor de toepassing van het vorige artikel moet rekening worden gehouden :

a)

met de totale omzet van de verschillende beroepswerkzaamheden die door dezelfde belastingplichtige worden uitgeoefend;

b)

met de totale omzet van de beroepswerkzaamheden die, in onverdeeldheid of in vereniging, door verschillende belastingplichtigen worden uitgeoefend.

lid 2

Wanneer echtgenoten een onderscheiden beroepswerkzaamheid uitoefenen wordt afzonderlijk rekening gehouden met de omzet van ieder van de echtgenoten, ongeacht hun huwelijksvoorwaarden.

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 3, is van toepassing met ingang van 01.01.1970 (KB 07.11.1969)

lid 2De administratie kan, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, per bedrijfssector biezondere forfaitaire grondslagen van aanslag vaststellen ten aanzien van belastingplichtigen die hun werkzaamheid uitoefenen in gelijkaardige biezondere omstandigheden, onder meer wegens de aard of de hoedanigheid van de door hen geleverde goederen of de aard van de door hen verrichte diensten, of wegens hun wijze van bevoorrading of de door hen toegepaste winstmarges.

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 4, derde lid, is gewijzigd met ingang van 01.04.2014 (Art. 2, KB 27.11.2014, B.S. 08.12.2014 – Ed. 3, pg. 100135)

lid 2Ten aanzien van belastingplichtigen die hun werkzaamheid uitoefenen in omstandigheden die het onmogelijk maken de vastgestelde forfaitaire grondslagen van aanslag, zelfs de biezondere, toe te passen, kunnen deze grondslagen, op verzoek van de belanghebbenden, door de administratie worden aangepast aan de werkzaamheid van die belastingplichtigen.

lid 3Van de krachtens het vorige lid genomen beslissing wordt aan de belastingplichtige kennis gegeven bij aangetekende brief, door het hoofd van het controlekantoor waaronder hij ressorteert.

lid 4Heeft de belastingplichtige binnen een maand van die betekening, aan de genoemde ambtenaar niet te kennen gegeven dat hij zich wil houden aan de normale regeling van de belasting, dan is de beslissing op hem van toepassing en wordt hij geacht onderworpen te zijn aan de forfaitaire regeling van artikel 56 van het Wetboek.

art. 5

(De tekst van KB nr. 2, artikel 5, § 1, is van toepassing met ingang van 01.12.1994. (Art.4, KB 22.11.1994)

1)

De belastingplichtige die aan de forfaitaire regeling is onderworpen bij toepassing van de artikelen 1, 3 en 4 van dit besluit, kan opteren voor de normale regeling van de belasting.

lid 2

De optie moet worden gedaan vóór 15 maart bij aangetekende brief gericht aan het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert. Zij heeft uitwerking vanaf 1 april van hetzelfde jaar.

lid 3

De belastingplichtige kan slechts opnieuw overgaan naar het forfait na gedurende twee volle jaren aan de normale regeling van de belasting onderworpen te zijn geweest.

2)

De belastingplichtige, die volgens de normale regeling van de belasting wordt belast, kan opteren voor de forfaitaire regeling wanneer hij de bij dit besluit gestelde voorwaarden vervult.

lid 2

De optie moet worden gedaan vóór 15 maart bij aangetekende brief gericht aan het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert. Zij heeft uitwerking vanaf 1 april van hetzelfde jaar.

art. 6

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 6, is van toepassing met ingang van 23.06.2006. (Art. 1, KB 10.06.2006) B.S. 23.06.2006)

lid 2De belastingplichtige die de voorwaarden niet meer vervult om te worden belast volgens de forfaitaire regeling wordt onderworpen aan de normale regeling van de belasting te rekenen van de eerste dag van het kalenderkwartaal na dat waarin zijn toestand werd gewijzigd.

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 7, is van toepassing met ingang van 01.01.1970 (KB 07.11.1969)

lid 2In de loop van ieder jaar stelt de administratie forfaitaire grondslagen vast voor het berekenen van de belasting die de belastingplichtigen in de loop van het volgende jaar zullen moeten betalen.

lid 3Die grondslagen kunnen in de loop van dit laatste jaar worden gewijzigd, om rekening te houden met de gevoelige wijzigingen die ondertussen zouden zijn ingetreden in de samenstellende elementen van het forfait.

lid 4De grondslagen die werden vastgesteld overeenkomstig het eerste en het tweede lid van dit artikel zijn definitief voor zover de wijzigingen, die na het vaststellen van de grondslagen in de samenstellende elementen van het forfait zouden zijn ingetreden, de forfaitair berekende omzet niet ten minste 2 pct. hebben gewijzigd.

lid 5De forfaitaire grondslagen van aanslag en de eventuele wijzigingen worden door de administratie vastgesteld na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen.

lid 6De tekst van de beslissingen betreffende de forfaits wordt ter beschikking van de belanghebbenden gesteld in de controlekantoren van de belasting over de toegevoegde waarde.

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 8, is van toepassing met ingang van 01.01.1970 (KB 07.11.1969))

lid 2De bedrijfsgroeperingen die geraadpleegd wensen te worden voor het vaststellen van de forfaitaire grondslagen van aanslag dienen ieder jaar vóór 1 februari, aan de administratie de gedetailleerde en becijferde elementen te verschaffen die nodig zijn voor het vaststellen van die forfaitaire grondslagen.

art. 9/1

1 document

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 9/1, is van toepassing met ingang van 01.01.1993. (Art.1, A en B, KB 29.12.1992))

lid 2De belastingplichtige die onderworpen is aan de forfaitaire regeling wordt, behoudens tegenbewijs, geacht al de goederen die aan hem werden geleverd, die hij intracommunautair heeft verworven of die hij heeft ingevoerd te hebben geleverd, al dan niet na be- of verwerking, of ze te hebben gebruikt bij de uitvoering van diensten, onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Dit vermoeden vindt toepassing op ieder aangiftetijdvak, tenzij zulks anders zou worden beslist door of vanwege de Minister van Financiën of bij het vaststellen van de forfaitaire grondslagen van aanslag.

lid 3Wanneer de belastingplichtige niet jaarlijks een inventaris van zijn voorraad opmaakt, wordt die voorraad geacht constant te zijn gebleven.

lid 4Wanneer de belastingplichtige jaarlijks een inventaris van zijn voorraad opmaakt, wordt voor het vaststellen van de omzet van het tijdvak waarin de inventaris wordt opgemaakt het bedrag van de inkopen, de intracommunautaire verwervingen en de invoeren, naargelang van het geval, vermeerderd of verminderd met het verschil in waarde, uitgedrukt in inkoopprijzen, van de goederen die in de opeenvolgende inventarissen van zijn voorraad werden opgenomen.

art. 9/2

(De tekst van KB nr. 2, artikel 9/2, § 1, vijfde lid, werd vervangen met ingang van 01.04.2014. (Art. 3, KB 27.11.2014, B.S. 08.12.2014 – Ed. 3, pg. 100135))

1)

De belastingplichtige die aan de normale regeling van de belasting onderworpen is, kan overgaan naar de forfaitaire regeling voor zover hij voldoet aan de voorwaarden die voor de toepassing van die regeling zijn bepaald en voor zover hij op het tijdstip van de overgang een inventaris opmaakt van zijn voorraad op de wijze voorgeschreven in § 2.

lid 2

De goederen die opgenomen zijn in de inventaris van overgang worden geacht te zullen worden geleverd, al of niet na be- of verwerking, of gebruikt te zullen worden bij de uitvoering van diensten, onder de forfaitaire regeling welke door de belastingplichtige wordt gevolgd. De toepassing van die regeling op de bovenvermelde goederen wordt opgeschort tot bij het verstrijken van het jaar waarin de overgang plaatsvond; zij vindt plaats volgens het onderscheid, gemaakt in de hiernavolgende leden.

lid 3

Indien de belastingplichtige een inventaris van zijn voorraad opmaakt bij het verstrijken van het jaar waarin de overgang plaatsvond, wordt de in artikel 9/1, derde lid, bepaalde inregelstelling toegepast, indien uit de vergelijking van de laatste inventaris met de inventaris van overgang blijkt dat de voorraad vermeerderd of verminderd is.

lid 4

Indien de belastingplichtige bij het verstrijken van het jaar waarin de overgang plaatsvond geen inventaris van zijn voorraad opmaakt, wordt de belasting die verschuldigd is krachtens het vermoeden dat in het tweede lid is opgenomen, voor de goederen begrepen in de inventaris van overgang berekend op de waarde, uitgedrukt in inkoopprijzen van die goederen volgens de tarieven van de belasting en de forfaitaire coëfficiënten die van toepassing zijn voor het voormelde jaar. De belasting is opeisbaar, en dit ten belope van één vierde van haar bedrag, bij het verstrijken van elk kalenderkwartaal van het daaropvolgende jaar. Door of vanwege de Minister van Financiën wordt de wijze van de betaling van die belasting bepaald.

lid 5

Dezelfde regelen zijn van toepassing wanneer een kleine onderneming die onderworpen is aan de door artikel 56bis van het Wetboek ingestelde vrijstellingsregeling van belasting, overgaat naar de forfaitaire regeling en de teruggaaf bekomt die verleend wordt door artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 19 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen.

2)

De inventaris van overgang moet de gedetailleerde aanduiding bevatten van de aard, de hoeveelheid en de waarde, uitgedrukt in inkoopprijs, van de goederen in voorraad.

lid 2

Die goederen moeten bovendien worden gegroepeerd volgens de uitsplitsing van het boek voor inkomende facturen, die voorgeschreven is door de forfaitaire regeling welke door de belastingplichtige zal worden gevolgd.

(De tekst van KB nr. 2, artikel 10, § 1, vijfde lid, werd vervangen met ingang van 01.04.2014. (Art. 4, KB 27.11.2014, B.S. 08.12.2014 – Ed. 3, pg. 100135))

1)

De belastingplichtige die onderworpen is aan de forfaitaire regeling kan bij overgang naar de normale regeling van de belasting teruggaaf verkrijgen van de belasting die hij voldaan heeft voor de goederen die voor de toepassing van de forfaitaire regeling als geleverd worden beschouwd doch die hij nog in voorraad heeft.

lid 2

De terug te geven belasting wordt berekend over de waarde waarop de belastingplichtige bij toepassing van de forfaitaire regeling werd belast.

lid 3

De teruggaaf is ondergeschikt aan de indiening bij het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert, van een inventaris van de voorraad, in twee exemplaren, binnen een maand vanaf de datum van de wijziging van de belastingregeling. De inventaris moet de gedetailleerde aanduiding bevatten van de hoeveelheden goederen in voorraad en de maatstaf aanduiden waarover de belasting over de toegevoegde waarde werd berekend bij de verkrijging van deze goederen.

lid 4

De teruggaaf heeft plaats overeenkomstig de regelen bepaald door of ter uitvoering van de artikelen 78 en 80 van het Wetboek.

lid 5

Dezelfde regelen zijn van toepassing wanneer een belastingplichtige die onderworpen is aan de forfaitaire regeling overgaat naar de vrijstellingsregeling van belasting, voorzien in artikel 56bis van het Wetboek, en de herziening dient te verrichten bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 19 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen.

2)

De teruggaaf bedoeld in § 1 wordt beperkt tot de belasting die betrekking heeft op de vermeerdering van de voorraad ten opzichte van de laatste inventaris die sedert de inwerkingtreding van het Wetboek werd opgemaakt en waarmede rekening werd gehouden voor de berekening van de belasting over de toegevoegde waarde.

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 11, is van toepassing met ingang van 01.01.1993. (Art.4, KB 29.12.1992)

lid 2Wanneer de belastingplichtige die onderworpen is aan de forfaitaire regeling handelingen verricht die van de belasting zijn vrijgesteld of waarvoor geen forfaitaire grondslagen van aanslag werden vastgesteld, wordt bij de forfaitaire vaststelling van de omzet geen rekening gehouden met de goederen die aan hem werden geleverd, die hij intracommunautair heeft verworven of die hij heeft ingevoerd en die voor de bedoelde handelingen werden gebruikt. De belastingplichtige dient het bewijs te leveren van dat gebruik.

lid 3In de gevallen en onder de voorwaarden te bepalen door of vanwege de Minister van Financiën kunnen afwijkingen worden toegestaan van het bepaalde in dit artikel.

art. 12

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 12, is van toepassing met ingang van 01.01.1993. (Art.5, KB 29.12.1992 en Art.5, KB 22.11.1994)

lid 2Ten aanzien van de belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de forfaitaire regeling kan de administratie, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, het houden voorschrijven van de geschriften die nodig zijn voor de juiste toepassing van de forfaitaire regeling.

lid 3In afwijking van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, zijn die belastingplichtigen ervan ontheven een stuk op te maken voor de vaststelling van in artikel 12, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek bedoelde handelingen die betrekking hebben op goederen die in aanmerking worden genomen voor de toepassing van de forfaitaire regeling.

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 13, is van toepassing met ingang van 18.09.2001. (Art.2, KB 05.09.2001)

lid 2Belastingplichtigen die worden belast volgens de forfaitaire regeling zijn gehouden :

1°

met het oog op het opstellen van hun periodieke aangiften een stuk op te maken met de berekening van hun omzet volgens de forfaitaire grondslagen van aanslag;

2°

de herziening van de belasting die voortvloeit uit de wijzigingen die in de forfaitaire grondslagen van aanslag van het vorige jaar zijn aangebracht ter uitvoering van artikel 7, derde lid, van dit besluit, in voorkomend geval te begrijpen onder de aangifte in te dienen uiterlijk op 20 oktober van ieder jaar en een stuk op te maken ter verantwoording van het bedrag van die herziening.

lid 2

Die stukken dienen ter inzage te worden gelegd op het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert, op ieder verzoek van het hoofd van dat kantoor.

art. 14

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 14, eerste lid, is van toepassing met ingang van 01.01.2004. (Art.1, KB 20.02.2004) B.S. 27.02.2004

lid 2De belastingplichtige die zijn werkzaamheid aanvangt wordt onderworpen aan de voor zijn sector ingestelde forfaitaire regeling wanneer hij in de bij artikel 53, § 1, eerste lid, 1°, van het Wetboek, bedoelde aangifte verklaart dat naar alle waarschijnlijkheid zijn beroepswerkzaamheid zal voldoen aan de voorwaarden die voor de toepassing van de forfaitaire regeling zijn bepaald.

lid 3Ondanks de in het vorige lid bedoelde aangifte, kan de administratie beslissen dat de belastingplichtige zich aan de normale regeling van de belasting moet onderwerpen wanneer duidelijk uit de omstandigheden blijkt dat de voor de toepassing van de forfaitaire regeling gestelde voorwaarden niet vervuld zullen zijn. Van deze beslissing wordt aan de belastingplichtige kennis gegeven bij aangetekende brief.

art. 15

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 15, is van toepassing met ingang van 01.01.1970 (KB 07.11.1969)

lid 2(Vervallen).

art. 16

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 16, is van toepassing met ingang van 01.01.1970 (KB 07.11.1969)

lid 2Dit besluit treedt in werking op dezelfde datum als de wet van 3 juli 1969 houdende het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

art. 17

lid 1(De tekst van KB nr. 2, artikel 17, is van toepassing met ingang van 01.01.1970 (KB 07.11.1969)

lid 2Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Aangehaalde teksten

10
WBTW art. 532 voorkomens
WBTW art. 562 voorkomens
WBTW art. 56bis2 voorkomens
KB nr. 1 art. 31 voorkomen
WBTW art. 121 voorkomen
WBTW art. 541 voorkomen
WBTW art. 781 voorkomen
WBTW art. 801 voorkomen

Rechtspraak

10

België

10

Bekijk alle 10

Administratieve doctrine

97

48 documenten hangen aan een welbepaald punt van het artikel, 2 verwijzen naar geen enkel bijzonder punt, 57 verwijzen naar een punt dat de gepubliceerde tekst niet draagt. De koppeling wordt in de tekst van de documenten gelezen.

Bekijk de 107 documenten