Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 19.11.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER B, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 05/410/A
D. J., bedrijfsleider, wonende te …, …, ondememingsnummer ….
eiser,
vertegenwoordigd door mr. C. R. loco mr. L. P., advocaat te …, ….
tegen :
ADMINISTRATIE VAN DE BTW. REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 46.
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. D. D. loco mr. R. F., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 16.02.2005;
- de besluiten, aanvullende conclusies, en stukken van verweerder;
- de conclusies van eiser.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN
Eiser was als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het BTW-nummer BE … ingevolge de door hem uitgevoerde activiteit van uitbater van een café. Uit hoofde van deze beroepswerkzaamheid was eiser onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.
Bij brief van 17.06.2002 vroeg eiser de vrijstellingsregeling aan, zoals voorzien in art. 5?, § 2 W.BTW. Deze regeling is evenwel onderworpen aan bepaalde voorwaarden dewelke uiteengezet zijn in het KB nr. 19 van 29.12.1992.
Naar aanleiding van dit verzoek om over te gaan op de vrijstellingsregeling heeft S. D. S., inspecteur bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW, verbonden aan het BTW-controlekantoor Tongeren 1, na voorafgaandelijke verwittiging, bij eiser op 19.02.2004 een BTW-controle verricht over de periode 01.01.2001 tot 31.12.2003.
Eiser kon tijdens de controle geen enkel boekhoudkundig stuk voorleggen dat betrekking had op die periode. Hij verklaarde dat hij vanaf 01.01.2000 een vennootschap "BVBA R." had opgericht die de uitbating van het café had verder gezet en dat hij aldus zelf geen handelingen betreffende de periode vanaf 01.01.2000 meer diende aan te geven.
Eiser had bij de oprichting van zijn vennootschap de uitrustingsgoederen van zijn café niet ingebracht in de vennootschap, maar verhuurde ze eraan en ontving daarvoor een maandelijks huurbedrag. Uit de geregistreerde roerende huurovereenkomst die werd opgemaakt op 05.01.2001 en geregistreerd op 25.07.2002 bleek dat er een maandelijkse huur van 44.200 BEF (1.095,69 euro) was bedongen (zie bijlage bij stuk 1, bundel verweerder).
Uit nazicht van de jaarrekening van de BVBA R., rubriek kosten (diensten en diverse goederen), kostenrekening nummer … stond m.b.t. de jaren 2001 t.e.m. 2003 het volgende vermeld :
- resultatenrekening BEF per 31.12.2001 : … huur roerend (44.200) : 530.400 (13.148,28 euro);
- resultatenrekening EUR per 31.12.2002 : … huur roerend (1.095,69) : 13.112,28 euro;
- resultatenrekening EUR per 31.12.2003 : … huur roerend (1.189,73) : 14.276,76 euro.
Naar aanleiding van deze controle werd er op 02.03.2004 per gewone post een correctieopgave verstuurd naar eiser wegens het niet aangeven van de omzet van de roerende verhuur.
Daar eiser niet akkoord ging met de door de controleagent opgemaakte correctieopgave, werd er op 27.10.2004 een proces-verbaal opgesteld waarin de volgende bedragen werden gevorderd, te weten:
- wegens inbreuken op art. 53, eerste lid, 3e en 4e W.BTW en art. 18 KB nr. 1 van 29.12.1992 een bedrag van 8.520,40 euro aan BTW;
- als geldboete op grond van art. 70, § 1 W.BTW en verminderd en afgerond overeenkomstig art. 1 KB nr. 41 van 30.01.1987 (tabel G, afdeling I, rubriek V) van 1.700,00 euro;
- intresten overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand over de som van 8.520,00 euro te rekenen vanaf 21.01.2004.
(zie stuk 1, bundel verweerder).
Op 04.11.2004 werd tegen eiser een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 27.10.2004. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur a.i. van de BTW te Tongeren I·aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Hasselt op 08.11.2004 en bij exploot van gerechtsdeurwaarder M. R., plaatsvervanger van gerechtsdeurwaarder L. B. te Genk. van 30.11.2004 betekend aan eiser (zie stuk 2, bundel verweerder).
In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW, alsmede de vervolgingskosten.
Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 16.02.2005, stelde eiser een vordering in rechte in.
II. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering van eiser is dan ook ontvankelijk.
De door verweerder in ondergeschikte orde gestelde vordering, is tevens ontvankelijk.
2. Ten gronde
2.1. M.b.t. de verschuldigdheid van de BTW en geldboete
1. Overeenkomstig art. 4, § 1 W.BTW is een BTW-belastingplichtige eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen of diensten verricht die omschreven zijn in het wetboek, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.
De administratie is van oordeel dat de roerende verhuur een belastbare dienst is in de zin van art. 18, § 1, 2e lid, 4° W.BTW en dat deze dienst in België wordt verstrekt door een belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit.
Eiser is van oordeel dat de door hem gestelde handeling niet als een economische activiteit kan beschouwd worden. Hij verwijst dienaangaande naar art. 4, lid 2 van de vroegere Zesde BTW-Richtlijn en de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie dienaangaande.
2. Krachtens art. 4, lid 1 van de vroegere Zesde BTW-Richtlijn wordt als belastingplichtige beschouwd ieder die, ongeacht op welke plaats, zelfstandig een van de in lid 2 omschreven economische activiteiten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.
Art. 4, lid 2 van de vroegere Zesde BTW-Richtlijn stelt meer bepaald dat bedoelde economische activiteiten alle werkzaamheden omvatten van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt onder andere beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
Het Europees Hof van Justitie stelde in haar arrest van 26 september 1996 (zie H.v.J., 26 september 1996, inzake Enkler, C-230/94, Jur. H.v.J., 1996, I, 4517; F.J.F, nr. 99/35) dat de verhuur van een lichamelijke zaak in principe aan te merken is als een economische activiteit in de zin van voormeld art. 4, lid 2 wanneer die verhuur erop gericht is duurzaam opbrengsten te verkrijgen. De omstandigheid dat een zaak uitsluitend voor economische exploitatie geschikt is, volstaat in de regel om te kunnen aannemen dat de eigenaar ze ten behoeve van zijn economische activiteit exploiteert en dus om opbrengsten te verkrijgen. Indien daarentegen een zaak naar haar aard zowel voor economische doeleinden als voor privé-doeleinden kan worden gebruikt, moeten alle exploitatieomstandigheden worden onderzocht teneinde uit te maken of zij werkelijk worden gebruikt om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Het komt aan de nationale rechter toe een oordeel te vellen over het geheel van concrete gegevens. Daartoe kan een vergelijking worden gemaakt tussen de omstandigheden waarin de zaak daadwerkelijk wordt geëxploiteerd en die waarin de overeenkomstige economische activiteit in de regel wordt verricht, en, ofschoon de door de exploitant geboekte resultaten op zich niet geschikt zijn om te bepalen of de activiteit erop gericht is duurzame opbrengsten te verkrijgen, kunnen bij dat onderzoek de werkelijke duur van de verhuur van de zaak, de omvang van de clientèle en het bedrag van de opbrengsten in aanmerking worden genomen.
3. In 1996 begon eiser met de uitbating van een café en werd hij geregistreerd als belastingplichtige. Vanaf 1 januari 2000 werd de economische uitbating van het café overgenomen door de BVBA R., waarvan eiser de zaakvoerder is.
Uit de op 25.02.2002 geregistreerde huurovereenkomst blijkt dat de goederen die werden verhuurd zowel voor economische doeleinden (uitrusting van een café) als voor privé-doeleinden zouden kunnen worden gebruikt, zodat alle exploitatieomstandigheden moeten worden onderzocht, teneinde uit te maken of deze goederen werkelijk werden gebruikt om duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
Uit geen enkel objectief element blijkt dat eiser een werkelijke beroepsactiviteit van verhuur heeft uitgeoefend of hiertoe het voornemen heeft gehad.
Niettegenstaande de verhuur van deze goederen erop gericht kan zijn duurzaam opbrengsten te verkrijgen, dient uit de vergelijking van de omstandigheden waarin eiser de verhuur van deze goederen heeft verricht met de omstandigheden waarin de verhuur van dit somt goederen in de regel wordt verricht ongetwijfeld te worden afgeleid dat deze activiteit geen activiteit in de zin van art. 4, lid 2 van de vroegere Zesde BTW-Richtlijn betreft.
Bijgevolg dient eiser dan ook niet als een BTW-belastingplichtige te worden beschouwd (zie Rb. Antwerpen, 21 februari 2003, F.J.F., nr. 2003/144).
De aan eiser opgelegde geldboete is eveneens niet verschuldigd.
2.2. M.b.t. de in ondergeschikte orde gestelde vordering
In ondergeschikte orde en, voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat de verhuur van de roerende goederen in hoofde van eiser niet kan gelijk gesteld worden met het verrichten van een economische activiteit, vordert de administratie te zeggen voor recht dat eiser een onttrekking had moeten verrichten en vordert het dwangbevel uitvoer te verklaren ten bedrage van 8.283,41 euro.
De rechtbank stelt vast dat de administratie de haar rechtsgrond op basis waarvan zij BTW thans in ondergeschikte orde vordert, wijzigt en deze vordering niet gesteld is in het dwangbevel van 04.11.2004, zodat dit dwangbevel geenszins kan aangewend worden ter uitvoering van de thans gestelde BTW-vordering.
Op basis van de voorliggende stukken kan de rechtbank niet beoordelen of de goederen investeringsgoederen betreffen waarvoor er aftrek van BTW heeft plaatsgevonden.
De vordering is dan ook ongegrond.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
rechtdoende op tegenspraak.
Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond,
Zegt voor recht dat in het dwangbevel van 04.11.2004, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de waarnemend e.a. inspecteur a.i. van de BTW te Tongeren I, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 08.11.2004, gevorderde BTW, geldboete, intresten en kosten niet verschuldigd zijn door eiser.
Verklaart de door verweerder in ondergeschikte orde gestelde vordering ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van eiser op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer B, op het gerechtshof te Hasselt op 19.11.2009, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enige rechter, en
De Heer L. P., griffier.
L. P. M. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.