Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 05.01.2007 (04/372/A)
[Ongunstig voor de administratie]
Belasting over de toegevoegde waarde - controlemaatregelen – onderzoeksbevoegdheid - voorleggen documenten – fiscaal visitatierecht – voorlegging aanstellingsbewijs - forfaitaire regeling voor kappers – proces-verbaal – bewijskracht proces-verbaal
Wettelijke bepalingen
Art. 59, art. 61, § 1, eerste lid, 1° en 63, eerste lid, 1° WBTW;
Samenvatting
Bij een controle van verschillende leveranciers van producten voor kapsalons werd bij proces-verbaal van 28 mei 2003 vastgesteld, dat op de verkoopfacturen kortingen en gratis leveringen niet expliciet werden vermeld. Op verzoek van de administratie stelden die leveranciers een bestand samen waarop producten voorkomen die bestemd zijn voor verwerking in kapsalons en waarop de klant (haarkapper) ofwel een korting, ofwel gratis producten verkreeg. Deze gegevens werden door de administratie samengebracht in één bestand en gegroepeerd per btw-plichtige klant.
Op basis van die gegevens werd bij de eiser in dit geschil, een kapper onder de forfaitaire regeling, vastgesteld dat hij niet gefactureerde kortingen zou genoten hebben voor de jaren 1999, 2000 en 2001. Met toepassing van de forfaitaire regeling werd de omzet van de kapper bij proces-verbaal van 30 oktober 2003 herberekend. Het daaruit volgend dwangbevel werd voor de rechtbank betwist. Uit geen enkel objectief element blijkt bv. dat de ambtenaren bij de controle van de leveranciers in het bezit waren van een aanstellingsbewijs, wat volgens eiser onwettig zou zijn.
Het proces-verbaal van 30 oktober 2003 is gebaseerd op dat van 28 mei 2003. Indien dit proces-verbaal berust op onwettige onderzoeksdaden, werden de vaststellingen in dit proces-verbaal op onrechtmatige wijze verkregen en kunnen de vaststellingen dan ook niet tegen eiser gebruikt worden.
Art. 63, eerste lid, 1° WBTW vereist immers dat de ambtenaar voor de in deze bepaling vermelde onderzoeksbevoegdheid in het bezit is van zijn aanstellingsbewijs, terwijl art. 61, § 1WBTW dit geenszins vereist.
Uit geen enkel objectief element blijkt dat de ambtenaren tijdens de controle bij de leveranciers ter plaatse hebben nagegaan waar de boeken en stukken zich bevonden, en deze onderzocht hebben zonder de toestemming van de leveranciers. Integendeel, uit het proces-verbaal blijkt zeer duidelijk dat de leveranciers op verzoek van de ambtenaren, de boeken en stukken hebben voorgelegd teneinde de juiste heffing van de belasting in hun hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan zodat de ambtenaren, hun onderzoeksbevoegdheid putten uit art. 61, § 1 WBTW en geenszins uit art. 63, eerste lid, 1° WBTW.
Aangezien de ambtenaren hun onderzoeksbevoegdheid ontegensprekelijk putten uit art. 61, § 1 WBTW is het niet vereist dat zij in het bezit waren van een aanstellingsbewijs zodat er geen sprake is van onwettige onderzoekdaden.
De mededeling echter dat de kapper (eiser) kortingen of gratis producten heeft verkregen die niet vermeld werden op de verkoopfacturen werd niet door de ambtenaren vastgesteld, maar is slechts een gegeven dat zij afleidden uit de bestanden, eenzijdig samengesteld door 2 leveranciers, en aldus aan de beoordeling van de rechtbank is onderworpen. De vaststelling is het feit van het eenzijdig samenstellen van de bestanden, doch er werd niets vastgesteld omtrent de waarachtigheid van deze bestanden zodat de inhoud nog te bewijzen valt door de administratie.
Aangezien de eenzijdig samengestelde bestanden niet worden bevestigd of ondersteund door andere gegevens, en aangezien de eiser deze bestanden betwist, vormen zij op zichzelf geen afdoend bewijs tegen eiser.
Bijgevolg is geenszins bewezen dat de eiser van leveranciers kortingen en gratis producten heeft verkregen.
De rechtbank verklaart het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde.
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Vonnis van Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen
dd. 05.01.2007
(04/372/A)
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vijf januari tweeduizend en zeven
In openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden : P. W., enig rechter,
N. D., griffier.V. F., P., Kapper, wonende te …, …, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met BTW-nummer BE … EISENDE PARTIJ - verschijnende bij meester A. M. loco meester V. D., advocaat, kantoorhoudende te …, …
tegen :
Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door de inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te …, … VERWERENDE FARTIJ - verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 19 januari 2004,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 7 juni 2006,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer … van 03 mei 1998 en nr … van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 8 december 2006.
De inleidende vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. …, uitgevaardigd op 21 november 2003 en uitvoerbaar verklaard op 21 november 2003, te vernietigen, dienvolgens eiser te ontslaan van de betaling van de in dit dwangbevel gevorderde bedragen en verweerder te veroordelen tot integrale terugbetaling aan eiser van alle ten onrechte betaalde en/of ten onrechte ingehouden bedragen, meer de moratoriuminteresten bij toepassing van artikel 91 W.BTW, en verweerder tevens te veroordelen tot de kosten van het geding.
Bij conclusie, neergelegd ter griffie op 22 augustus 2006, heeft eiser zijn vordering uitgebreid teneinde verweerder te veroordelen
- tot terugbetaling aan eiser van alle erelonen en kosten van zijn advocaat sinds het arrest van 7 februari 2006, dewelke voorlopig begroot worden op … EUR onder voorbehoud van uitbreiding,
- tot betaling aan eiser van een morele schadevergoeding dewelke begroot wordt op … EUR.
Relevante feiten
Ter gelegenheid van de controle bij verschillende leveranciers van producten voor kapsalons werd bij proces-verbaal van 28 mei 2003 van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit vastgesteld dat op de verkoopfacturen en kortingen en gratis leveringen niet expliciet werden vermeld; op verzoek van de administratie stelden de verschillende leveranciers een bestand samen dat de facturen bevat waarop producten voorkomen die bestemd zijn voor de verwerking in kapsalons en waarop de klant ofwel een korting genoot ofwel gratis producten verkreeg; vervolgens werden deze gegevens door de administratie samengebracht in één bestand en gegroepeerd per BTW belastingplichtige (afnemer-klant).
In bijlage bij voornoemd proces-verbaal bevinden zich de samenvattende tabellen per jaar betreffende eiser, zijnde een kapper met als belastingregeling de forfaitaire regeling inzake BTW voor de herenkappers, dameskappers, heren- en dameskappers.
Uit deze samenvattende tabellen blijkt dat eiser kortingen zou genoten hebben, namelijk voor het jaar
- 1999 : … BEF
- 2000 : … BEF
- 2001 : … BEF
en tevens gratis producten zou verkregen hebben voor het jaar 2001 voor … BEF; voornoemde kortingen en gratis producten zouden op de verkoopfacturen niet expliciet vermeld zijn.
De BTW-administratie heeft inzage genomen van de bescheiden van het dossier van eiser en van voornoemd proces-verbaal van 28 mei 2003 waarop zij bij proces-verbaal van 30 oktober 2003 met toepassing van de forfaitaire regeling van de kappers de omzet van eiser heeft herberekend voor de jaren 2000 en 2001 rekening houdend met de beweerde niet op de facturen vermelde kortingen en gratis producten; hierdoor is eiser – volgens dit proces-verbaal van 30 oktober 2003 - … EUR BTW verschuldigd, een boete van … EUR en wettelijke interesten.
Bij gebreke aan betaling werd op 21 november 2003 het bestreden dwangbevel uitgevaardigd en uitvoerbaar verklaard.
Beoordeling
Betreffende de onwettige onderzoeksdaden
Het proces-verbaal van 30 oktober 2003 ten laste van eiser is gebaseerd op het proces-verbaal van 28 mei 2003, waarbij werd vastgesteld dat verschillende leveranciers van producten voor kapsalons op de verkoopfacturen de kortingen en gratis leveringen niet expliciet vermeldden, zodat beide processen-verbaal één geheel uitmaken.
Indien het proces-verbaal van 28 mei 2003 berust op onwettige onderzoeksdaden, werden de vaststellingen in dit proces-verbaal op onrechtmatige wijze verkregen en kunnen de vaststellingen dan ook niet tegen eiser gebruikt worden.
Uit geen enkel objectief element blijkt dat de ambtenaar van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit tijdens de controle bij de leveranciers in het bezit was van zijn aanstellingsbewijs zodat zijn onderzoeksdaden – volgens eiser – onwettig zijn.
De aan de ambtenaren verleende onderzoeksbevoegdheid van artikel 61, § 1, W.BTW is verschillend van hun onderzoeksbevoegdheid van artikel 63, lid 1, 1° W.BTW (Cass. 16 december 2003, F.J.F. 2004/117).
Krachtens artikel 61, § 1 W.BTW is eenieder gehouden de boeken en stukken, die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaar, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan; krachtens artikel 63, lid 1, W.BTW moet eenieder die een economische activiteit uitoefent aan de ambtenaren, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wort uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden.
In tegenstelling tot artikel 61, § 1 W.BTW geeft artikel 63, lid 1, 1°, W.BTW de ambtenaren aldus het recht na te gaan welke boeken en stukken zich bevinden in de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend alsook de boeken en stukken die zij aldaar aantreffen, te onderzoeken, zonder voorafgaand om de voorlegging van die boeken en stukken te moeten verzoeken (Cass. 16 december 2003, F.J.F., 2004/117).
Artikel 63, lid 1, 1° W.BTW vereist dat de ambtenaar voor de in deze bepaling vermelde onderzoeksbevoegdheid in bezit is van zijn aanstellingsbewijs, terwijl artikel 61, § 1 W.BTW dit geenszins vereist.
Uit geen enkel objectief element blijkt dat de ambtenaar tijdens de controle bij de leveranciers heeft nagegaan welke boeken en stukken zich bevonden in de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend en/of de boeken en stukken heeft onderzocht zonder toestemming van de leveranciers.
Uit het proces-verbaal van 28 mei 2003 blijkt integendeel zeer duidelijk dat de leveranciers, op verzoek van de ambtenaar, de boeken en stukken hebben voorgelegd teneinde de juiste heffing van de belasting in hunnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan zodat de ambtenaar zijn onderzoeksbevoegdheid putte uit artikel 61, § 1 W.BTW en geenszins uit artikel 63, lid 1, 1°, W.BTW; dit blijkt des te meer nu de leveranciers zelf, op verzoek van de ambtenaar, een bestand hebben samengesteld dat de facturen bevat waarop de klant ofwel een korting genoot ofwel gratis producten verkreeg; bijgevolg is het niet vereist dat de ambtenaar in bezit was van zijn aanstellingsbewijs.
Aangezien de ambtenaar zijn onderzoeksbevoegdheid ontegensprekelijk putte uit artikel 61, § 1 W.BTW, is het niet vereist dat hij in het bezit was van zijn aanstellingsbewijs zodat er geen sprake is van onwettige onderzoeksdaden.
Betreffende het bewijs van de kortingen en de gratis producten.
Krachtens artikel 59, § 1 W.BTW kunnen :
- overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen,
- feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen,
- feiten die ertoe bijdragen de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aan te tonen
door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal.
Krachtens artikel 59, § 1 W.BTW leveren enkel de vaststellingen van de ambtenaren in de processen-verbaal het bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen, terwijl de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen dit bewijs niet opleveren.
De gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen mogen echter door vermoedens worden bewezen en zijn dan ook aan de beoordeling van de rechtbank onderworpen.
Te dezen heeft de ambtenaar vastgesteld dat verschillende leveranciers van producten voor kapsalons op de verkoopfacturen de kortingen en gratis leveringen niet expliciet vermelden.
De vermelding in de processen-verbaal van 28 mei 2003 en 30 oktober 2003 dat ook eiser van deze leveranciers kortingen en gratis producten heeft verkregen, die niet vermeld werden op de verkoopfacturen, werd door de ambtenaren geenszins vastgesteld, maar is slechts een gegeven dat zij afleidden uit de bestanden die door 2 leveranciers eenzijdig werden samengesteld, zodat deze vermelding dan ook slechts als vermoeden geldt en aldus aan de beoordeling van de rechtbank is onderworpen.
Tot bewijs van het tegendeel dient enkel aanvaard te worden dat deze leveranciers op de verkoopfacturen de kortingen en gratis leveringen niet expliciet vermeldden en dat zij eenzijdig een bestand hebben samengesteld, doch de inhoud van deze bestanden moet niet als waarachtig beschouwd worden tot bewijs van het tegendeel.
De vaststelling is het feit van het eenzijdig samenstellen van de bestanddelen door 2 leveranciers, doch er werd niets vastgesteld omtrent de waarachtigdheid van deze bestanden zodat de inhoud van de bestanden nog te bewijzen blijft door de administratie.
De bestanden, die deze 2 leveranciers eenzijdig hebben samengesteld, bieden op zichzelf dan ook onvoldoende zekerheid dat door eiser kortingen en gratis producten heeft verkregen, die niet vermeld werden op de verkoopfacturen.
Aangezien de eenzijdig samengestelde bestanden van deze leveranciers niet worden bevestigd en ondersteund door andere gegevens en aangezien eiser deze bestanden betwist, vormen zij op zichzelf geen afdoend bewijs ten aanzien van eiser.
Bijgevolg is het geenszins bewezen dat ook eiser van deze leveranciers kortingen en gratis producten heeft verkregen, die niet vermeld werden op de verkoopfacturen.
Betreffende de advocatenkosten en de morele schadevergoeding
In een identieke zaak werd verweerder in het ongelijk gesteld door een arrest van 7 februari 2006 van het Hof van Beroep te Antwerpen, waartegen geen cassatieberoep werd aangetekend, zodat de weigering van verweerder om afstand te doen van huidige betwisting – volgens eiser – een schending uitmaakt van het zorgheidsbeginsel en schaqde (advocatenkosten en morele schade) toebrengt.
Bij arrest van 7 februari 2006 van het Hof van Beroep te Antwerpen werd verweerder in het ongelijk gesteld op grond van onwettige onderzoeksdaden, terwijl te dezen geen sprake is van onwettige onderzoeksdaden.
De weigering van verweerder om afstand te doen van huidige betwisting maakt dan ook geenszins een schending uit het zorgvuldigheidsbeginsel zodat noch oor de advocatenkosten noch voor de morele schade een schadevergoeding kan worden toegekend.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN
DE RECHTBANK
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.
Verklaart het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde.
Ontslaat eiser van de betaling van de in dit dwangbevel gevorderde bedragen en veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle dientengevolge geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW.
Veroordeelt eiser tot ¼ en verweerder tot ¾ van de kosten van het geding tot op heden door
- eiser begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op ¾ van … EUR rechtsplegingsvergoeding,
- verweerdr begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op ¼ van … EUR rechtsplegingsvergoeding
Wijst het meer en/OF anders gevorderde af.
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.