Btw-teruggaaf, btw-vrijstelling voor invoer gevolgd door een intracommunautaire levering · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 28 juni 2017

Zoeken

Btw-teruggaaf, btw-vrijstelling voor invoer gevolgd door een intracommunautaire levering

https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-teruggaaf-vrijstelling-invoer-gevolgd-rechtbank-brussel-2017-06-28-c8db

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
28 juni 2017

Procesverloop

2 stappen · 7 jaar 8 maanden
  1. Weergegeven beslissingRechtbank van eerste aanleg te Brussel28.06.2017
  2. Beslissing in beroepHof van beroep te Brussel05.03.2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

301 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 28.06.2017 (rolnr. 2014/4381/A)

Belasting over de toegevoegde waarde – btw-teruggaaf – btw-vrijstelling voor invoer gevolgd door een intracommunautaire levering

Wettelijke bepalingen

Art. 3 en 16 van de Richtlijn 2008/9/EG van 12 februari 2008,

Art. 77, §1bis, 1° , art. 39bis, art. 40, §1, 1° d) WBTW,

Artikel 2 KB nr 56

Artikelen 2 en 3 KB nr. 52,

Artikelen 2, 5 en 6 KB nr. 18

Samenvatting van het vonnis / het arrest

De Duitse onderneming AK kocht in september 2012 rubberbanden “Free On Board” (FOB) en in oktober 2012 wielen “FOB” aan buiten de Europese Unie (EU). De goederen werden gekocht bij een Turkse onderneming, werden verscheept in Thailand en kwamen langs Singapore via de haven van Antwerpen de EU binnen op 17/10/2012 in containers voor aansluitend vervoer naar Duitsland via binnenschip. De containers verlieten de haven van Antwerpen zonder douaneaanzuivering van vrachtlijst op 19/10/2012. AK zou aan eerste appellante de instructie gegeven hebben om als commissionair-expediteur het transport van deze goederen van uit Thailand naar Duitsland, de eindbestemming, te organiseren. AK verkocht naar eigen zeggen de goederen door aan Duitse ondernemingen en de verkoopfacturen van AK zouden 19% (Duitse) btw vermelden.

Op 27 februari 2023 diende KGH (tweede appellante) voor rekening van eerste appellante manuele inklaringen IM-A in bij de Antwerpse douane en betaalde daarbij ook de thans teruggevraagde btw ten bedrage van 153.373,60 EUR in totaal. KGH betaalde ook nog een douane- en btw-boete en verwijlinteresten. Eerste appellante vergoedde vervolgens KGH voor de voorgeschoten bedragen aan btw, boete en interesten.

Op 3 mei 2013 werd op naam van AK een elektronische btw-terugbetalingsaanvraag ingediend via de applicatie VAT REFUND overeenkomstig de Richtlijn 2008/9/EG. Op 25 juli 2013 meldde de fiscale administratie de weigering van het teruggaafverzoek aangezien AK niet over een Belgisch btw-nummer beschikte. Op 9 september 2014 stelden appellanten een vordering in rechte in tegen deze weigeringsbeslissing die uitmondde in het bestreden vonnis van 28 juni 2017 waarin de vorderingen van appellanten ontvankelijk maar ongegrond werden verklaard.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Arrest van het hof van beroep van Brussel d.d. 05.03.2025 - 2018/AF/6

In zake van :

1.De vennootschap naar Duits recht J.F., met

maatschappelijke zetel te …, Duitsland.

2.K.B. met maatschappelijke zetel te …

Eisers,

vertegenwoordigd door Meester D.V. loco Mter D.N., advocaat met kantoor te …

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN in de persoon van de Minister van Financién, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12

Vertegenwoordigd door de persoon van de Ontvanger van het vijfde BTW-Ontvangkantoor, Kruidtuinlaan 50, bus 31, 03, 1000 Brussel

Verweerder op hoofdeis ,

V.J., adviseur

En inzake:

1.De vennootschap naar Duits recht J.F., met

maatschappelijke zetel te …Duitsland.

2.De K.B. met maatschappelijke zetel te …. 0478 049 751

Eisers in gedwongen tussenkomst,

vertegenwoordigd door Meester D.V. loco Mter D.N., advocaat met kantoor te …

Tegen:

1. De vennootschap naar buitenlands recht A.K. met maatschappelijke zetel te … - Duitsland,

2. De vennootschap naar buitenlands recht K.T. met maatschappelijke zetel te …, Duitsland,

Gedaagden op tussenvordering,

Die niet zijn verschenen, noch iemand voor hen,

Gelet op:

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9/9/2014; de dagvaarding in gedwongen tussenkomst betekend op 22/1/2016;

- de beschikking op grond van artikel 747 Ger.W. van 31.10.2014;

- de besluiten, aanvullende besluiten, tweede aanvullende besluiten en derde aanvullende besluiten van J.F. en K.B. neergelegd ter griffie op 29.05.2015, 01.12.2015, 10.08.2016 en 24.01.2017;

- de besluiten, aanvullende conclusies, aanvullende conclusies, syntheseconclusie en

- laatste syntheseconclusie van de Belgische Staat neergelegd ter griffie op 27.02.2015, 05.10.2016, 27.08.2015, zonder datum en 15.03.2017, ;

- de conclusie van A.K. en K.T. neergelegd ter griffie op 15/11/2016;

- de stukken van partijen.

De advocaten van de partijen op hoofdvordering werden gehoord in hun pleidooien ter openbare zitting van 16 mei 2017, waarna de zaak in beraad werd genomen.

De in tussenkomst gedaagde partijen zijn niet verschenen, noch iemand voor hen, hoewel behoorlijk opgeroepen. De rechtspleging is op tegenspraak, gelet op het feit dat zij zijn verschenen op de inleidingszitting en conclusies hebben neergelegd (artikel 804, Iid 2 Ger.W.).

De procedure verliep met in acht name van de toepasselijke bepalingen van de wet van 15 juni 1935 en de wijzigende en aanvullende wetten op het taalgebruik in gerechtszaken.

Overeenkomstig artikel 748bis Ger. W. houdt de rechtbank enkel rekening met de laatst genomen (synthese)conclusies van de partijen.

1. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1.De Turkse firma M.S. (niet inzake) verkocht in september-oktober 2012 op "FOB Laem Chabanq (Thailand)"-basis, een grote hoeveelheid autowielen aan de Duitse firma A.K. (stuk 2 bundel verweerder).

Deze goederen werden geladen in verzegelde containers vanuit Thailand en via Singapore over zee verscheept naar Europa en kwamen via de haven van Antwerpen de Europese Unie binnen voor aansluitend verder vervoer naar Duitsland via binnenschip.

AK gaf aan eerste eiseres J.F. de instructie om ais commissionair-expediteur het transport te organiseren van deze goederen van Thailand naar de eindbestemming in Duitsland (Frankenthal).

2.Door een naar eigen zeggen "administratieve vergissing/misverstand" vergat J.F. echter om in Antwerpen de douane-aanzuivering van de vrachtlijst uit te (doen) voeren en zo vond de doorvervoer van Antwerpen naar Duitsland per Iichter plaats zonder dat de Antwerpse douaneautoriteiten hiervan vooraf geïnformeerd waren en de vrachtlijst aangezuiverd werd.

3.Op 27 december 2012 informeerde de zeevervoerder J.F. dat haar Antwerpse vrachtlijst niet was aangezuiverd en dat dit aanleiding zou geven tot een douane(na)vordering (stuk 2 bundel eiseressen).

Na intern onderzoek stelde J.F. haar vergetelheid vast, met name dat zij nagelaten had om de gepaste instructies door te geven voor de douane-aanzuivering voordat de goederen uit de Antwerpse haven verwijderd werden.

In tussentijd had A.K. de goederen al doorverkocht aan respectievelijk de Duitse firma B.W. en aan de eveneens Duitse firma K.T.. De verkoopfacturen van A.K. vermeldden de Duitse 19% BTW (stuk 1 bundel eiseressen).

Op 25 februari 2013 nam J.F. zelf rechtstreeks contact op met de Antwerpse douaneautoriteiten en kreeg zij van de administratie het advies om onmiddellijk alsnog een manuele inklaring IM A in te reiken (stuk 3 en 4 bundel eiseressen).

Op 26 februari 2013 gaf J.F. instructie aan de lokale douaneagent KGH (tweede eiseres) om de zaak correct af te handelen (stuk 5 bundel eiseressen).

Op 27 februari 2013 diende KGH voor rekening van J.F. de IM A met aangiftenummer 13103796 en IM A met aangiftenummer 13103797 in bij de Antwerpse douane en betaalde hierbij ook de verplichte BTW ten bedrage van €61.669,44 en €91.704,16 (stuk 6 bundel eiseressen). De geadresseerde in deze documenten was telkens A.K.

Later betaalde KGH ook nog een douane- en BTW-boete en verwijlintresten (stuk 7 bundel eiseressen).

J.F. vergoedde vervolgens KGH voor de door haar voor rekening van J.F. voorgeschoten bedragen aan BTW, boete en interesten (stuk 8 bundel eiseressen).

4.Volgens eiseressen had A.K. intussen ook de met betrekking tot de verkopen in Duitsland verschuldigde belasting opgenomen in haar periodieke BTW-aangiften voor de handelingen van juli en augustus 2012 (stukken 9 en 10 bundel eiseressen).

5.Op 30 april 2013 droeg AK haar rechten met betrekking tot de terugbetaling van de BTW over aan J.F. (stuk 11 bundel eiseressen).

6.Op 3 mei 2013 werd op naam van A.K. een elektronische BTW-terugbetalingsaanvraag ingediend (via de applicatie "VAT-REFUND") overeenkomstig de Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (de "BTW-terugbetalingsrichtlijn").

Deze terugbetalingsaanvraag had betrekking op de periode 31/8/2012 tot en met 31/10/2012.

Op 3 mei 2013 zond de administratie (in casu het Centraal Kantoor Buitenlandse Belastingplichtigen (CKBB)) een ontvangstbevestiging (stuk 12 bundel eiseressen).

Op 14 mei 2013 verzond een vertegenwoordiger van K.T. een aantal facturen aan de administratie (CKBB) op diens vraag (stukken 7 bundel verweerder).

Op 9 juli 2013 verzocht de administratie om nog bijkomende informatie: de aankoopfacturen, bestemming van de goederen, verkoopfacturen van A.K., enz. (stukken 7 bundel verweerder)."

Op 23 juli 2013, na een telefonisch contact tussen de heer D.D. (CKBB) en mevrouw K.E. (K.T.), stuurde K.E. om 11:52 uur een email aan de heer D.D. (zie stuk 8 bundel verweerder), waarin ze aangeeft dat de goederen doorverkocht werden aan B.W. en K.T., maar dat hiervoor geen exact tijdstip bepaald kan worden. Bij deze email werden ook een aantal verkoopfacturen van M.S. aan A.K. en douanedocumenten gevoegd, samen met een volmacht, waaruit blijkt dat A.K. de rechten m.b.t. de terugbetaling van de BTW heeft overgedragen aan eiser.

Hierop nam de heer D.D. dezelfde dag nog, om 14:00 uur, nogmaals telefonisch contact op met mevrouw K.E. (K.T.), waarbij hij haar liet weten dat, daar A.K. intracommunautaire leveringen uitgevoerd heeft, geen teruggave kan plaatsvinden op basis van de ingediende aanvraag via VAT-Refund, maar dat dit enkel kan met een Belgisch btw-nummer. Hij verwijst haar hiervoor door naar de dienst CKBB-controle.

Onmiddellijk na het telefoongesprek deelt mevrouw K.E. dit mee aan mevrouw K.T. van J.F. (eerste eiseres) (zie stuk 9 bundel verweerder).

Op 24 juli 2013 emailt mevrouw E.K. aan de heer D.D. (zie stuk 10 bundel verweerder) en voegde daarbij de volledige verkoopfacturen van A.K. aan B.W. en K.T.

In een email van 25 juli 2013 aan mevrouw E.K. herhaalde de heer D.D. dat, gezien A.K. vanuit België intracommunautaire leveringen van goederen verricht, ze een Belgisch BTW-nummer nodig heeft. Hij verwijst A.K., voor de nodige aanvraagdocumenten en periodiek in te dienen BTW-aangifte, door naar de dienst CKBB-controle (adres en telefoonnummer van de betrokken dienst wordt meegedeeld). In deze email herhaalde hij ook dat geen teruggave kan plaatsvinden op basis van de ingediende aanvraag via "VAT-Refund" (zie stuk 11 bundel verweerder).

7.Op 25 juli 2013 meldde de administratie per brief aan AK dat zij het teruggaveverzoek weigerde op de volgende gronden:

"1. 13103796CL 13/297 6020H - 210103: andere (admitted reimbursement: 0,00 € ; verricht intracommunautaire leveringen; Belgisch BTW - nummer nodig + periode aanvraag is verschillend van periode van invoerdocumenten).

2. 13103797 CL 13/2986020 H - 210104: andere (admitted reimbursement : 0,00 € : verricht intracommunautaire leveringen; Belgisch BTW - nummer nodig + periode aanvraag is verschillend van periode invoerdocumenten)" (stuk 14 bundel eiseressen).

8.Bij verzoekschrift d.d. 9 september 2014 dienden eiseressen beroep in tegen bovenvermelde beslissing van 25 juli 2013.

9. Op 22 januari 2016 hebben eiseressen AK en KESKIN in tussenkomst gedagvaard.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

10.De vorderingen van eiseressen streken ertoe:

"De vordering van concluanten ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Bijgevolg de bestreden beslissing van 25 juli 2013 van de Algemene Dienst Fiscaliteit BTW te Brussel teniet te doen.

Dienvolgens de Belgische Staat te bevelen de teruggevraagde bedragen t.b.v. 153.373,60 € terug te geven aan verzoekster, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten.

De Belgische Staat te veroordelen tot alle kosten van het geding aan de zijde van concluante begroot op:

RPV: 6.000 €

A.K. en K.T. te veroordelen om tussen te komen in het onderhavige geding.

Tevens in hoofdorde A.K. en K.T. te veroordelen tot afgifte van de bewijzen dat de goederen in kwestie voor verbruik werden aangegeven in Duitsland, en dit alles onder de verbeurtenis van een dwangsom van 2.000 € per dag vertraging, te rekenen vanaf de 15e dag na de betekening van het gerechtelijk beveL

in ondergeschikte orde A.K. en K.T., indien de aanspraken van concluante jegens de Belgische Staat FOD Ministerie van Financiên ongegrond zouden worden verklaard - solidair, in solidum en minstens de ene bij gebreke aan de andere, te zien en horen veroordelen tot de betaling van de door concluante voorgeschoten bedragen van 153.376,60 €, meer de wettelijke, vergoedende en gerechtelijke intresten, bedragen gebeurlijk te verhogen, te verlagen of aan te passen in de loop van het geding.

A.K. en K.T. te veroordelen tot alle kosten van het geding aan de zijde van concluante begroot op :

RPV: 6.000 €

Dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande elk verhaal en zonder mogelijkheid tot kantonnement"

11.De Belgische Staat besluit tot de ongegrondheid over de hele Iijn. Tevens verzoekt hij eiseressen te veroordelen tot de kosten van het geding.

12. A.K. en K.T. besluiten tot de onbevoegdheid van de rechtbank en in elk geval de

ongegrondheid van de vordering. Zij vorderen tevens dat eiseressen zouden worden veroordeeld tot de kosten van het geding.

3. BEOORDELING

I. DE HOOFDVORDERING

1. Ontvankelijkheid

13. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve

op te werpen gronden van onontvankelijkheid.

De vordering is ontvankelijk.

2. Gegrondheid

2.1 De motivering van de beslissing van 25 Mi 2013

14. Eiseressen voeren aan dat de bestreden beslissing niet behoorlijk is gemotiveerd. Zij

voeren de schending aan van artikel 19, §1 van het K.B. nr. 56 van 9 december 2009 en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991.

15. Artikel 19, §1 van het K.B. nr. 56 van 9 december 2009 met betrekking tot de

teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere Iidstaat dan de Iidstaat van teruggaaf (hierna: het K.B. nr. 56) Iuidt:

"§ 1. Indien het teruggaafverzoek geheel of ten dele wordt afgewezen, worden de redenen hiervoor door de administratie [...] aangetekend tegelijkertijd met de beslissing aan de aanvrager meegedeeld"

Deze bepaling houdt een bevestiging in van de beginselen neergelegd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen:

"Art. 2: De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

Art. 3: De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn.".

Verweerder betwist niet dat de beslissing van 25 juli 2013 een bestuurshandeling uitmaakt in de zin van de wet van 29 juli 1991 en derhalve onderworpen was aan de in deze wet bepaalde motiveringsplicht.

Artikel 2 impliceert dat de beslissing die ter kennis wordt meegedeeld aan de betrokkene niet enkel het dictum moet bevatten, maar tevens de redenen moet weergeven op grond waarvan de beslissing is genomen.

16.In voorliggend geval is de bestreden beslissing van 25 juli 2013 op de volgende wijze gemotiveerd:

""1. 13103796CL 13/297 6020H - 210103: andere (admitted reimbursemene: 0,00 €; verricht intracommunautaire leveringen; Belgisch BTW - nummer nodig + periode aanvraag is verschillend van periode van invoerdocumenten).

2. 13103797 CL 13/2986020 H - 210104: andere (admitted reimbursement2 : 0,00 : verricht intracommunautaire leveringen; Belgisch BTW - nummer nodig + periode aanvraag is verschillend van periode invoerdocumenten)"

Deze motivering is in de beslissing zelf opgenomen (stuk 14 bundel eiseressen).

17.Zoals eiseressen uitdrukkelijk erkennen (syntheseconclusie eiseressen p. 7) kan het gebrek aan motivering niet leiden tot nietigheid van een akte, indien wordt aangetoond dat de rechtsonderhorige effectief kennis had van de motieven.

Uit de stukken blijkt dat omtrent de reden van weigering van terugbetaling telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen de dossierbeheerder van verweerder (de heer D.D.) en E.K. (K.T.) op 23 juli 2013 om 14.00u (zie stuk 9 bundel verweerder).

Het is ongeloofwaardig te beweren dat hierbij slechts aan mevrouw E.K. zou zijn meegedeeld dat een Belgisch BTW-nummer was vereist zonder enige verdere toelichting of bespreking.

De conclusie van het voormelde telefoongesprek - met name dat een Belgisch BTW-nummer was vereist - werd door mevrouw E.K. medegedeeld aan J.F. (stuk 9 bundel verweerder).

Op 25 juli 2013 heeft de heer D.D. uiteengezet in een email waarom een Belgisch BTW-nummer was vereist, met name omdat A.K. vanuit België intracommunautaire leveringen van goederen had verricht (stuk 11 bundel verweerder).

Dienvolgens waren de motieven van de weigeringsbeslissing in elk geval reeds bekend v66 r de beslissing.

In zoverre eiseressen menen dat zij niet kunnen worden geïdentificeerd met A.K. (of K.T.), volstaat het op te merken dat J.F. de aanvraag tot terugbetaling heeft ingediend, niet in eigen naam en voor eigen rekening, maar in naam en voor rekening van A.K. De kennis van de motieven moeten derhalve beoordeeld worden in hoofde van de vertegenwoordigde, aan wie het behoorde om ervoor te zorgen dat haar vertegenwoordiger terdege werd ingelicht. Tenslotte werd volgens verweerder - daarin niet tegengesproken door eiseressen - in de aanvraag zelf een emailadres opgegeven van mevrouw G. van K.T. Dienvolgens vermocht de administratie de mededelingen met betrekking tot de kwestieuze aanvraag aan K.T. te richten.

18.Eiseressen voeren nog aan dat de motivering van de bestreden beslissing in het

Nederlands werd gesteld, een taal die zijn cliënte niet machtig zou zijn.

Artikel 41 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken Iuidt:

"§ 1. De centrale diensten maken voor hun betrekkingen met de particulieren gebruik van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend."

§ 2. Aan de private bedrijven, die gevestigd zijn in een gemeente zonder speciale regeling uit het Nederlandse of uit het Franse taalgebied, wordt echter in de taal van dat gebied geantwoord."

In voorliggend geval is de aanvraag geschied door een buitenlandse belastingplichtige (zie de vermelding van het Duitse BTW-nummer van, naar mag worden aangenomen (zie in dat verband stuk 7 bundel verweerder), J.F. - stuk 6 bundel verweerder), doch gesteld in de Nederlandse taal.

Gelet op het feit dat J.F. (noch A.K.) gevestigd is in België en de aanvraag van J.F. was gesteld in de Nederlandse taal, bestond er geen enkele verplichting voor verweerder om in zijn communicatie met J.F. of in de bestreden beslissing van 25 juli 2013 een bepaalde landstaal te gebruiken.

Het feit dat een deel van de beslissing van 25 juli 2013 in de Duitse taal is gesteld en de motieven van de beslissing in het Nederlands doen aan het voorgaande niet af. Nu de aanvraag van J.F. in het Nederlands was gesteld, mocht de administratie aannemen dat de aanvrager deze taal begreep.

19.Uit de motieven vervat in de bestreden beslissing van 25 juli 2013 blijkt:

- dat de aanvrager (A.K.) intracommunautaire leveringen heeft verricht;

- dat hiervoor een Belgisch BTW-nummer is vereist;

- dat de periode van de aanvraag verschillend is van de periode van de invoerdocumenten;

De vermelde redenen zijn pertinent en afdoende.

De vraag of deze motieven de beslissing in rechte kunnen verantwoorden zal hierna worden onderzocht.

20.Zodoende kan geen schending van de artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 worden weerhouden. Evenmin en om dezelfde redenen is er sprake van een schending van artikel 19, §1 van het K.B. nr. 56.

2.2 De gevorderde terugbetaling

21.Artikel 23, §1 W.BTW bepaalt:

"Onder invoer van een goed moet worden verstaan :

1° het binnenkomen in de Gemeenschap van een goed dat niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 29 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of dat, als het onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal valt, zich niet in het vrije verkeer bevindt;

2° het binnenkomen in de Gemeenschap van een ander dan onder 1° bedoeld goed uit een derde land of een derdelands gebied"

Artikel 23, §§3 en 4 W.BTW bepalen:

"§ 3. De invoer van een goed vindt plaats in de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het zich ten tijde van het binnenkomen in de Gemeenschap bevindt.

§ 4. In afwijking van § 3 vindt de invoer van een in § 1, 1°, bedoeld goed plaats in de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het goed aan één van de volgende regelingen wordt onttrokken, wanneer vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap, dat goed overeenkomstig de douanewetgeving :

1°bij de douane wordt aangebracht en eventueel wordt geplaatst onder een regeling

van tijdelijke opslag;

2°wordt geplaatst onder een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling

van invoerrechten;

3° wordt geplaatst onder een regeling voor extern douanevervoer;

4° wordt geplaatst onder een regeling van vrije zones of vrije entrepots;

5° wordt geplaatst onder een regeling van douane-entrepots;

6°wordt geplaatst onder een regeling van actieve veredeling met toepassing van

het schorsingssysteem;

7°wordt geplaatst onder een regeling inzake de in de territoriale zee toegelaten

goederen voor boor- en werkeilanden"

Artikel 24, §1 van hetzelfde Wetboek voorziet:

"§ 1. Het belastbaar feit vindt plaats en de belasting wordt opeisbaar op het tijdstip waarop de invoer van het goed in België geschiedt.

De invoer in België geschiedt op het tijdstip waarop het goed in België wordt binnengebracht of, wanneer het goed vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap werd geplaatst onder één van de in artikel 23, §§ 4 en 5 bedoelde regelingen, op het tijdstip waarop dat goed in België aan die regeling wordt onttrokken."

Uit de stukken blijkt en door eiseressen wordt niet betwist dat:

- de Turkse vennootschap M.S. aan A.K. (Duitsland) in september 2012 en oktober 2012 een hoeveelheid rubberbanden en wielen werden verkocht onder de voorwaarden "FOB" (Free On Board) te Jakarta en te Laem Chabang;

- de goederen in de haven van Antwerpen zijn aangekomen;

- de goederen in kwestie uit de haven van Antwerpen werden verwijderd zonder douaneaanzuivering van de vrachtlijst, hetgeen door eiseressen wordt erkend;

- KGH een aangifte van invoer (IM A) heeft gedaan op 27 februari 2003 (stukken 3 bundel verweerder);

Overeenkomstig de IM A aangiften gebeurde de invoer van de goederen overeenkomstig de "regeling 40" (vak 37 - stukken 3 en 4 bundel verweerder).

Deze regeling houdt in dat "de goederen tegelijkertijd in het vrije verkeer worden gebracht en voor het verbruik worden aangegeven voor de toepassing van de Btw" (zie BTW Handleiding nr. 197/3, punt 2)

De invoer van de goederen gebeurde in voorliggend geval derhalve niet overeenkomstig de voorwaarden die gelden voor het plaatsen van goederen onder één van de in artikel 23, §4 W.BTW opgesomde regelingen.

Wanneer niet-communautaire goederen hier te lande in het vrije verkeer worden gebracht, onmiddellijk bij het binnenkomen van die goederen in de Gemeenschap, vindt er een invoer plaats in België en moeten de goederen voor het verbruik worden aangegeven op het stuk van de BTW (zie BTW Handleiding nr. 197/3, punt 2).

Dienvolgens was BTW verschuldigd op de goederen overeenkomstig artikel 23, §3, 24, §1, 15, §3 W.BTW, alsook artikel 6, §§1 en 2 K.B. nr. 7.

De geadresseerde van de goederen was A.K, zodat de belasting op haar naam werd voldaan.

Niet-communautaire goederen die bestemd zijn om op de markt van de Gemeenschap te worden gebracht of bestemd zijn voor particulier gebruik of voor consumptie binnen de Gemeenschap, worden in het vrije verkeer gebracht. Zij verkrijgen daardoor de douanestatus van communautaire goederen (zie BTW Handleiding nr. 197/3, punt 2).

22. Partijen zijn het erover eens dat de goederen in kwestie door A.K. werden doorverkocht aan B.W. en K.T. (stukken 1 bundel eiseressen).

Volgens de administratie gaat het hier om intracommunautaire leveringen.

Eiseressen betwisten dit en stellen dat er daarentegen sprake is van een "intracommunautaire verwerving" in Duitsland in de zin van artikel 25bis, §1 W.BTW. Zij stellen dat er geen sprake kan zijn van een intracommunautaire levering omdat

- de verkoper een Turkse firma was;

- de goederen afkomstig zijn van een derde land (buiten de EU) en de macht om als eigenaar te beschikken over de goederen niet werd overgedragen van een Belgische vennootschap aan een Duitse vennootschap

- de goederen nooit bestemd zijn of waren voor België;

Het verweer van eiseressen kan niet worden gevolgd.

Eiseressen verwarren de volgende transacties:

- de transactie tussen de Turkse firma en A.K., enerzijds: wat deze transactie betreft was ingevolge de invoer van de goederen in België BTW verschuldigd (zie supra);

- de transactie tussen A.K. en B.W. en K.T., anderzijds;

Het is juist dat de eerstgenoemde verrichting geen intracommunautaire levering betreft. Het betrof evenwel een invoer van goederen in België, waarop BTW was verschuldigd. De vrijstelling van artikel 40, §2 W.BTW. geldt hier niet, vermits de voorwaarden voor de regelingen vermeld in artikel 23, §4 W.BTW. in casu niet werden vervuld ingevolge de door eiseressen erkende niet-zuivering van de vrachtlijsten.

Wat de verrichting tussen A.K., enerzijds, en B.W. en K.T., anderzijds, is er wel degelijk sprake van een communautaire levering van goederen die zich in het vrij verkeer bevinden. De goederen werden immers verzonden door de verkoper (A.K.) buiten België maar binnen de EU (Duitsland) aan andere belastingplichtigen in Duitsland.

23.Uit het voorgaande volgt dat er geen sprake kan zijn van een intracommunautaire verwerving in hoofde van A.K. (in Duitsland), zoals eiseressen voorhouden. De goederen werden immers in België ingevoerd en aangegeven voor het verbruik. Het is dan ook in België dat A.K de goederen heeft verworven, en niet in Duitsland.

Het enkele feit dat de goederen uiteindelijk niet waren bestemd voor België, doet aan het voorgaande niet af. De administratie is gehouden de belasting te heffen die wettelijk is verschuldigd.

24.Vervolgens moet worden nagegaan of de tweede hierboven vermelde verrichting was vrijgesteld van belastingen overeenkomstig artikel 39bis W.BTW.

Volgens verweerder is aan de voorwaarden van deze bepaling in casu niet voldaan.

Artikel 39bis1° W.BTW Iuidt:

"Van de belasting zijn vrijgesteld :

1° de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56bis, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die ais zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4"

Artikel 3 van het K.B. nr. 52 van 29 december 1992 bepaalt:

"De verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.

Door of vanwege de Minister van Financiën kan eveneens het uitreiken van andere stukken worden voorgeschreven, inzonderheid indien de goederen door de koper of voor zijn rekening worden meegenomen."

Eiseressen dienen derhalve aan te tonen dat de goederen daadwerkelijk werden verzonden of vervoerd naar Duitsland.

Dit bewijs wordt niet geleverd door eiseressen.

Eiseressen leggen in dat verband de facturen voor van A.K. aan B.W. en K.T.. Verweerder merkt terecht op dat deze facturen dateren van voor de aankoop van de goederen bij de Turkse vennootschap M.S. Bovendien vermelden de facturen aan B.W. en K.T. geen BTW nummer van de afnemer. De facturen van M.S. zelf zijn onleesbaar (stukken 2 bundel verweerder). Er worden geen besteldocumenten, betalingsbewijzen, enz. voorgelegd.

Eiseressen verwijzen nog naar hun stukken 9, 10 en 15:

- stukken 9 en 10 betreffen uittreksels uit het BTW-dagboek van A.K. voor de maanden juli en augustus 2012: Verweerder stelt terecht dat deze stukken AK betreffen, terwijl de intracommunautaire verwerving niet door A.K. kan zijn gebeurd, maar wel door B.W. en K.T. Bovendien dateren deze verkopen van voor de aankoop van de goederen bij M.S. (zie stukken 1 bundel eiseressen);

- stukken 15 betreffen vrachtbrieven, die evenwel niet in verband kunnen worden gebracht met de kwestieuze goederen; Het betreft weliswaar "banden" en "aluvelgen" voor K.T., doch het is allerminst duidelijk dat het hier dezelfde goederen betreft waarvoor de thans gevorderde BTW werd voldaan.

Dienvolgens is in casu niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 39bis W.BTW en derhalve evenmin aan de bepaling van artikel 40, §1, 1°, d) W.BTW.

25.Eiseressen beroepen zich op de bepaling van artikel 77, §1 en §1bis W.BTW.

Deze bepaling Iuidt:

"§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven :

1° wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is;

(…)

§ 1bis. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven :

1° in de gevallen ais bedoeld in § 1, 1° en 2°";

Eiseressen gaan er hierbij ten onrechte vanuit dat de goederen niet in België werden ingevoerd. Hierboven werd het tegendeel aangenomen.

26.Overeenkomstig artikel 51, §1, 1° W.BTW. is de belasting verschuldigd door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht.

Artikel 50, §1, 3° W.BTW bepaalt

"§ 1. De administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde kent een btw-identificatienummer toe dat de letters BE bevat:

3°aan elke niet in België gevestigde belastingplichtige die handelingen verricht

bedoeld in het Wetboek waarvoor recht op aftrek is ontstaan en waarvoor hij krachtens de artikelen 51 en 52 schuldenaar is van de belasting in België, met uitzondering van de belastingplichtigen die uitsluitend diensten verrichten waarvoor zij gebruik maken van één van de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 358bis tot en met 369duodecies van richtlijn 2006/112/EG."

In voorliggend geval heeft A.K. een in België belastbare handeling gesteld door goederen in België in te voeren. Zij diende derhalve een BE-identificatienummer aan te vragen.

Circulaire nr. 4 (E.T. 103.925) van 4 maart 2003 bepaalt uitdrukkelijk dat artikel 50, § 1, 1ste lid, 3°, WBTW voorziet in de identificatie voor de BTW in België van iedere belastingplichtige die niet hier te lande is gevestigd, wanneer drie voorwaarden formeel zijn vervuld :

1.de niet in België gevestigde belastingplichtige verricht hier te lande handelingen bedoeld in het BTW-Wetboek : leveringen van goederen, dienstverrichtingen, intracommunautaire verwervingen van goederen of invoeren van goederen.

2.de handelingen die hier te lande worden verricht door de niet in België gevestigde belastingplichtige verlenen hem een recht op aftrek van de voorbelasting (criterium identiek aan datgene dat geldt voor de in België gevestigde belastingplichtigen);

3.de niet in België gevestigde belastingplichtige is schuldenaar, ten overstaan van de Belgische Staat, van de BTW verschuldigd wegens de door hem hier te lande verrichte handelingen en dit krachtens de artikelen 51 en 52 van het BTW-Wetboek.

Aan deze voorwaarden is in casu voldaan.

Eiseressen beroepen zich evenwel op het ontslag van de identificatieplicht overeenkomstig alinea 79 van voormelde Circulaire:

“79. De niet in België gevestigde belastingplichtige wordt ontslagen van de verplichting tot identificatie voor BTW-doeleinden in België wanneer hij hier te lande invoeren van goederen verricht andere dan:

hetzij, invoeren van goederen die onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst (identificatie steeds verplicht)

hetzij, invoeren van goederen gevolgd door de levering van diezelfde goederen (identificatie steeds verplicht)

hetzij, invoeren van goederen gevolgd door een levering van deze goederen, na omvorming ervan (identificatie verplicht indien deze in België verrichte handelingen geen toevallig karakter vertonen zoals bepaald in de nrs. 86 tot 89; ontslag van identificatie in het tegenovergestelde geval).

Evenwel heeft AK in voorliggend geval leveringen gedaan van dezelfde goederen aan K.T. en B.W.. In dat verband wordt in alinea 78 van de Circulaire uitdrukkelijk gesteld dat "De aandacht wordt (...) gevestigd op het feit dat geen enkel ontslag van BTW-identificatie mogelijk is voor de volgende handelingen: intracommunautaire handelingen (levering vriiqesteld krachtens artikel 39bis van het BTW-Wetboek, of intracommunautaire verwervinq onderworben aan de belastina overeenkomstiq artikel 25ter van het BTW-Wetboek), de leveringen van goederen in het kader van het stelsel van de verkopen op afstand (toepassing van artikel 15, § 4, eerste lid, van het BTW-Wetboek), de handelingen van plaatsing onder of de uitslag van goederen uit het stelsel van BTW-entrepot en de invoeren van goederen gevolgd door de levering van dezelfde goederen, zelfs indien ze eenmaliq of toevallia is."

27. Eiseressen betwisten nog dat AK over een Belgisch BTW-nummer diende te

beschikken en is van oordeel dat dit niet blijkt uit het K.B. nr. 56, noch uit de Richtlijn 2008/09/EG.

Artikel 3 van de Richtlijn bepaalt het toepassingsgebied ervan:

"Deze richtlijn is van toepassing op de niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde belastingplichtige die aan de volgende voorwaarden voldoet:

a) tijdens het tijdvak van teruggaaf heeft hi] in de lidstaat van teruggaaf noch de zetel van zijn bedrijfsuitoefening gehad, noch een vaste inrichting van waaruit zakelijke handelingen werden verricht, noch, bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats;

b) tijdens het tijdvak van teruggaaf heeft hij geen goederenleveringen of diensten verricht waarvan de plaats geacht wordt in de lidstaat van teruggaaf te zijn gelegen, met uitzondering van de volgende handelingen:

i) vervoerdiensten en daarmee samenhangende diensten die vrijgesteld zijn krachtens de artikelen 144, 146, 148,149, 151, 153, 159 of 160 van Richtlijn 2006/112/EG;

ii) goederenleveringen of dienstverrichtingen waarvan de afnemer krachtens de artikelen 194 tot en met 197 en artike1199 van Richtlijn 2006/112/EG btw verschuldigd is."

Aangezien A.K. goederen in België heeft ingevoerd en diende te beschikken over een Belgisch identificatienummer voldoet zij niet aan de voorwaarden van artikel 3 van de Richtlijn en derhalve evenmin aan de bepaling van artikel 2 van het K.B. nr. 56.

28. A.K. en K.T. zijn van hun kant van oordeel dat de goederen in België nooit aan

iemand werden overgedragen en dat in België nooit aan iemand de macht werd overgedragen om ais eigenaar over de goederen te beschikken.

Evenwel moet worden opgemerkt dat namens A.K. een IM A aangifte werd ingediend (enig document), waardoor de goederen in België werden ingevoerd.

A.K. en K.T. lijken dit te beamen waar zij in conclusie stellen dat de invoer in Europa nooit "had moeten plaatsvinden" in België (besluiten p. 5). De beschikking moest slechts in Duitsland plaatsvinden, aldus nog A.K. Hieruit volgt noodzakelijkerwijze dat de goederen daadwerkelijk in België werden ingevoerd en dat hier BTW diende te worden betaald.

Verder zijn AK en K.T. van oordeel dat de goederen reeds aan BTW werden onderworpen en dat de Duitse douaneadministratie de goederen heeft geacht in Duitsland te zijn ingevoerd.

A.K. en K.T. bewijzen hun stelling evenwel niet en leggen dienaangaande geen enkel stuk voor.

29.AK en K.T. stellen tenslotte dat indien de Belgische administratie de terugwerkende douaneverklaringen heeft aanvaard, zij, volgens hen, ook het principe dient te aanvaarden dat nooit een overdracht van macht om ais eigenaar te beschikken is overgedragen in België. Zij verwijzen tevens naar het arrest Equoland van het Hof van Justitie.

Evenwel zijn de feiten in die zaak grondig verschillend van de feiten in voorliggend geval. In de zaak Equoland vereiste de Italiaanse administratie immers dat BTW zou worden betaald bij invoer, terwijl de BTW reeds was betaald bij toepassing van de verleggingsgregeling door uitreiking van een op eigen naam gestelde factuur en boeking in het register van aan- en verkopen van de belastingplichtige. In die zaak eiste de Italiaanse fiscus aldus tweemaal dezelfde BTW van dezelfde belastingplichtige, wegens het niet daadwerkelijk onderbrengen van de goederen in een douane-entrepot.

In voorliggend geval eist de administratie niet dat tweemaal BTW in België zou worden betaald, maar heeft zij geweigerd de in België betaalde BTW terug te betalen aan J.F. Evenmin werd de BTW in casu opgelegd bij wijze van sanctie.

30.De hoofdvordering is in zoverre ongegrond.

DE TUSSENVORDERINGEN VAN EISERESSEN OPZICHTENS A.K. EN K.T.

1. Internationale rechtsmacht ("onbevoegdheid van de rechtbank")

31.Volgens de in tussenkomst gedaagde partijen is de rechtbank niet bevoegd om kennis te nemen van het geschil.

32.Wat betreft de internationale rechtsmacht van de rechtbank moet toepassing worden gemaakt van Verordening 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, 'de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken wat betreft de tussenvordering (dagvaarding in tussenkomst dateert van na 10 januari 2015 - zie artikel 66 van Verordening 1215/2012).

Deze Verordening is weliswaar niet van toepassing in fiscale-zaken, doch het geschil tussen eiseressen op tussenvordering en verweersters op tussenvordering betreft geen fiscaal geschil, maar een geschil betreffende de terugbetaling van een voorgeschoten belasting op contractuele grond.

Artikel 8.2 van Verordening 1215/2012 Iuidt:

"Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:

2. bij een vordering tot vrijwaring of bij een vordering tot voeging of tussenkomst: voor het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is gemaakt, tenzij de vorderingen slechts zijn ingesteld om hem te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter die bevoegd zou zijn in zijn zaak.".

In voorliggend geval wordt niet aangetoond dat de vordering van eiseressen slechts zouden zijn ingesteld om A.K. en K.T. te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter die bevoegd zou zijn in zijn zaak. Deze laatste rechter wordt overigens niet geïdentificeerd door de tussenkomende partijen A.K. en K.T..

De enkele omstandigheid dat er geen contractuele band zou bestaan tussen eiseressen en K.T. is voor de toepassing van artikel 8.2 van de Verordening 1215/2012 niet relevant.

2. Interne bevoegdheid

33.Volgens A.K. en K.T. zijn de "handelsrechtbanken" bevoegd. De rechtbank neemt aan dat hiermee de rechtbank van koophandel wordt bedoeld.

34.De rechtbank waarvoor de hoofdeis aanhangig is, is bevoegd om kennis te nemen van de eis in tussenkomst (art. 564 Ger. W.).

De beoordeling van een geschil tussen kooplieden is geen exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van koophandel.

35.De rechtbank is derhalve ook naar intern recht bevoegd om kennis te nemen van het tussengeschil.

3. Ten gronde

Argumenten van partiien

36.Eiseressen op tussenvordering stellen dat A.K. de goederen in kwestie heeft doorverkocht aan K.T., en onderhevig is aan de BTW-reglementering. Uit de conclusie van de Belgische Staat FOD Financiën zou blijken dat A.K. (dan wel K.T.) de goederen in kwestie in Duitsland nooit bij de fiscale autoriteiten (hetzij BTW, hetzij douane) ter verbruik zou hebben aangegeven, hoewel daartoe verplicht. Zij stellen tevergeefs aan A.K. en K.T. het bewijs van aangifte tot verbruik van goederen in Duitsland opgevraagd, doch dit niet te hebben bekomen, ook niet na aanmaning en ingebrekestelling. Voor het geval het verweer van de Belgische Staat FOD Financiën voor de rechtbank ontwikkeld, doel mocht treffen, blijft vaststaan dat verzoekster de BTW in kwestie betaald heeft en voorgeschoten heeft voor A.K. en K.T. en dat zij dus recht heeft op terugbetaling hiervan, zo niet van de Belgische Staat FOD Financiën dan toch minstens van haar opdrachtgever A.K. dan wel van de koper van de goederen K.T.. Eiseressen (of één van hen) trad in casu op als commissionnair-expediteur en dus, volgens vaste rechtspraak en rechtsleer, handelend ais lasthebber voor rekening van A.K.

Art. 1999 B.W. verplicht de lastgever tot het vergoeden van de voorschotten en kosten die de lasthebber in de uitvoering van zijn opdracht gemaakt heeft.

Ongeacht waar de goederen werden ingevoerd, in België dan wel in Duitsland, in een van deze landen zou de BTW verschuldigd worden. Indien AK DEUTSCHLAND dan wel de uiteindelijke koper K.T. effectief, zoals zij beweren, de goederen hebben ingeklaard in Duitsland en daar eveneens BTW hebben betaald, dan dient de BTW die betaald werd in België terugbetaald te worden door de Belgische Staat FOD Financiën aan eiseressen, die gesubrogeerd is in de rechten van AK. Indien echter AK en K.T. niet kunnen aantonen dat zij effectief de BTW hebben betaald in Duitsland, dan is de BTW wel degelijk verschuldigd in België en dienen zij eiseressen, die ais lasthebber de BTW in België voor hen heeft voorgeschoten, o.b.v. art. 1999 B.W. deze BTW terug te betalen.

37.AK en K.T. voeren aan dat zij niet in het geding hadden moeten worden betrokken en dat de vraag van eiseressen betreffende de bewijzen dat de goederen voor verbruik werden aangegeven in Duitsland ook had kunnen worden gesteld op grond van artikel 877 Ger.W.

Beoordeling

38.De stelling dat een vordering tot mededeling van stukken niet zou verantwoorden dat AK en K.T. in het geding werden betrokken, mist doel, aangezien deze stelling het feit miskent dat eiseressen tevens een rechtstreekse vordering tot veroordeling van AK en K.T. hebben ingesteld. Deze vordering hadden zij niet kunnen stellen in het kader van een vordering op grond van artikel 877 Ger.W.

In elk geval is er niets dat AK en K.T. ervan heeft kunnen weerhouden om de door eiseressen gevraagde stukken voor te leggen, hetgeen zij echter hebben nagelaten. Derhalve komt het niet dienstig voor om AK en/of K.T. thans nog te veroordelen tot voorlegging van deze stukken op straffe van een dwangsom.

Vordering ten aanzien van A.K.

39.De rechtbank stelt vast dat geen enkel bewijs voorligt van het feit dat de kwestieuze goederen werden ingeklaard en voor verbruik werden aangegeven in Duitsland door A.K of K.T.

AK en K.T. voeren terecht aan dat, indien J.F. zijn contractuele verplichtingen zou zijn nagekomen, namelijk door de douanelijsten aan te zuiveren, er geen enkele vraag van Belgische BTW zou zijn geweest.

Eiseressen betwisten alsdusdanig niet dat het de bedoeling was van AK, haar opdrachtgever, dat de goederen in Duitsland zouden terechtkomen en dat het derhalve nooit de bedoeling was om de goederen in België in te voeren. Indien J.F. de douanelijsten had aangezuiverd v66r de verwijdering van de goederen uit de haven, dan had A.K kunnen gebruik maken van één van de regelingen bedoeld in artikel 23, §4 W.BTW en zou slechts BTW verschuldigd zijn geweest in Duitsland.

De door J.F. in België betaalde BTW vindt aldus zijn uitsluitende oorzaak in de door J.F. zelf begane contractuele tekortkoming bij de uitvoering van zijn contractuele verbintenissen ten aanzien van A.K.

De vordering van eiseressen tot terugbetaling ten aanzien van A.K. op grond van artikel 1999 B.W. is dienvolgens ongegrond.

Vordering ten aanzien van K.T.

40.De vordering opzichtens K.T. kan niet worden gesteund op de regels van de lastgeving, vermits er tussen K.T. en eiseressen nooit een contractuele band is totstandgekomen.

Evenmin tonen eiseressen aan dat K.T. een buitencontractuele fout zou hebben begaan.

De vordering is dienvolgens, bij gebrek aan rechtsgrond, ongegrond in zoverre gericht tegen K.T.

4. GERECHTSKOSTEN

I Hoofdvordering

41.Aangezien de vordering van eiseressen ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van eiseressen.

De waarde van de vordering situeert zich tussen €100.000,01 en €250.000,00. Op grond van de waarde van het geschil kan de rechtsplegingsvergoeding begroot worden op €6.000.

Il Tussenvorderingen

42.Aangezien de vordering van eiseressen op tussenvordering ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van eiseressen op tussenvordering.

De waarde van de vordering situeert zich tussen €100.000,01 en €250.000,00. Op grond van de waarde van het geschil kan de rechtsplegingsvergoeding begroot worden op €6.000.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd;

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende ais niet ter zake en/of overbodig,

Ten aanzien van de hoofdvordering

Verklaart de hoofdvordering van J.F. en K.B. ontvankelijk, doch ongegrond.

Veroordeelt J.F. en K.B. tot betaling van de kosten van het geding in hoofde van de Belgische Staat begroot op €0 rechtsplegingsvergoeding

Ten aanzien van de tussenvordering

Verklaart de tussenvordering van J.F. en K.B. opzichtens A.K. en K.T. ontvankelijk, doch ongegrond;

Veroordeelt J.F. en K.B. tot betaling van de kosten van het geding, in hoofde van A.K. en K.T. telkens (voor elk van hen beide) begroot op €6.000 rechtsplegingsvergoeding;

Aldus beslist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 28 juni 2017

Waar aanwezig waren en zitting hadden:

De heer M. B., rechter

Mevrouw K., afgevaardigd griffier.

Aangehaalde teksten

28
KB nr. 52 art. 33 voorkomens
KB nr. 56 art. 193 voorkomens
KB nr. 56 art. 23 voorkomens
KB nr. 18 art. 22 voorkomens
KB nr. 18 art. 52 voorkomens
KB nr. 18 art. 62 voorkomens
KB nr. 52 art. 22 voorkomens
WBTW art. 402 voorkomens
KB nr. 7 art. 61 voorkomen
WBTW art. 151 voorkomen
WBTW art. 25ter1 voorkomen
WBTW art. 39bis1 voorkomen
WBTW art. 511 voorkomen
WBTW art. 521 voorkomen
VWEU art. 291 voorkomen
richtlijn 2008/9 art. 161 voorkomen
richtlijn 2008/9 art. 31 voorkomen
verordening 1215/2012 art. 661 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8