Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 18 februari 2004

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-administratieve-rechtbank-antwerpen-2004-02-18-4c41

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
18 februari 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

76 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 18.02.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op achttien februari tweeduizend en vier in openbare zitting van de 2F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., rechter, voorzitter van de kamer,

P. W., rechter,

N. V., rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 01/4140/A

BVBA V., met BTW-nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester M. C. loco meester V. D., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, Gewestelijke directie van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, op vervolging en benaarstiging van de heer D. D. B., eerstaanwezend inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen 2, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

En in zake : AR nr. 01/4382/A

BVBA V., met BTW-nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester M. C. loco meester V. D., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCH E STAAT,

a. in de persoon van de Minister van Financiën, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, zijnde op haar administratieve burelen te 1000 Brussel, Bisschoffsheimlaan 38,

b. Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, Gewestelijke directie van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, op vervolging en benaarstiging van de heer D. D. B., eerstaanwezend inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen 2, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

In zake : AR nr. 01/4140/A

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 18 juni 2001,

- de besluiten van partijen.

En in zake : AR nr. 01/4382/A

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. B. te … op 18 juni 2001 voor wat betreft verwerende partij sub nr. a en betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder C. E. in vervanging van gerechtsdeurwaarder R. D. M. te … op 18 juni 2001 voor wat betreft verwerende partij sub nr. b,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 4 juni 2003,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord partijen in bun middelen en gezegden ter zitting van 21 januari 2004.


Gegevens en voorgaande

AOIF-ambtenaren verrichtten een controle ter plaatse bij huidig eiseres op 21 november 1996.

Eén van die ambtenaren stelde daarover op 16 december 1998 een BTW proces-verbaal op, en hij vermeldde daarin dat bij nog eerdere controles van vervoer over de weg ten name van huidig eiseres was geconstateerd dat voor een en dezelfde levering twee zendnota's bleken te zijn opgemaakt, met zelfde nummer en datum, maar dat bij een van die beide zendnota's het nummer telkens werd voorafgegaan door twee of drie asterisken.

Er was als bijzonderheid vastgesteld dat op het exemplaar met asterisken nimmer drank in vaten voorkwam.

Als verklaring van de zaakvoerder en van een administratief bediende werd geacteerd dat de zendnota's zonder asterisken een jaar werden bewaard, en dat de zendnota's met asterisken na de levering werden vernietigd middels een papierversnipperaar, zulks nadat de vermeldingen ervan periodiek waren overgenomen op een handgeschreven blad, waarvan de samengetelde gegevens werden vermeld op een factuur 'Particulieren Verkopen' en als dusdanig ook werden verwerkt in de boekhouding onder klantnummer 90.000.

Deze post “Particulieren Verkopen” werd aldaar uitgesplitst in drie onder categorieën.

Ook op de dag van de controle ter plaatse zijn blijkens het proces-verbaal controles van het vervoer over de weg gebeurd met dezelfde vaststellingen ter zake dubbele zendnota 's.

Aan de hand van de vaststellingen ter plaatse, geschied met medewerking van de genoemde personen, werd dan gekomen tot jaarbedragen totale verkopen van 'Particulieren Verkopen' voor de jaren 1995 en 1996, waarvan de maatstaf van heffing en de daarop verschuldigde belasting alle bleken te zijn opgenomen in de maandaangiften van huidig eiseres.

Evenwel bleken de goederen die het voorwerp vormden van de boekingen 'Particulieren Verkopen' niet te zijn geleverd aan natuurlijke personen die die goederen bestemmen voor privé-gebruik waarvoor factureringsontheffing geldt, en daarnaast kon de identiteit van de werkelijk beleverde medecontractanten niet meer worden achterhaald.

Aan de hand van de vermelde totale verkopen aan 'Particulieren Verkopen' werd dan onder verwijzing naar artikel 70, § 2 Wetboek BTW een geldboete berekend gelijk aan 200 % van deze totalen, zulks wegens het vermelden van onjuiste gegevens op de factu(u)r(en).

Daarnaast werd een boete vastgesteld van 100.000 BEF (nu te lezen als 2.478,94 EUR) om reden van niet bewaring der zendnota's, zulks in toepassing van artikel 70, § 4 Wetboek BTW, en van rubriek XVI van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 44 inzake BTW.

Op 7 juli 1999 maakte de bevoegde BTW-ontvanger ter invordering een dwangbevel op dat op 8 juli 1999 uitvoerbaar werd verklaard en dat met aangetekende brief van 14 juli 1999 ter kennis van eiseres werd gebracht.

Namens eiseres werd met exploot van 18 juni 2001 in betwisting gedagvaard (AR 01/4382/A), maar parallel ook ingeleid met verzoekschrift op tegenspraak (AR 01/4140/A).

Onderzoek en beoordeling

Er loopt geen betwisting ter zake de toelaatbaarheid van de vordering in beide zaken, ook niet zo nodig ambtshalve aan te voeren, ter zake de vordering zoals ingeleid met exploot van dagvaarding. Evenwel is de vordering zoals ingeleid met verzoekschrift niet toelaatbaar om reden dat de vorderingsgrond is ontstaan voor 1 januari 1999.

Eiseres doet ten gronde vooreerst gelden dat er geen vaststellingen zouden voorliggen die de bijzondere bewijswaarde van artikel 59, § 1 in fine Wetboek BTW zouden genieten.

Zulks zou volgen uit het tijdsverloop tussen de controle ter plaatse en de datering van het proces-verbaal, waaruit dan zou moeten blijken dat de verbalisant nog onmogelijk zo precies zijn persoonlijke vaststellingen kon weergeven ten dage van het proces-verbaal.

De rechtbank kan deze stelling niet bijtreden.

Het is duidelijk dat het proces-verbaal niet werd opgesteld op basis van louter geheugen, maar aan de hand van notities naast ter plaatse bekomen afschriften en kopieën, en van daaraan dan gekoppelde berekeningen.

Eiseres doet als spiegelbeeld daarop gelden dat zij dan toch door het vermelde tijdsverloop werd geschaad in haar rechten van wederspraak op het proces-verbaal.

Nochtans volstaat het opwerpen van het feit zelf van het tijdsverloop daartoe niet, zeker niet nu te dezen de eigen verklaringen van de zaakvoerder en van de administratief bediende ter zake de door hen bij de overtredingen gevolgde handelwijze werden uiteengezet.

Eiseres gaat de mist in waar zij daarnaast ook nog opwerpt dat het proces-verbaal niet zou voldoen aan de verplichting tot motivering.

Het gegeven dat de vermeldingen van het proces-verbaal eiseres niet uitkomen, heeft geen uitstaans met een schending van een motiveringsverplichting, waaromtrent eiseres overigens niets uiteenzet, en het proces-verbaal dat wordt geregeld in artikel 59, § 1 Wetboek BTW is in ieder geval niet het door de wet van 29 juli 1991 beoogde dwangbevel, maar werd er enkel aan gehecht ter weergave van de feitelijke grondslag van de fiscale vordering.

Eiseres kan niet worden gevolgd in haar stelling dat het dwangbevel zelf nietig zou zijn 'aangezien het een titel van strafrechtelijke sanctie uitmaakt'.

De sanctie is weliswaar strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het EVRM, maar vormt naar Belgisch recht een administratieve sanctie, en uit geen gegeven blijkt dat het dwangbevel als akte bij wijze van overigens administratieve invordering (artikel 85, § 1 Wetboek BTW) niet zou toelaten 'uit te maken welke verwijten (eiseres) zouden treffen'.

De rechtbank beschikt over volle rechtsmacht ter beoordeling van de door de belastingdienst toegepaste sanctie (zie onder meer Arbitragehof 12 juni 2002, nr. 96/2002, BS 17 aug.2002).

Uit de naar voren tredende dossiergegevens blijkt volop dat eiseres een systeem heeft opgezet waarbij ze heeft bijgedragen tot het onttrekken van goederen aan het officiële BTW­circuit, en ook dat ze er in dat verband niet voor terugschrok om mogelijke bewijsstukken te vernietigen.

De toepassing, zonder enige vermindering, van de overigens van rechtswege toepasselijke boete is dan ook volkomen conform de wet geschied.

Eiseres kan tenslotte geenszins worden bijgetreden waar zij aan de belastingdienst het verwijt toewerpt dat laatstgenoemde, ondanks vaststellingen bij controle van vervoer over de weg in 1994 (stukken 1, 2 en 3 eiseres), eiseres dan niet eerder tot de orde heeft geroepen, wat dan in de ogen van eiseres 'destijds een zinvolle discussie mogelijk' had gemaakt en waardoor dito 'eventuele problemen (...) voorkomen (waren) geweest'.

Er bestaat aanleiding tot samenvoeging van de zaken onder beide rolnummers, nu de zaken enkel van elkaar verschillen door hun wijze van rechtsingang, en aldus samenhangen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Na erover beraadslaagd te hebben.

Voegt de zaken onder AR 01/4382/A en AR 01/4140/A samen en oordeelt erover in een en hetzelfde vonnis,

Verklaart de vordering onder AR 01/4140/A ontoelaatbaar en de vordering onder AR 01/4382/A toelaatbaar, maar verklaart deze laatste vordering ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten, deze aan elke zijde begroot, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op eenmaal 171,05 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.

N. D. N. V. P. W. L. B.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 592 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 851 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8