Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 30.05.2018
15/6695/A, 15/6695/A, 15/6857/A, 15/6858/A, 15/6860/A, 15/6862/A, 16/3251/A, 16/6103/A en 17/2619/A
Samenvatting
Samenvatting niet beschikbaar
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
sectie burgerlijke rechtbank
vonnis
Kamer AFi4
Inzake:
P. wonende te …,
eisende partij
- vertegenwoordigd ter zitting door meester P.W. loco meester F.V.,…
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT
in de persoon van de minister van Financiën, 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van de Gewestelijke Directie AABBI Brussel, met kantoren te 1030 BRUSSEL 3, Koning Albert Il laan 33 bus 49,
verwerende partij
- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw A.G., in hoedanigheid van attaché; en
- vertegenwoordigd ter zitting door de heer G.E., in hoedanigheid van attaché.
* *
*
Gezien de stukken van het dossier van de rechtspleging zoals zij voorkomen op de inventaris ervan, inzake A.R. 15/6695/A, ondermeer:
- het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 24 november 2015;
- de beschikking conform artikel 747, §1 Ger.W. d.d. 18 maart 2016, houdende bekrachtiging · van de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag;
- de beschikking conform artikel 747, §2 Ger.W. d.d. 21 juni 2017, houdende bepaling van de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag;
- de conclusies en de stukken van de partijen.
Gezien de stukken van het dossier van de rechtspleging zoals zij voorkomen op de inventaris ervan, inzake A.R. 15/6857/A, ondermeer:
- het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 1 december 2015;
- de beschikking conform artikel 747, §1 Ger.W. d.d. 18 maart 2016, houdende bekrachtiging van de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag;
- de beschikking conform artikel 747, §2 Ger.W. d.d. 21 juni 2017, houdende bepaling van de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag;
- de conclusies en de stukken van de partijen.
Gezien de stukken van het dossier van de rechtspleging zoals zij voorkomen op de inventaris ervan, inzake A.R. 15/6858/A, ondermeer:
- het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 1 december 2015;
- de beschikking conform artikel 747, §1 Ger.W. d.d. 18 maart 2016, houdende bekrachtiging van de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag;
- de beschikking conform artikel 747, §2 Ger.W. d.d. 21 juni 2017, houdende bepaling van
- de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag;
- de conclusies en de stukken van de partijen.
Gezien de stukken van het dossier van de rechtspleging zoals zij voorkomen op de inventaris ervan, inzake A.R. 15/6860/A, ondermeer:
- het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 1 december 2015;
- de beschikking conform artikel 747, §1 Ger.W. d.d. 18 maart 2016, houdende bekrachtiging van de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag;
- de beschikking conform artikel 747, §2 Ger.W. d.d. 21 juni 2017, houdende bepaling van
- de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag; de conclusies en de stukken van de partijen.
Gezien de stukken van het dossier van de rechtspleging zoals zij voorkomen op de inventaris ervan, inzake A.R. 15/6862/A, ondermeer:
- het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 1 december 2Ó15;
- de beschikking conform artikel 747, §1 Ger.W. d.d. 18 maart 2016, houdende bekrachtiging van de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag;
- de beschikking conform artikel 747, §2 Ger.W. d.d. 21 juni 2017, houdende bepaling van
- de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag; de conclusies en de stukken van de partijen.
Gezien de stukken van het dossier van de rechtspleging zoals zij voorkomen op de inventaris ervan, inza_ke A.R. 16/3251/A, ondermeer:
- het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 13 juni 2016;
- de beschikking conform artikel 747, §1 Ger.W. d.d. 9 september 2016, houdende bekrachtiging van de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdàg;
- de conclusies en de stukken van de partijen.
Gezien de stukken van het dossier van de rechtspleging zoals zij voorkomen op de inventaris ervan, inzake A.R. 16/6103/A, ondermeer:
- het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 22 november 2016;
- de beschikking conform artikel 747, §1 Ger.W. d.d. 16 december 2016, houdende bekrachtiging van de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag;
- de conclusies en de stukken van de partijen.
Gezien de stukken van het dossier van de rechtspleging zoals zij voorkomen op de inventaris ervan, inzake A.R. 17/2619/A, ondermeer:
- het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 19 mei 2017;
- de beschikking conform artikel 747, §1 Ger.W. d.d. 9 juni 2017, houdende bekrachtiging van de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag;
- de conclusies en de stukken van de partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gehoord partijen en hun raadslieden in hun middelen en besluiten op de zitting van 2 mei 2018. Daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen.
* *
*
Het geschil behelst personenbelasting in hoofde van eiser, voetbaltrainer van beroep, fiscaal alleenstaande.
Niet (meer) in betwisting staat dat hij Rijksinwoner is.
Op 17 maart 2010 schreef belastingdienst M. eiser, op zijn adres te Z. aan met Vraag om Inlichtingen met betrekking tot aanslagjaren 2008 en 2009 (inkomstenjaren 2007 en 2008).
De vraag gaat als volgt :
"Ontvangt U inkomsten uit het buitenland ? (volgens onze info zou U bondscoach zijn van G.). Zo ja, gelieve hier een detail van voor te leggen voor 2007 en 2008).
Hoe heeft U zich voorzien in uw levensonderhoud voor de jaren 2007 en 2008 ? ".
Een toenmalig raadsman antwoordde in essentie dat al inlichtingen zouden zijn verschaft in de aangifte en dat eiser in 2007 geen tewerkstelling had gehad.
De raadsman stelt in zijn antwoord nog:
"In bijlage vindt U het bewijs van zijn tewerkstelling in G. en zijn verklaring van inkomsten daar..".
Op 17 oktober 2011 schreef belastingdienst M. eiser, op een ander adres te Z., aan met Vraag om Inlichtingen met betrekking tot aanslagjaren 2009 en 2010 (inkomstenjaren 2008 en 2009.
De vraag gaat als volgt:
"Gelieve een duidelijk detail met de nodige stavingstukken (wedde fiches, betalingsbewijzen, contract) voor te leggen van uw buitenlandse inkomsten uit G.. Zoals reeds aan uw boekhouder gemeld zijn deze inkomsten gedeeltelijk in België belastbaar aangezien België met G. geen dubbelbelastingverdrag heeft. Op 17 maart 2010 is U al reeds gevraagd een detail vaar te leggen van de inkomsten uit G. voor 2008. Toen heeft U nagelaten een detail voor te leggen. U heeft ons alleen bevestigd dat U in G. werkzaam was ".
Vermelde raadsman antwoordde:
"Ik ben geenszins gediend met deze 'heksenjacht'. Ik vrees dan ook instructie te krijgen van cliënt om een en ander eens te laten nazien. Nogmaals maak ik U de documenten over waaromtrent het gaat ".
De Bijzondere Belastinginspectie (BBI) verzond op 18 maart 2013 een brief met uitbreiding van de onderzoekstermijn van naar aanslagjaren 2007, 2008, 2009, 2010 (inkomstenjaren 2006, 2007, 2008, 2009 (en "2010")).
Deze brief is gericht aan het adres van eiser te M..
Hij gaat vergezeld van een Vraag om Inlichtingen van dezelfde dag omtrent de bankverrichtingen en bankrekeningen van eiser.
Op deze vraag wordt geen antwoord aangetroffen.
De Politierechter te Antwerpen verleende op 16 mei 2013 een machtiging tot visitatie in het pand …, betrokken door E. E., P. P. of door om het even wie, alsmede er de bedrijfswagens en privévoertuigen te controleren die daar aanwezig zijn en in het bijzonder eigendom van E.E. (volgt de omschrijving van een personenwagen).
De machtiging verwijst naar art. 319 WIB92 en art. 63 Wetboek BTW. De visitatie had plaats op 16 mei 2013 aan de ...
Ze behelsde zowel E.E. (op haar maatschappelijke zetel) als eiser (op zijn woonplaats).
De BBI verzond dan op 8 augustus 2013 een nieuwe brief tot uitbreiding van de onderzoekstermijn over dezelfde jaren als de eerste brief van 18 maart 2013.
Deze laatste brief werd op 12 augustus gevolgd door een Vraag om Inlichtingen in dezelfde zin als de vroegere vraagstellingen.
Op 29 augustus 2013 volgde een Kennisgeving in de zin van art. 333/1 WIB92. Ze gaat gepaard met Vragen om Inlichtingen aan drie financiële instellingen.
Op 21 oktober 2013 werd dan een Bericht tot Wijziging van aangifte verzonden, dit per aanslagjaar.
Bij gebrek aan antwoord werd het, op 24 december 2013, omgezet in telkens een Kennisgeving tot Aanslag van Ambtswege.
Daarin wordt ook belastingverhoging met 50% voorgenomen wegens opzet de belasting te ontduiken, 1ste overtreding (aanslagjaar 2015 = 100%, 2de overtr.).
Ook deze kennisgeving bleef onbeantwoord.
Hoewel wettelijk dat niet verplicht werd, op 6 februari 2014, een beslissing tot verzonden.
Supplementaire aanslagen volgden conform vermeld voornemen:
supplement artikel … van 25 februari 2014, aanslagjaar 2009;
supplement artikel … van 24 maart 2014, aanslagjaar 2010;
supplement artikel … van 24 maart 2014, aanslagjaar 2011;
supplement artikel … van 24 maart 2014, aanslagjaar 2012;
supplement artikel … van 8 juni 2015, aanslagjaar 2013;
supplement artikel …, aanslagjaar 2014;
supplement artikel …, aanslagjaar 2015.
Telkens werd tijdig bezwaarschrift ingediend en werd het bezwaar ten gronde afgewezen. Rechtsvorderingen werd als volgt tijdig ingesteld :
verzoekschrift 1 december 2015, aanslagjaar 2009, A.R.15/6558/A;
verzoekschrift 1 december 2015, aanslagjaar 2010, A.R.15/6862/A;
verzoekschrift 22 november 2016, aanslagjaar 2010, A.R.16/6103/A;
verzoekschrift 1 december 2015, aanslagjaar 2011, A.R.15/6857/A;
verzoekschrift 1 december 2015, aanslagjaar 2012, A.R.15/6860/A;
verzoekschrift 24 november 2015, aanslagjaar 2013, A.R.15/6695/A;
verzoekschrift 13 juni 2016, aanslagjaar 2014, A.R.16/3251/A;
verzoekschrift 19 mei 2017, aanslagjaar 2015, A.R.17/2619/A.
Vanuit wat voorafgaat past het vooreerst de zaken samen te voegen wegens samenhang (art. 30 Gerechtelijk Wetboek).
De zaken A.R. 15/6862/A en A.R. 16/6103/A vormen louter 'dubbel gebruik'.
Toelaatbaarheid der rechtsvorderingen staat niet in betwisting, zulks ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren.
Ten gronde
1. Voor aanslagjaren 2009, 2010, 2011 en 2012 vordert eiser dat de aanslagen worden vernietigd om reden van schending van de aanslagtermijn (art. 354 WIB92),
Deze aanslagen werden gevestigd binnen de fraudetermijn van 3 + 4 jaar.
Eiser verwijst naar een strafvonnis van de rechtbank te Dendermonde van 27 februari 2017 inzake hemzelf en bvba E. (griffienummer 619/2017).
Dit vonnis behelst witwas.
De belastingdienst toonde onder de op hem zelfstandig rustende aldus eigen bewijslast aan dat eiser geen aangifte deed van zijn buitenlandse inkomsten.
De rechtbank te Dendermonde overwoog overigens in haar vonnis :
" ... De inkomsten waarvan hij aangifte had moeten doen, betroffen zijn inkomsten als bondscoach in G. en hebben op zich niets te maken met de feiten in dit dossier, in het kader van zijn vennootschap de BVBA E. ... ".
2. De Politierechter machtigde tot visitatie ter woning van eiser, tegelijk zetel van bvba E. waarvan, binnen het gebouw met dezelfde ingang, geen duidelijke materiële of andere afscheiding blijkt te bestaan.
De grief van eiser omtrent onrechtmatigheid der hier geschiede visitatie (arrest 6503, Grondwettelijk Hof, 12 oktober 2017) wordt ingedekt door de machtiging van de Politierechter.
Het verloop der visitatie werd uiteengezet in een proces-verbaal. Eiser legt geen schending van zijn grondrechten voor in dit verband.
3. De machtiging van de Politierechter ontsloeg van de plicht van art. 333 derde lid WIB92 tot voorafgaande kennisgeving van de aldaar bedoelde aanwijzingen (zie en vergelijk inzake de toelating door de Procureur-generaal tot inzage, Cass.16 maart 2001, F990037N, ook FJF 2001/260).
De machtiging stemt overigens overeen met de aanvraag daartoe.
De lapsus in de tekst van de machtiging (huis"zoekingen") blijkt uit het gegeven dat ze werd gegeven in het kader van art. 319 WIB92 plus art. 63 Wetboek BTW (titel der machtiging), de tijdsbeperking ('5 uur 's morgens tot 9 uur 's avonds') en de niet beperking tot werkzaamheden maar ook stukken, geïnformatiseerde inlichtingen enz.
4. Waar nodig werd de aanslagtermijn van art. 354 tweede lid WIB92 hier terecht aangewend aan de hand van de bewijsbevindingen.
5. Eiser formuleert overigens, buiten wat volgt, geen grieven over de weerhouden belastbare grondslagen op zich.
6. Eiser stelt dat het klimaat in G. een bekend feit vormt waarmede rekening had dienen te worden gemaakt bij het bepalen van het voordeel van alle aard.
Beweerde algemene kennis over het (tropisch) klimaat in G. vormt echter geen vaststaande concrete onderbouwing voor de grief van eiser.
De grief onderbouwt met name niet met concrete gegevens dat er ter plaatse op geen enkel ogenblik noodzaak tot verwarming zou bestaan.
Overigens vormt de grief geen afdoende grond om maar meteen willekeur van het weerhouden voordeel te (kunnen) ondersteunen.
De formulering door de belastingdienst ter weerhouding van het voordeel van alle aard is omvattend voor de genoten voordelen in hun geheel.
7. Er bestaat geen dubbelbelastingverdrag met G..
In beginsel kan dan art. 156 WIB92 worden toegepast, ware het niet dat geen van de door eiser aangevoerde documenten op ernstige wijze aantoont dat er werkelijk belasting werd of· zelfs zou zijn betaald in G..
8. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat eiser op systematische beredeneerde wijze gedurende jaren (belangrijke) belastbare inkomsten heeft verdoezeld.
Dit getuigt van een werkelijk ontduikingsinzicht. De voorgenomen, naderhand toegepaste, belastingverhogingen zijn dan ook niet alleen wettelijk, maar hier ook volop op hun plaats, want recht evenredig met de aan het licht gekomen feiten en inzichten van eiser.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Voegt de zaken A.R. 15/6695/A, A.R. 15/6857/A, A.R. 15/6858/A, A.R. 15/6860/A, A.R.15/6862/A, A.R. 16/3251/A, A.R. 16/6103 en A.R. 17/2619/A samen en beoordeelt ze in een en hetzelfde vonnis.
Verklaart alle rechtsvorderingen toelaatbaar, maar ongegrond. Veroordeelt eiser tot de opgetelde kosten in alle zaken samen.
Vereffent de kosten in hoofde van verweerder niet, bij gebreke aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusie.
Dit vonnis werd uitgesproken op dertig mei tweeduizend achttien in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:
L. B., rechter,
B. V., griffier,
L.B.
B.V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.