Fiscale visitatie, Beroepslokalen, Vrije toegang verlenen tot beroepslokalen · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 28 februari 2023

Zoeken

Fiscale visitatie, Beroepslokalen, Vrije toegang verlenen tot beroepslokalen

https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-visitatie-beroepslokalen-vrije-toegang-hof-van-beroep-antwerpen-2023-02-28-296d

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
28 februari 2023

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

202 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 28.02.2023

WF 713-15-20/048090

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Fiscale visitatie – Beroepslokalen – Vrije toegang verlenen tot beroepslokalen

Wettelijke bepalingen

Art. 63 en 70, §4 WBTW;

Bijlage bij KB nr. 44 van 9 juli 2012, afdeling 4, rubriek IV (eerste overtreding).

Samenvatting

1) Feiten en vonnis in eerste aanleg

De belastingplichtige is organisator van festivals en evenementen. Op 26 juli 2019 meldden 3 ambtenaren van FOD Financiën met aanstellingsbewijs, zich bij de belastingplichtige aan voor een onaangekondigde fiscale controle. De zaakvoerder weigerde de ambtenaren toegang te verlenen tot het onroerend goed. Daarvoor werd in een proces-verbaal een boete van 1.000 euro opgelegd. Het daaropvolgend verzoek tot kwijtschelding van de boete, in toepassing van het Regentbesluit, werd bij administratieve beslissing integraal afgewezen.

De rechtbank in eerste aanleg stelde vast dat uit de vaststellingen door de administratie, wel degelijk blijkt dat er ruimtes in het onroerend goed aanwezig waren die effectief 100% beroepsmatig werden gebruikt en verklaarde de vordering van belastingplichtige ontvankelijk maar ongegrond.

2) Het arrest in hoger beroep

De belastingplichtige stelt in hoger beroep dat de beroepslokalen ingebed zijn in een privéwoning zodat het lokaal als bewoond lokaal moet worden aangemerkt, waarin controleambtenaren geen vaststellingen mochten doen zonder machtiging van de politierechter.

Gelet op art. 63 WBTW is het visitatierecht duidelijk doelgebonden en de finaliteit van het visitatierecht is beperkt. Art. 63 WBTW bepaalt waar, wanneer, en door wie de visitatie kan uitgevoerd worden en wat het voorwerp ervan is. De machtiging van de politierechter is enkel een noodzakelijke voorafgaande voorwaarde om toegang te verkrijgen tot een particuliere woning of bewoonde lokalen Het spreekt voor zich dat de administratie haar visitatie niet verplicht op voorhand moet aankondigen.

Het hof merkt op dat beroepslokalen hun karakter van beroepslokaal niet verliezen enkel en alleen omdat zij deel uitmaken van een woonhuis. Het loutere feit dat een bureel zich in een privéwoning bevindt, betekent niet dat dit bureel het karakter van een bewoond lokaal krijgt. Ook het feit dat op eenzelfde erf zowel bedrijfsgebouwen als een privéwoning zijn gelegen, impliceert niet dat het ganse erf zonder meer geniet van de onschendbaarheid van een privéwoning, zoals gewaarborgd door art. 8 EVRM en art. 15 Van de Grondwet.

Ondanks het feit dat tijdens de controle, de maatschappelijke zetel elders was gevestigd, blijkt uit de voorgelegde stukken dat het adres bij de fiscale administratie bekend stond als het adres waar de beroepsactiviteiten plaatsvonden.

Gelet op voormelde gegevens is het hof van oordeel dat de belastingadministratie niet diende te beschikken over een bijzondere machtiging van de politierechter. In de gegeven omstandigheden diende de belastingplichtige vrije toegang te verlenen tot de ruimten waar de activiteit werd uitgeoefend, hetgeen hij heeft nagelaten.

Het verzet om vrije toegang te verschaffen werd beteugeld met een administratieve boete. Het hof ziet geen enkele reden om de boete kwijt te schelden of te verminderen noch om deze met enig uitstel toe te kennen indien de wet in deze maatregel zou voorzien.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken

Arrest van 28/02/2023

Rol: 2022/AR/20

L. T. BV, ON 046...10, met zetel te

...,

Eiseres in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. W. S. loco mr. V. F. en mr. B. J., beiden advocaat te ... (ref.: ...)

tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 22 november 2021, gekend onder rolnummer 20/2245/A

tegen

DE BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR GENERAAL- DIRECTEUR KMO CENTRUM MECHELEN, ON 0308.357.159, met diensten te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 20,

Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is de heer X, fiscaal ambtenaar

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 22 november 2021, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 5 januari 2022, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting.

Het geschil heeft betrekking op de geldboete van 1.000 euro opgelegd aan eiseres in hoger beroep onder schuldnummer 500...97.

1.2. Feiten en administratieve fase.

Eiseres in hoger beroep is een vennootschap o.m. actief in de organisatie van festivals en evenementen en is gekend onder BTW-nummer BE 046...10.

Ter voorbereiding van een (aangekondigde) fiscale controle van eiseres in hoger beroep inzake de vennootschapsbelasting en BTW met betrekking tot de boekjaren 2016 en 2017 (aanslagjaren 2017 en 2018) die gepland was voor september 2019, meldden zich op 26/07/2019 drie ambtenaren van de FOD Financiën-KMO Mechelen onaangekondigd in het bezit van een zichtbaar aanstellingsbewijs op het fiscale adres van eiseres in hoger beroep te ... met het oog op de vaststelling van de werkzaamheden van eiseres in hoger beroep binnen de beroepslokalen van het onroerend goed gelegen op het adres in toepassing van art. 63 WBTW.

De zaakvoerder van eiseres in hoger beroep, de heer V. d. B., weigerde de betreffende ambtenaren toegang te verlenen tot de beroepslokalen van dit onroerend goed.

Bij proces-verbaal van vaststelling van de belastingadministratie d.d. 26/07/2019 werd eiseres in hoger beroep een boete van 1.000 euro opgelegd naar aanleiding van de weigering om toegang te verlenen tot de beroepslokalen, dit in toepassing van art. 70, §4 WBTW en de bijlage bij het KB nr.44 van 09/07/2012, afdeling 4, rubriek IV (eerste overtreding).

Deze boete werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 09/09/2019 onder schuldnummer 500...97. Het innings- en invorderingsregister werd op 12/09/2019 uitvoerbaar verklaard.

Namens eiseres in hoger beroep werd op 10/10/2019 een verzoek tot kwijtschelding van deze geldboete ingediend in toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.

Bij administratieve beslissing van 13/01/2020 werd het ingediende verzoek tot kwijtschelding integraal afgewezen.

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 15/05/2020 stelde eiseres in hoger beroep een vordering in rechte in.

Eiseres in hoger beroep vorderde:

- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens;

- in hoofdorde te oordelen dat de geldboete ten onrechte werd opgelegd en de schuld onder schuldnummer 500...97 van nul en generlei waarde te verklaren;

in ondergeschikte orde, deze geldboete kwijt te schelden wegens het onevenredig karakter ervan;

- dienvolgens teruggave te bevelen van de bedragen die door eiseres in hoger beroep ten onrechte zouden zijn betaald en/of ingehouden door verweerder in hoger beroep, bedragen die moeten worden vermeerderd met de wettelijke en/of gerechtelijke interesten vanaf de datum van de betaling of inhoudingen;

- verweerder in hoger beroep te verwijzen in de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding begroot op 520 euro en de bijdragen van 20 euro aan het Fonds voor Juridische Tweedelijnsbijstand.

De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op O euro.

De rechtbank wees erop dat het een plicht uitmaakt van eiseres in hoger beroep en haar zaakvoerder om ervoor te zorgen dat er vrije toegang is tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend wanneer ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren, in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs en zich aandienen voor een bezoek of controle.

De rechtbank stelde vast dat uit de gegevens van het dossier bleek dat in het betreffende onroerend goed beroepswerkzaamheden werden uitgeoefend en dat er aldus lokalen in het onroerend goed werden gebruikt voor de uitoefening van de activiteiten van eiseres in hoger beroep.

De rechtbank stelde vast dat uit de vaststellingen door de belastingadministratie naar aanleiding van een aangekondigde controle op 11/09/2019 bleek dat er wel degelijk lokalen/ruimtes in het onroerend goed aanwezig waren die effectief 100% beroepsmatig werden gebruikt.

De rechtbank oordeelde dat eiseres in hoger beroep de controleambtenaren op 26/07/2019 minstens toegang had kunnen verstrekken tot de lokalen die daadwerkelijk 100% beroepsmatig werden gebruikt, o.a. de bureau- en vergaderruimte gelegen op de kelderverdieping van het hoofdgebouw, en die blijkens het proces-verbaal van vaststellingen d.d. 12/11/2019 naar aanleiding van de controle ter plaatse op 11/09/2019, rechtstreeks toegankelijk waren vanaf de buitenkant van het onroerend goed zonder dat de ambtenaren eerst door een privéruimte of door een ruimte voor gemengd gebruik dienden te moeten gaan.

De rechtbank oordeelde dat door de manifeste weigering van de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep om de bevoegde ambtenaren toegang te verlenen tot de louter beroepsmatig gebruikte lokalen het vaststond dat eiseres in hoger beroep een inbreuk had gepleegd op artikel 63 WBTW en de administratie terecht gebruik had gemaakt van de wettelijke mogelijkheid een boete op te leggen. De vordering werd op dit punt ongegrond verklaard.

Tenslotte oordeelde de rechtbank dat de boete afdoende gemotiveerd was en tevens kennelijk evenredig met de aard en de ernst van de gepleegde inbreuk en dat er geen enkele reden was om de boete kwijt te schelden of te verminderen.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 05/01/2022, hoger beroep ingesteld.

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

Eiseres in hoger beroep vordert:

- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens het vonnis a quo teniet te doen, c.q. te hervormen;

- in hoofdorde te oordelen dat de geldboete ten onrechte werd opgelegd en de schuld onder schuldnummer 500...97 van nul en generlei waarde te verklaren;

- in ondergeschikte orde, deze geldboete kwijt te schelden wegens het onevenredig karakter ervan;

- dienvolgens teruggave te bevelen van de bedragen die door eiseres in hoger beroep ten onrechte zouden zijn betaald en/of ingehouden door verweerder in hoger beroep, bedragen die moeten worden vermeerderd met de wettelijke en/of gerechtelijke interesten vanaf de datum van de betalingen of inhoudingen;

- verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, in beide aanleggen, begroot als volgt:

- voor de procedure in eerste aanleg: 520 euro rechtsplegingsvergoeding en 20 euro bijdrage voor het fonds tweedelijnsbijstand

- voor de procedure in hoger beroep: 560 euro rechtsplegingsvergoeding en 22 euro bijdrage voor het fonds tweedelijnsbijstand.

Verweerder in hoger beroep besluit tot de ontvankelijkheid maar ongegrondheid van het hoger beroep en vordert het eerste vonnis te bevestigen en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

Ter zitting van 07/02/2023 zijn partijen het eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op 600 euro, met dien verstande dat de Belgische Staat niet vertegenwoordigd noch bijgestaan werd door een advocaat.

2. Bespreking

2.1 Schending artikel 63 WBTW/Regelmatigheid visitatie/bescherming privéleven

Volgens eiseres in hoger beroep werd de geldboete ten onrechte opgelegd. Het was volgens eiseres in hoger beroep de bedoeling van de belastingadministratie om alle ruimtes van het onroerend goed gelegen te ..., te bezoeken en aangezien, volgens haar deze ruimtes, op de bureauruimte na, allen eveneens privéruimtes betreffen, was een voorafgaandelijke machtiging van de politierechter noodzakelijk. Eiseres in hoger beroep stelt dat het een visitatie betrof van een particuliere woning (van de zaakvoerder) die weliswaar gemengd werd gebruikt en dat de maatschappelijke zetel zich niet op dat adres bevond. Eiseres in hoger beroep houdt voor dat de beroepslokalen ingebed zijn in een privéwoning zodat het lokaal als een bewoond lokaal moet worden aangemerkt. Eiseres in hoger beroep houdt voor dat zonder machtiging van de politierechter de controleambtenaren geen vaststellingen mochten doen bij toepassing van art. 63 WBTW en dat deze machtiging eveneens vereist was wanneer de belastingadministratie het beroepsgebruik van een onroerend goed wenste vast te stellen.

Artikel 63 WBTW bepaalt:

"Eenieder die een economische activiteit uitoefent, moet aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen: 1 °de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden; 2 °door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm; 3 °de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van de produktie- en vervoermiddelen.

Als ruimten waar een activiteit wordt uitgeoefend moeten onder meer worden beschouwd de burelen, de fabrieken, de werkplaatsen, de opslagplaatsen, de bergplaatsen, de garages alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen.

Met hetzelfde doel mogen die ambtenaren eveneens op elk tijdstip zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen verricht of vermoede/ijk worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter.

Zij mogen ook, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, alle vervoermiddelen tegenhouden en onderzoeken, met inbegrip van de containers, die gebruikt of vermoedelijk gebruikt worden om in dit Wetboek bedoelde handelingen te verrichten, teneinde de vervoerde goederen, boeken en stukken te onderzoeken."

Gelet op voormelde wettelijke bepaling is het visitatierecht duidelijk doelgebonden en de finaliteit van het visitatierecht is beperkt. De voormelde wettelijke bepaling bepaalt waar, wanneer, en door wie de visitatie kan worden uitgevoerd en wat het voorwerp ervan is.

De machtiging van de politierechter is enkel een noodzakelijke voorafgaande voorwaarde om toegang te verkrijgen tot een particuliere woning of bewoonde lokalen.

Het spreekt voor zich dat de administratie haar visitatie niet verplicht op voorhand moet aankondigen.

Uit het proces-verbaal d.d. 26 juli 2019 opgesteld door de fiscale administratie blijkt dat:

- op 26/07/2019 3 controleambtenaren van de Algemeen Administratie van de Fiscaliteit een onaangekondigde controle wilden uitvoeren op het 'fiscaal adres' van eiseres in hoger beroep te ... (dit onroerend goed wordt ook aangewend als privéwoning);

- de fiscale controleurs zich hebben aangemeld via de parlofoon van de toegangspoort, zich geïdentificeerd hebben als medewerker bij de FOD Financiën en gevraagd hebben of de beroepslokalen konden worden bezocht;

- mevrouw B. de fiscale ambtenaren tegemoet kwam, de poort opendeed en de controleambtenaren toegang verleende tot de oprijlaan;

- de fiscale ambtenaren gewacht hebben op de oprijlaan tot de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep, de heer V. d. B. toekwam; de fiscale ambtenaren zich opnieuw hebben voorgesteld en aan de heer V. d. B. hebben meegedeeld dat zij de werkzaamheden binnen de beroepslokalen wilden vaststellen op basis van artikel 63 WBTW;

- de heer V. d. B. bevestigde dat er beroepsruimtes waren;

- de heer V. d. B. weigerde toegang te verlenen tot de beroepslokalen.

Uit het voorgelegde proces-verbaal d.d. 26/07/2019 blijkt dat de controleambtenaren op 26/07/2019 een onaangekondigde visitatie van de beroepslokalen wilden uitvoeren en dat zij zich, na zich geïdentificeerd te hebben en de bedoeling van hun bezoek kenbaar gemaakt te hebben, met toestemming van de bewoner begeven hebben op de oprit en aldaar hebben gewacht tot de aankomst van de gemachtigde (de heer V. d. B.) van de rechtspersoon wiens beroepslokalen de administratie wenste te bezoeken. Ingevolge de weigering van de heer V. d. B. heeft de visitatie geen uitvoering gekend.

Het proces-verbaal d.d. 29/07/2019 van de lokale politie Hekla bevestigt dat het een onaangekondigd bezoek betrof van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit en dat deze dienst de beroepsruimten wenste te controleren op het adres ..., zijnde het, volgens het proces-verbaal, 'fiscaal adres' van eiseres in hoger beroep. De verbalisanten van de lokale politie bevestigen dat de 3 fiscale ambtenaren in het bezit waren van hun aanstellingsbewijs ("alle drie zijn ze drager van een badge (duidelijk zichtbaar gedragen rond de hals")).

Uit dit proces-verbaal van de lokale politie blijkt dat de bewoners aanwezig waren en dat de heer V. d. B. W., woonachtig op dit adres de controleurs niet verder binnen wilde laten om de controle van de beroepsruimten te laten uitvoeren en dat hij wilde dat de 3 personen zijn privégrond verlieten.

Artikel 63 WBTW houdt in wezen de verplichting in voor elke natuurlijke persoon en elke rechtspersoon om aan de administratie 'vrije toegang' te verlenen tot de door hen gebruikte professionele ruimten.

Het visitatierecht heeft betrekking op eigenlijk alle beroepslokalen van om het even welke natuurlijke of rechtspersoon.

Onder 'ruimten waar een activiteit wordt uitgeoefend' wordt aldus onder meer verstaan: de burelen, fabrieken, werkplaatsen, magazijnen, bergplaatsen, garages en terreinen die dienstdoen als werkplaats of als opslagplaats van goederen die behoren tot het bedrijf. Het gaat dus om plaatsen waar een activiteit wordt uitgeoefend.

In dit verband moet worden opgemerkt dat beroepslokalen hun karakter van beroepslokaal (ruimte waar de activiteit wordt uitgeoefend) niet verliezen enkel en alleen omdat zij deel uitmaken van een woonhuis. Het loutere feit dat een bureel of een kantoor zich in een privéwoning bevindt, betekent niet dat dit kantoor het karakter van bewoond lokaal krijgt (Rb. Hasselt 17 november 2010, waarnaar wordt verwezen in J. Van Dyck, "Wanneer mogen ambtenaren privé-lokalen wel of niet betreden?", Fiscoloog 2011, afl. 1244, 1 en Antwerpen 28 april 2009, Fisc.Act. 2011, afl. 16, 10 (samenvatting) en FJF 2010, afl. 10, 1151).

Het enkele feit dat op eenzelfde erf zowel bedrijfsgebouwen als een privéwoning zijn gelegen, impliceert niet dat gans dat erf en al die bedrijfsgebouwen zonder meer genieten van de onschendbaarheid van die privéwoning, zoals gewaarborgd in artikel 8 EVRM en artikel 15 Grondwet (vgl. Cass. (2e k.) AR P.22.0101.N, 17 mei 2022, https://juportal.be).

Ondanks het feit dat op het ogenblik dat de controle werd uitgevoerd de maatschappelijk zetel elders was gevestigd (...) blijkt uit de voorgelegde stukken (stuk 108 van de belastingadministratie betreft een document van SITRAN, zijnde de database waarin de medewerkers van de FOD Financiën de signaletieke informatie van de natuurlijke en rechtspersonen kunnen opzoeken) dat het adres te ..., bekend was bij de fiscale administratie als het 'fiscale adres', alsook (en belangrijker) als het adres waar de beroepsactiviteiten plaatsvonden. Naar aanleiding van de aanvankelijk aangekondigde controle stelde eiseres in hoger beroep zelf in de mail d.d. 29/05/2019 (en aldus reeds voorafgaand aan de onaangekondigde controle op 26/07/2019) gericht aan de belastingadministratie: "Tot slot kan ik u melden dat de maatschappelijke zetel van L. T. bvba is gelegen aan de .... In principe zou de controle dan ook aldaar moeten plaatsvinden. Maar ik heb geen probleem om de vergadering te laten doorgaan in de ..., alwaar eveneens activiteit van de vennootschap plaats vindt."

Op het adres ... wordt bijgevolg ontegensprekelijk de activiteit van eiseres in hoger beroep uitgeoefend en bevinden zich dan ook 'de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend' in de zin van art. 63 WBTW.

Te dezen blijkt uit de hoger vermelde processen-verbaal dat de controleambtenaren enkel de ruimten waar de activiteit van eiseres in hoger beroep werd uitgeoefend wilden bezoeken.

Op geen enkel ogenblik tijdens het bezoek van de controleambtenaren op 26 juli 2019 heeft de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep aangegeven dat alle ruimtes in het betreffende onroerend goed zowel beroepsmatig als privé zouden worden gebruikt.

Uit het proces-verbaal van vaststellingen d.d. 12/11/2019 van de aangekondigde controle uitgevoerd op 11/09/2019, de ruimtelijke inrichting (zie voorgelegde plannen) en de uitgeoefende bedrijvigheid, blijkt ook dat er wel degelijk lokalen/ruimtes in het onroerend goed aanwezig waren die effectief 100% beroepsmatig werden gebruikt en die rechtstreeks toegankelijk waren vanaf de buitenkant van het onroerend goed zonder dat de controleambtenaren eerst door een privéruimte of door een ruimte met gemengd gebruik dienden te moeten gaan.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep in conclusies ook niet betwist dat minstens de bureau- en vergaderruimte gelegen in de kelderverdieping van het hoofdgebouw te ..., 100% beroepsmatig wordt gebruikt. Deze ruimte valt sowieso onder het begrip "beroepslokaal" in de zin van art. 63 WBTW. In tegenstelling tot hetgeen eiseres in hoger beroep beweert was deze ruimte waar een activiteit van eiseres in hoger beroep werd uitgeoefend, apart toegankelijk zonder de privéruimten te moeten betreden.

Uit de voorgelegde foto's blijkt dat er buiten aan het hoofdgebouw een afzonderlijke trap is die leidt naar de kelderverdieping waar zich de kwestieuze ruimte bevindt en waar er ook een rechtstreekse en aparte toegang (glazendeur/deurraam) is voorzien naar dit bureau en de vergaderruimte.

Dit wordt ook bevestigd door de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal d.d. 12/11/2019 van de door de belastingadministratie op 11/09/2019 uitgevoerde aangekondigde controle te ...: "Bij het hoofdgebouw aangekomen kwam de heer V. d. B. uit een ruimte van de kelderverdieping om ons te wenken; op plan genaamd 'buro & vergaderruimte'. Wij hebben zijn aanwijzingen gevolgd en hebben deze ruimte betreden.,,

Het louter gegeven dat het betreffende onroerende goed tevens werd aangewend als privéwoning van de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep maakt in de gegeven omstandigheden bijgevolg nog niet dat de belastingadministratie een voorafgaande machtiging nodig had van de politierechter teneinde de louter beroepsmatig aangewende beroepslokalen (met een aparte ingang) te betreden. Deze 100 % bedrijfslokalen/ruimten waar de activiteit van eiseres in hoger beroep werd uitgeoefend zijn duidelijk ruimtelijk te onderscheiden van de privéwoning met haar aanhorigheden en het blijkt niet dat het woongedeelte van de belastingplichtige moest worden "verstoord"/betreden.

Het betreden op zich van de oprijlaan (met gemengd gebruik) was reeds voorafgaandelijk gebeurd en is geenszins onregelmatig gebeurd aangezien mevrouw B., zijnde een van de bewoners, hier uitdrukkelijk mee instemde (nadat de belastingambtenaren via de parlofoon zich geïdentificeerd hadden, hun bedoeling kenbaar hadden gemaakt en uitdrukkelijk verzocht hadden de beroepslokalen te mogen bezoeken). Niets belet een ambtenaar om een oprit met gemengd gebruik te betreden indien dit met de toestemming van de bewoner is geschied (vgl. Cass. 11 maart 2008, Pas. 2008, afl. 3, 664.). De controleambtenaar die aanbelt en op de oprit wordt gelaten, verschaft zich geen toegang tot de woning ('bewoond lokaal' ) wanneer hij zich enkel begeeft op de plaats (oprit) die hem door de bewoner worden aangewezen met het oog op de ontmoeting van de gemachtigde van de rechtspersoon (hier eiseres in hoger beroep).

Gelet op voormelde gegevens is het hof van oordeel dat de belastingadministratie niet diende te beschikken over een voorafgaande machtiging van de politierechter om de oprit (met gemengd gebruik) te mogen betreden noch teneinde verder de beroepslokalen (met een aparte ingang en duidelijk ruimtelijk onderscheiden van de privéwoning) van eiseres in hoger beroep te betreden.

Uit voormelde processen-verbaal blijkt dat de administratie zich ook heeft gehouden aan de wettelijke doelstelling. Er is geen sprake van enige miskenning van de aan haar toegekende onderzoeksbevoegdheid noch is er sprake van machtsoverschrijding.

In de gegeven omstandigheden diende eiseres in hoger beroep de belastingadministratie vrije toegang te verlenen tot de ruimten waar de activiteit werd uitgeoefend, hetgeen zij nagelaten heeft te doen.

Het verzet van de belastingplichtige om de vrije toegang te verschaffen tot de beroepslokalen werd te dezen terecht beteugeld met een administratieve boete.

2.2 Evenredigheid van de opgelegde boete

Eiseres in hoger beroep verzoekt het hof in ondergeschikte orde om de opgelegde boete kwijt te schelden, minstens te milderen gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak.

Overeenkomstig artikel 70 §4 WBTW juncto de bijlage bij het KB nr.44 van 9 juli 2013 wordt de niet-naleving door de belastingplichtige van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 63 WBTW gesanctioneerd met een geldboete van 1.000 euro voor een eerste overtreding.

Het hof is, samen met de eerste rechter, van oordeel dat het weigeren van de wettelijk voorziene vrije toegang aan de controleambtenaren van de BTW-administratie tot de ruimtes waar de economische activiteit wordt uitgeoefend een ernstige overtreding betreft van de BTW-reglementering.

Het hof is van oordeel dat de opgelegde boete wettig is en afdoende werd gemotiveerd en tevens in redelijke verhouding staat met de aard en de ernst van de gepleegde inbreuk.

Het hof ziet geen enkele reden om de boete kwijt te schelden of te verminderen noch om deze met enig uitstel toe te kennen indien de wet in deze maatregel zou voorzien.

2.3 Rechtspleqinqsverqoeding

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).

De Belgische Staat werd niet vertegenwoordigd noch bijgestaan werd door een advocaat zodat zij terecht geen aanspraak maakt op de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep op O euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rol recht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg"

Beschikkend gedeelte

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg"

Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 28 februari 2023

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi4

Vonnis van 22/11/2021

Rol: 20/2245/A

Inzake:

L. T. BV

met maatschappelijke zetel te ..., KBO: 046...10

eisende partij

- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. W. loco Mr. B. J. te ..., en door Mr. V. F. te ...,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

In de persoon van de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO-Centrum Mechelen, te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 19, KBO: 0308.357.159

verwerende partij

- vertegenwoordigd ter zitting door dhr. X en door mevr. X, rijksambtenaren.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, zoals ze voorkomen op de inventaris ervan;

Gelet op de Wet van 15/6/1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 25 oktober 2021.

1. Feiten en procedurele voorgaanden

Huidige betwisting betreft de geldboete ten bedrage van 1.000,00 euro opgelegd aan eiseres onder schuldnummer 500...97.

Eiseres is een vennootschap o.m. actief in de organisatie van festivals en evenementen en is gekend onder het btw-nummer BE 046...10.

Ter voorbereiding van een (aangekondigde) fiscale controle van eiseres met betrekking tot de aanslagjaren 2017 en 2018 die gepland was voor september 2019 meldden zich op 26 juli 2019 drie ambtenaren van de FOD Financiën- KMO Mechelen onaangekondigd in het bezit van een zichtbaar aanstellingsbewijs op het fiscale adres van eiseres te ... met het oog op de vaststelling van de werkzaamheden van eiseres binnen de beroepslokalen van het onroerend goed gelegen op dat adres in toepassing van artikel 63 WBTW.

De zaakvoerder van eiseres, de heer V. d. B., weigerde de betreffende ambtenaren toegang te verlenen tot de beroepslokalen van dit onroerend goed.

Bij proces-verbaal van vaststelling van de belastingadministratie d.d. 26 juli 2019 wordt eiseres een boete van 1.000,00 euro opgelegd naar aanleiding van het weigeren van toegang te verlenen tot de beroepslokalen, dit in toepassing van artikel 70, § 4 van het WBTW en de bijlage bij het KB nr. 44 van 9 juli 2012, afdeling 4, rubriek IV (eerste overtreding) (stuk nr. 82- 86 administratief dossier).

Deze boete werd opgenomen in het innings-en invorderingsregister op 9 september 2019 onder het schuldnummer 500...97. Het innings- en invorderingsregister werd op 12 september 2019 uitvoerbaar verklaard.

Op 20 september 2019 verstuurde de administratie een innings- en invorderingsbericht aan eiseres (stuk 88-90 administratief dossier).

Namens eiseres werd op 10 oktober 2019 een verzoek tot kwijtschelding van deze geldboete ingediend in toepassing van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 (stuk 16-54 administratief dossier).

Bij administratieve beslissing van 13 januari 2020 werd het ingediende verzoek tot kwijtschelding integraal afgewezen (stuk 55-60 administratief dossier).

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 15 mei 2020 stelde eiseres een vordering in rechte in. Afschrift van de beslissing is aan het gedinginleidend verzoekschrift gehecht.

2. Vorderingen van partijen

Eiseres verzoekt de rechtbank haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens:

- in hoofdorde te oordelen dat de geldboete ten onrechte werd opgelegd en de schuld onder schuldnummer 500...97 van nul en generlei waarde te verklaren;

- in ondergeschikte orde, deze geldboete kwijt te schelden wegens het onevenredig karakter ervan;

- dienvolgens teruggave te bevelen van de bedragen die door eiseres ten onrechte zouden zijn betaald en/of ingehouden door verweerder, bedragen die moeten worden vermeerderd met de wettelijke en/of gerechtelijke intresten vanaf de datum van de betalingen of inhoudingen;

- verweerder te verwijzen in de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding begroot op 520,00 euro en de bijdrage van 20,00 euro aan het Fonds voor Juridische Tweedelijnsbijstand.

Verweerder verzoekt de rechtbank de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, de inschrijving in het Innings- en invorderingsregister van 9 september 2019 onder nummer 201...08, uitvoerbaar verklaard op 12 september 2019 voor schuldnummer 500...97 geldig te verklaren en eiseres te veroordelen tot de kosten, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding, bepaald op het geïndexeerde basisbedrag, zijnde 520,00 euro.

3. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De vordering van eiseres is ontvankelijk.

4. Beoordeling

4.1. Betreffende de al dan niet rechtsgeldig opgelegde geldboete

Eiseres stelt dat de belastingadministratie in het bezit diende te zijn van een machtiging van de politierechter overeenkomstig artikel 63, derde lid, in fine WBTW, teneinde de privéwoning gelegen te Kontich rechtmatig te kunnen bezoeken met het oog op de vaststelling van het beroepsgebruik ervan. Aangezien geen dergelijke machtiging werd voorgelegd door de belastingadministratie heeft eiseres terecht de toegang tot de privéwoning geweigerd. Eiseres meent dat niet zijzelf, maar de belastingadministratie een inbreuk op artikel 63 WBTW heeft begaan door zonder machtiging de woning te willen betreden. De geldboete ten bedrage van 1.000,00 euro werd aldus ten onrechte opgelegd.

Artikel 63 WBTW bepaalt het volgende:

"Eenieder die een economische activiteit uitoefent, moet aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen:

1 ° de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden;

2 ° door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm;

3 ° de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van de produktie- en vervoermiddelen.

Als ruimten waar een activiteit wordt uitgeoefend moeten onder meer worden beschouwd de burelen, de fabrieken, de werkplaatsen, de opslagplaatsen, de bergplaatsen, de garages alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen.

Met hetzelfde doel mogen die ambtenaren eveneens op elk tijdstip zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter.

Zij mogen ook, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, alle vervoermiddelen tegenhouden en onderzoeken, met inbegrip van de containers, die gebruikt of vermoede/ijk gebruikt worden om in dit Wetboek bedoelde handelingen te verrichten, teneinde de vervoerde goederen, boeken en stukken te onderzoeken."

Uit de voorliggende gegevens van het dossier blijkt dat drie controleambtenaren van de FOD Financiën zich op 26 juli 2019 onaangekondigd hebben begeven naar het fiscaal adres van eiseres, met name een onroerend goed gelegen te ... met de bedoeling het beroepsgebruik van het onroerend goed door eiseres vast te stellen als voorbereiding van de aangekondigde controle die in september 2019 zou plaatsvinden. Het betreffende onroerend goed wordt tevens aangewend als privéwoning van de zaakvoerder van eiseres.

Verder blijkt uit het dossier, en meer bepaald uit het proces-verbaal van vaststelling d.d. 26 juli 2019 opgemaakt door de bij de controle aanwezige ambtenaren, dat de ambtenaren zich op het fiscaal adres van eiseres hebben aangeboden met het verzoek hen toegang te verlenen tot de beroepslokalen, hetgeen geweigerd werd door de zaakvoerder van eiseres om reden dat een dergelijke controle aangekondigd diende te gebeuren (stuk 82-86 administratief dossier). Uit het proces-verbaal d.d. 29 juli 2019 opgesteld door de politiediensten, die door de zaakvoerder van eiseres werden opgeroepen naar aanleiding van de ongewenste aanwezigheid van de controleambtenaren op het domein van eiseres, blijkt eveneens dat de zaakvoerder van eiseres de ambtenaren niet wenste binnen te laten om de controle van de beroepsruimten te laten uitvoeren (stuk 87 administratief dossier).

De rechtbank wijst er op dat het een plicht uitmaakt van eiseres, en haar zaakvoerder, om ervoor te zorgen dat er vrije toegang is tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend wanneer ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren, in het bezit van hun aanstellingsbewijs, zich aandienen voor een bezoek of controle.

De rechtbank stelt vast dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat in het betreffende onroerend goed beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend en dat er aldus lokalen in het onroerend goed worden gebruikt voor de uitoefening van de activiteiten van eiseres. Dit wordt door eiseres ook niet betwist.

Op geen enkel moment tijdens het bezoek van de controleambtenaren op 26 juli 2019 heeft de zaakvoerder van eiseres aangegeven dat alle ruimtes in het betreffende onroerend goed zowel beroepsmatig als privé zouden worden gebruikt, zoals thans door eiseres wordt aangevoerd. Deze stelling blijkt overigens ook niet correct te zijn nu uit de vaststellingen door de belastingadministratie naar aanleiding van de aangekondigde controle op 11 september 2019 blijkt dat er wel degelijk lokalen/ruimtes in het onroerend goed aanwezig waren die effectief 100% beroepsmatig werden gebruikt.

Aldus had eiseres de controleambtenaren op 26 juli 2019 minstens toegang kunnen verstrekken tot de lokalen die daadwerkelijk 100% beroepsmatig werden gebruikt, o.m. de bureau-en vergaderruimte gelegen op de kelderverdieping van het hoofdgebouw, en die, blijkens het proces-verbaal van vaststelling d.d. 12 november 2019 naar aanleiding van de controle ter plaatse op 11 september 2019, rechtstreeks toegankelijk waren vanaf de buitenkant van het onroerend goed zonder dat de ambtenaren eerst door een privéruimte of door een ruimte met gemengd gebruik dienden te moeten gaan (stuk 91-107 administratief dossier).

Het argument van eiseres dat sowieso een machtiging van de politierechter vereist was aangezien de controleambtenaren om toegang te kunnen krijgen tot de beroepslokalen zowel een beroepsmatig als privématig gebruikte oprijlaan dienden te betreden kan niet gevolgd worden. Een oprijlaan kan immers bezwaarlijk beschouwd worden als een 'bewoond lokaal' in de zin van artikel 63 WBTW. Het betreden van de betreffende oprijlaan zou bovendien louter gebeuren om toegang te krijgen tot het beroepsgedeelte en niet tot de bewoonde lokalen.

Nu blijkt dat noch de beroepsmatig aangewende lokalen noch de privématig aangewende ruimtes van het betreffende onroerend goed daadwerkelijk werden betreden door de belastingadministratie en evenmin de vraag werd gesteld door de aanwezige controleambtenaren om bewoonde lokalen te betreden heeft de belastingadministratie in geen geval de bepalingen van artikel 63 WBTW overtreden. Zij heeft louter en alleen de vraag gesteld om de beroepslokalen van eiseres te mogen bezichtigen waarvoor geenszins een machtiging van de politierechter vereist is.

Door de manifeste weigering van de zaakvoerder van eiseres om de bevoegde ambtenaren toegang te verlenen tot de louter beroepsmatig gebruikte lokalen staat het vast dat eiseres een inbreuk heeft gepleegd op artikel 63 WBTW. De belastingadministratie heeft dan ook terecht gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om een boete op te leggen.

De vordering van eiseres is op dit punt dan ook ongegrond.

4.2. Betreffende het verzoek - in ondergeschikte orde - om de geldboete kwijt te schelden, dan wel te verminderen

Eiseres verzoekt de rechtbank, in ondergeschikte orde, om de opgelegde geldboete, gelet op het strafrechtelijk karakter ervan, kwijt te schelden minstens te milderen gelet op de specifieke omstandigheden in deze zaak.

De rechtbank stelt vast dat overeenkomstig artikel 70, §4 WBTW juncto de bijlage bij het KB nr.44 van 9 juli 2012 de niet-naleving door de belastingplichtige van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 63 WBTW gesanctioneerd wordt met een geldboete van 1.000,00 euro voor een eerste overtreding.

Het weigeren van de wettelijk voorziene vrije toegang aan controleambtenaren van de btw­ administratie tot de ruimtes waar de economische activiteit wordt uitgeoefend betreft een ernstige overtreding van de btw-reglementering.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opgelegde boete terecht krachtens de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen ter zake werd begroot op 1.000,00 euro, dat deze boete afdoende gemotiveerd is en tevens kennelijk evenredig is met de aard en de ernst van de gepleegde inbreuk.

De rechtbank ziet dan ook geen enkele reden om de boete kwijt te schelden of te verminderen.

OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, maar ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op tweeëntwintig november tweeduizend eenentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi4.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 6322 voorkomens
WBTW art. 706 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8