Antimisbuikbepaling, misbruik · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie Brussel F.18.0118.N 14 mei 2020

Zoeken

Antimisbuikbepaling, misbruik

https://juriel.be/nl/rechtspraak/antimisbuikbepaling-misbruik-cassatie-brussel-2020-05-14-fafb

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Zetel
Brussel
Rolnummer
F.18.0118.N
Datum
14 mei 2020

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

52 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 14.05.2020 (F.18.0118.N)

WF 503-15-15/016848

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde - Antimisbuikbepaling

Wettelijke bepalingen

Art. 1, § 10, W.Btw

Samenvatting

Met de overweging dat “dient te worden aangenomen dat te dezen wel degelijk een nieuwbouw werd opgericht en de overeenkomstige BTW-regeling voor nieuwe gebouwen van toepassing is” en “dat moet worden nagegaan welke de economische en commerciële realiteit is, en geen rekening mag worden gehouden met een zuiver kunstmatige constructie die geen verband met de economische realiteit houdt en alleen bedoeld is om een belastingvoordeel te verkrijgen”, heeft de appelrechter niet geoordeeld dat er in casu sprake is van een simulatie of belastingontduiking, maar wel dat er sprake is van misbruik in de zin van artikel 1, § 10 BTW Wetboek.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie van België d.d. 14 mei 2020 (F.18.0118.N)

F.D.W., wonende te ..., eiseres, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3..., waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de adviseur van het Team Invordering Natuurlijke Personen Brugge 2, met kantoor te 8000 Brugge, Gustave Vincke-Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te ..., waar de verweerder woonplaats kiest,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest nr. 2018/2734 van het hof van beroep te Gent van 10 april 2018.

Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 17 april 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.

ll. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Ill. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel in zijn geheel

1. In zovene het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, van de artikelen 4, 9, 63 en 70, § 1, Btw-wetboek en van artilcel 1, laatste lid, koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proporti­ onele fiscale geldboete op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, zonder te verduidelijken hoe de appelrechter die bepalingen geschonden heeft, is het niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel

2. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat:

- de btw-vordering betrekking heeft op een vastgoedproject te Gent, waarbij ver­ trekkend van oude schoolgebouwen werd gekomen tot woongelegenheden en accessoria;

- vóór de notariële opstalacte van 20 december 2013 de zogenaamde 'muur van de schande' werd afgebroken, septische putten, nieuwe rioleringen en nieuwe funderingen werden geplaatst en werken van nieuwe constructies werden ge­ start, dewelke in januari 2014 beëindigd waren;

- de oude schoolgebouwen werden omgevormd tot een wooncomplex van appartementen, wat iets is van een volledig van een school verschillende aard, indeling, inhoud en gebruik;

- aan de kopers appartementen werden verkocht met een vastgelegde indeling in appartementsdelen overeenkomstig een gedetailleerd lastenboek, indeling die niet meer deze kan zijn van een school of schoollokalen;

- ook de gemeenschappelijke delen ingrijpend zijn omgevormd en afgewerkt;

- nieuwe gedeelten werden toegevoegd zoals parkeerplaatsen in een nieuwe tweede ondergrondse parkeerlaag en twee nieuwe appartementsgebouwen van telkens 15 appartementen op de vroegere speelkoer en in een tuintje;

- er een volledig nieuwe intern gebouwde tussenverdieping werd ingebracht op het gelijkvloers.

3. Aldus oordeelt de appelrechter dat, gelet op alle omstandigheden, dient te worden aangenomen dat te dezen een nieuwbouw werd opgericht en de overeenkomstige btw-regeling voor nieuwe gebouwen van toepassing is.

Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechter heeft vastgesteld dat het om een vastgoedproject gaat met betrekking tot de verbouwing van oude schoolgebouwen, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

4. Met de overweging dat 'dient te worden aangenomen dat te dezen wel degelijk een nieuwbouw werd opgericht en de overeenkomstige BTW-regeling voor nieuwe gebouwen van toepassing is' en 'dat moet worden nagegaan welke de economische en commerciële realiteit is, en geen rekening mag worden gehouden met een zuiver kunstmatige constructie die geen verband met de economische realiteit houdt en alleen bedoeld is om een belastingvoordeel te verkrijgen', heeft de appelrechter niet geoordeeld dat er in casu sprake is van een simulatie of belastingontduildng, maar wel dat er sprake is van misbruik in de zin van artikel 1, § 10, Btw-wetboek.

Het onderdeel dat aanvoert dat de appelrechter niet tot simulatie kon besluiten, aangezien hij niet heeft vastgesteld dat de partijen ook maar enig door de wet verbonden gevolg aan de overeenkomsten die zij regelmatig hebben aangegaan, niet hebben aanvaard en nageleefd, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

5. Gelet op het antwoord op het eerste onderdeel, berust ook het derde onder- deel, dat geheel is gebaseerd op de veronderstelling dat de appelrechter heeft geoordeeld dat er sprake is van de verbouwing van een bestaand gebouw, op een on­ juiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

6. Krachtens artikel 12, § 2, Btw-wetboek wordt de belastingplichtige die geregeld goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, die bij heeft opgericht of laten op­ richten of met voldoening van de belasting heeft verkregen uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming, onder bezwarende titel vervreemdt, geacht het goed dat bij het verstrijken van de bovengenoemde termijn niet is vervreemd voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer dit goed op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. De belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten, wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld.

Een natuurlijke persoon of rechtspersoon wordt als belastingplichtige beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2, Btw-wetboek beschouwd van zodra hij door ondubbelzinnige daden de wil uit geregeld gebouwen onder bezwarende titel te vervreemden, met voldoening van belasting te verkrijgen of er zakelijke rechten op te vestigen, over te dragen of weder over te dragen, uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming. Het ontstaan van de belastingplicht hangt niet af van de daadwerkelijke uitvoering van een levering of vestiging, overdracht of wederoverdracht van een zakelijk recht.

7. Het onderdeel dat aanvoert dat een belastingplichtige op het ogenblik van een vervreemding slechts als beroepsoprichter kan worden beschouwd indien wordt vastgesteld dat de belastingplichtige bij aanvang van die vervreemding reeds een geregelde activiteit voert die erin bestaat gebouwen die hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van belasting heeft verkregen, uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming, onder bezwarende titel te vervreemden, of er zakelijke rechten op te vestigen of over te dragen of weder over te dragen, faalt naar recht.

Vijfde onderdeel

8. Krachtens artikel 1, § 10, Btw-wetboek, zoals te dezen van toepassing, is er voor de toepassing van dit wetboek sprake van misbruik wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling beoogd in dit wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voor­ deel tot doel hebben.

Het toepassingsgebied van de antimisbruikbepaling van artikel 1, § 10, Btw­ wetboek, is algemeen en derhalve niet beperkt tot artikel 79, § 2, Btw-wetboek.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 450,99 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen­ gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 14 mei 2020 uitgesproken door sec­ tievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity VandenHende.

Aangehaalde teksten

7
WBTW art. 14 voorkomens
WBTW art. 122 voorkomens
WBTW art. 41 voorkomen
WBTW art. 631 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen
WBTW art. 791 voorkomen
WBTW art. 91 voorkomen

Rechtspraak

2

België

2

Bekijk de 2 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8