Niet aangegeven omzet, Misbruik · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Brussel 2020/AF/306 14 januari 2026

Zoeken

Niet aangegeven omzet, Misbruik

https://juriel.be/nl/rechtspraak/aangegeven-omzet-misbruik-wettelijke-geldboete-hof-van-beroep-brussel-2026-01-14-3987

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Brussel
Rolnummer
2020/AF/306
Datum
14 januari 2026

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

120 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest hof van beroep Brussel d.d. 14.01.2026 (2020/AF/306)

WF 712-15-18/055447 Finaliti 5436202601

[ Gemengd arrest ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Niet aangegeven omzet – Misbruik – Wettelijke geldboete van 200% –Uitstel van de tenuitvoerlegging van de geldboete

Wettelijke bepalingen

Art. 1, §10 WBTW, artikel 53, § 1, eerste lid, 2° en 3° en artikel 53octies, § 1, eerste lid, art. 70, §1 WBTW, art. 6 EVRM

Samenvatting van het arrest

1. Feiten en vonnis in eerste aanleg

Eiser is actief als telecomadviseur en verrichtte zijn werkzaamheden uitsluitend voor het bedrijf van zijn zoon, waar hij tevens aandeelhouder en financieel verantwoordelijke was. Naar aanleiding van een btw-controle werd vastgesteld dat eiser facturen had uitgereikt die in de boekhouding van het bedrijf van zijn zoon waren opgenomen en waarvan de btw door dat bedrijf in aftrek was gebracht, terwijl eiser zelf deze btw niet had aangegeven in zijn eigen periodieke btw-aangiften, en deze btw evenmin had voldaan aan de Schatkist.

Deze inbreuken werden opgenomen in een proces-verbaal van regularisatie d.d. 24 september 2018 waarin tevens de wettelijke geldboete van 200% werd opgelegd.

Tegen dit proces-verbaal werd door eiser administratief beroep aangetekend. Bij beslissing van 31 januari 2019 werd dit bezwaar integraal afgewezen.

Aangezien eiser hiermee niet akkoord ging, stelde hij een vordering in rechte in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie d.d. 8 februari 2019.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond. Daarbij werd vastgesteld dat eiser geen betwisting voerde omtrent de verschuldigde btw, maar uitsluitend omtrent de opgelegde geldboete. De rechtbank oordeelde dat de inbreuken wetens en willens door eiser waren begaan, nu hij had nagelaten zijn volledige jaaromzet aan te geven, terwijl hij als financieel verantwoordelijke van de vennootschap van zijn zoon geacht werd volledig op de hoogte te zijn van zijn fiscale verplichtingen. De rechtbank was tevens van oordeel dat er geen reden bestond om uitstel van tenuitvoerlegging toe te kennen, voor zover de wet in een dergelijke mogelijkheid zou voorzien.

2. Het arrest in hoger beroep

Tegen dit vonnis stelde eiser hoger beroep in. In hoger beroep vorderde hij de vermindering dan wel de kwijtschelding van de opgelegde geldboete, berekend aan 200% van de verschuldigde btw. Hij beriep zich daarbij op de matigingsbevoegdheid van de fiscale rechter en voerde tevens aan dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, zou zijn overschreden. Eiser in hoger beroep bracht bovendien het bewijs bij dat hij bij de administratie een verzoek had ingediend op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit van 1831, hetgeen had geleid tot een negatieve, afwijzende beslissing.

Het hof volgde de beslissing van de eerste rechter niet en oordeelde dat de opgelegde geldboete onevenredig was in verhouding tot de begane inbreuk. Het hof stelde vast dat de kwade trouw van eiser in hoger beroep bewezen was. Hij had de aangerekende btw immers niet aangegeven en niet betaald, terwijl hij deze wel aan de afnemer had aangerekend en de afnemer de btw in aftrek had gebracht. Toch oordeelde het hof dat een geldboete van 200% leidde tot een onevenredige bestraffing. Het hof van beroep besliste dat de opgelegde administratieve geldboete dient te worden beperkt tot 100% van de verschuldigde belasting en bevestigde het bestreden vonnis voor het overige.

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Arrest hof van beroep Brussel dd. 14.01.2026 - 2020/AF/306

L.V.T., ON ..., RRN ..., met zetel te ...,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. GEERTS Koenraad, advocaat te 3000 LEUVEN, Frederik Lintsstraat 57,

tegen

DE BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend op verzoek van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO CENTRUM LEUVEN, met burelen te 3001 HEVERLEE, Philipssite 3A bus 1,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VAN DE VELDE Kristl, advocaat te 1000 BRUSSEL, Wolstraat 70,


Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit.

Gelet op de processtukken, inzonderheid,

 het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 12 juni 2020, waarvan geen betekeningsakte voorligt en waartegen hoger beroep werd aangetekend door de heer L.V.T. bij verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 27 juli 2020;

 de conclusies van appellant neergelegd ter griffie op 1 december 2020, 5 april 2021 en 22 oktober 2021 en die van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 27 januari 2021 en 23 augustus 2021;

 de stukken van appellant neergelegd ter zitting van het hof en die van geïntimeerde neergelegd op 3 juni 2025 en 21 oktober 2025.Feiten en voorgaanden

Appellant is een telecomadviseur, werkzaam voor één bedrijf, dat van zijn zoon. Hij is als BTW-plichtige geregistreerd onder BTW nr ....

Appellant werd door de Belgische Staat gecontroleerd voor zijn BTW-activiteiten van 1 januari 2018 tot 30 juni 2018.

Op 19 september 2018 werd een fiscale controle inzake btw voor de periode van 1 januari 2018 tot 30 juni 2018 uitgevoerd op de maatschappelijke zetel van de cie1, gevestigd te .... Deze vennootschap is geïdentificeerd als schuldenaar van de btw onder btw-identificatienummer .... Deze controle had plaats op de maatschappelijke zetel van de vennootschap in het bijzijn van appellant, tevens aandeelhouder en financieel verantwoordelijke van de vennootschap (financieel manager).

Er is aan appellant gevraagd om overeenkomstig artikel 61§1 WBTW de boeken en stukken over te maken ter inzage die de belastingplichtige houdt, opgemaakt of afgeleverd heeft in het kader van de btw-regelgeving, en waarvan in het algemeen de bewaring is voorgeschreven in artikel 60 WBTW.

Tijdens de controle werd vastgesteld dat er in de boekhouding van de cie1 facturen werden opgenomen, uitgereikt door appellant, woonplaats ..., geïdentificeerd als schuldenaar van de btw onder het hoger al vermelde BTW-identificatienummer ... voor de activiteit van adviesbureau.

De op deze facturen betrekking hebbende BTW werd volgens de gegevens verstrekt door de Belgische Staat in aftrek geboekt in de BTW-aangiften van het eerste en tweede kwartaal 2018 van de cie1.

De facturen en hierop vermelde BTW zou echter niet aangegeven en betaald zijn in de overeenstemmende periodieke BTW-aangiften (le en 2e kwartaal 2018) van appellant zelf. Dit werd tijdens de controle blijkbaar door appellant niet betwist.

Bovenstaande overtreding werd opgenomen in een proces-verbaal inzake BTW (stukken 13-21 van de Belgische Staat) van 24 september 2018. De verschuldigde bedragen zijn dan opgenomen in het zogenaamde schuldartikel ... (stuk 22 van de Belgische Staat).

De verschuldigde sommen zouden volgens de uitleg van de Belgische Staat de volgende zijn:

BTW: € 23.719,50;

boete inzake BTW: € 47.439,00;

interesten vanaf 21 juli 2018.

Tegen dit proces-verbaal werd door appellant op 14 november 2018 een administratief bezwaar ingediend (stukken 11-12 Belgische Staat). Bij directoriale beslissing van 31 januari 2019 werd dit bezwaarschrift integraal afgewezen (stukken 6-10 Belgische Staat).

Op 8 februari 2019 is dan door appellant een verzoekschrift op tegenspraak ingediend bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. (stukken 3-5 Belgische Staat) Hij vorderde de bestreden beslissing en het proces-verbaal van 24 september 2019 nietig te verklaren, minstens gedeeltelijke kwijtschelding van de gevorderde bedragen te verlenen en alleszins uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan. Hij vorderde alle vorderingen te vernietigen dan wel ze te ontheffen en de Belgische Staat te veroordelen tot het terug betalen van alle bedragen die werden geïnd, meer intresten en deze te veroordelen tot de kosten van het geding.

Het bestreden vonnis verklaarde de vordering van appellant ontvankelijk maar ongegrond. (stukken 23-29 Belgische Staat). Daarop werd het al vermelde verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter zitting van het hof, dat de hierna volgende vorderingen aanhangig maakte.

Het bestreden vonnis motiveerde die beslissing door vast te stellen dat enkel de opgelegde boete werd betwist, doch dat terecht is vastgesteld dat appellant handelde met het oogmerk de belasting te ontduiken en niet louter een inschattingsfout heeft gemaakt. Het bestreden vonnis meende dan ook dat een boete inzake BTW berekend aan 200 % van de gevorderde BTW een aangepaste sanctionering is. Het bestreden vonnis oordeelde dat geen redenen bestonden om enig uitstel van tenuitvoerlegging van deze administratieve sanctie te overwegen.

In rechte

Vorderingen en middelen van partiien

Vorderingen en middelen van appellant

Appellant vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Hij herneemt zijn vordering zoals gesteld in eerste aanleg en vordert de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.

Hij voert daartoe de volgende middelen aan :

 de eigenlijke BTW t.b.v. € 23.719,50 € is reeds "betaald" via de BTW aangifte (stuk 3 appellant), hoewel niet effectief apart betaald omdat er een verrekening was met terug te krijgen BTW; appellant heeft een inschattingsfout gemaakt maar had geen opzet van strafrechtelijke en intentionele aard;

 het "verleden" waar de Belgische Staat naar verwijst inzake BTW-inbreuken betreft niet appellant, maar wel feitelijkheden door appellant begaan in het kader van een zekere cie2, een andere belastingplichtige;

 hooguit is er sprake van een tweede overtreding;

 er is geen bewijs van een voorgaand feit en appellant had geen bedrieglijk oogmerk in deze zaak om de BTW niet te betalen;

 een aanwezigheid van kwade trouw in hoofde van appellant is niet bewezen;

appellant verzoekt erom de BTW-boete kwijt te schelden dan wel ze te verminderen, en in ieder geval deze op te leggen met uitstel van tenuitvoerlegging; hij verwijst naar rechtspraak over de materie (vgl. Cass. 15 oktober 2010, F.09.0081.N; GwH 6 november 2008, nr. 157/2008, Fisc. Act. 2008, 41/9);

een BTW-boete berekend aan 200 % is te zwaar en onevenredig met de feiten;

 het hof kan die boete beoordelen op haar evenredigheid en haar verminderen of kwijtschelden aangezien zij een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM; die vordering tot kwijtschelding is ook gebaseerd op het Regentsbesluit van 1831, meer bepaald het artikel 9 daarvan; appellant legt uit dat een verzoekschrift aan de administratie zelf om over te gaan tot kwijtschelding op grond van dat Regentsbesluit, afgewezen is (stuk 4 van appellant).

Vorderingen en middelen van de Belgische Staat

De Belgische Staat vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Hij vordert het bestreden vonnis te bevestigen en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen en hem te veroordelen tot de betaling van alle bedragen bedoeld in het proces-verbaal inzake BTW van 24 september 2018 en het dwangbevel met het RCIV-nr. ....

Hij voert hiertoe de volgende middelen aan :

 appellant voert klaarblijkelijk enkel betwisting over de opgelegde BTW-boetes;

een inschattingsfout is niet bewezen; er blijkt daarentegen moedwillig geen aangifte

inzake BTW gedaan en er is moedwillig geen BTW betaald;

 appellant heeft de verschuldigde BTW nog twee maal opgenomen in BTW-aangiften

maar rechtzettingen kan hij zelf niet doorvoeren;

de BTW zelf wordt wel degelijk nog betwist maar de verschuldigdheid ervan is

bewezen door het aantreffen van facturen uitgaande van appellant in de boekhouding

van de cie1;

 in die vennootschap is de aangerekende BTW in de BTW-aangifte opgenomen en weer

in aftrek gebracht;

 appellant zelf heeft die BTW evenwel niet aan de Belgische Staat afgedragen;de controle met volle rechtsmacht op grond van artikel 6 EVRM moet ertoe leiden dat de boete aan 200 % behouden blijft; het noodzakelijk opzet om de feiten te plegen, te weten een bedrieglijk opzet om geen BTW te betalen is immers bewezen;

 appellant is niet aan zijn proefstuk toe en was al eerder verwikkeld in constructies met een vennootschap cie2 en een vervolging inzake niet afgedragen BTW;

 de boete is evenredig met de begane inbreuken;

 geen uitstel van tenuitvoerlegging kan worden opgelegd omdat geen wettelijke bepalingen in zo'n mogelijkheid van uitstel van tenuitvoerlegging, en controle erop, voorzien.

Beoordeling

Bewijs van het bestaan van de BTW-schuld

Onterecht vordert appellant op dit punt dat het proces-verbaal inzake BTW van 24 september 2018 en het erop gebaseerd "schuldartikel" zouden moeten worden vernietigd.

Deze hebben terecht vastgesteld dat appellant voor de hierboven bedoelde gecontroleerde periode facturen heeft uitgereikt aan de cie1, met daarin de vermelding van dienstprestaties en een aangerekende BTW. Echter is die in het geheel niet afgedragen door appellant aan de Belgische Staat. Onterecht stelt hij dat de gevorderde BTW niet verschuldigd zou zijn. Het proces-verbaal levert het bewijs van de BTW-schuld.

Er bestaat dus geen aanleiding om de schuldvordering op dat punt niet gegrond te verklaren.

De vordering van de Belgische Staat om appellant daartoe te veroordelen tot de verschuldigde BTW is gegrond.

De opgelegde BTW-boete-Verzoek tot vermindering van de opgelegde administratieve boete inzake BTW, opgelegd aan 200 % van de gevorderde BTW

Appellant levert het bewijs dat een verzoek van hem aan de administratie op grond van artikel 9 Regentsbesluit van 1831 resulteerde in een negatieve, afwijzende beslissing.

Appellant vordert de vermindering of kwijtschelding van de opgelegde BTW-boeten berekend aan 200 % van de gevorderde BTW wegens de matigingsbevoegheid van de fiscale rechter en wegens de volgens hem overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het hof kan met volle rechtsmacht oordelen over de gevorderde BTW boeten en het daarbij uitgeoefend toetsingsrecht is breder dan louter een wettigheidstoetsing.

In weerwil van hetgeen voorgehouden door de Belgische Staat beperkt de toepassing van het artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 dat rechterlijk toetsingsrecht niet (Cass. 24 maart 2023).

Artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 (Organiek besluyt van het bestuer van 's lands middelen) luidt als volgt :

"(De minister van Financiën) beschikt op de verzoeken om kwytschelding van boeten of verhoogingen van regt ten titel van boeten, andere dan degene uytgesproken door den Regter..."

Het verleende hiermee aan de Minister de machtiging om genade te verlenen inzake fiscale (geldelijke) sancties (H. Dubois, "Het fiscaal genaderecht", Liber Amicorum B. Peeters, eveneens 9 juni 2022, www.jubel.be/het-fiscale-genaderecht).

Het betreft een recht van genade toegekend aan de uitvoerende macht krachtens artikel 110 GW en houdt derhalve de faculteit van de genade in door de fiscale administratie als uitvoerende macht, zonder, op straffe van schending artikel 6 EVRM, het recht op een beoordeling met volle rechtsmacht door een rechter van de nog niet definitief opgelegde administratieve boete, vatbaar voor genade krachtens het Regentsbesluit, vervat in artikel 6 EVRM, te beperken. Die genade blijkt hier trouwens te zijn afgewezen.

Evenmin staat vast, gezien het om een recht op verzoek om genade gaat (Gent 7 januari 2014, FJF 2017/7), dat dit verzoek de aard heeft van een "administratief beroep" als bedoeld in artikel 1385decies en 1385undecies Ger.W. De beoordeling van de opgelegde administratieve sanctie door dit hof krachtens artikel 6 EVRM is dus niet uitgesloten.

De nog gevorderde boete worden blijkbaar bedoeld als sanctie opgelegd aan appellant. Zij wordt door het hof beoordeeld, hoewel administratiefrechtelijk gevorderd, als van strafrechtelijke aard (cfr. o.a. Gr.H. 2 maart 1995, Gr.H. 24 februari 1999, Gr.H. 17 maart 1999; Hof Mensenrechten arrest Engel v. Nederland, 8 juli 1976, Publ. Eur. Court H.R. Serie A, nr. 22, Hof Mensenrechten arrest Lauko v. Slovakije, 2 september 1998, Reports 1998 VI). De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de opgelegde geldboete inzake BTW, zonder dat hij deze om redenen van opportuniteit of billijkheid kan kwijtschelden (Cass. 5 februari 1999; Cass. 24 januari 2002; Cass. 21 januari 2005; www.juridat.be; G.H. 24 februari 1999).

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 E.V.R.M., mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het intern recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht laat aan de rechter toe na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of de Belgische Staat naar redelijkheid overging tot het vorderen van een administratieve sanctie zoals in concreto gedaan, wat evenwel niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, de boete kan kwijtschelden of verminderen (cfr. Cass. 24 januari 2002, www.cass.be).

De boete hier echter gevorderd is onevenredig met de voorgehouden inbreuk. De kwade trouw van appellant staat weliswaar vast, doch de hoogte van de opgelegde administratieve boete leidt tot een onevenredige bestraffing. Immers staat niet vast dat appellant zelf "voorgaanden" en dus een boeteverleden heeft als BTW-plichtige. De aangehaalde problemen betreffen andere BTW-plichtigen, niet hijzelf.

Een administratieve boete berekend aan 100 % van de verschuldigde BTW is meer evenredig, gezien de persoonlijkheid van appellant die wel degelijk fraude pleegde door aangerekende BTW niet af te dragen en te betalen, en door ze niet aan te geven, en gezien de aard van de bestrafte feiten, zijnde BTW niet te betalen aan de Belgische Staat terwijl deze wel aan de afnemer is aangerekend en deze wel die BTW zelf in aftrek heeft gebracht.

In dit opzicht moet het bestreden vonnis dan ook eveneens gewijzigd worden.

Appellant vordert dan ook nog een uitstel van tenuitvoerlegging. Doch zelfs indien deze wettelijk zou zijn voorzien, zou het preventief effect van het opleggen van een administratieve boete inzake BTW zoals hierboven bepaald, niet bereikt worden. Er bestaat geen reden over te gaan tot het verlenen van enig dergelijk uitstel en na onderzoek van alle voorliggende objectieve gegevens bleek ook niet dat enig uitstel van tenuitvoerlegging in de voorliggende omstandigheden gepast zou zijn.

Aangaande de kosten

Gelet op het voorgaande, en ondanks de matiging van de opgelegde administratieve boete, blijft gelden dat appellant moet worden veroordeeld worden tot de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, nu de van hem gevorderde belasting inzake BTW wel degelijk verschuldigd is, evenals de helft van de opgelegde administratieve geldboete inzake BTW. Deze kosten van de procedure worden, voor wat deze in hoger beroep betreft, begroot op een geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van € 4.709,30 aan de zijde van geïntimeerde, uitgaande van de omvang van de waarde van het geschil.

De bijdrage voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand t.b.v. 20,00 euro blijft ten laste van appellant.

Het rolrecht is vrijgesteld (art. 162, 4° en 2791 Wb.Reg.).

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre het oordeelde over de opgelegde administratieve boete,

Zegt op dit punt voor recht dat de opgelegde administratieve boete inzake BTW beperkt moet worden tot 100 % van de verschuldigde belasting,

Dienvolgens,

Veroordeelt appellant tot betaling aan geïntimeerde van de bedragen aan BTW, intresten op BTW en BTW-boeten zoals vermeld in het schuldartikel weergegeven in stuk 22 van de Belgische Staat, onder aftrek van wat betaald is of daarmee krachtens wettelijke bepalingen verrekend moet worden, en met beperking en vermindering van de in te vorderen administratieve boete inzake BTW, tot 100 % van de verschuldigde BTW, in plaats van 200 % daarvan,

Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige,

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, begroot op € 4.709,30 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 14 JANUARI 2026

waar aanwezig waren :

Caroline Vanderkerken, voorzitter

Jan Van den Bossche, griffier

Nota van de FOD Financiën

Referentie WF

WF 712-15-18/055447

Finaliti 5436202601

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 12 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 601 voorkomen
WBTW art. 611 voorkomen
WBTW art. 91 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8