Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 24.01.2002 (C.00.0307.N & C.00.0599.N)
Administratieve sancties met repressief karakter - Toetsingsrecht van rechter
Wettelijke bepalingen
Artt. 6 en 14, § 7, E.V.R.M.
Artt. 70, § 1bis, 72 en 84, W.BTW
Samenvatting
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van art. 6 E.V.R.M., mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen : dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van administratieve geldboete van zodanige omvang: hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 24.01.2002
(C.00.0307.N & C.00.0599.N)
C.00.0307.N
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op benaarstiging van de administratie van de Belasting op de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, gewestelijke directeur van de B.T.W., Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige-Ontvanger van het eerste B.T.W.-Ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4, eiser, vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
R., besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met maatschappelijke zetel te ..., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen, nummer ..., verweerster, vertegenwoordigd door mH.G., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
C.00.0599.N
R., besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, doch in de opeenvolgende akten van de procedure evenals in het bestreden arrest betiteld als naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te ..., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen, nummer ..., eiseres, vertegenwoordigd door mr. H.G., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
BELGISCHE STAAT, in de persoon van de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op benaarsiging van de administratie van de Belasting op de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, gewestelijke directeur van de B.T.W., Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Rekenplichtige-Ontvanger van het eerste B.T.W.-Ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen te Antwerpen, Italielei, 4, bus 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
I. Bestreden uitspraak
De twee voorzieningen C.00.0599.N en C.00.0307.N zijn gericht tegen het arrest, op 10 januari 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Er bestaat grond tot voeging.
II. Rechtspleging voor het Hof
Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Philippe Goeminne heeft geconcludeerd.
III. Feiten
Uit het arrest blijkt dat :
1. de zaakvoerders van de BVBA Riganatie als strafrechtelijk verantwoordelijken van die vennootschap bij vonnis van 14 oktober 1994 uit hoofde van de ten onrechte verrichte aftrek van valse facturen veroordeeld werden tot een gevangenisstraf en een geldboete;
2. dezelfde frauduleuze aftrek van voorbelasting (die middels B.T.W.-aangiften in maart 1993 en in december 1993, geregulariseerd werd althans in hoofdsom), de feitelijke grondslag vormt van de bij dwangbevel van 3 juni 1996 gevorderde geldboete van 200 pct. wegens ten onrechte afgetrokken B.T.W.
IV. Middelen
A. Voorziening C.00.0599.N
Eiseres stelt in haar voorziening twee middelen voor. Deze zijn als volgt gesteld :
1. Eerste middel
Geschonden wetsbepalingen
- artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde,
- de artikelen 1315, 1349, 1353 van het Burgerlijk Wetboek
- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissing
Het Hof van Beroep te Antwerpen, rechtdoende op eiseres' hoger beroep, verklaart dit gedeeltelijk gegrond, doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw rechtdoende verklaart het ingesteld verzet ten dele gegrond in die zin dat de in het dwangbevel nagevorderde geldboete van 11.736.000 BEF in hoofdsom verminderd wordt tot 5.868.000 BEF in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke moratoire rente, na evenwel het door eiseres aangevoerde middel, verband houdende met de spontane regularisatie van de ten onrechte afgetrokken BTW voor enige tussenkomst van een fiscale administratie, evenals het middel verband houdende met de verjaring van de vordering met betrekking tot de facturen, die werden uitgeschreven tus-sen 16 februari 1989 en 31 maart 1991 ten belope van 3.013.775 BEF, als volgt te hebben verworpen :
"(Eiseres) roept tevens in dat zij de ten onrechte afgetrokken B.T.W. 'spontaan' zou geregulariseerd hebben 'voor enige tussenkomst van een fiscale administratie', zodat zij bij toepassing van art. 3 K.B. nr. 41 '... in aanmerking komt voor een volledige kwijtschelding van de achteraf nagevorderd geldboete'.
Daarbij gaat (eiseres) voorbij aan het bewezen feit dat de BBI reeds op 16 december 1993 een eerste proces-verbaal opmaakte, zich daarbij baserend op de bevindingen van het strafdossier inzake S. e.a. : de door (eiseres) gedane regularisatie gebeurde derhalve noch spontaan (de zaakvoerders van (eiseres) waren immers voordien reeds in het kader van het strafonderzoek lastens S. e.a. verhoord en wisten daardoor dat de belastingfraude ontdekt was, waarna de regu-larisatie pas aangevat werd) noch voor enige tussenkomst van een fiscale administratie.
(Eiseres) kon derhalve geen aanspraak maken op toepassing van art. 3 K.B. nr. 41.
(Eiseres) roept tevens in dat de boete met 6.027.550 BEF dient verminderd te worden omdat de vordering tot voldoening van de B.T.W. met betrekking tot de facturen uitgeschreven tus-sen 16 februari 1989 en 31 maart 1991 (ten belope van 3.013.775 BEF) zou verjaard zijn.
Daarbij gaat (eiseres) er echter ten onrechte van uit dat de door haar zaakvoerder M. op 12 januari 1994 gedane afstand van verjaring (die expliciet ook gold voor de boete ad 11.736.000 BEF) niet rechtsgeldig zou zijn bij toepassing van art. 14 van haar gecoördineerde statuten (dat stelt dat de vennootschap in en buiten rechte vertegenwoordigd wordt door twee zaakvoerders gezamenlijk optredend), nu blijkens art. 15 van deze statuten de heer M. als gevolmachtigde van de vennootschap kon optreden en zulk optreden in ieder geval door de vennootschap bekrachtigd werd, hetgeen blijkt uit de brief van 12 april 1995 van de advocaat van (eiseres) aan o.m. (verweerder), waarin o.a. verklaard werd 'Ik wijs erop dat een afstand van verlopen tijd van verjaring werd ondertekend, en dat thans onderhandelingen aan de gang zijn omtrent de reductie van de geldboete van 200 pct.' (zie stuk 20 bundel (verweerder)".
Grieven
1.1. Eerste onderdeel
Blijkens artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde wordt volledige kwijtschelding van de geldboeten verleend wanneer een schuldenaar zijn toestand spontaan rechtzet voor enige tussenkomst van een fiscale administratie.
Er is sprake van een spontane rechtzetting in de zin van voornoemd artikel wanneer de schuldenaar hiertoe overgaat uit eigen beweging, zonder hiertoe voorafgaandelijk door een fiscale administratie te zijn uitgenodigd of gedwongen.
De aan deze spontane rechtzetting onderliggende beweegredenen, zoals de vrees dat de onregelmatigheid aan het licht zal komen, zijn terzake volkomen irrelevant.
Eiseres voerde in besluiten aan de BTW grotendeels, dit is ten bedrage van 5.664.345 BEF, in de BTW-aangifte van de maand maart 1993 te hebben geregulariseerd en het restant van 203.900 BEF in de BTW-aangifte van december 1993 te hebben rechtgezet.
Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de administratie eerst op 28 september 1993 toelating tot inzage van het litigieuze strafdossier werd verleend, de BBI op 16 december 1993 een eerste proces-verbaal opmaakte, zich daarbij baserend op de bevindingen van het strafdossier inzake S. e.a., en op 31 augustus 1995 het proces-verbaal, waarop het op 3 juni 1996 uitgevaardigde dwangbevel was gebaseerd, werd opgesteld.
Uit geen van deze vaststellingen enige tussenkomst van de fiscale administratie voor de door eiseres doorgevoerde regularisaties blijkt. Aangaande de regularisatie, doorgevoerd in maart 1993, verwijst aldus geen enkele overweging naar dergelijke voorafgaande tussenkomst, terwijl aangaande de regularisatie, doorgevoerd in december 1993, niet met zekerheid is vast te stellen dat het proces-verbaal, waarvan sprake in het bestreden arrest, aan de regularisatie voorafging en, indien dit wel het geval zou zijn geweest -quod non-, niet wordt vastge-steld dat eiseres hiervan reeds kennis had op het ogenblik waarop zij het restant regulariseerde.
Er evenmin uit de door het bestreden arrest gedane vaststellingen kan worden opgemaakt dat voor die regularisaties eiseres kennis had of kon hebben van enig initiatief vanwege de fiscale administratie om te haren opzichte BTW in te vorderen op het bedrag van ten onrechte in mindering gebrachte facturen.
De vaststelling dat de zaakvoerders reeds voordien, dit is voor het eerste proces-verbaal dagtekenend van 16 december 1993, in het kader van het strafonderzoek lastens S. e.a. werden verhoord en wisten dat de belastingfraude was ontdekt, in ieder geval niet volstaat om de toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 uit te sluiten, nu deze vaststelling niet verwijst naar enige tus-senkomst van een fiscale administratie en er alleszins niet wordt vastgesteld dat dit verhoor aan de regularisatie van maart 1993 voorafging,
zodat het bestreden arrest op grond van de gedane vaststellingen, waaruit geen enkele tussenkomst van enige fiscale administratie voor de door haar doorgevoerde regularisatie van maart 1993 blijkt en waaruit evenmin met zekerheid is op te maken of enige tussenkomst van de fiscale administratie voorafging aan de regularisatie van december 1993, niet wettig kon beslissen dat eiseres geen aanspraak kon maken op toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 met betrekking tot de in die periodes geregulariseerde BTW (schending van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde) en evenmin naar recht is verantwoord in zoverre het besluit tot een gebrek aan spontaneïteit van de regularisatie om de enkele reden dat de zaakvoerders op de hoogte zouden zijn geweest van het feit dat de belastingfraude was ontdekt (schending van diezelfde bepaling).
1.2. Tweede onderdeel
Blijkens artikel 14 van de statuten van eiseres wordt de vennootschap in en buiten rechte vertegenwoordigd door twee zaakvoerders gezamenlijk optredend.
Deze clausule werd opgenomen in de statuten bij toepassing van artikel 130,vierde lid, van de Vennootschappenwet, naar luid waarvan de statuten aan een of meer zaakvoerders de bevoegdheid kunnen verlenen om alleen of gezamenlijk de vennootschap te vertegenwoordigen, bepaling die aan derden kan worden tegengeworpen overeenkomstig de regels, gesteld in artikel 10.
Indien het bestreden arrest vaststelt dat blijkens artikel 15 van de statuten de heer M. als gevolmachtigde van de vennootschap kon optreden, het echter niet vast-stelt dat hij ook daadwerkelijk door de vennootschap aangewezen werd als gevolmachtigde om op 12 januari 1994 te verzaken aan de verjaring van de vordering, strekkende tot voldoening van de BTW met betrekking tot de facturen, uitgeschreven tussen 16 februari 1989 en 31 maart 1991,
Wellicht kunnen de handelingen, gesteld door een persoon namens de vennootschap, doch buiten de perken van zijn opdracht, door de vennootschap worden bekrachtigd, gegeven waarvan het bewijs door derden kan worden geleverd door alle middelen van recht.
Uit de enkele verklaring van de advocaat van de vennootschap op 12 april 1994 dat er een afstand van verlopen tijd van de verjaring werd ondertekend en dat onderhandelingen aan de gang waren omtrent de reductie van de geldboete van 200 pct, kan evenwel onmogelijk worden afgeleid dat dergelijke afstand van verjaring ook door de vennootschap bekrachtigd werd,
zodat het bestreden arrest, dat oordeelt dat eiseres er ten onrechte van uitgaat dat de door haar zaakvoerder M. op 12 januari 1994 gedane afstand van verjaring niet rechtsgeldig zou zijn omwille van het bepaalde van artikel 15 van de statuten, zonder dat weliswaar uit de gedane vaststellingen blijkt dat de zaakvoerder ook daadwerkelijk werd gevolmachtigd om afstand te doen van de verjaring van de vordering, niet naar recht is verantwoord, nu het aldus de regels inzake de bewijslast miskent (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek) en op grond van de weerhouden feiten, te weten de brief van de advocaat van de vennootschap, niet wettig kon besluiten dat de afstand door de vennootschap bekrachtigd werd, aldus het rechtsbegrip vermoeden miskennende door uit de gedane vaststellingen een gevolg af te leiden dat op die grond onmogelijk kon worden gerechtvaardigd (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek).
2. Tweede middel
Geschonden wetsbepalingen
- artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981,
- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994,
- artikel 66 van het Strafwetboek,
- artikel 2 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen,
- artikel 4 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in de wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen,
- evenals het algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem", voortvloeiende uit het rechterlijk gewijsde.
Aangevochten beslissing
Het Hof van Beroep te Antwerpen, rechtdoende op eiseres' hoger beroep, verklaart dit slechts gedeeltelijk gegrond, doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw rechtdoende, verklaart het ingesteld verzet ten dele gegrond in die zin dat de in het dwangbevel nagevorderde geldboete van 11.736.000 BEF in hoofdsom verminderd wordt tot 5.868.000 BEF in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke moratoire rente, na evenwel het door eiseres aangevoerde middel, geput uit artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, dat in vertaling luidt: "Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken" en waaruit eiseres afleidde dat de litigieuze administratieve geldboete, die een repressief karakter zou hebben, niet mag opgelegd worden na een definitief geworden strafrechtelijke sanctie over hetzelfde misdrijf, in casu uitgesproken door het vonnis van 14 oktober 1994 van de correctionele rechtbank te Antwerpen, als volgt te hebben verworpen :
"De strafrechtelijk verantwoordelijken (de zaakvoerders) van (eiseres), die de misdrijven begingen, zijn in casu door het vonnis van 14 oktober 1994 van de correctionele rechtbank te Antwerpen gestraft.
De feiten die ten grondslag lagen aan deze strafrechtelijke veroordeling zijn dezelfde als deze die ten grondslag liggen aan de litigieuze administratieve sanctie die een strafsanctie is in de zin van art. 14 BUPO-Verdrag.
Voor de wet van 4 mei 1999 kon (eiseres) echter strafrechtelijk niet veroordeeld worden voor strafbare feiten die zij had gepleegd. In casu was er een pluraliteit van daders (met name de zaakvoerders van (eiseres) en (eiseres) zelf), waarvan één, te weten (eiseres), naar Belgisch recht ten tijde van de gepleegde feiten niet kon worden gestraft.
(Eiseres) was op het ogenblik dat (verweerder) voor de litigieuze feiten een administratieve boete vorderde daarvoor dan ook nog niet gestraft, zodat art. 14,7°, BUPO-Verdrag en het 'non bis in idem' in beginsel in casu geen beletsel voor het navorderen van de administratieve geldboete vormen".
Grieven
Eiseres voerde in haar conclusies, neergelegd voor het hof van beroep, op pagina's 24 e.v., evenals in haar aanvullende conclusie op pagina's 16 en 17, aan dat het feit dat een strafrechtelijk verantwoordelijke wordt gestraft voor de misdrijven van een vennootschap uiteraard slechts volgt uit de regel (geldend vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999) dat rechtspersonen wel misdrijven kunnen plegen, maar niet gestraft kunnen worden :
dat "een strafrechtelijke verantwoordelijke wordt gestraft 'in naam' van de rechtspersoon, die zelf niet kan worden gestraft";
dat bijgevolg een rechtspersoon tweemaal voor hetzelfde misdrijf zou worden gestraft indien haar een geldboete met strafrechtelijk karakter wordt opgelegd na de veroordeling van haar zaakvoerders als strafrechtelijk verantwoordelijke personen;
dat deze regel van het verbod van dubbele bestraffing van de rechtspersoon en haar strafrechtelijk verantwoordelijke slechts één uitzondering kent, met name wanneer de begane overtredingen als verschillende materiële feiten zouden moeten worden aangemerkt, wat in casu niet het geval is,
dat "in de voorliggende context de natuurlijke persoon strafrechtelijk werd vervolgd als strafrechtelijke verantwoordelijke voor het door de rechtspersoon gepleegde misdrijf".
Het bestreden arrest stelt zelf uitdrukkelijk vast dat de zaakvoerders, die gestraft werden bij vonnis van 14 oktober 1994 van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen, de strafrechtelijk verantwoordelijken van eiseres waren en wijst erop dat voor de wet van 4 mei 1999 eiseres strafrechtelijk niet kon veroordeeld worden vóór strafbare feiten die zij had gepleegd,
zodat het hof van beroep niet zonder tegenstrijdigheid enerzijds kon oordelen dat de zaakvoerders van eiseres in hun hoedanigheid van strafrechtelijke verantwoordelijken van eiseres, door wier toedoen derhalve de strafbare feiten waren gepleegd geworden, waren veroordeeld, maar anderzijds beslissen dat er een pluraliteit van daders was, waarvan er een, met name eiseres, niet kan worden gestraft, waardoor het, in strijd met de eerste vaststelling, te kennen geeft dat de feiten, waarvoor de zaakvoerders werden veroordeeld, geen feiten waren die door hun toedoen door de vennootschap werden gepleegd, aldus de grondwettelijke motiveringsplicht miskennende (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994), althans niet wettig kon besluiten dat er sprake was van een pluraliteit van daders, waarvan er een, met name eiseres, niet kon worden gestraft, na eerder te hebben vastgesteld dat de zaakvoerders als strafrechtelijk verantwoordelijken van eiseres en derhalve als personen, aan wie de daden, gesteld door de rechtspersoon, dienden te worden toegerekend, of anders gezegd door wier toedoen de strafbare feiten door de vennootschap werden gesteld, werden gestraft, aldus het begrip 'dader', zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999, miskennende (schending van de artikelen 66 van het Strafwetboek en voor zoveel als nodig 2 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen en 4 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen), in ieder geval tot dergelijke pluraliteit niet wettig kon besluiten zonder eerst te hebben vastgesteld dat de feiten, waarvoor de zaakvoerders werden gestraft, geen feiten waren die in werkelijkheid door de vennootschop door hun toedoen werden gepleegd (schending van de artikelen 66 van het Strafwetboek en voor zoveel als nodig 2 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen en 4 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen) en derhalve zijn beslissing dat artikel 14,7 van Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten en het "non bis in idem" beginsel geen beletsel vormden voor het navorderen van de administratieve geldboete vanwege eiseres niet naar recht verantwoordt (schending van artikel 14.7 van het Internatio-naal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, evenals van algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem", voortvloeiende uit het rechterlijk gewijsde).
B. Voorziening C.00.0307.N.
Eiser voert een middel aan. Het is gesteld als volgt :
Geschonden wetsbepalingen
- de artikelen 70, 72 en 84 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (B.T.W.-Wetboek), inzonderheid het artikel 70,§1bis, zoals ingevoegd bij de wet van 27 december 1977 en het artikel 84,derde lid, zoals ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986,
- artikel 1, inzonderheid het laatste lid, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 oktober 1993, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde,
- Tabel B in de bij dit koninklijk besluit nr. 41 aangehechte bijlage.
Aangevochten beslissing
Het arrest, wijst na beoordeling van de verschillende grieven van verweerster betreffende de vaststelling en de invordering van de bestreden fiscale schuld, zijnde de vordering tot terugbetaling van ten onrechte afgetrokken B.T.W., deze grieven af, waarbij onder meer vastgesteld wordt :
- dat geen betwisting bestaat over het feit dat de zaakvoerders van verweerster, als strafrechtelijk verantwoordelijk voor verweerster, bij vonnis van 14 oktober 1994 van de correctionele rechtbank te Antwerpen veroordeeld werden uit hoofde van ten onrechte verrichte aftrek van B.T.W. op basis van valse (fictieve) facturen, met B.T.W. daarop van 5.868.245 BEF in de periode tussen februari 1989 en december 1992,
- dat deze frauduleuze aftrek de feitelijke grondslag vormt van de bij dwangbevel van 3 juni 1996 gevorderde administratieve geldboete van 200 pct.,
- dat het dwangbevel rechtsgeldig gemotiveerd is, en de redelijke termijn voor het behandelen van de procedure niet overschreden werd,
- dat de opgelegde sanctie niet onevenredig is met enige doelstelling van EG-recht, en verweerster vergeefs beroep doet op artikel 14,7°, van het BUPO-Verdrag of van het "non bis in idem" beginsel,
doch overweegt nadien, wat de toepasselijke fiscale boete betreft :
"Artikel 70, 72 en 84 BTW-Wetboek dienen in die zin geïnter-preteerd te worden dat het de rechter bij wie een verzet tegen een bij dwangbevel gevorderde administratieve geldboete aan-hangig is, toegestaan is een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen op de door de fiscus genomen beslissing een bepaalde fiscale geldboete met repressief karakter op te leg-gen (cfr. het door (verweerster) aangehaald arrest nr. 22/29 van 24 februari 1999 van het Arbitragehof).
In casu oordeelt dit hof dat rekening houdend met de vastgestelde belastingfraude enerzijds en met de door (ver-weerster) reeds uitgevoerde regularisatie van de ten onrechte afgetrokken B.T.W. anderzijds, een administratieve geldboete ad 100 pct. van de onrechtmatig afgetrokken B.T.W. of 5.868.000 BEF verantwoord was",
en op die motivering het ingesteld verzet tegen het dwangbevel ten dele gegrond verklaart, en de administratieve geldboete in hoofdsom herleidt tot 5.868.000 BEF.
Grieven
a. Artikel 70,§1bis, B.T.W.-Wetboek, schrijft voor dat ieder die onrechtmatig aftrek van belasting heeft genoten, een geldboete verbeurt gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1,eerste lid, welke beperking niet relevant is in de onderhavige zaak.
In toepassing van artikel 84 van hetzelfde wetboek worden de moeilijkheden inzake de heffing van de belasting die voor het inleiden van een rechtsgeding ontstaan door de minister van Financiën opgelost; verder wordt bij dit artikel gesteld dat de in hetzelfde wetboek vastgestelde proportionele fiscale boetes bepaald worden volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
In uitvoering van deze wetsbepaling wordt een schaal van verminderde geldboetes vastgesteld bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 juni 1987, met dien verstande dat, overeenkomstig het laatste lid van artikel 1 van dit besluit, de in de tabellen A tot J van de vermelde schaal niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
Uit deze voorschriften is derhalve af te leiden : (a) dat de verminderde boete van rechtswege toepasselijk is in gevallen zoals bedoeld in artikel 1,laatste lid, van het K.B. nr. 41; (b) dat de wettelijke boete, ten bedrage van het dub-bel van de onrechtmatig verrichte aftrek, eveneens van rechtswege toepasselijk is in de andere gevallen.
Deze regeling laat bijgevolg geen enkele plaats voor andere verminderingen van de opgelegde boete, zij het in toepassing van een door de rechter te beoordelen evenredigheidsbeginsel, of om redenen van verzachtende omstandigheden of van een subjectieve beoordeling van de plichtigheid van de belastingplichtige.
b. De in het arrest aangehaalde uitspraak van het Arbitragehof levert geen grond op om van de toepassing van dit wettelijk stelsel af te wijken.
In dit arrest wordt met name gesteld dat de toepassing van artikel 70, BTW-Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen dwangbevel aanhangig is, toestaat op de beslissing een fiscale boete op te leg-gen, een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen.
Een "controle met volle rechtsmacht" betekent dat indien de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie te moduleren, niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag ontsnappen.
De toepassing van het grondwettelijk gelijkheidsvoorschrift betekent aldus dat de beoordelingsbevoegdheid van de rechter even ver met gaan als die van de administratie; niet, dat ze verder moeten reiken.
c. Uit de hierboven voorgestelde ontleding van de toepasselijke voorschriften blijkt enerzijds dat de wettelijke boete, zonder mogelijke vermindering terzake van rechtswege toepasselijk is indien de overtreding begaan werd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
Het BTW-Wetboek voorziet niet in enige rechtvaardigings- of verschoningsgrond of verzachtende omstandigheid buiten de afwezigheid van frauduleus inzicht welke aanleiding geeft tot toepassing van K.B. nr. 41.
Het bestaan van opzettelijke frauduleuze praktijken wordt uitdrukkelijk in het arrest vastgesteld,
Het arrest stelt bovendien ook uitdrukkelijk vast dat de krachtens de wet opgelegde sanctie, zijnde een boete van 200 pct. van de ten onrechte afgetrokken BTW, niet onevenredig is met enige doelstelling van EG-recht,
waaruit blijkt dat de beschikking van het arrest, die de aan verweerster opgelegde fiscale boete herleidt tot 100 pct. of 5.868.000 BEF met de daaraan verbonden interest, onver-enigbaar is met de wettelijke bepalingen waarbij de fiscale boete wordt opgelegd (schending van al de in de aanhef van het middel aangeduide wetsbepalingen).
V. Beslissing van het Hof
A. In de zaak C.00.0599.N
1. Eerste middel
1.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat, krachtens artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, volledige kwijtschelding van de geldboeten wordt verleend wanneer een schuldenaar zijn toestand spontaan rechtzet voor enige tussenkomst van een fiscale administratie;
Dat er geen sprake kan zijn van een spontane rechtzetting wanneer ten aanzien van de belastingplichtige strafvervolgingen zijn ingesteld wegens een inbreuk op zijn fiscale verplichtingen en de belastingplichtige hieruit redelijkerwijze moet afleiden dat hij de ontdoken belastingen zal moeten betalen;
Overwegende dat het arrest dat vaststelt dat de zaakvoerders van eiseres wisten dat hun belastingfraude ontdekt was vooraleer tot regularisatie werd overgegaan, zonder schending van de aangewezen wetsbepaling vermocht te beslissen dat eiseres geen aanspraak kon maken op de toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41;
Dat ongeacht de door het arrest gebruikte bewoordingen het onderdeel niet kan worden aangenomen;
1.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat het onderdeel gedeeltelijk opkomt tegen de feitelijke beoordeling van de appèlrechters dat de bekrach-tiging van de afstand van de verjaring blijkt uit de brief van de advocaat van eiseres van 12 april 1995;
Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is;
Overwegende dat de appèlrechters uit de termen van de brief vermochten af te leiden, zonder schending van de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen en begrippen, dat de eiseres de afstand van de verjaring had bekrachtigd;
Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;
2. Tweede middel
Overwegende dat het middel een juridische tegenstrijdigheid aanvoert die slechts kan worden beoordeeld op grond van een uitlegging van wetsbepalingen; dat dergelijke tegenstrijdigheid geen verband houdt met de motiveringsplicht;
Dat het middel, in zoverre het schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, niet ontvankelijk is;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat de zaakvoerders een misdrijf hebben gepleegd door te handelen zoals zij gedaan hebben maar dat de vennootschap die het voordeel heeft genoten van het misdrijf zonder te kunnen worden gestraft op grond van de toenmalige wetgeving ook een strafbaar feit heeft gepleegd dat toen niet kon worden bestraft;
Dat onder het vigerende recht niet uitgesloten kon worden dat een rechtspersoon en haar zaakvoerders samen een strafbare daad zouden stellen waardoor alleen de zaakvoerders konden worden gestraft;
Dat door op die gronden te oordelen dat te dezen onder het oude recht sprake was van een pluraliteit van daders, de appèlrechters de aangevoerde juridische tegenstrijdigheid niet begaan en de in het middel aangehaalde wetsbepalingen over het begrip dader niet schenden;
Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen;
Dat het middel in zoverre het de schending van internationale verdragen en algemene rechtsbeginselen aanvoert, afgeleid is uit de te vergeefs aangevoerde tegenstrijdigheid;
Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is.
B. In de zaak C.00.0307.N.
Overwegende dat, krachtens artikel 70,§1bis, van het B.T.W.-Wetboek, ieder die onregelmatig aftrek van belasting heeft genoten, een geldboete verbeurt gelijk aan het dubbel van de belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1, lid 1, van hetzelfde artikel;
Dat, krachtens artikel 84 van dat wetboek, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald wordt volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld;
Dat, krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboete, de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken;
Overwegende dat belastingschuldigen tegen een dwangbevel van de invorderingsambtenaar verzet kunnen doen;
Overwegende dat de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, de wettelijkheid van die sanctie mag onderzoeken, en in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen;
Dat dit toetsingsrecht in het bijzonder aan de rechter moet toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het be-stuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang;
Dat dit toetsingsrecht niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen;
Overwegende dat het arrest dat op dat punt niet wordt bekritiseerd, aanneemt dat de litigieuze sanctie als een strafsanctie moet beschouwd worden onder meer in de zin van artikel 14 IVBPR;
Dat de appèlrechters vaststellen dat de zaakvoerders van eiseres als bestuurders van eiseres correctioneel veroordeeld werden voor ten onrechte verrichte aftrek van B.T.W. op basis van valse facturen, en dus aannemen dat de overtredingen begaan werden met het oog op het ontduiken van de B.T.W.;
Dat zij evenwel beslissen, dat het hen toegestaan is "controle met volle rechtsmacht" uit te oefenen op de door de fiscus genomen beslissing een bepaalde fiscale geldboete op te leggen en oordelen "rekening houdend met de vastgestelde belastingfraude enerzijds en met de door verweerster reeds uit-gevoerde regularisatie van de ten onrechte afgetrokken B.T.W. anderzijds, dat een geldboete ad 100 pct. van de onrechtmatig afgetrokken B.T.W. verantwoord was";
Dat de appèlrechters uit die gegevens alleen niet konden afleiden dat de door het bestuur opgelegde boete onevenredig was;
Dat het middel gegrond is;
HET HOF,
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
Voegt de zaken nrs. C.00.0599.N en C.00.0307.N;
Verwerpt de voorziening C.00.0599.N;
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de in het dwangbevel gevorderde boete vermindert en oordeelt over de kosten;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Veroordeelt de BVBA R. in de kosten van haar voorziening;
Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
De kosten in de zaak C.00.0307.N begroot op de som van honderd zevenentachtig euro zestien cent jegens de eisende partij en op de som van honderd zesenveertig euro achtendertig cent jegens de verwerende partij.
De kosten in de zaak C.00.0599.N begroot op de som van tweehonderd vijfenzestig euro vijfendertig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeëntwintig euro zesenzestig cent jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter ...
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
5Rechtspraak
5België
5Hof van CassatieF.12.0121.F11.09.2014
Administratieve geldboete, Proportionaliteit, bevoegdheid van de rechter, Vermindering, evenredigheid
Hof van beroep te Bergen2014/RG/69416.03.2016
Recht op aftrek, Fiscale fraude, Fictieve facturen
Hof van beroep te Antwerpen07.12.2010